Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 91

Chapter 912,834 wordsPublic domain

Pence, pens, stuivers (als verzamelwoord): St. Peter’s Pence = Pieterspenning; Bad sixpence always turns up = onkruid vergaat niet.

Pencil, pensil, subst. penseel, potlood, bundel; Pencil verb. schilderen, teekenen, met een potlood opschrijven: A pencil of rays = stralenbundel; Pencil-case = potloodhouder; Pencil-colo(u)rs = crayon; Pencil-compass = Pencil-pointer = potloodscherper of -punter.

Pendant, pend’nt, oorhanger, hanger, wimpel, pendant, luster.

Pendency, pend’nsi, het hangen, onzekerheid, aanhangig zijn; Pendent = hangend; vrij zwevend; Pendent bridge.

Pendennis, pendenis.

Pending, pendiŋ, adj. hangende, onbeslist, prep. gedurende: Pending affairs = loopende zaken; He smiled, with life and death pending = zwevende tusschen dood en leven; Pending the inquiry = gedurende het onderzoek.

Pendragon, pendrag’n, opperste veldheer bij de Oude Britten; Pendragonship.

Pendulous, pendjulɐs, hangend, schommelend, trillend: He had a pendulous excrescence on his nose = een slingerend uitwas; subst. Pendulousness; Pendulum, pendjulɐm, slinger; Pendulum-clock.

Penelope, pəneləpî.

Penetrability, penətrəbiliti, subst. v. Penetrable, penətrəb’l, doordringbaar, ontvankelijk; subst. Penetrableness; Penetralia, penətreiljə, binnenste van huis of tempel; geheimen; Penetrant = doordringend; Penetrate, penətreit, doordringen, doorgronden; Penetrating = doordringend, fijn onderscheidend, scherp; Penetration, penətreiš’n, het doordringen of doorgronden, doordringingsvermogen, scherpte, scherpzinnigheid; Penetrative, penətrətiv, doordringend: Penetrative effect (van een schot); subst. Penetrativeness.

Penguin, pengwin, Penguin, vetgans.

Peninsula, pəninsiulə, schiereiland; adj. Peninsular: The Peninsular War = de oorlog in Spanje en Portugal tegen Napoleon I (1808–1814).

Penitence, penitens, berouw, boete; Penitent, boetvaardig, boete doende; subst. boetvaardige, boeteling; Penitential, penitenšl, subst. boeteboek (ten behoeve van biechtvaders); adj. berouwhebbend, boetvaardig: Penitential Psalm = boetpsalm; Penitentiary, penitenšəri, boete..., boetvaardig; subst. verbeteringsgesticht; tuchthuis; penitentiaris (hoofd van het pauselijk college dat over dispensaties en vrijspraak beslist).

Pennant, pen’nt, vlaggetje, wimpel.

Pennate(d), penit(id), gevleugeld = Pennigerous.

Penniless, peniles, arm; subst. Pennilessness.

Pennon, pen’n, wimpel, vaantje; wiek.

Pennsylvania, pensilveinjə; adj. en subst. Pennsylvanian.

Penny, peni, 1⁄12 van een shilling, stuiver, geld: A penny saved is a penny gained = een stuiver gespaard is een stuiver gewonnen; In for a penny, in for a pound = komt men over den hond, dan komt men over den staart; A penny at a time = zachtjes aan, geleidelijk; To make a penny = geld verdienen; To turn an honest penny = een eerlijk stuk brood verdienen; Penny-a-liner = loon-, broodschrijver; Penny-a-lining = broodschrijverij; Twopenny people = proleten; Twopenny halfpenny godliness (picnic) penny goedkoope; Penny-in-the-slot machine = automaat; Penny-gaff = tjingeltangel; Penny royal = polei; Penny-wedding = bruiloftsfeest, waar de gasten bijdragen tot de onkosten; Penny-weight = ± 1.55 gram; Penny-wise = krenterig: Their penny-wise precautions = prullerige voorzorgsmaatregelen; To be penny-wise and pound-foolish = de zuinigheid de wijsheid laten bedriegen; Pennyworth, penəth, peniwɐ̂th, voor de waarde van een stuiver, iets ge- of verkochts, koop, kleinigheid: You have got there a poor pennyworth = ge hebt u daar leelijk in den nek laten zien.

