Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 17

Chapter 173,255 wordsPublic domain

Burnet(t)ize, bɐ̂nətaiz, behandelen met Burnett’s liquid (zinkchloride).

Burnish, bɐ̂niš, polijsten, bruineeren, gladmaken; Burnisher, polijster, polijststaal.

Burnoose, Burnous, bɐ̂nûs, bɐ̂nûs, bɐ̂nûz, burn(o)us, boernoes.

Burnt, bɐ̂nt, brandde, gebrand; opgewonden; beetgenomen (Amer.): A burnt child dreads the fire = een ezel stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen; Burnt-ear = roest (plantenziekte); Burnt-offering, Burnt-sacrifice = offerande, brandoffer.

Burr, bɐ̂, subst. Zie Bur; ruwe kant (van metaal); ruimijzer; molensteen, wetsteen; (Northumbrian burr) keel-r; Burr verb. met keel-r spreken; Burr-pump = scheepspomp.

Burrow, bɐrou, subst. hol; Burrow verb. een hol graven, indringen, zich ingraven.

Bursar, bɐ̂sə, penningmeester (v. een college); beneficiant (van een leen); Bursary = kas (van corporatie of klooster), leen, studiebeurs (Schotl.).

Burse, bɐ̂s, studiebeurs (Schotl.).

Burst, bɐ̂st, subst. breuk, scheur, uitbarsting, snelle rit, fuif; Burst verb. barsten, openvliegen(gaan, springen), uitbarsten, uitvallen, inbreken: This place is a burst of roses = ’t is al rozen wat men hier ziet; With a burst = plotseling; They burst the door = liepen in; With these words he burst away, forth, from = snelde hij heen, rukte hij zich los van; He burst into tears = in tranen uit; To burst on = zich storten op; To burst with laughing (laughter), anger = van lachen, toorn, barsten.

Burthen, bɐ̂dh’n. Zie Burden.

Burton, bɐ̂t’n, takel, talie.

Bury, beri, begraven, bedekken, bergen, vergeten en vergeven: To bury the hatchet = eig. de strijdbijl begraven, vrede sluiten; Burying-beetle = doodgraver (kever); Burying ground (Burying place).

Bus(s), bɐs, omnibus (Meerv. Busses); ook verb: We have bussed it.

Busby, bɐzbi, kolbak.

Bush, buš, subst. struik, kreupelbosch, tak klimop (vóór eene herberg als uithangbord), oerwoud (Amer. en Austral.), vossestaart, ijzeren ring, naafbus; Bush verb. met rijsjes of takjes steunen, van een naafbus voorzien, ruig groeien: Good wine needs no bush = geen krans; To beat about the bush = er omheendraaien, niet royaal op ’t doel afgaan; To beat the bush = het struikgewas kloppend doorzoeken; Bush fighting = guerilla; Bushman = boschjesman (Z. Afr.), kolonist, bijv. in Australië; Bush-ranger = woudlooper; een ontsnapte, van roof in bosschen levende galeiboef (Australië); Bush-whacker = Backwoodsman; pummel; soort zeis; Bushiness = ruigheid; Bushy = ruig, behaard.

Bushel, buš’l, schepel (8 gallons); een hoop: He measures other people’s corn by his own bushel = zooals de waard is vertrouwt hij zijn gasten; To hide one’s light under a bushel = zijn licht onder een korenmaat zetten; Bushelage = belasting op artikelen bij het schepel verkocht.

Business, bizinəs, subst. bezigheid, bedrijf, beroep, zaken, plicht: That is not your business, no business of yours = dat gaat u niet aan; What business have you to be here? = wat hebt gij hier te maken? That is not my line of business = branche; A man of business = handelsman; Business before pleasure = zaken gaan voor vermaken; That has done the business for him = dat heeft hem den knoei gegeven; He has got an eye to business = is een practische vent; Business is business = zaken zijn zaken; No business done after 4 o’clock = na 4 uur gesloten; I will make it my business to please you = ik zal er voor zorgen ...; I mean business = meen het in ernst; Mind your own business = bemoei je met je eigen zaken; A business concern = handelszaak; Business relations = handelsbetrekkingen; Chief business street = voornaamste winkelstraat; Businesslike = practisch.

