Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 118

Chapter 1183,357 wordsPublic domain

Sing, siŋ, zingen, bezingen: He sings out of tune, out of time = hij is van de wijs, is uit de maat; To sing small = zoete broodjes bakken; I sing the glories of summer = bezing de heerlijkheden; To sing another song (tune) = een anderen toon aanslaan (fig.); To sing the same song = één lijn trekken; My head is singing = ik heb suizing in de ooren; To sing out = luid zingen (roepen); Sing-song = deun, vervelend gezang; Singer = zinger, zangvogel. Zie Singing.

Singalese, siŋgəlîz, siŋgəlîs; Singapore, siŋgəpö.

Singe, sinž, zengen, schroeien (off); ook subst.

Singing, siŋiŋ: Singing in the ears = suizen; Singing-bird = zangvogel; Singing-book; Singing-boy = koorknaap; Singing-club = zanggezelschap; Singing-festival; Singing-master = zangonderwijzer; Singing-mistress; Singing-school = zangschool.

Single, siŋg’l, adj. enkel, alleen, ongetrouwd; Single verb. uitkiezen (out): First single = eerste klasse, enkele reis; He continued single = bleef ongetrouwd (= Stuck to the single ticket); He was killed in single combat (fight) = in een tweegevecht; Book-keeping by single entry = enkel boekhounen; Single fare return bookings = kaartjes enkele reis voor heen en terug; In single file = achter elkaar, in ganzenorde; subst. Singles = spelen voor één persoon; soort zijde; enkel garen; Some of them had been singled out for destruction = waren ten doode opschreven; Single-blessedness = ongetrouwde staat (iron.); A single-breasted coat = met één rij knoopen; Single-handed = alleen, zelfstandig; Single-hearted = oprecht, eerlijk, rond; Single-line = enkel spoor; Single-minded = Single-hearted; Single-stick = baton met gevest; Singleness of heart = eenvoudige oprechtheid; With great singleness of purpose = steeds met één doel voor oogen; I undertake to fight you singly = ik neem het tegen ieder van jullie afzonderlijk op.

Singular, siŋgjulə, subst. enkelvoud; adj. apart, zonderling, bijzonder, zeldzaam, enkelvoudig: He is singular in his kind = éénig in zijn soort; In this notion he was not singular = stond hij niet alléén; Singularity, siŋgjulariti, bijzonderheid, zonderlingheid, zeldzaamheid, eigenaardigheid.

Sinic, sinik, Chineesch.

Sinister, sinistə, linker (Herald.); ongelukkig, onheilspellend, oneerlijk, slecht.

Sinistral, sinistr’l, naar links gewonden (van schelpen).

Sink, siŋk, subst. riool, zinkput, gootsteen, poel; Sink verb. zinken, zakken, bezwijken, achteruitgaan, vervallen, afnemen, inzakken, ondergaan, vermageren, hol worden, ruineeren, laten zinken; steken, beleggen, afdragen, amortiseeren (van geld), bijleggen, achterhouden, graven: He was sinking fast = ging hard achteruit; Her heart (spirits) sank = de moed begaf haar; I have sunk a capital of £ 400 in this undertaking = gestoken; A mine was sunk there = werd gegraven; He sank much money on his stock in trade = stak veel geld in; They had sunk ships where the river was deepest = laten zinken; He has sunk his personal views for the good of the country = laten varen; He sank down under fatigue = bezweek onder; That has sunk into my mind = is diep doorgedrongen; Let him sink into his unhonoured grave = ongeëerd ten grave dalen; This sinks into insignificance besides that = verdwijnt daarnaast in ’t niet; To sink into oblivion; Sink-hole = zinkput, riool; Sinker = zwaar gewicht om te doen zinken; Sinking-fund = amortisatiefonds.

Sinologist, sinolədžist; Sinologue, sinəlog, kenner v. China, enz.; Sinology, sinolədži, kennis van Chineesche taal, letterkunde, enz.

