Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 90
Passion, paš’n, het lijden (vooral het laatste lijden des Heeren), hartstocht, liefde, toorn, smart, geestdrift, vuur: To be in a towering passion = in hevigen toorn ontstoken; He fell (flew) into a passion = werd woedend; Don’t give way to passion = laat u niet door drift medesleepen; To have a passion for = voorliefde hebben; To put a person into a passion = iemand in drift doen ontsteken; Passion-flower = passiebloem; Passion-play = passiespel; Passion-Sunday = Zondag vóór Paschen; Passion tide = lijdensweken; Passion week = lijdensweek; Passionate = hartstochtelijk, driftig, oploopend; subst. Passionateness; Passionists = een bepaalde godsdienstige orde der R. Katholieken, die behalve de gewone 3 beloften nog een vierde afleggen, nl. tot voortdurende overweging van het lijden Onzes Heeren (vandaar de naam); Passionless.
Passive, pasiv, lijdend, passief, indifferent: Passive obedience = lijdelijke gehoorzaamheid; Passive resistance; Passive verb = lijdend werkwoord; subst. Passiveness.
Passover, pasouvə, Joodsch paaschfeest, feest ter herinnering aan de verlossing uit Egypte; paaschlam; Passover-bread, Passover-cake = Paaschbrood.
Past, pâst, subst. verleden; adj. voorbij(gegaan), verleden, doorgebracht; onovertroffen; adv. en prep, over, overheen, te boven, voorbij: She has a past = iets op haar kerfstok (een “verleden”); He is a past-master in villainy = een aartsschelm; He came past our house = langs; He was past that now = er nu overheen; Past comprehension (all common sense) = alle begrip (gezond verstand) te boven gaande; The patient is past cure = onherstelbaar, ongeneeslijk; Half past four = half vijf; Past hope = hopeloos; I am past marrying = te oud om te trouwen; For many years past = vele jaren geleden.
Paste, peist, subst. deeg, pasta, glasdeeg, valsche diamant; adj. uit pasta gemaakt, onecht; Paste verb. vastplakken, beplakken; in pasta werken; afranselen: A pair of ear-drops of glittering paste = een paar simili oorknopjes; Pasteboard = bordpapier, visitekaartje, speelkaart, biljet; Paste-pot = lijmpot.
Pastel, past’l, weede (plant); pastel; Pastellist = pastelteekenaar.
Pastern, pastən, koot van een paard; Pastern-joint = kootgewricht.
Pasteurize, pastɐ̂raiz, pastɐ̂raiz, pasteuriseeren.
Pastil, pastil; Pastille, pastîl, pastille.
Pastime, pâstaim, tijdverdrijf, genoegen.
Pastor, pâstə, (geestelijk) herder; Pastoral, subst. idylle, landelijk gedicht, herdersdicht, herderlijk schrijven, pastorale (muziek); adj. landelijk, herderlijk: Pastoral visitation = huisbezoek; Pastoralism = herderlijke omgeving of natuur; Pastorate = herderlijk ambt = Pastorship.
Pastorale, pastərâli, pastorale (muz.).
Pastry, peistri, gebak, pastei: Pastry-cook = pastei- of banketbakker.
Pasturable, pâstjurəb’l, voor beweiding geschikt; Pasturage, pâstjuridž, weiden, weiland; Pasture, pâstjə, subst. weide, gras; Pasture verb, weiden, grazen: Pasture-ground (Pasture-land); Pastureless.
Pasty, peisti, subst. pastei(tje); adj. als deeg: A pasty-faced youth = bleeke jonge man.
Pat, pat, verk. van Patrick; Ier.
Pat, pat, subst. tikje, klapje, opgemaakt stuk boter; adj. geschikt, net van pas, toepasselijk; Pat verb. zachtjes tikken of kloppen: Pat to the time = te rechter tijd; He said the words pat on = glad achter elkaar op; He had rhymes pat about all the persons present = juist van toepassing; It came pat to the purpose = net van pas; He patted little children on the back, head = tikte (goedkeurend) op den rug, op het hoofd; Patness = juistheid, gepastheid.
Patagonia, patəgounjə.