Pensile, pens(a)il, hangend; subst. Pensileness.

Pension, penš’n, subst. pensioen, jaargeld, geld betaald in plaats van tienden; met Fr. uitspr. pension; Pension verb. pensionneeren; in pension zijn: Old Age Pensions Act = wet op ouderdomspensioen; Not for a pension = voor geen geld ter wereld; To return home on a pension; He was pensioned off on another post = kreeg pensioen en werd in eene andere betrekking geplaatst; Pensionable = gerechtigd tot (rechtgevend op) het verkrijgen van een pensioen; Pensionary, subst. gepensionneerde, pensionaris; adj. pensioen(s)...; pensioen trekkend: Grand pensionary; Pensioner = gepensionneerde, iemand die jaargeld geniet: Chelsea pensioner = invalide uit het Chelsea Hospital; Greenwich pensioner = invalide (matroos) uit het Hospital te Greenwich; Gentleman pensioner = een lid van het corps der Gentlemen-at-Arms, een oude paleis-eerewacht.

Pensive, pensiv, peinzend, somber, zwaarmoedig; subst. Pensiveness.

Penstock, penstok, verlaat; hydrant.

Pent, pent, opgesloten; ook = Penthouse.

Pentachord, pentəköd, vijfsnarige lier.

Pentacle, pentək’l, soort tooverzegel tegen heksen.

Pentadactyl(ous), pentədaktil(əs), met vijf vingers of teenen.

Pentagon, pentəgon, vijfhoek, fort met vijf bastions; Pentagonal, pentagən’l, vijfhoekig.

Pentagraph, pentəgraf, teekenaap.

Pentahedral, pentəhîdr’l, pentəhedr’l, met vijf gelijke zijden; Pentahedron, pentəhîdr’n, pentəhedr’n, regelmatige vijfhoek.

Pentameter, pentamətə, vijfvoetige versregel.

Pentarchy, pentəki, vijfmanschap.

Pentastich, pentəstik, vijfregelig gedicht.

Pentateuch, pentətjûk, vijf boeken van Moses.

Pentecost, pentəkost, pinkster(feest); Pentecostal, pentəkost’l, Pinkster...

Penthouse, penthaus, afdak; ook verb.

Penult, pînɐlt, pinɐlt, Penultimate, tweede lettergreep van achter.

Penumbra, pinɐmbrə, bijschaduw.

Penurious, pənjûriəs, vrekkig, gierig; schraal, karig, behoeftig; subst. Penuriousness; Penury, penjuri, diepe armoede, volslagen gebrek.

Penzance, penzâns.

Peon, pîən, Indisch soldaat (bode, politieagent); Mexicaansche slaaf of arbeider; pion (schaaksp.); Peonage = Peonism = dienstbaarheid.

Peony, pîəni, pioen.

People, pîp’l, subst. natie, volk. geslacht, ras, menschen, bedienden; People verb. (zich) bevolken: The people = de groote hoop. gepeupel; The peoples of antiquity = volkeren; My people = mijne familie; One’s own people = iemands bloedverwanten.

Pepin, pepin.

Pepper, pepə, subst. peper; Pepper verb. peperen; bombardeeren, er op los schieten of ranselen (away): Ground pepper = gemalen peper; Whole (Round) pepper; Pepper and salt = zwart en wit, gemengd-kleurig; I’ll give you pepper = ik zal het je inpeperen; Pepper-box = peperbus, driftkop; Pepper-caster = peperbus; revolver; Pepper-cake = peperkoek; Pepper-corn = peperkorrel; iets van zeer geringe waarde: Pepper-corn rent = nominale pacht, waardoor een eigenlijke lease-hold feitelijk tot een freehold wordt; Pepper-mill; Peppermint = pepermunt (Pepper-drop, Pepper-lozenge); Pepper-wort = peperkruid; Pepperer = driftkop; Peppery = gepeperd; scherp; driftig, heet gebakerd.

Pepsin(e), pepsin, pepsine.

Peptic, peptik, de spijsvertering bevorderend; middel ter bevordering der spijsvertering: Peptics = spijsverteringsorganen; Peptone, peptoun, pepton.

Pepys, peps, pips, pepis.