Sinuate, sinjuit, adj. gegolfd, ingesneden; Sinuate verb. sinjueit, winden, slingeren; Sinuation = slangvormige kromming, kronkeling; Sinuosity, sinjuositi, kromming, kronkeling; Sinuous, sinjuəs, gebogen, bochtig, draaierig.

Sinus, sainəs, baai, bocht, holte, kronkeling, sinus.

Sion, saion; Sioux, s(i)û.

Sip, sip, subst. teugje; verb. met kleine teugen drinken of opslorpen, een teugje nemen: To take a sip too much = te diep in ’t glaasje kijken; Sipper.

Sipe, saip, sijpelen, trekken.

Siphon, saif’n, subst. hevel, siphon; Siphon verb. overhevelen: A siphon of soda-water; Siphon-bottle.

Sippet, sipət, teugje, geweekt brood.

Sir, sɐ̂, Mijnheer; vóór den doopnaam is het de titel v. een baronet of knight: Sir to you = tot uw dienst; Dear Sirs = waarde Heeren (in brieven); You would have to “Sir” me = met mijnheer moeten aanspreken.

Sirdar, sɐ̂dâ, sɐ̂da, Hindoesch (opper)hoofd; opperbevelhebber.

Sire, saiə, subst. voorvader, vader (bij dieren); Sire; Sire verb. verwekken (bij dieren).

Siren, sair’n, subst. sirene (ook Sirene, sairîn); misthoorn; adj. betooverend, bekorend: Sirene song.

Sirene, sairîn, meter van geluidstrillingen.

Sirius, siriəs, hondsster.

Sirkar, sɐ̂ka, het gouvernement, chef, Hindoesch ambtenaar.

Sirloin, sɐ̂lôin, lendestuk v. een rund.

Siroc(co), sirok(ou), sirocco, heete Z.O. wind.

Sirrah, sirə, vent, kerel, schavuit, meid.

Sirup, sirəp, stroop. Zie Syrup.

Siskin, siskin, sijsje.

Sister, sistə, zuster: Holy sister = non; Sister of Charity (Mercy) = liefdezuster; Sister-in-law = schoonzuster; Sisterhood = alle zusters, zusterschap; Sisterly = zusterlijk.

Sisyphean, sisifîən, Sisyphus - -; Sisyphus, sisifɐs, Sisyphus: Task (Toil) of Sisyphus = Sisyphus arbeid.

Sit, sit, zitten, zitting hebben, liggen, blijven, wonen, broeden, passen; subst. het zitten: The faultless sit of her hat = het onberispelijk zitten; One’s clothes get the sit by having them on some time = zitten eerst goed als, etc.; He sits a horse very well = hij rijdt goed; When the House is sitting; Sit down, Sir = ga zitten, mijnheer; To Sit down at a meal; The French sat down before the town = legerden zien voor; To sit for one’s portrait = poseeren; He sat on me and ordered me about = zat mij op den kop; These fineries sit well on you = staan u goed (ook fig.); He sat on and on = bleef maar zitten; We sat out the concert = bleven tot het laatst; They sat out the dance = bleven onder dien dans zitten; They were sitting out = zaten buiten; Did you ever sit under that clergyman? = gingt gij geregeld ter kerk bij; To sit up = opblijven, opzitten (ook om te vrijen), op (mogen) blijven: He sat up in bed = ging overeind zitten; His productions made his friends “sit up” = deden verstomd staan; To sit upon a committee = lid zijn van een commissie; That sorrow sits heavily upon him = drukt hem ter neer; They sat in judgment upon life and death = zij beraadslaagden en beslisten over; He did not choose to be sat upon = wou zich niet op den kop laten zitten; Boys always complain of being sat upon = dat ze op den kop worden gezeten; A sit-down supper = souper waarbij men aanzit; Sit-fast = blijvend, stoelvast; Sitter = zitter; broedende vogel. Zie Sitting.

Site, sait, ligging, bouwterrein: Plan of site = situatie-teekening.

Sitting, sitiŋ: I read the book at one sitting = in eens; adj.: Sitting-place; Sitting-room = ruimte; woonkamer.