Patch, patš, subst. lap, stuk, moesje, stuk of lapje grond; Patch verb. lappen, oplappen, samenflansen: This comedian is not a patch upon his fellow-artist = haalt in de verte niet bij; She laid on patches and made herself ridiculous = zij zag er belachelijk uit met hare schoonheidsmoesjes; To put a patch on = lap opzetten; The plaster is patching off the walls = valt bij stukken van den muur af; The dress was patched up = in haast en slordig opgelapt; Peace was patched up with them = een overhaaste vrede werd gesloten; Patchwork quilt = lappendeken; Patcher = lapper, knoeier; Patchy = gelapt, saamgeflanst; knorrig.
Patchouly, patšəli, patšûli, patchoeli plant, parfum daaruit bereid.
Pate, peit, kop: He broke his pate = kreeg een gat in zijn kop; Pated (in samenst., zooals: Curly-pated).
Patella, pətelə, schoteltje, knieschijf; Patelliform.
Paten, pat’n, pateen, vlakke gouden of vergulde schaal waarop de H. Hostie ligt.
Patent, peit’nt, subst. octrooi, vergunning, patent; adj. openbaar, duidelijk, gepatenteerd, uitstekend; Patent verb. octrooi verleenen, door een octrooi zich verzekeren: To take out a patent for = patent nemen op; Dissensions were becoming patent to the household = hunne geschillen werden duidelijk voor de huisgenooten; Patent-law; Patent-leather = verlakt leder; Patent-office = bureau der octrooien; Patent-right = patent(recht); Patent-rolls = register der ingeschreven octrooien; Patentable = waarvoor octrooi kan worden genomen; Patentee, peit’ntî, pat’ntî, patenthouder.
Pater, peitə, “ouwe heer”: My Pater; Pater-familias, peitəfəmiljəs, huisvader; Paternoster, patənostə, peitənostə, het “Onze Vader”, rozenkrans; Paternal, pətɐ̂n’l, vaderlijk, erfelijk; Paternity, pətɐ̂niti, vaderschap: Inquiry into the paternity of an illegitimate child = onderzoek naar het vaderschap; Paternity law = wet op het vaderschap.
Paterson, patəs’n; Patey, peiti.
Path, pɐ̂th, subst. pad: To break (open) a path = een weg banen; To leave the path to = iemand uit den weg gaan; Path-breakers = baanbrekers; Pathway = voetpad; Pathless = ongebaand.
Pathetic, pəthetik, gevoelvol, aandoenlijk.
Pathogeny, pəthodžəni, leer van het ontstaan der ziekten.
Pathologic(al), pathəlodžik(’l), pathologisch; Pathologist = patholoog; Pathology = ziektenleer.
Pathos, peithos, pathos.
Patience, peiš’ns, geduld, volharding, lijdzaamheid: I am out of patience = mijn geduld is op; I have come to the end of my patience = mijn geduld is ten einde; To lose one’s patience; Possess your soul in patience = bezit je ziel in lijdzaamheid; Take patience = heb geduld; Patient, peiš’nt, lijder, patient; adj. geduldig, lijdzaam, kalm, toegevend, volhardend, taai: What is death to the patient is profit to the physician = den een zijn dood is den ander zijn brood; To be patient of = geduldig dragen.
Patina, patinə, vlakke schaal; groene roest op brons.
Patriarch, peitriâk, patriarch; Patriarchal, peitriâk’l, aartsvaderlijk; Patriarchate = patriarchaat = Patriarchship.
Patrician, pətriš’n, patricisch; subst. patriciër.
Patrick, patrik, Patricius.
Patrimonial, patrimounj’l, tot het vaderlijk erfdeel of de nalatenschap behoorende; Patrimony, patriməni, vaderlijk erfdeel.
Patriot, peitriət, patriət, subst. vaderlander, patriot; adj. vaderlandslievend; Patriotic, peitriotic, patriotic = vaderlandslievend; Patriotism, peitriətizm, patriətizm, vaderlandsliefde.
Patrol, pətroul, subst. patrouille, ronde; Patrol verb. patrouilleeren, de ronde doen.