Per, pɐ̂, per, door: Per advance = vooruit; Per advice = volgens bericht; Per annum = per jaar; Per cent. = percent; As per margin = volgens aanteekening op den rand.

Peradventure, peradventšə, misschien, toevallig; subst. twijfel, onzekerheid.

Perambulate, pərambjuleit, door-, rondwandelen; Perambulation = doorwandeling, rondgang, inspectie, schouw; Perambulator = kinderwagen, melkwagentje.

Perceivable, Perceive, pəsîv, waarnemen, bemerken, inzien, onderscheiden.

Percentage, pəsentidž, percentage.

Percept, pɐ̂sept, waarneembaar iets, iets reëels: Snow is a percept, the white of snow a concept = sneeuw is iets reëels, de witte kleur ervan bestaat niet op zichzelf, maar wordt er aan waargenomen; Perceptibility = waarneembaarheid; Perceptible, pəseptib’l waarneembaar (voor = to); Perception, pəsepš’n, waarneming, gewaarwording, begrip: Range of perception = gezichtskring (fig.); Perceptive = vatbaar voor waarneming of gewaarwording: Perceptive faculty = Perceptiveness = Perceptivity = waarnemings-, gewaarwordingsvermogen.

Perch, pɐ̂tš, subst. baars; stok, prik, hooge bok of zitplaats; maat van 5,029 M.; ook 1⁄160 acre; Perch verb. als een vogel zitten of gaan zitten, hoog zitten, zetten op: I am off to perch = ik ga op stok (naar kooi); The bird was perched there; I was perched on the roof = zat; Percher = vogel, die op takken pleegt te zitten; groote altaarkaars; Perching-stick = prik.

Perchance, pətšans, misschien, bijgeval.

Percipience, pəsipj’ns, Percipiency, gewaarwording, waarneming; Percipient, waarnemend, bespeurend; ook subst.

Percolate, pɐ̂kəleit, doorzijgen, filtreeren, zuiveren; subst. Percolation; Percolator = filter; filtreerkoffiekan.

Percuss, pəkɐs, stooten; percuteeren; Percussion, pəkɐš’n, schok, slag; percussie (Med.): Percussion-cap = slaghoedje; Percussion-lock = slot met slaghoedje; Percussive = schokkend, slaand, slag- -, schok- -.

Percy, pɐ̂si; Perdita, pɐ̂ditə.

Perdie, pɐ̂dî = par Dieu.

Perdition, pədiš’n, vernietiging, ondergang; verdoemenis: Go to perdition = loop naar den duivel.

Peregrinate, perəgrineit, zwerven, rondtrekken; Peregrination, perəgrineiš’n, rondzwerving, verblijf buitenslands; Peregrinator.

Peregrine, perəgrin.

Peregrine(-falcon), perəgrin(fôk’n), edelvalk.

Peremptoriness, perəm(p)tərinəs, subst. v. Peremptory, per’m(p)təri, volstrekt, beslissend, afdoende, meesterachtig, vasthoudend: His commands are peremptory = dulden geene tegenspraak; To take a peremptory pipe = nog een laatste pijpje stoppen.

Perennial, pərenj’l, subst. vaste, overblijvende plant; adj. een vol jaar durend; overblijvend, onafgebroken.

Perfect, pɐ̂fəkt, volmaakt, zuiver, zonder gebreken, rolvast; subst. Perfectum; Perfect verb. pɐ̂fəkt, pəfekt, volmaken, voleindigen, volledig onderrichten: To be perfect in = goed kennen = To have a thing perfect; Practice makes perfect = al doende leert men; Perfecter; Perfectibility = volmaakbaarheid; Perfectible, pəfektib’l, volmaakbaar; Perfection, pəfekš’n, volmaaktheid, uitstekendheid: That approaches perfection = komt de volmaaktheid nabij; To bring to perfection; He performed to perfection = hij speelde uitstekend; Perfectionist = die op zedelijke volmaaktheid boogt, of zedelijke volmaaktheid bereikbaar acht; lid eener Amer. sekte; Perfectness = volmaaktheid, volkomenheid.

Perfervid, pəfɐ̂vid, gloedvol, vurig; subst. Perfervidness.

