Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 8
Australasia, ôstrəleišiə, Australia + Tasman., New Zeal., en de Fiji-eil.; of, dit alles + New Guin., New Cal., New Hebr., etc.; adj. Australasian; Australia = Australië; Australian = Australisch; Australiër.
Austria, ôstriə, Oostenrijk; Austrian = Oostenrijksch; Oostenrijker.
Authentic(al), ôthentik(’l), authentiek, betrouwbaar, geloofwaardig, echt; Authenticate = authentiseeren, verifieeren, legaliseeren, bekrachtigen; subst. Authentication; Authenticity = geloofwaardigheid, echtheid.
Author, ôthə, schepper, schrijver; bedrijver, aanlegger, bewerker: Author of an outrage; The author of her misery; Authoress = schrijfster; Authorship = auteurschap.
Authoritative, ôthoritətiv, gemachtigd, gebiedend, autoritair, gezaghebbend; subst. Authoritativeness; Authority, ôthoriti, autoriteit, aanzien, gewicht, invloed; gezag, man van gezag, machtiging: Misuse of authority = misbruik van gezag; He is no authority on the subject; On the authority of = in opdracht van, op grond van; We have it on the best authority = have high authority for saying = uit zéér vertrouwbare bron; Authorization = autorisatie; Authorize = autoriseeren, machtigen: Authorized Version = Engelsche bijbelvertaling (1611), ongeveer onze Statenvertaling.
Autobiographer, ôtəbaiogrəfə, autobiograaf; Autobiographic = autobiographisch; Autobiography = autobiographie.
Auto-car, ôtəkâ, automobiel.
Autochthon, ôtok-th’n, ôtok-thoun, oorspronkelijke bewoner; wat aan een land eigen is, of aldaar zijn oorsprong had; Autochthonal = Autochthonous = oorspronkelijk.
Autocracy, ôtokrəsi, autocratie: Autocrat = autocraat; Autocratic(al) = autocratisch.
Auto da fé, ôtədâfei, auto-da-fé.
Autogenous, ôtədžinɐs, zelfvoortbrengend; Autogeny = zelfontstaan.
Autograph, ôtəgraf, autograaf; Autographic, ôtəgrafik, autographisch; Autography = autographie.
Automatic(al), ôtəmatik(’l), automatisch: Automatic machine = automaat; Automaton, ôtoməton, automaat.
Automobile, ôtəmoubil of ôtəməbîl, automobiel; Automobilism = automobielsport; Automobilist = automobilist.
Autonomic(al), ôtənomik(’l), autonoom = Autonomous, Autonomy = autonomie.
Autopsia, ôtopsiə; Autopsy, ôtəpsi, persoonlijke waarneming, autopsie; lijkschouwing; Autoptical = uit eigen aanschouwing.
Autotype, ôtətaip, autotypie; Autotype verb. door middel hiervan vermenigvuldigen.
Autumn, ôt’m, herfst; verb. rijpen (laten); Autumnal = herfst ...: Autumnal Equinox.
Auxiliar, ôgziljə = Auxiliary, ôgziljəri, adj. hulp verleenend, hulp ...: Auxiliary forces (troops); Auxiliary subst. helper, bondgenoot, hulpwerkw. = Auxiliary verb; Auxiliaries = hulptroepen.
Avail, əveil, baten, helpen, uitwerken; subst. baat, hulp, nut: It was to little avail = het baatte zoo goed als niets = It was of no avail, without avail; Avails = bedrag, opbrengst (Amer.); What can it possibly avail? = met mogelijkheid uitwerken, waartoe kan het in vredesnaam dienen? I have availed myself of that opportunity = gebruik gemaakt, geprofiteerd van; Availability = bruikbaarheid, enz.; Available, bruikbaar, beschikbaar, ter dispositie, geldig: I have no available money at this moment = beschikbaar; There were no available candidates for that post = geschikte; Available for three days = geldig; Available for wheeled carriages = bruikbaar; Available to the meanest understanding = bevattelijk.
Avalanche, avəlânš, sneeuwval; Avalanchine praise = overdreven lof.
Avarice, avəris, gierigheid, hebzucht; Avaricious = gierig, hebzuchtig, karig met (of); subst. Avariciousness.