Patron, peitr’n, patr’n, subst. beschermer, beschermheer, beschermheilige, geregeld bezoeker, begunstiger; adj. beschermend, bescherm ...; Patronage, peitrənidž, patrənidž, bescherming, patronaat, recht van begeving; Patroness = beschermvrouw; Patronize, peitrənaiz, patrənaiz, beschermen, begunstigen; Patronizer; Patronizing = beschermend, nederbuigend: Patronizing air.
Patronymic, patrənimik, subst. geslachts- of familienaam; adj. v. een voorvader verkregen (naam); Patronymical.
Patroon, pətrûn, grondbezitter aan wien, oorspronkelijk door de Ned. W.-Ind. Comp., eenige heerlijke rechten waren toegekend.
Patten, pat’n, soort klomp, oudtijds soort stelt(schoen), patijn; onderlaag v. een muur, voetstuk v. eene zuil.
Patter, patə, kletteren, trappelen, ratelen, klateren, snateren; subst. gekletter, etc., tusschengevoegde en snel uitgesproken woorden in een pattersong; They all pattered French more or less = praatten, snapten.
Pattern, patən, subst. model, patroon, voorbeeld, staal, schabloon; Pattern verb. copieeren, bespikkelen: A French patternbonnet = modelhoed; The streets were starred and patterned with lights.
Patty, pati, pasteitje; Patty-pan.
Patulous, patjulɐs, afstaand, uitstaand.
Paucity, pôsiti, geringheid, schaarschte, gebrek: Paucity of labour = gebrek aan werkkrachten.
Paul, pôl, Paulus; Pauline, pôlin, Paulina; pôl(a)in, Paulinisch.
Paunch, pônš, pânš, buik, pens, balg; Paunch-mat = stootmat (scheepst.); Bow-paunched = met ronden buik; Paunchiness.
Pauper, pôpə, arme, bedeelde: Pauper children, Pauper school; Pauperism = de bedeelden, armoede; Pauperization, subst. v. Pauperize = tot diepe armoede brengen.
Pause, pôz, subst. rust, afbreking, twijfel, besluiteloosheid, gedachtestreep: Pause verb. pauseeren, rusten, weifelen, aarzelen: Such things must give a sensible man pause = brengen tot nadenken; He stood in pause = twijfelde, weifelde.
Pave, peiv, bevloeren, plaveien: To pave the way for = den weg banen; Pavement = bestrating, plaveisel; Foot-, Side-pavement = trottoir, kleine steentjes; Paver = straatmaker, wegbereider, straatsteen, stamper.
Pavilion, pəvilj’n, paviljoen, vlag, standaard, verhemelte (Herald.); oude munt.
Pavior, peivjə, straatmaker, stamper.
Pavo, peivou, pauw, sterrenb. de pauw; Pavonine, pavən(a)in, met vele kleuren schitterend (als een pauwestaart).
Paw, pô, subst. poot met klauw; hand; Paw verb. (met den voorpoot) krabben (v. paarden); ruw aanpakken, flikflooien.
Pawem, pôəm, aangenaam gedeelte, in een boek tusschen zwaardere kost ingelascht.
Pawky, pôki, slim, schalks(ch): He takes a pawky view of things.
Pawl, pôl, pal.
Pawn, pôn, subst. pion (schaakspel), pand; Pawn verb. verpanden: I have given my watch in (at) pawn = als pand gegeven; Pawnbroker = lombardhouder; Pawnbroking = het houden v. een lommerd; Pawner; Pawn-house = Pawnshop; Pawn-tickets with the equity of redemption = lommerdbriefjes met het recht van wederinkoop.
Pawnee, pônî: Brandy pawnee = cognacgroc (Brit Ind.).
Pawnee, pônî; Pawtucket, pôtɐkət.
Pax, paks. Zie Osculatory: To cry pax = roepen dat het ‘genoeg’ is (Schoolslang).
Pax(y)-wax(y), paks(i)waks(i), sterke, dikke nekspier (bij slachtvee).