Perfidious, pəfidjəs, verraderlijk, trouweloos, bedriegelijk; subst. Perfidiousness; Perfidy, pɐ̂fidi, trouweloosheid, trouwbreuk.

Perforate, pɐ̂fərit, adj. doorboord, geperforeerd; Perforate verb. (pɐ̂fəreit) doorboren; Perforation = doorboring, gaatje; Perforator = perforeermachine, schedelboor.

Perforce, pəfös, met geweld, gedwongen.

Perform, pəföm, volvoeren, uitvoeren, volbrengen, vervullen, nakomen, spelen, opvoeren; Performable = uitvoerbaar; Performance = uitvoering, vervulling, opvoering, verrichting, daad: No performance to-day = heden geene uitvoering (voorstelling); Morning-performance = morgenvoorstelling; Promises without performances = onvervulde beloften; Performer = uitvoerder, volbrenger, acteur, zanger, speler, gymnast, etc.: A good promiser but a bad performer.

Perfume, pɐ̂fjûm, pəfjûm, subst. geur, reukwerk; Perfume verb. geuren, met geuren doortrekken: Perfume-fountain = spuitje; Perfumer, pəfjûmə, parfumeur; Perfumery, pəfjûməri, reukwerk(en), parfumerie.

Perfunctoriness, pəfɐŋktərinəs, subst. v. Perfunctory, pəfɐŋktəri, zorgeloos, oppervlakkig, nonchalant, slordig: He held perfunctory receptions = maakte niet veel werk van het houden van recepties.

Perfuse, pəfjûz, besprenkelen, overgieten, vervullen; subst. Perfusion, pəfjûž’n.

Perhaps, pəhaps, pəraps, misschien.

Peri, pîri, gevallen engel.

Perianth, perianth, bloembekleedselen.

Periapt, periapt, amulet, behoedmiddel.

Pericardiac, perikâdiək, Pericardial, Pericardian, Pericardic = tot het hartzakje behoorende; Pericarditis, perikâdaitis, ontsteking van het hartzakje; Pericardium = hartzakje.

Pericarp, perikâp, zaadhuisje.

Pericles, periklîz.

Pericranium, perikreinj’m, schedel; schedelhuid.

Peridot, peridot, chrysoliet (goudsteen).

Perigee, peridžî, perigeum.

Perihelion, perihîlj’n, perihelium.

Peril, peril, subst. gevaar, risico; Peril verb. in gevaar brengen, wagen: You do it at your own peril = op eigen verantwoording en risico; He perilled his happiness upon it = waagde zijn geluk er aan; Perilous = gevaarlijk; subst. Perilousness.

Period, pîriəd, periode, tijdkring, omloopstijd, grens, slot, zin, punt: Girl of the period = modern meisje; Poets of the period = dichters van onzen tijd; That put a period to our labours = maakte een einde aan = brought them to a period; Periodic, pîriodik, periodiek, kring...; Periodical, subst. tijdschrift; adj. periodiek; Periodicity = het periodiek zijn of terugkeeren.

Perioeci, periîsai, omwoners = Perioecians.

Peripatetic, peripətetik, rondwandelend, peripatetisch; subst. wandelaar; volgeling van Aristoteles; Peripateticism = wijsbegeerte van A.

Periphery, pərifəri, omtrek, oppervlakte.

Periphrase, perifreiz, omschrijving; Periphrase verb. omschrijven; Periphrasis, pərifrəsis, omschrijving; Periphrastic(al) conjugation = omschrijvende vervoeging (gramm.).

Periscii, pərišiai, bewoners der Poolstreken.

Periscope, periskoup, soort objectief; reflector in een onderzeesch vaartuig.

Perish, periš, omkomen, sterven, vervallen, vergaan, doen omkomen; Perishable = vergankelijk, aan bederf onderhevig; ook subst. Perishableness = vergankelijkheid, enz.; Perisher = drank, proleet.

Peristaltic, peristaltik, gekronkeld.

Peristyle, peristail, peristyl.

Peritoneum, peritənîəm, buikvlies; Peritonitis, peritənaitis, buikvliesontsteking.

Periwig, periwig, pruik; ook verb.; Periwig-maker.

Periwinkle, periwiŋk’l, alikruik; maagdepalm.