Busk, bɐsk, subst. balein.

Buskin, bɐskin, halve laars, cothurn, tragedie; Buskined = tragisch, hoogdravend.

Buss, bɐs, subst. zoen; haringbuis (ook: Herring-buss); Buss verb. smokken.

Bust, bɐst, borstbeeld, borst.

Bustard, bɐstəd, trapgans.

Buster, bɐstə, iets kolossaals; een groote opsnijderij (leugen); fuif; hevige wind (Amer.)

Bustle, bɐs’l, subst. drukte, beweging, rumoer; tournure; Bustle verb. veel drukte of beweging maken, bedrijvig zijn; Bustler = druk, ijverig man.

Busy, bizi, adj. drukbezig, naarstig, rusteloos, bemoeiziek; Busy verb. bezig houden, aan het werk zetten (zijn): Busy at work, Busy doing it; He is a Busybody, a busy-brain = bemoeial, plannenmaker.

But, bɐt, behalve, slechts, tenzij: All came back but he (him) = behalve; Away went Gilpin, who but he? = wie anders dan hij? It cannot be but you must have seen him = het kan niet anders, of; Have you got anything? Yes, but I have = nu, of ik; “You know nothing about it.” But I do = dat doe ik wèl; But for you I should be dead = zonder u; Not but what (of that) he is a good fellow = niet, dat hij niet is; But then = maar daar staat tegenover, dat; But now = zooeven; I saw him but yesterday = gister nog (pas); All but one = alle op één na.

But, bɐt: But-and-ben = voor- en achterkamer in een huisje met twee vertrekken.

Butcher, butšə, subst. slager; moordenaar, wreedaard; Butcher verb. slachten, wreedaardig vermoorden; Butcher-bird = wurger (vogel); Butcherr’s-broom = muisdoorn; Butchery = slagersvak, slagerij, wreede moord of slachting.

Butler, bɐtlə, bottelier (hoofd der mannelijke bedienden); Butlery = wijnkelder, provisiekamer.

Butment, bɐtm’nt. Zie Abutment.

Butt, bɐt, subst. stoot, dik uiteinde, kolf, eindpunt, grens, mikpunt, schijf, schuttersdoelen, soort bot, achterste, kruis, zoolleer; groot vat (± 476 L. wijn ± 443 L. bier); kussen; Butt verb. met den kop stooten, wegduwen, aankomen tegen: He ran butt into it = pardoes, plompverloren; This path butts down upon the main road = loopt uit op; Butt-end = kolf, hoofdzaak.

Butter, bɐtə, subst. boter; Butter verb. met boter besmeren, honig om den mond smeren (fig.); boteren: Melted butter = botersaus; Oiled butter = gesmolten boter; He looks as if butter would not melt in his mouth = alsof hij geen tien kan tellen, erg zoetsappig; Butter on bacon = zuivel op zuivel, overdaad; Butter-boat = sauskom; Butter-cup, (Butter-flower) = boterbloempje; Butter-cooler; Butter-dish = botervlootje; Butter-fingered = onhandig (van iemand die alles laat vallen); Butterfly = kapel of vlinder (ook fig.); gaffel waarover de teugels loopen bij een hansom: A butterfly kiss = vluchtige zoen; Buttermilk = karnemelk; Butter-mould = Butter-print = botervormstempel; Butter-scotch = soort v. kokinje; Butter-trier = boterboor; Butterine, bɐtərîn, bɐtərin, margarine; Buttery, subst. provisiekamer of -kast; ververschingslokaal (voor E. studenten in de colleges); adj. boterachtig, week.

Butteris, bɐtəris, mes (v. een hoefsmid).

Buttock, bɐtək, achterste (gew. meerv.), bilstuk, gat (van het schip).

Button, bàt’n, subst. knop, oog, balletje, knoop, wervel; Button verb. van knoopen voorzien, vastknoopen: It is not worth a button = het is geen cent waard; Buttons = piccolo: He has a soul above buttons = hij is boven kleinigheden verheven; To button-hole = aanklampen: Button-hole, subst. knoopsgat, bouquetje of roosje in het knoopsgat (= Button-holer); Button-hole verb. knoopsgaten maken, aanklampen, zich laten knoopen; Button-hook = knoopenhaakje; Button-nail = spijker met ronden kop; Button-tree = Conocarpus; Button-ware = garen en band.