Pay, pei, subst. betaling, loon, soldij; Pay verb. betalen, vergoeden, vergelden, kwijten; teeren, smeren: No pay no play = zonder geld heb je niets; In the pay of = in dienst van; Officer on halfpay = op wachtgeld; To pay one’s addresses to = het hof maken; To pay attention = opletten; You paid him a bad compliment = maakte; When he came home there was the devil to pay = waren de poppen aan het dansen; He robs Peter to pay Paul = hij maakt een gat om een ander gat te stoppen; To pay the piper = het gelag betalen; I will pay him full tale for this = het hem dubbel en dwars betaald zetten; To pay a visit = brengen; If you don’t wish to get into debt, you must pay your way = moet ge uwe verplichtingen nakomen; You will have to pay down = gij zult moeten opdokken, contant betalen; You shall pay for this = zult boeten; Will you pay for the book? = het boek betalen; He paid for his treachery with his life = boette zijn verraad; The sum was paid in to your account = gestort, afbetaald op uw debet-rekening; To pay into a bank, the hands of a banker = deponeeren bij; I have paid him off = het volle bedrag uitbetaald; het hem betaald gezet; The loan will be paid off at the price of £ 106 for every £ 100 = is aflosbaar; Pay him on = sla er op, raak hem; I have paid him out (for it) = paid him home = het hem betaald gezet; Pay out more cable = vier; We had to pay through the nose = ons werd het vel over de ooren getrokken; I want to pay up my arrears = wensch te betalen; The business does not pay = rendeert niet; Paid-up shares = volgestorte aandeelen; He got well paid = kreeg het goed betaald; Pay-bill = betaalsrol; Pay-box = loket, plaatsbureau (theaters); Pay-day = traktementsdag; Paymaster = betaalmeester, kwartiermeester, officier van administratie; Pay-office = betaalkantoor; Pay-sheet = betaalsrol; Payable = betaalbaar: Payable at sight to Mr. X. or order = betaalbaar op zicht aan den heer X. of order; Payee, peiî, wien betaald wordt; Payer = betaler; Paying = loonend; Payment = betaling, loon: He has stopped (suspended) payment = zijne betalingen gestaakt.
Payne, pein.
Paynim, peinim, heiden.
Paynize, peinaiz, hout voor bederf bewaren door eene injectie van zekere oplossing.
Pea, pî, erwt: They are as much alike as two peas (in a pod) = zij lijken als twee droppels water op elkaar; Pea(s)-cod (-pod, -shell) = erwtenpeul; Pea-gun (Pea-shooter) = proppenschieter; Pea-nut = aardnoot; Pea-soup = erwtensoep.
Peabody, pîbodi.
Peace, pîs, vrede, rust, kalmte, harmonie: Peace to his ashes = hij ruste in vrede; Peace there! = stilte! At peace = verzoend; dood; I am not at peace with myself = het met mijzelf niet eens; Hold your peace = houd je stil; They kept the peace better than I had expected = zij hielden zich rustiger dan ik verwacht had; He promised to keep the king’s (queen’s) peace = om de orde niet meer te verstoren; He was sent to peace = werd gedood; Peace-breaker = rustverstoorder; Peacemaker = vredestichter; Peace-offering = zoenoffer; Peace-officer = politieagent; sheriff; Peace-party = vredepartij; The Peace-society = vredebond; In their peace-strength = sterkte in tijd van vrede; Peaceable = vreedzaam, vredelievend; subst. Peaceableness; Peaceful = vredig, kalm, stil; subst. Peacefulness; Peaceless = rusteloos, woelig.
Peach, pîtš, subst. perzik: He is no small peaches of an artist = als kunstenaar is hij geen kwajongen; Peach-brandy = persico; Peach-coloured = perzikkleurig; Peach-down = dons; Peach-tree.
Peach, pîtš, aanklagen, verklappen: Speak, or I’ll peach = spreek, of ik getuig tegen je, verklik je, geef je aan.
Peachick, pîtšik, jonge pauw; Peacock, pîkok, (mannetjes)pauw; ook verb., stappen als een pauw; Peacock-butterfly = pauwoog; Peacock-fish = pauwoog (visch); Peacock-hangings = behangsel met pauwenpatroon; Peafowl = pauw; Peahen = pauwin.
Pea-jacket, pîdžakət, pijjekker.