Perjure, pɐ̂d[szə], een valschen eed doen: He perjured himself = was meineedig; You are perjured = gij hebt een meineed gedaan; Perjurer = meineedige; Perjurious = meineedig; Perjury, pɐ̂džəri, meineed, meineedigheid, eedschennis: Subornation of perjury = omkoopen (of overhalen) der getuigen om een valschen eed te doen.

Perk, pɐ̂k, mooi, net, verwaand, brutaal; Perk verb. den neus in den wind steken, zich uitrekken, uitsteken, mooi maken: She perked up her cap = maakte zich mooi om te behagen; Perkiness = brutaliteit; Perky = Perk.

Perkin, pɐ̂kin, lichte ciderwijn.

Perlustration, pɐ̂lɐstreiš’n, bezichtiging, monstering.

Permanence, pɐ̂mənens, duurzaamheid, bestendigheid; Permanent, pɐ̂mənent, duurzaam, bestendig: Permanent colours = vaste kleuren; The permanent way was broken up = viaduct (Amer.).

Permeability, pɐ̂miəbiliti, subst. v. Permeable, pɐ̂miəb’l, doordringbaar; Permeate, pɐ̂mieit, doordringen, indringen; subst. Permeation.

Permissible, pəmisib’l, toelaatbaar; Permission, pəmiš’n, vergunning, verlof: By (with) your permission = met uw verlof; Permissive = toestaand, veroorloovend: Permissive Bill = wetsontwerp, waarbij twee derden van de belastingschuldigen eener gemeente het vergunningsrecht binnen haar grondgebied kunnen weigeren.

Permit, pɐ̂mit, verlof, vergunning, toegangsbewijs; geleibiljet, consent (voor uitvoer) ter terugverkrijging v. d. accijns.

Permit, pəmit, veroorloven, toelaten: I may be permitted to say = het zij mij vergund te zeggen; The medical man would not permit of any noise in the sickroom = wilde niet hebben.

Permutable, pəmjûtəb’l, verwisselbaar; subst. Permutableness; Permutation, pɐ̂mjuteiš’n, verwisseling, omzetting, permutatie: Permutation-lock = letterslot.

Pernambuco, pernambûkou.

Pernicious, pənišəs, schadelijk, verderfelijk; subst. Perniciousness.

Pernickety, pənikəti, peuterig.

Perorate, perəreit, zijne redevoering eindigen; doordraven; subst. Peroration.

Peroxide, pəroks(a)id, peroxyde; Peroxidize, pəroksidaiz, tot den hoogsten graad oxideeren.

Perpendicular, pɐ̂p’ndikjulə, loodrecht, steil, rechtop, staande; subst. loodlijn, enz., staande boterham: To erect, To let fall a perpendicular = eene loodlijn oprichten, neerlaten; Out of the perpendicular = uit het lood; To preserve one’s perpendicular; Perpendicularity, pɐ̂p’ndikjulariti, loodrechte stand.

Perpetrate, pɐ̂pitreit, bedrijven, uithalen: He perpetrated a bad (huge) joke; subst. Perpetration; Perpetrator = bedrijver, schuldige.

Perpetual, pəpetjuəl, eeuwigdurend, levenslang, vast: Perpetual imprisonment; Perpetual motion = perpetuum mobile; Perpetual screw = schroef zonder eind; Perpetuate, pəpetjueit, laten voortbestaan, vereeuwigen; subst. Perpetuation; Perpetuity, pɐ̂pətjûiti, eeuwigheid, eeuwige duur, levenslang bezit, levenslange rente: For (In, To) perpetuity = in eeuwigheid.

Perplex, pəpleks, verwarren, verlegen maken, bemoeielijken; adj. Perplexed; subst. Perplexedness = Perplexity = verlegenheid, verwarring, moeielijkheid.

Perquisite, pɐ̂kwizit, fooi, emolument, bijkomende voordeelen: The nurse takes her evenings and Sundays, which is her lawful perquisite and due = waarop ze wettig recht heeft.

Perroquet, perəket = Parakeet.

Perry, peri, perewijn.

Persecute, pɐ̂sikjût, vervolgen, lastig vallen; subst. Persecution: Persecution of Christians; Persecutor, p1ɐ̂sikjutə, Persecutrix.

Perseus, pɐ̂siûz, Perseus.