Situate, sitjuit = Situated, sitjueitid, geplaatst, gelegen, vast geplaatst: The palace is situate on a height = ligt op; How are you situated? = hoe staat het met u; Situation, sitjueiš’n, ligging, toestand, betrekking, omstandigheden: In this situation of things = stand van zaken; She was always in a situation = in gezegende omstandigheden; We are in a situation to make this offer = in staat; He is out of situation = buiten betrekking.

Sitz-bath, sitsbâth, zitbad.

Siva, sîvə; Siward, sîwəd.

Six, siks, zes: Big six = banjer; Saucy six = ondeugende zesjarige(n); Long sixes = kaarsen van 6 in een pond; Things are at sixes and sevens = liggen overhoop, zijn in de war; It is six of one and half a dozen of the other = lood om oud ijzer; Six-chambered = met zes patronen; Sixfold = zesvoudig; Six-footer = persoon van zes voet; Sixpence = zesstuiverstuk = Sixpenny-piece; Sixteen = zestien: Boys under sixteen and over ten; Sweet sixteen = lieve 16 jarige(n); He talks sixteen to the dozen = praat honderd uit; Sixteenth, subst. en adj. zestiende (deel); Sixth = zesde (deel), hoogste klasse; Sixthly = ten zesde; Sixtieth, sikstiəth, subst. en adj. zestigste (deel); Sixty = zestig(tal).

Sizar, saizə, student te Cambridge en Dublin, die een beurs had en tot sommige dienstverrichtingen verplicht was.

Sizable, saizəb’l, van aanzienlijke grootte, van redelijken of behoorlijken omvang; Size, saiz, subst. grootte, nummer, formaat, witkalk, pap, planeerwater, lijmwater; Size verb. naar de grootte regelen, schatten, taxeeren, sorteeren, ijken, vergrooten, calibreeren, planeeren: That is about the size of it = daar komt het zoowat op neer; Two sizes too tight = 2 nummers te nauw (van schoenen bijv.); The book appeared in octavo size = in octavoformaat; He sized up the new arrival = nam den pasgekomene op, taxeerde hem; Sizeable = Sizable; Sized: Large-sized = van groote afmeting, formaat; He is a middle-sized person = van middelbare grootte; Sizing = planeerwater, lijm; (extra) portie aan spijs, of drank (Universit.): He had his sizings stinted = zijn extraatjes werden hem schraal toegemeten.

Sizz(le), siz(’l), sissen.

Sjambo(c)k, šambok, subst. zweep van huidenreepjes (Z. Afr.); Sjambok verb. slaan met een sjambok.

Skate, skeit, subst. rog; schaats; Skate verb. schaatsenrijden: To put on, To take off skates; Skater: Are you a skater? = doet gij aan schaatsenrijden? Skating: Figure, Speed skating; Skating-pond (-rink); The rollerskating-rink = rolschaatsenbaan.

Skean, skîn, dolk of kort zwaard.

Skeat, skît.

Skeary, skîri, schrikachtig, schrikwekkend (Amer.).

Skedaddle, skədad’l, zich uit de voeten maken; subst. overijlde vlucht.

Skee, skî = Ski.

Skeet, skît, schepvat.

Skeg, skeg, sleedoorn; gele lisch.

Skein, skein, streng; vlucht wilde ganzen.

Skeleton, skelət’n, geraamte (ook fig.), scharminkel, schets of eerste ontwerp: There is a skeleton in every house = ieder huis heeft zijn kruis; The skeleton in the closet (cupboard) = het verborgen huiselijk verdriet; To be reduced to a skeleton = broodmager geworden; Skeleton-corps (Skeleton-crew) = kader, kern, vast gedeelte (mil.); Skeleton-key = looper; Skeleton-map = schetskaartje; Skeleton-skates = ijzeren (schroef)schaatsen; Skeleton-suit (= Skeletons) = soort jongenspakje met de broek aan de blouse geknoopt; Skeletonize, skelətənaiz, tot een geraamte maken.

Skellum, skeləm, leelijkerd (Schotl.).

Skelp, skelp, subst. slag; Skelp verb. slaan, voorthollen.

Skerry, skeri, klip (Schotl).