Avast, əvâst, stop!
Avatar, avətâ of avətâ, de vleeschwording der Godheid (Hind. Myth.); voorwerp v. vereering; openbaring.
Avaunt, əvônt, weg van hier!
Ave, eivi of âvə, interj. Heil! Welkom! Vaarwel! Ave Maria = Ave Maria, âvə mərîə; Ave Maria-bell = het angelus.
Avenaceous, avəneišəs, haverachtig.
Avenge, əvenž, wreken, straffen: I’ll be avenged on you = gij zult mij satisfactie geven; Avenger = wreker: Avenger of blood.
Avens, av’nz, nagelkruid.
Aventail(e), av’nteil, vizier (van een helm).
Aventine, av’ntain, subst. Aventinus; toevluchtsoord; adj. Aventijnsch.
Avenue, avənjû, toegang, oprijlaan, allee; breede met boomen beplante straat (Amer.).
Aver, əvɐ̂, betuigen, verzekeren; beweren; Averment = betuiging, bewijsvoering.
Average, avəridž, subst. doorsnee, de gemiddelde hoeveelheid, het gemiddelde; averij; adj. in doorsnee, gemiddeld, gewoon; Average verb. het gemiddelde nemen, gemiddeld bedragen: General Average = averij gros; Average-adjuster (= Averager) = dispacheur; At (On, Upon) an average = gemiddeld; Let us strike an average = het gemiddelde nemen; Average amount = gemiddeld bedrag; The Average Englishman = de gewone; Average price = gemiddeld; Average sample = doorsneemonster; Being of the average stamp (order) = van het gewone slag; We averaged two hares a day = schoten gemiddeld; They average about 50 lbs each = wegen gemiddeld; They average £100 each = hebben een doorsneeprijs; The blacksmith averaged the soldier with a glance = nam hem met één blik op.
Avernal, əvɐ̂n’l, van den Avernus; helsch.
Averruncate, avərɐŋkeit, uitroeien; Averuncator = boomschaar, snoeimes.
Averse, əvɐ̂s, afkeerig: He was averse to (from) all work; Averseness, tegenzin, afkeer (to, for) = Aversion: My pet aversion = mijn grootste antipathie; Avert, əvɐ̂t, afwenden, afkeeren; Avertible = afwendbaar.
Aviary, eivjəri, volière.
Aviate, eivieit, avieit, vliegen; Aviation, eivieiš’n, avieiš’n, luchtvaart; Aviator, eivieitə, avieitə, aviateur, vliegenier; Aviatory trespass = een met een vliegtoestel begane overtreding.
Aviculture, eivikɐltjə, vogelteelt.
Avid, avid, gretig, begeerig (of, for); Avidity = begeerte, etc.
Avocation, avəkeiš’n, roeping, werk; bijbaantje, afleiding.
Avoid, əvôid, vermijden, mijden; opheffen, ongeldig maken; vrijkomen: He could not avoid doing it = moest het wel doen; Avoidable: Not avoidable = onvermijdelijk; Avoidance, vermijding; vacature; herroeping: In (the) avoidance of = om te vermijden.
Avoirdupois, avədjupôiz, Engelsch gewichtsstelsel, behalve voor goud, zilver, juweelen en geneesmiddelen (het E. pound daarvan heeft 16 ounces): To reduce one’s avoirdupois = gewicht.
Avon, eiv’n, av’n, rivier; Avondale, av’ndeil.
Avouch, əvautš, betuigen, verzekeren; subst. getuigenis; Avouchment, betuiging, etc.
Avow, əvau, belijden, erkennen; Avowable = te erkennen; Avowal = bekentenis, belijdenis; Avowee, əvauî. (Zie Advowee).
Avuncular, əvɐŋkjulə, een oom betreffend.
Await, əweit, verwachten, afwachten, verbeiden; te wachten staan.
Awake, əweik, verb. ontwaken, zich bewust worden (to); wekken; adj. wakker: He awoke from his stupor = ontwaakte uit zijne verdooving; That call will awake the dead; He is wide awake = klaar wakker; “gaar”; I am awake = weet er alles van; I am awake to all that you say = ik begrijp, doorzie.
Awaken, əweik’n, wekken, levendig maken: Awakenning-books = tractaatjes.