Perseverance, pɐ̂səvîrəns, subst. v. Persevere, pɐ̂səvîə, volharden.

Persia, pɐ̂šə, Perzië; Persian, subst. en adj. Pers, Perzisch(e taal); soort v. dunne zijde: Persian blinds = persiennes, soort zonneblind; Persian cat = cypersche kat; Persian powder = insectenpoeder; Persian wheel = rad met aangehechte emmers om water te putten.

Persico, pɐ̂sikou, persico.

Persimmon, pəsim’n, dadelpruim.

Persist, pəsist, krachtig volharden, volhouden: He persisted with that subject = hield zich hardnekkig aan; Persistence, Persistency = groote volharding, koppigheid; Persistent = volhardend, hardnekkig, herhaald, niet afvallend (v. bladeren).

Person, pɐ̂s’n, persoon, persoonlijkheid, iemand, vrouwspersoon, meisje: Artificial person = zedelijk lichaam; For our persons = wat ons aangaat; He came in person = in eigen persoon; There is no respect of persons with God = God kent geen aanzien des persoons: Without respect of persons = zonder aanzien des persoons; Personable = flink, knap van uiterlijk; Personage, pɐ̂sənidž, gewichtig of voornaam persoon; persoon (theater): Though a head-waiter, he is a personage = een heel heer; Personal, persoonlijk; subst. roerend goed: Personal estate = roerend goed; Personality = persoonlijkheid; Personization = verpersoonlijking; Personalize = verpersoonlijken; Personalty: The new duty will be charged on both realty and personalty = zoowel van vast als van roerend goed; Personate, pɐ̂səneit, voorstellen, de rol spelen van, in eens anders plaats optreden, zich uitgeven voor: There are no actresses, women being always personated = vrouwenrollen worden altijd door jongens of mannen vervuld; False personation = het optreden in eens anders plaats met bedriegelijke oogmerken; Personator, pɐ̂s’neitə, iemand die in eens anders rol of plaats optreedt; Personification, subst. v. Personify, pəsonifai, verpersoonlijken.

Perspective, pəspektiv, pɐ̂spektiv, perspectivisch; subst. verschiet, perspectief, perspectivische voorstelling; verrekijker.

Perspicacious, pɐ̂spikeišəs, schrander, scherpziend; subst. Perspicaciousness = Perspicacity, pɐ̂spikasiti, helderheid, duidelijkheid, doorzichtigheid; Perspicuity = duidelijkheid; Perspicuous, pəspikjuəs, duidelijk; subst. Perspicuousness.

Perspirability, pəspairəbiliti, subst. v. Perspirable, pəspairəb’l, wat uitgewasemd kan worden; Perspiration, pɐ̂spireiš’n, uitwaseming, zweet; Perspirative = uitwasemend; Perspiratory, uitwaseming bevorderend, zweet - -; Perspire = uitwasemen, zweeten.

Persuadable, pəsweidəb’l, (licht) te overreden; Persuade, pəsweid, overreden, bepraten, brengen tot: I am persuaded that I am lost = ik ben zeker; He could persuade himself of almost everything = zich haast alles wijsmaken; Persuader = overreder, zweepslag; Persuasibility, pəsweisibiliti, pəsweizibiliti, overreedbaarheid; Persuasible, pəsweisib’l, pəsweizib’l, overreedbaar; subst. Persuasibleness; Persuasion, pəsweiž’n, overreding(skracht), geloof, vaste overtuiging; Persuasive, pəsweisiv, subst. beweeggrond, beweegreden; adj. overredend; subst. Persuasiveness.

Pert, pɐ̂t, brutaal, vrijpostig; gezond, monter (Amer.); subst. Pertness.

Pertain, pətein, behooren, betrekking hebben: “Social” is a word, pertaining to society = in verband staande met.

Pertinacious, pɐ̂tineišəs, hardnekkig, eigenzinnig, vastbesloten; subst. Pertinacity, pɐ̂tinasiti.

Pertinence, pɐ̂tin’ns, gepastheid, geschiktheid, voegzaamheid; Pertinent = voegzaam, passend bij: That is not pertinent to the matter under discussion = heeft niets te maken.