Sketch, sketš, subst. schets, omtrek, schema, begrooting; Sketch verb. schetsen, in ’t algem. aangeven of beschrijven; Sketch-book = schetsboek; Sketcher; Sketchiness, subst. v. Sketchy onafgewerkt, vluchtig.

Skew, skjû, scheef zijn, scheel zien, achterdochtig gluren; verdraaien; subst. verdraaiing, loensche blik; adj. schuin, scheef, met bruine en witte vlekken = Skewbald.

Skewer, skjûə, subst. ijzeren of houten vleeschpen; Skewer verb. met een vleeschpen vaststeken.

Ski, skî, (in Noorwegen ši), sneeuwschoen; ook verb.; Ski-runner.

Skid, skid, subst. rem(ketting), schuinliggende planken (= Skid-ways), wrijfhout, remschoen; Skid verb. remmen, schuin afglijden.

Skiff, skif, subst. bootje; Skiff verb. in zulk een boot roeien.

Skilful, skilful, bekwaam, handig, ervaren: Skilful at everything = handig in; subst. Skilfulness; Skill, skil, subst. bekwaamheid, ervarenheid, geschiktheid: Game of skill = bedrevenheidsspel; Skilled labourers = volleerde (in een vak bekwame) arbeiders.

Skillet, skilət, metalen pan met lang handvatsel; scheepskok.

Skilligolee, skiligəlî, gortwater, dunne soep, rats = Skilly.

Skim, skim, subst. schuim; Skim verb. afschuimen, scheren over, vluchtig doorzien: He was skimming the pages of a missionary report = liep vluchtig door; The swallows skim the water = scheren over; Skim-milk = afgeroomde melk, taptemelk; Skimmer = schuimspaan, oppervlakkig lezer; schaarbek; Skimmings = het afgeschuimde of afgeroomde.

Skimp, skimp, beknibbelen; Skimper = vrek; Skimping = schraal, krenterig; Skimpy = mager.

Skin, skin, subst. huid, vel, pels, schaal, schil; Skin verb. villen, afstroopen, pellen, met een huid of een roofje bedekken: I should not like to be in his skin = wou niet graag in zijn vel steken; To be in a bad skin = slecht gehumeurd zijn; To come through with a whole skin = ergens heelhuids afkomen; To fly (jump) out of one’s skin = uit zijn vel springen; He is but skin and bones = is niets dan vel en been; He got through by the skin of his teeth = hij is er net door en meer ook niet; The whole thing is a damned skin = eene vervloekte beetnemerij; To have a thick (thin) skin (ook fig.); To wear next to the skin = op het bloote lijf; To skin a flint = gierig zijn; He has skinned the lamb = alles gewonnen (bij wedden); Keep your eyes skinned = open, pas op; Skin-deep = oppervlakkig: Beauty is but skin-deep = schoonheid is slechts iets uiterlijks; Skinflint = vrek; Skin-wool = wol van een dood schaap; Skinful = inhoud van een lederen water- of wijnzak: I am skinful = ik kan niet meer eten; Skin-grafting = het opbrengen van een nieuw stuk huid; Skinless = zonder huid; Skinner = vilder, huidekooper; Skinniness, subst. v. Skinny = erg mager, niets dan vel en been.

Skink, skiŋk, subst. skink of stinkhagedis.

Skip, skip, subst. vlugge sprong; oppasser (Dublin Univers.); Skip verb. springen, touwtje springen; huppelen, dartelen, overspringen, overslaan, er van door gaan: To give (make) a skip; Don’t you know you skipped this passage? = dat je hebt overgeslagen; Skip-frog = haasjeover; Skip-jack = parvenu; kniptor; Skip-rope = springtouw; To play at skipping = touwtje springen.

Skipper, skipə, kapitein, schipper; springer, gedachteloos en vluchtig persoon, kaasmijt: Skipper’s daughters = hooge golven.

Skirmish, skɐ̂miš, subst. schermutseling; Skirmish verb. schermutselen; Skirmisher = tirailleur.