Buttress, bɐtrəs, subst. beer (metselwerk); Buttress verb. steunen (gew. met up).

Butty, bɐti, subst. kameraad, maat; Butty-collier = hoofd van de Butty-gang = een groep mijnwerkers arbeidend volgens het Butty-system = stelsel, volgens hetwelk het loon voor een aangenomen werk onder de arbeiders wordt verdeeld.

Buxom, bɐks’m, ferm, stevig, mollig; levendig, dartel: Buxomness.

Buy, bai, koopen, omkoopen: To buy dear = duur betalen (fig.); To buy at = bij; To buy back = terugkoopen; Buy from, of = van; Buy for, with = voor; To buy in = in(op)koopen, terugkoopen; To buy off = afkoopen, vrijkoopen, omkoopen; To buy out = uitkoopen; To buy over = omkoopen; To buy up = opkoopen; I have bought the refusal of that house = ik kan (tot zekeren tijd) dat huis voor een bepaalde som krijgen; Buyable = koopbaar; Buyer = kooper.

Buzz, bɐz, subst. gegons, gefluister, gerucht, gril; kortharige pruik, aanstellerig mensch; Buzz verb. gonzen, fluisteren, in ’t geheim rond vertellen; interj. stil! Buzz-saw = cirkelzaag; Buzzer = gonzend insect.

Buzzard, bɐzed, subst. buizerd; domkop.

By, bai, bij, nabij, door, volgens, naar evenredigheid van, gedurende, tegen, etc.: By all (any) means = toch vooral (By no means = vooral niet); By chance = bij toeval; By degrees = trapsgewijze; By far = verreweg; To get (to know) by heart = van buiten leeren (kennen); By our lady(kin) = bij de H. maagd; By little and little = langzamerhand; By the name of = genaamd; Passengers by the ‘Nederland’ = met; By nine o’clock = tegen; By reason (virtue) of = krachtens; By the run = alles te zamen; By the side of = vergeleken bij; Older by ten years = tien jaar ouder; By this time = tegen; It is seven by my watch = volgens, op; He said it by way of excuse = bij wijze van; I went to Italy by way of France = over Fr.; By the way = in ’t voorbijgaan, à propos; By word of mouth = mondeling; Day by day = dag aan dag; One by one = één voor één; By the by(e) = à propos; To be by oneself = alleen; I do not know how he came by all that money = kwam aan; When thieves fall out, honest men come by their own = als dieven ruzie krijgen, komen de eerlijke menschen aan wat hun toekomt; Do by others as you wish to be done by = behandel anderen, zooals; He has two children by her; I live by my trade = van mijn beroep, ambacht; To set great store by = op hoogen prijs stellen; To take example by = nemen aan: To travel by rail, sea, land, water, etc. (Maar in a carriage, vessel, steamer); By-bidder = opjager (bij verkoopingen); By-blow = buitenbeentje, onecht kind; By-book = kladboek; By-business = bijzaakje; By-corner = sluip- of schuilhoek; By-election = tusschentijdsche verkiezing; By-end (By-purpose, By-view) = nevenbedoeling; Bygone = voorbijgegaan: In the bygone = in verloopen jaren; Let bygones be bygones = laten we het gebeurde vergeten; By-interest = eigenbelang, persoonlijk belang; By-lane = zijlaan; By-law (plaatselijke) verordening; By-name = scheld- of spotnaam; By-part = bijrol; By-passage = zijgang; By-path = zijpad; By-place = achterhoek, schuilhoek; By-play = stil spel; gebaren; By-product = nevenproduct; By-road (By-way) = zijweg, geheime weg; Bystander = toeschouwer; By-street = zijstraat, achterafstraat; By-word = spreekwoord, bijnaam, mikpunt.

Byard, baiəd, borstriem (van een mijnwerker), om karren voort te trekken.

Bye, bai, sportterm met allerlei beteekenissen; vaarwel (= good-bye = Bye-bye); To go bye-bye = slapen gaan.

Byre, baiə, koestal.

Bysshe, biš.