Peak, pîk, subst. piek, spits, punt, klep (van pet of hoed); Peak verb. kwijnen, er ziekelijk uitzien, (eene ra) optoppen: A peaked cap = met klep; Peaked beard = puntbaard; A peaked look = kwijnend; Peaked-up persons = stijve, opgeprikte personen; Peaking = ziekelijk; geniepig; Peakish = ziekelijk; Peaky = spits, ziekelijk uitziend.
Peal, pîl, subst. knal, slag, salvo, geratel, donderslag, klokgelui, aantal klokken; Peal verb. luide weerklinken of weergalmen: The peals were rung = er werd op de klokken gespeeld, klokkenspel weerklonk; Peals of laughter, of thunder = schaterend gelach, ratelende donderslagen; The bells pealed forth their merriest sounds = de klokken deden hare vroolijkste klanken hooren.
Pear, pêə, peer; Pear-tree.
Pearce, pîəs.
Pearl, pɐ̂l, parel, paarlemoer; pil; staar, (ook Pearl-eye), diamantletter; ook adj.; Pearl verb. met parelen bezetten, beperelen, parelen: Mother of pearl = paarlemoer; That’s casting pearls to (before) the swine = dat is paarlen voor de zwijnen gooien; The girl strung her beads and pearls = reeg hare kralen en paarlen; Pearl-ash = parelasch; Pearl-barley = geparelde gerst; Pearl-disease = parelziekte; Pearl-diver = parelvisscher; Pearl-eye(d) = (met) een vlek (staar) op het oog; Pearl-fishery = parelvisscherij, de plaats hiervoor; Pearl-oyster = pareloester; Pearl-sago; Pearl-shell = parelschelp; Pearl-studded = met paarlen bezet; Pearl-white = parelwit; Pearly = parelachtig, vol paarlen.
Pears, pîəz; Pearson, pîəs’n.
Peasant, pez’nt, subst. en adj. boer(sch); Peasantry = boerenstand, landvolk.
Pease, pîz, erwten.
Peat, pît, turf; ook = A lump of peat = een turf; Peat-bog = laag veen; Peat-cutter = turfsteker; Peat-drag = bagger; Peat-moor = hoog veen; Peat-moss = veenmos; Peat-stacks; Peatery = veenderij; Peaty = uit turf bestaande, turf bevattende.
Pebble, peb’l, kiezelsteen (= Pebble-stone), agaat, bergkristal (= Pebble-crystal); Pebbled, Pebbly = vol kiezelsteenen.
Peccability, pekəbiliti, zondigheid; Peccable, pekəb’l, zondig; Peccadillo, pekədilou, kleine zonde, pekelzonde; Peccancy, pek’nsi, zondige staat; Peccant = zondig, bedorven, slecht; Peccavi, pekeivai, “ik heb gezondigd”, schuldbelijding: To cry peccavi = schuld bekennen, om vergiffenis vragen.
Peck, pek, subst. maat van ± 9 L.; pik, hap, kus, voer, kost; groote hoeveelheid; Peck verb. pikken, vitten, eten: There are pecks and pecks of = hoopen; It gave me a peck of trouble = een heele portie last; We had to keep them peck and perch, all the year round = we moesten hen onderhouden; She pecked at her chop = knabbelde aan, at met kleine beetjes van; She pecked up all the crumbs = raapte (pikte) op; Peck-alley = keel(gat); Pecker = specht; snavel: To keep up one’s pecker = den moed (of eetlust) niet verliezen; To go to Peckham = gaan eten; All holiday at Peckham = Schraalhans is keukenmeester; Peckish = hongerig.
Pectin, pektin, pectine.
Pectinate, pektənit, kamvormig.
Pectoral, pektər’l, borst - -; subst. borstmiddel, borstlap, borstschild of kruis van priesters, borstspier; borstvin = Pectoral fin.
Peculate, pekjuleit, (geld) verduisteren; Peculation: Peculation was rife, and abuses were rampant = verduistering was algemeen; Peculator.
Peculiar, pəkjûliə, eigenaardig, bijzonder, origineel; ook subst.: This wine has a peculiar flavour = een gansch bijzonderen smaak (en geur); Peculiarity, pəkjûliariti, eigenaardigheid, bijzonderheid.