Skirt, skɐ̂t, subst. pand, rand, zoom, slip, vrouwenrok, middenrif; Skirt verb. omzoomen, begrenzen, langs den zoom loopen: By this time they had reached the skirts of the town = de buitenste huizen van de stad; She held on by her mother’s skirts = hield hare moeder bij de rokken vast; Divided skirt = rokbroek; Skirt-dance = serpentine dans; Skirting-board = plint langs den vloer.

Skit, skit, scherts, schotschrift, parodie, steek: His performance is a skit on the right thing = zijn spel is een parodie op goed spelen; Skittish = schuw, schichtig, schalksch, uitgelaten, grillig; subst. Skittishness.

Skittle, skit’l, kegel (Skittles = kegelspel): Skittle-alley = kegelbaan (= Skittle-ground); Skittle-ball; Skittle-pin = kegel; Life is not all beer and skittles = het leven is niet enkel rozengeur en maneschijn = (Skittles and swipes); It is all skittles = fopperij; To play at skittles.

Skulk, skɐlk, subst. gluiper; Skulk verb. loeren, schuilen, gluipen, sluipen; Skulker = iemand die zich achteraf houdt om niet te werken.

Skull, skɐl, schedel, hoofd: Skull-cap = kalotje, kap, mutsje; glidkruid; stormhoed.

Skunk, skɐŋk; N.A. bunzing, vuilik, overlooper; Skunk-bird, Skunk-blackbird = rijstvogeltje; Skunk-skin.

Skurry, skɐri; Zie Scurry.

Sky, skai, subst. uitspansel, hemel, lucht; Sky verb. in de hoogte gooien, hoog ophangen: To acclaim to the skies = hemelhoog prijzen; Their cries rent the sky = verscheurden de lucht; Sky-blue = hemelsblauw; Sky-colour = azuur, hemelsblauw; To praise sky-high = hemelhoog; Skylark = leeuwerik; Skylarking = grappen uithalen; We have been skylarking = wij hebben den boel opgeschept; Skylight = vallicht; Sky-line = horizont: Silhouetted against the sky-line; Sky-pilot = hemeldragonder; Sky-rocket = vuurpijl; Sky-scape = luchtgezicht: The sky-scapes in our country are suggestive to painters = de luchten in ons land; Sky-scraper = maanreiker (zeil), boonestaak (fig.), zéér hoog gebouw (Am.); Skyward(s) = hemelwaarts.

Slab, slab, subst. slik, modder; steen, plaat; adj. modderig, kleverig: A marble slab, slab of marble = marmeren plaat; Slab of tin = bloktin; Slab-line = gording (scheepst.); Slab-sided = met platte zijden, lang en mager (Am.); Slabby = dik, kleverig, modderig, vuil.

Slabber, slabə, kwijlen, opslobberen; Slabberer; Slabbering-bib = slabbetje; Slabbery = bespat, bekwijld.

Slack, slak, subst. loshangend eind van een touw, slaphangend deel van een zeil, slappe tijd, slapte in handel, steenkoolgruis; adj. slap, los, traag, soezerig, niet levendig, stil; ook verb. (= Slacken): He performed on the slack rope (wire) = het slappe koord (draad); Business is slack = de zaken gaan slapjes; The ship is slack in stays = wendt moeielijk; Slack season, time = komkommertijd; Slack water = doodtij; Slacken = slap worden, verslappen, verminderen, vertragen, vieren: He Slacked his pace = verminderde; The train slacked speed, slacked up to the station = de vaart van den trein verminderde, hij reed langzaam binnen; Slacker = luibak; Slackness: Slackness of business = slapte in zaken.

Slag, slag, metaalschuim, sintels; adj. Slaggy.

Slain, slein, part. perf. van to slay: To be slain = sneuvelen.

Slake, sleik, lesschen, blusschen, onderdrukken, verminderen, afnemen.

Slam, slam, subst. bons, harde slag, aluinmeel, “slem” (in whist); Slam verb. hard dichtslaan, slaan, “slem” maken.

Slam(mer)kin, slam(ə)kin = Slattern.