Byssus, bisəs, linnen, katoenen of zijden stof van buitengewoon fijn weefsel (bij de Ouden); de vezelen, waarmede schelpdieren zich aan rotsen klampen; bosje of kuif.

Byzantian, bizanš’n, Byzantijn(sch); Byzantine, bizantain, bizəntain; Byzantium.

C.

C, sî, A.C. = Ante Christum = vóór Christus; C natural = C; C. flat = C-mol; C. sharp = C-dur; C = 100; C. B. = Companion of the Bath = ridder van de Bath-orde; CC = 200; Cf. = confer = vergelijk; Camb(ridge); Cantab = student van Cambridge University; Cant(erbury); C(are) O(f) = per adres (op brieven); Cath(olic); Celt(ic); C(ommissionary) G(eneral); Chap(ter); Chas. = Charles; Chem(istry); C(ost), I(nsurance), F(reight) = kosten, assurantie en vracht inbegrepen (uitspr.: Sif); C(ity) I(mperial) V(olunteer); C(ash) O(n) D(elivery) = tegen rembours; Colloq(uial); Comp(arative); Conn(ecticut); Corr(esponding) Mem(ber); Cor(responding) Sec(retary); C(ertificated) T(eacher); C(yclist) T(ouring) C(lub); C(ome) Q(uick) D(anger) = een Marconisein voor schepen; Cwt = a hundredweight; Cyc(lopaedia).

Caaba, kâ-a-ba, kaäba, de zwarte heilige steen in Mahomed’s moskee te Mekka. Ook het tempeltje zelf.

Cab, kab, soort rijtuig, bril = overdekte plaats voor den machinist op de locomotief; Cab verb. in een cab rijden: We have cabbed it; Cabman, kabm’n, koetsier; Cab-stand = standplaats voor Cabs; Cabby = Cabman.

Cabal, kəbal, subst. cabaal, samenspanning, politieke intrigue; Cabal verb. samenspannen; Caballer = intrigant.

Cab(b)ala, kabəla, geheime wetenschap, aan Mozes geopenbaard en den Rabbis overgeleverd, ter verklaring van de Schrift; mystiek; Cabalist, kabəlist, Rabbi, bedreven in de Cabala; mysticus; Cabalistic(al) = mystiek.

Caballine, kabəl(a)in, paarde(n) - - -: Caballine spring = hengstebron = Hippocrene.

Cabaret, kabəret of Fr. uitspr. kroeg.

Cabas, kaba, kabas, reismandje.

Cabbage, kabidž, subst. kool, koolkop; de stof, die bij kleermakers door de naald gaat; Cabbage verb. een kop vormen bij ’t groeien; zich stukjes goed toeëigenen; Cabbage-butterfly = koolwitje (de Cabbage-worm is er de larve van); Cabbage-headed = dom; Cabbage-lettuce = kropsla; Cabbage-tree = koolpalm.

Cabin, kabin, subst. kamertje, hut, kajuit: Cabin verb. opsluiten of wonen in eene cabin; Cabined, cribb’d, confined = achter slot en grendel; Cabin-boy.

Cabinet, kabinet, kabinet (in allerlei beteekenissen); photo in kabinetformaat: Cabinet council = Meeting of the C., ministerraad; Cabinet-maker = kabinetwerker; Cabinet-picture = kabinetstuk.

Cable, keib’l, subst. kabeltouw, ankerketting, telegraafkabel, kabelbericht; Cable verb. met een kabel vastmaken; kabelen: A cable’s length = 185,5 M.; To pay out a cable = een tros vieren; A cable (message) = een kabelbericht = Cablegram; Cable-laid = als een kabel gedraaid; Cable-(rail)road, Cable-railway = kabelspoor; Cable-room = Cable-tier, keib’ltîə, kabelgat; Cablet = kleine kabel.

Caboodle, kəbûd’l, rommelzoo (Amer.).

Caboose, kəbûs, kombuis; veldkeuken; een aan een goederentrein aangebrachte wagen voor beambten en arbeiders; een woning (Amer.).

Cabriolet, kabriəlei, cabriolet.

Cacao, kəkeiou, kakâou, cacaoboom; Cacao-butter = cacaoboter.

Cachalot, katšelot, potvisch.

Cache, kaš, geheime bewaarplaats; Cache verb. verbergen.