Pecuniary, pəkjûniəri, geldelijk, geld(s) ...: In pecuniary difficulties, troubles = in geldelijke moeilijkheden.
Ped, ped, pedaal; voetganger; groote mand.
Pedagogue, pedəgog, pedagoog, schoolvos; Pedagogical, pedəgodžik(’l), pedagogisch; Pedagogics, pedəgodžiks, pedagogiek.
Pedal, ped’l, pîd’l, voet - -; subst. pedaal; Pedal verb. het pedaal gebruiken; peddelen, fietsen; Pedal-note = aangehouden toon; Pedal-pipes (of an organ); Pedal(l)er = fietser.
Pedant, ped’nt, schoolvos; Pedantic(al), pədantik(’l), pedant; Pedantry = muggenzifterij, pedanterie.
Peddle, ped’l, venten, met eene mars loopen; zich met beuzelarijen ophouden: Peddler = marskramer (Z. Pedlar); Peddling = beuzelachtig, onbeteekenend.
Pedestal, pedəst’l, voetstuk: Pedestal writing-table = “bureau ministre”; To put on a pedestal (fig.).
Pedestrian, pədestriən, voet - -; gewoon, alledaagsch, prozaïsch; subst. voetganger: Pedestrian journey, Pedestrian tour = voetreis; Pedestrianism = het wandelen, wandelwedstrijd, hardloopwedstrijd; alledaagschheid.
Pedicel, pedisel, bloemsteel; Pedicellate, pediselit, gesteeld.
Pedigree, pedigrî, stam- of geslachtsboom, afkomst: Pedigree cattle = stamboekvee.
Pediment, pediment, pediment, gevelveld.
Pedipalp, pedipalp, schorpioenspin; taster (van een spin).
Pedireme, pedirîm, waterwants.
Pedlar, Pedler, pedlə, marskramer; Pedlary = marskramerij; bedriegerij.
Pedlington, pedliŋt’n: This is the Little Pedlington view of the matter = kleingeestige, bekrompen kijk op.
Pedometer, pədomətə, pedometer.
Peduncle, pədɐŋk’l, (bloem)steel; Peduncular, pədɐŋkjulə, bloemsteel ...; steel ...; Pedunculate, pədɐ̂nkjulit, gesteeld.
Peek, pîk, verb. gluren: Peek-a-boo = Peep-bo: Peek-a-boo blouse = blouse met transparant halsstuk; Peeker.
Peel, pîl, subst. schil; schieter (van bakkers), versterkte toren (op de grens van Eng. en Schotl.); Peel verb. schillen, afschillen, afschilferen, ontkleeden, plunderen: Candied peel = sukade; Orange peel; To keep one’s eyes peeled = zijne oogen open houden (fig.); Peelings = schillen.
Peel, pîl: Peeler = klabak.
Peep, pîp, subst. gepiep; het eerste dagen of verschijnen, gluren, sluwe blik; Peep verb. piepen; gluren (naar = at), gloren, aanbreken, sluw kijken: At the peep of dawn = bij het gloren van den dag; To take a peep at = gluren naar; Peep-bo = kiekeboe! Peep-hole = kijkgaatje; Peep-o’-day boys = Iersche (Protest.) opstandelingen (1784); Peep-show = kijkkast; Peeper = pas geboren kuiken; loervogel (fig.); oog: Painted peepers = blauwe (geslagen) oogen; Single peeper = éénoog; Peeping Tom = loervogel.
Peer, pîə, gluren, kijken, te voorschijn komen.
Peer, pîə, subst. pair, gelijke; Peerage = pairschap, de hooge adel; adelboek; Peeress = adellijke dame, vrouw van een peer; Peerless(ness) weergaloos(heid).
Peevish, pîviš, gemelijk, knorrig; subst. Peevishness.
Peewit, pîwit, kievit.