Slander, slandə, subst. smaad, laster(ing); Slander verb. (be)lasteren; Slanderer; Slanderous = lasterlijk; subst. Slanderousness.

Slang, slaŋ, subst. spraakgebruik van een bepaalden stand (van een beroep, een bedrijf), dieventaal, omgangstaal; adj. slang..; Slang verb. slang gebruiken, zich plat uitdrukken, scheiden: Commercial slang, Theatrical slang; Slang expression; John swears at him and slangs him = en raast tegen hem; I was slanged = uitgescholden; Slangey = Slangy; Slangish = slang-achtig; Slangy: Your friend is rather slangy = uw vriend is vrij plat in zijne taal.

Slant, slant, subst. helling, neiging, gunstige gelegenheid (Austr.); sarcastische opmerking; adj. hellend, schuin; Slant verb. hellen, schuin zijn, eene schuine richting hebben (geven); Slanting(ly), Slantly, Slantwise.

Slap, slap, subst. klap, “schmink”; Slap verb. een klap geven; adv. plotseling, pats, pardoes: He slapped me in the face, in my face = gaf mij een klap in het gezicht; To slap up = gulzig eten of drinken; Slap-bang = pardoes, plotseling, met geweld: Slap-bang shop = gaarkeuken; Slap-dash = zorgeloos, haastig, oppervlakkig, elegant, kranig, eensklaps: Slap-dash hurry and flurry = overgroote haast en drukte; To pay slap down = in contanten; Slap-jack = soort pannekoek; Slap-up = uitstekend, piekfijn, forsch: He had made some slap-up acquaintances in Paris = heeft met fijne lui kennis gemaakt; She is a slap-up girl = een aardige flinke meid.

Slash, slaš, subst. snede, veeg, jaap, split; Slash verb. snijden, een langen jeep geven, hakken, om zich heen slaan; Slashing = scherp, vernietigend, grof, kolossaal: A slashing article = vernietigend scherp.

Slat, slat, lat (van jalouzie); zalm die juist kuit heeft geschoten.

Slatch, slatš, het slappe eind v. een touw; voorbijgaande bries, tijdje van mooi weer.

Slate, sleit, subst. lei; voorloopige lijst van candidaten (Am.); Slate verb. met leien dekken; scherp hekelen, afranselen: He has a slate (tile) loose (off) = is niet recht snik; Slate-club = onderling ondersteuningsfonds (het voordeelig saldo wordt jaarlijks onder de leden verdeeld); Slate-pencil = griffel; Slate-quarry = leigroeve; Slater = leidekker; scherp criticus; Slating: He gave the government a sound slating = gaf er duchtig van langs; Slaty = leiachtig: He wore a slaty-grey dressing-gown = een leigrauwe kamerjapon.

Slatter, slatə, slordig zijn, slonzig gekleed gaan; Slattern, subst. slons; adj. slonzig, slordig = Slatternly.

Slaughter, slôtə, subst. slachting, bloedbad, slachten; Slaughter verb. slachten, vermoorden; Slaughter(ing)-house = slachthuis, abattoir; Slaughterer: To be led to the slaughterer = naar de slachtbank.

Slav, slâv, slav, subst. een der Slaven; Slavic = Slavisch(e taal).

Slave, sleiv, subst. slaaf, slavin, arme ploeteraar; Slave verb. slaven, hard zwoegen: A slave to drink = verslaafd aan; He is a slave to his wild passions = de slaaf zijner; Slave-coast = slavenkust; Slave-dealer = slavenhandelaar; Slave-dealing; Slave-driver = slavendrijver; Slave-grown = door slavenarbeid voortgebracht; Slave-holder = slavenhouder; Slave-owner; Slave-states = staten waar de slavenhandel bestond (Amer.); Slave-trade = slavenhandel; Slaver = slavenhandelaar; Slavery = slavernij, afmattende en ploeterende arbeid; Slavey = dienstmeisje.

Slaver, slavə, subst. speeksel, kwijl; Slaver verb. kwijlen; Slaverer = kwijler, idioot.

Slavish, sleiviš = slaafsch; subst. Slavishness.