Cachet, kašei, zegel.

Cachinnation, kakineiš’n, luid, aanhoudend gelach; Cachinnatory = luid lachend.

Cacholong, katšoloŋ, cacholong.

Cachou, kəšû, cachou, cachoupil voor rookers.

Cackle, kak’l, subst. gekwaak, gekakel, gewauwel; Cackle verb. kwaken, wauwelen, giechelen; Cackler = snaterende gans, kakelende kip; wauwelaar.

Cacography, kəkogrəfi, cacographie.

Cacology, kəkolədži, slechte uitspraak.

Cacophony, kəkofəni, cacophonie.

Cactaceous, kakteišəs, cactusachtig; Cactal, kakt’l, cactus - -; Cactus, kaktəs, cactus.

Cad, kad, poen, ploert; Caddish, ploertig.

Cadastral, kədastr’l, kadastraal; Cadastre, kədastə, kadaster.

Cadaver, kədeivə, kədavə, lijk; Cadaverous, lijkachtig, lijkbleek, lijk - - -; subst. Cadaverousness = lijkachtigheid, etc.

Caddice, Caddis, kadis, soort pluksel; ook = Caddice-bait (Caddice-worm) = larve van de Caddice-fly = watermot.

Caddie, kadi, drager der kolven (golfspel).

Caddy, kadi, theebus.

Cade, keid, subst. vat haring (500 stuks), vat sprot (1000 stuks); ooilam, verwend kindje; adj. tam; Cade verb. met de hand groot brengen.

Cadence, keid’ns, Cadency, keid’nsi, cadans, rythme = Cadenza, kədenzə.

Cadet, kədet, jongere of jongste zoon; kadet.

Cadge, kadž, venten, bedelen; Cadger = venter; smulpaap.

Cadgy, kadži, lustig, dartel, lichtzinnig.

Cadi, kâdi, keidi, Kadi.

Cadiz, keidiz, Cadix.

Cadmean, kadmîən, van Cadmus, Thebaansch; Cadmus, kadməs.

Cadogan, kədoug’n.

Cadre, kadə, kader.

Caduceus, kədjûsiəs, staf van Mercurius.

Caducous, kədjûkəs, vroeg (ontijdig) vallend, broos.

Caecum, sîk’m, blinde darm.

Caedmon, kadm’n.

Caesar, sîzə, Caesar, keizer, autocraat; Caesarian, sizêrj’n: Caesarian operation = keizersnede; Caesarism, sîzərizm, absolute regeering.

Caesura, sizjûrə, caesuur; Caesural = caesuur - -.

Caffeic, kəfîik, kafəik: Caffeic acid = koffielooizuur; Caffein, kəfîin, kafiin, kafiain, caffeïne.

Caffer, Caffre, kafə, kaffer; kafir; Caffraria, kəfrêriə, het Kafferland.

Cage, keidž, subst. kooi; gevangenis, ijzergaas net (= Wire cage, om een gasbrander), liftkooi; Cage verb. in eene kooi sluiten; Cage of a stair-case = trappenhuis; Cageling = opgesloten vogel.

Cagmag, kagmag, subst. bedorven vleesch, taaie gans; adj. walgelijk, oneetbaar.

Cahoot, kəhût, subst. compagnieschap (Am.); Cahoot verb. handelen in vereeniging: To be in cahoots = onder één deken slapen (fig.).

Caic, kaîk, kaïk.

Caiman, keim’n, kaaiman.

Cain, kein: To raise Cain = den boel op stelten zetten.

Caique = Caic.

Cairn, kêən, kegelvormige steenhoop (als monument of herinneringsteeken).

Cairo, kairou.

Caisson, keis’n, keisûn, caisson.

Caitiff, keitif, subst. schurk; adj. laag, gemeen.

Caius, keiəs.

Cajuput, kadžəput, kajapoetolie (-boom).

Cajole, kədžoul, bevleien, aftroggelen (out of); Cajoler, vleier; Cajolery, vleierij.