Perturb, pətɐ̂b, verstoren, verwarren, verontrusten; subst. Perturbation; Perturbative, Perturbative = storend; Perturber.

Pertussis, pətɐsis, kinkhoest.

Peru, pərû, Peru.

Peruvian, pərûvj’n, subst. en adj. Peruviaan(sch): Peruvian bark = kinabast.

Peruke, pərûk, pruik.

Perusal, pərûz’l, nauwkeurige kennisneming of lezing; Peruse, pərûz, nauwkeurig doorlezen of nagaan; Peruser.

Pervade, pəveid, doordringen, zich uitstrekken tot: His all pervading goodness = zijne zich tot alles uitstrekkende goedheid; subst. Pervasion; adj. Pervasive.

Perverse, pəvɐ̂s, verkeerd, slecht, verdorven, onhandelbaar, afschuwelijk, pervers; spiegelbeeld; subst. Perverseness = Perversity; Perversion, pəvɐ̂š’n, verdraaiing, afwijking, halsstarrigheid; spiegelbeeld; Perversive = verderfelijk.

Pervert, pɐ̂vət, afvallige, goddelooze.

Pervert, pəvɐ̂t, verdraaien, in ’t verderf storten, verleiden; slecht worden, afvallig worden: It all came from love Perverted = uit verdwaalde, in verkeerde richting geleide liefde; Perverter; Pervertible = (licht) te verdraaien of te bederven.

Pervious, pɐ̂vjəs, doordringbaar, toegankelijk: Pervious to the eye = zichtbaar; subst. Perviousness.

Pesade, pəzeid, pəseid, steigeren.

Peshawar, Peschawur, pəšauə.

Pesky, peski, verduiveld; bovenmate (Am.).

Pessimism, pesimizm, pessimisme; Pessimist, subst. pessimist; adj. pessimistisch = Pessimistic.

Pest, pest, plaag, onkruid; pest(ilentie): He’s a regular pest; Pest-house = pesthuis, lazaret; Pester = kwellen, lastig vallen; Pesterer = kwelgeest, plager; Pestiferous, pestifərɐs = verpestend, besmettelijk, schadelijk, pest - -; Pestilence = pest; besmetting; Pestilent = verpestend, schadelijk; lastig; Pestilential, pestilenš’l = Pestiferous.

Pestle, pes’l, subst. stamper; Pestle verb. stampen.

Pet, pet, subst. lievelingsdier, lieveling, snoes; aanval van booze luim of gemelijkheid; adj. lievelings - -, geliefd, vertroeteld; Pet verb. vertroetelen; uit zijn humeur zijn: Of course Maggie is the pet = lieveling; He invariably got in a pet at that juncture = werd altijd boos op dat moment; Pet-name = lievelingsnaam; Petsie-tootsie-wootsie = lief diertje.

Petal, pet’l, bloemblad; Petaline, petəl(a)in, bloembladvormig; Petalled = met bloembladen; Petaloid = bloembladachtig.

Petar(d), pətâ(d), springbus: He was hoist(ed) with his own petar = viel in den kuil dien hij voor anderen had gedolven.

Peter, pîtə, subst. Petrus; patrijs, geldkist; cel; valies; Peter verb. ophouden; uitputten: Peter Grievous = kniesoor; His claim petered out and came to nothing = verviel langzamerhand tot er niets overbleef; Peter-boat = soort visschersboot; Peterman = vroeger visscher (op de Theems); Peter-pence, Peter’s-pence = St. Pieterspenning(en).

Peterborough, pîtəbərə; Peterhead, pîtəhed.

Petiole, petioul, bladstengel.

Petit, Fr. uitspr. (Zie Petty).

Petition, pitiš’n, subst. verzoek, smeekschrift, petitie; Petition verb. petitionneeren, smeeken: Right of Petition = recht van petitie; To make (send in, up, put up) a petition = een verzoekschrift indienen; Petition against a return = protest tegen een verkiezing; Petitionary = smeekend, een verzoek bevattend: Petitionary letter = verzoekschrift; Petitioner = smeeker, requestrant.

Petrarca, pətrâkə; Petrarch, pîtrâk.

Petrel, petr’l: Stormy petrel = stormzwaluw.

Petrifaction, petrifakš’n, versteening; Petrify, petrifai, versteenen, verharden.