Peg, peg, subst. pen of pin, nagel, klemhoutje, schroef; tand, voet, bepaalde slag; cognac met spuitwater; Peg verb. met pinnen vastmaken of merken, afranselen (into), geducht werken of eten (away), met pennen uitzetten (out), uitknijpen (out), hard loopen: Pegs = broek van boven zeer wijd en van onderen erg nauw; He is a square (round) peg in a round (square) hole = niet op zijne plaats; To come down a peg or two = een toontje lager zingen; I’ll take (pull) him down a peg or two = ik zal hem een toon of wat lager doen zingen; I have pegged two for you = twee voor u aangezet; He was pegging away at his translation = werkte hard aan; peg-top = priktol; peg-tops = broek, wijd van boven en nauw om de enkels.
Pegasus, pegəsɐs, Pegasus; Peggoty, pegəti; Pegram, pîgrəm; Peile, pîl; Peirce, pîəs, pɐ̂s; Pekin, pəkin; Pekin(g), pikin(g).
Pekoe, pekou, pîkou, Pecco-thee.
Pelagic, piladžik, zee...
Pelargonium, peləgounj’m, pelargonium.
Pelerine, pelərîn, pelərîn, pelerine.
Pelf, pelf, vuil; “duiten”: It was the pelf that got her a husband = zij kreeg een man om haar “moppen”.
Pelican, pelik’n, pelikaan; tang, haak; distilleerkolf.
Pelion, pîliən: To pile Ossa on Pelion = zich bovenmenschelijk inspannen.
Pelisse, pəlîs, soort mantel, pelsmantel.
Pellet, pelət, balletje, propje, kogel(tje), grove hagelkorrel; Pellet verb. met balletjes (hagelkorrels) schieten op.
Pellicle, pelik’l, huidje, vliesje.
Pellitory, pelitəri, glaskruid.
Pell-mell, pelmel, in groote verwarring, blindelings; subst. verwarring, handgemeen.
Pellucid, pəl(j)ûsid, helder; doorschijnend; subst. Pellucidity, pel(j)usiditi = Pellucidness.
Peloponnesian, peləpənîsiən; subst. Peloponnesus.
Pelt, pelt, gooien, werpen, kletterend neerkomen; subst. werpen enz.; vel, vacht, ruwe huid: To pelt along = voortjakkeren (snellen); Pelt-monger = handelaar in huiden en vellen; Pelt-wool = wol (van doode schapen); Pelter = hagel (fig.), plasregen; geweer, pistool, klein oorlogschip; Pelterer = handelaar in vellen; Peltry = pelterij, huiden.
Pelvic, pelvik, bekken...; Pelvis, pelvis, bekken.
Pembroke, pembruk: Pembroke table = kleptafel.
Pem(m)ican, pemik’n, gedroogd gemalen en met vet tot koeken geperst vleesch: This booklet is historical pem(m)ican = droog maar degelijk.
Pen, pen, subst. schaapskooi, hok, perk; pen, veder, stijl; Pen verb. opsluiten, stuwen; schrijven, neerpennen: Slip of the pen = schrijffout, vergissing; The last stories from her pen = van hare hand; These pens have hard, soft nibs = dit zijn pennen met harde, zachte punten; I want this pen mended = ik wou deze pen vermaakt hebben; To put the pen through = de pen halen door; To set pen to paper: Pen-case = pennenkoker; Pen-driver = pennelikker; Pen-fish = pijl-inktvisch; Penholder = pennehouder: Penknife = pennemes; Pen-man = schoonschrijver; Penmanship = schrijfkunst, manier van schrijven; Pen-name = pseudoniem; Penwiper = pennenwisscher.
Penal, pîn’l, straf..., strafbaar: Penal code = wetboek van strafrecht; Penal colony = strafkolonie; Penal laws = strafwetten; Penal servitude = dwangarbeid; Penal settlement = strafkolonie; Penalty, pen’lti, wettige straf of boete; extra gewicht op een renpaard; bij een handicap; Penal kick = strafschop; Penalize = strafbaar stellen: Abstention of voting ought to be penalized = onthouding van stemming moest strafbaar gesteld worden; Penance, pen’ns, boetedoening, zoenstraf, boetekleed; ook verb.: To do penance.
Penang, pinaŋ: Penang-lawyer (Zie Lawyer); Penang-nut = betelnoot.
Penarth, pînəth.
Penates, pəneitîz, Penaten of huisgoden.