Cake, keik, koek, gebak; suffer; Cake verb. tot een koek vormen, zich zetten tot een koek: My cake is dough = ’t is mis; There’d be no more cakes and ale = geen pret, vroolijkheid; They are cakes and ale to him = zijn een feest voor hem; They go off like hot cakes = zij gaan als koek, grif van de hand; You cannot eat your cake and have it = je kunt je geld maar eens uitgeven; Cake-walk = oorspronkelijk een danswedstrijd tusschen fraai uitgedoste negerparen met een cake als prijs; Caky = koekachtig.

Calabar, kaləbə, soort pelswerk.

Calabar-bean, kaləbâbîn, Afrikaansche boon (ook toetsboon genoemd, omdat zij als toets diende van de schuld of onschuld van de van hekserij aangeklaagden).

Calabash, kaləbaš, pompoen, kalebas.

Calaboos, kaləbûs, kaləbûz, gevangenis (Amer.), Calaboos verb. opsluiten.

Calabria, kəleibriə, kalâbriə, Calabrië.

Calais, kalis.

Calamanco, kaləmaŋkou, kalmink.

Calamint, kaləmint, kalament, kattenkruid.

Calamitous, kəlamitɐs, rampspoedig; Calamity, kəlamiti, ramp, ellende, tegenspoed.

Calamus, kaləmɐs, kalmus; herdersfluit.

Calandra, kəlandrə, kalander-leeuwerik; korenworm.

Calash, kəlaš, calèche; kap.

Calcar, kalkâ, fritoven; calcineeroven; Calcareous, kalkêriəs, kalkachtig, kalkhoudend: Calcareous spar = kalkspaath.

Calcedon, kalsidon, calcidoon, vuile ader in edelgesteenten.

Calcic, kalsik: Calcic-chloride = chloorcalcium; Calciferous, kalkhoudend; Calcify, kalsifai, verkalken; Calcimine = stukadoorskalk; Calcimine verb. witten.

Calcination, kalsineiš’n, calcineeren, oxydatie; Calcine, kalsain, kalsin, calcineeren; tot asch verbranden.

Calcium, kalsiəm, Calcium.

Calcography, kalkogrəfi, (koper)plaatsnijkunst.

Calculable, kalkjuləb’l = berekenbaar; betrouwbaar; Calculate, kalkjuleit, berekenen, rekenen, ramen, begrooten, geschikt zijn, zich leenen tot; zich voornemen, vermoeden (Amer.): A calculating boy = een rekengenie; Calculating-machine; Calculation = berekening; Calculative = berekenend; A lightning calculator = snelrekenaar.

Calculous, kalkjulɐs, steen...

Calculus, kalkjulɐs, (mv. Calculi), steen, graveel; berekening: The calculus of probabilities = kansrekening; Algebraical calculus = algebra; Differential calculus = differentiaal-rekening; Integral calculus = integraal-rekening; Literal calculus = algebra.

Ca(u)ldron, kôldr’n, groote ketel.

Caleb, keiləb.

Calecannon, keilkan’n, Iersch gerecht (gestampte aardappelen en moesgroente).

Caleche, kəleš = Calash.

Caledonia, kalədounjə, Schotland; Caledonian = Schot(sch); Caledonians = een soort quadrille.

Calefacient, kalifeišn’t, adj. en subst. verwarmend (middel); Calefaction, kalifakš’n, verwarming; Calefactor = klein kookfornuis; Calefactory = verwarmend.

Calembourg, kal’mbûə of Fr. uitspr. woordspeling.

Calendar, kal’ndə, subst. kalender, register, rol; Calendar verb. registreeren: Perpetual calendar, Tear-off calendar; Turn-over calendar; Calendar-month = zonnemaand.

Calender, kal’ndə, subst. kalander; Calender verb. kalanderen; Calenderer.

Calends, kal’ndz, eerste dag van iedere maand bij de Romeinen: At (on) the Greek calends = nooit.

Calendula, kəlendjulə, goudsbloem.

Calenture, kal’ntjulə, ijlende koorts (door de hitte in tropische gewesten).

Calf, kâf, (Meerv. Calves, kâvs), kalf (ook fig.), kalfsleer; kuit: To kill the fatted calf; Calf-love = kalverliefde; Calf-skin = kalfsvel (leer).

Calhoun, kalhûn.

Caliban, kaliban, verdierlijkt wezen, wildeman.