Slavonia, sləvouniə; Slavonian = Slavonisch; Slavoniër = Slavonic.

Slaw, slô, koolsla (Amer.).

Slay, slei, dooden, vernietigen, vermoorden, te gronde richten; Slayer.

Sleave, slîv, subst. streng vlos- of vlokzijde (= Sleave-silk); Sleave verb. in strengen verdeelen, opwinden.

Sleazy, slîzi, dun, licht.

Sled, sled, subst. slede; Sled verb. in een slede vervoeren.

Sledge, sledž, subst. slede; vóórhamer; Sledge verb. in eene slede vervoeren of reizen: Sledge-chair = slede; Sledge-coach = sleepkoetsje; Sledge-hammer = vóórhamer.

Sleek, slîk, zacht, glanzend, glad, sluw, slim, handig, vlug; Sleek verb. glad maken (kammen), kalmeeren, vergoelijken (over); sluipen: Sleek hair = glad, glanzend haar; Sleek-headed = met glad gekamd haar; Sleek-stone = polijststeen; Sleekness = gladheid, etc.; Sleeky = glad, zacht, sluw.

Sleep, slîp, subst. slaap, doodslaap; Sleep verb. slapen, sluimeren, soezen, staan (van tollen): To take a sleep; Beauty sleep = slaap vóór middernacht; To sleep the sleep of the just; I am dying with sleep = val om v. slaap; The mother lulled (sang) her child to sleep = suste (zong) haar kind in slaap; To start from one’s sleep = wakker schrikken; To sleep the clock round; I have slept like a top = geslapen als een roos; He has slept himself sober = zijn roes uitgeslapen; He slept away the best part of (the) day = versliep het mooiste deel v. den dag; He slept far into the following day = een gat in den dag; I have got a headache, and must try to sleep it off = moet er door slapen zien af te komen; To sleep on (upon) = zich beslapen op; I never sleep out = ben ’s nachts nooit buitenshuis; I will sleep over it = zal er mij eens op beslapen; Sleep-drunk; Sleep-headed; Sleep-walker = slaapwandelaar; Sleep-walking; Sleeper = slaper, dwarslegger (spoor); slaapwagon (Amer.); Sleepiness = slaperigheid; Sleeping: Sleeping Beauty in the Wood = de Schoone Slaapster; Sleeping-car = Sleeping-carriage = slaapwagon; Sleeping-cup = slaapdrank; Sleeping-dropsy (Sleeping-evil, Sleeping-sickness) = slaapziekte; Sleeping-partner = stille vennoot; Sleeping-room = slaapkamer; Sleepless; subst. Sleeplessness; Sleepy = slaperig: Sleepy drink (potion) = slaapdrank; Sleepyhead = slaapkop.

Sleet, slît, subst. natte sneeuw(bui) met hagel; Sleet verb. sneeuwen (of hagelen) met regen; adj. Sleety.

Sleeve, slîv, subst. mouw; Sleeve verb. van mouwen voorzien: He chuckled (laughed) in his sleeve = lachte in zijn vuistje; To creep up a person’s sleeves = in de mouw (zak) kruipen, vleien; To have in one’s sleeve = (iets) achter de hand hebben; He had several cards up his sleeve = in de mouw; To wear one’s heart on one’s sleeve = zijn hart op de tong hebben; Sleeve-button; Sleeve-link = kettingknoopje; Sleeveless = zonder mouwen.

Sleigh, slei, slede (Am.); Sleigh verb. sledevaren; Sleigh-bells = sledebellen; Sleighing-party = sledevaart.

Sleight, slait, kunstgreep, behendigheid, listige zet: Sleight of hand = handhabiliteit (bij het goochelen).

Slender, slendə, slank, dun, zwak, spichtig, gering, onvoldoende, armzalig, bescheiden: He is a man of slender parts = van geringe talenten; subst. Slenderness.

Slept, slept, imperf. en part. perf. van to sleep.

Sleswick, sleswik, Sleeswijk.

Sleuth, slûth, spoor; Sleuth-hound = bloed- of speurhond.

Slew, imperf. van to slay; zie ook Slue.