Caliber, Calibre, kalibə, kəlîbə, kaliber; gesteldheid, waarde; bevattingsvermogen: Caliber-compasses. Zie Callipers; Calibrate = kalibreeren; van graadstrepen voorzien; subst. Calibration.

Caliciform, kalisiföm, kelkvormig.

Calico, kalikou, calicot (in Amerika bedrukt katoen); Calico-ball = bal, waarop de dames katoenen japonnen dragen.

California, kaliföniə; Californian = Californiër, Californisch.

Caligo, kəlaigou, vlek op het hoornvlies.

Calipash, kalipaš, kalipaš, groenachtig vleesch van een schildpad aan de rugzijde; Calipee, kalipî, kalipî, geelachtig vleesch van een schildpad aan het buikschild.

Caliph, kalif, keilif, kalif; Caliphate, kalifeit, keilifeit, kalifaat.

Calisthenics, kalistheniks, vrije- en orde(n)-oefeningen (vooral voor meisjes).

Calix, kaliks, keiliks = Calyx.

Calk, kôk, subst. ijsspoor, scherpe kalkoen, ijsnagel; Calk verb. van ijssporen voorzien, op scherp zetten, calqueeren (kalkeeren), breeuwen; Calkin = ijsspoor, etc.; Calking-iron = breeuwmes, kalefaatijzer.

Call, kôl, subst. roep, oproeping, aanmaning, roepstem, beroep, smeeking, roeping, aanleiding, vraag, uitnoodiging, ‘invite’ bij kaartspel, kort bezoek, appèl, stoot op een jagershoorn, bootsmansfluitje, lokstem(-fluit); Call verb. noemen, rekenen, oproepen, uitroepen, bijeenroepen, aanstellen, inroepen, toeroepen, luide roepen, bezoeken, manen, opvorderen: At call = ter beschikking; He is at my beck and call = hij staat klaar voor mij; To be within call = te beroepen; To accept (to get, receive) a call = een (predikants) beroep; To get the call = opgeroepen worden (brandweer); To give a call = bezoeken (Verg.: To return a call); You had no call to say such a thing = gij waart niet geroepen, het was niet aan u; It seems such a far call = zoo’n groote sprong (fig.); A call of the House = het oplezen van de presentielijst (Parlement); Call of obligation (Duty call) = verplichte visite; The headmaster called absence = hield appèl; To call to account = ter verantwoording; To call to the Bar = toelaten als Barrister; To call over the coals = een uitbrander geven; To call to memory (mind, remembrance) = herinneren; To call names = uitschelden; To call to naught = voor alles uitmaken; To call the roll = appèl houden. Met voorzetsels en bijwoorden: To call after = achterna roepen, noemen naar; To call again = weer roepen, terugkomen; To call at = een bezoek brengen; aandoen; To call for = roepen om, vragen naar, afhalen; To be left till called for = zal afgehaald worden; poste restante; This called forth all his strength of mind = deed hem toonen; To call in = binnenroepen, opvragen; To call in question = in twijfel trekken; To call off = terugroepen, intrekken, nietig verklaren: He was called off by Death = weggenomen, opgeroepen; To call on (a person; at a house) = bezoeken; He called on (upon) the honour of his country = deed een beroep op; To call out = roepen, schreeuwen; uitdagen, oproepen (doen uitrukken) van troepen; To call over = appèl houden, aflezen; To call round = eens aanloopen; To call up = oproepen, wekken; Call-bird = lokvogel; Call-boy = jongen, die de acteurs op hun tijd op het tooneel roept; jongen op een stoomboot, die den machinisten bevelen overbrengt; Call-dinner = diner op Call-night, den promotie avond der Barristers; Call-office = spreekcel; A called assembly = buitengewone vergadering; Caller = bezoeker; Caller-up, kôlərɐp, morgenwekker, porder; Calling = beroep, roeping; Calling-place = plaats door stoombooten aangedaan.

Calligrapher, kəligrəfə, calligraaf; Calligraphic = calligraphisch; Calligraphy = schoonschrijfkunst, schoonschrift.

Calliope, kəlaioupî, Calliope.

Callipers, kalipəz: Callipers compasses, kɐmpəsiz, krom-(mast) passer.

Callisthenics, kalis-theniks = Calisthenics.