Award, əwöd, subst. oordeel, uitspraak, beslissing, toegekende belooning (straf); Award verb. toekennen, toewijzen, beslissen: He was awarded the first prize = The first prize was awarded (to) him; Awarder, scheidsrechter.
Aware, əwêə, bewust, onderricht: To be aware of = merken, bewust zijn, weten.
A-wash, əwoš = op gelijke hoogte als het water; drijvend.
Away, əwei, weg, voort, op een afstand: Away for shame = foei, schaam je! I could not away with those people = kon ze niet zetten; The patient could not away with being nursed = wou niet opgepast worden; Come away from that = ga daar vandaan; To clear away = afnemen; To drink away = er op los drinken; Fire away = brand los; Get away = maak, dat je weg komt; To give away = weggeven, verraden; He made away with himself = maakte zich van kant; Pull away = haal op! To work away = hard werken; Question away = vraag maar op!
Awe, ô, subst. ontzag, eerbied; Awe verb. ontzag inboezemen, intimideeren: To keep in awe = ontzag inboezemen; To stand in awe of = ontzag hebben voor; I was awed by his serious words; Awe-commanding = ontzag inboezemend; Awe-struck = met ontzag vervuld; Aweless = onbevreesd; subst. Awelessness; Awful = vreeselijk; ontzagwekkend: subst. Awfulness = eerbiedwaardigheid; afschuwelijkheid.
Aweary, əwîri, vermoeid; levensmoede.
A-weather, əwedhə, loefwaarts.
A-weigh, əwei: To be a-weigh = “anker op” zijn.
Awhile, əwail, gedurende een tijdje.
Awkward, ôkwəd, onhandig, lomp, smakeloos, onaangenaam, verlegen: It is awkward that I forget his name = lam, vervelend; Awkward age = lummeljaren; Awkwardness, onhandigheid, etc.
Awl, ôl, els; Awl-bird = groene specht; Awl-wort, ôlwɐ̂t, priemkruid.
Awn, ôn, baard (van gras of aren).
Awning, ôniŋ, wagenkap, zonnescherm: The awning front of the shop = ruimte vóór den winkel, door een zeil of scherm tegen de zon beschut.
Awoke, əwouk, Imperf. van to awake.
Awry, ərai, scheef, schuin: To be awry = scheef staan (zitten); To laugh awry = lachen als een boer, die kiespijn heeft; He looked awry = zuur; To wear awry = scheef dragen.
Axe, aks, bijl; Axe-head = de bijl in tegenstelling met den steel; Axe-helve = steel; To hang up one’s axe = de lier aan de wilgen hangen, zich terugtrekken uit iets; People with axes to grind = menschen, die hun eigen zelfzuchtige plannen op het oog hebben.
Axial, aksiəl, in de richting van de as.
Axil, aksil, Axilla, əksilə, oksel; Axillar(y), oksel..., okselstandig.
Axiom, aksiəm, axioma; Axiomatic(al), onomstootelijk.
Axis, aksis, as; de tweede halswervel.
Axle, aks’l: Axle-tree, aks’ltrî, de spil.
Axminster, aksminstə.
Axolotl, aksəlot’l, waterhagedis (Mexico).
Ay, Aye, ai, ja, Ay marry = ja waarachtig; Ay me = o wee mij!
Ayah, eijə, Brit. Ind. baboe.
Aye, ei of ai = eeuwig: Farewell, perhaps for aye, for ever and aye.
Ayes, aiz, de voor- (eig. ja-)stemmers in het House of Commons: The ayes and the noes (= tegenstemmers); The ayes have it = de meerderheid is er voor.
Aye-aye, ai-ai, vingerdier (op Madagascar).
Aylesbury, eilzbri; Ayrshire, êəšə: The Aylesbury Bard = Robert Burns.
Azalea, əzeiljə, azalea.
Azimuth, azimɐth, azimuth; adj. = Azimuthal.
Azoic, əzouik, zonder spoor van organisch leven, zonder organische overblijfselen.
Azores, əzôz, əzôriz, Azorische eilanden.
Azure, ažə, of eižə, adj. azuur, hemelsblauw; subst. het uitspansel; blauw veld (Herald.); Azure verb. blauw verven; Azure stone = Azurite, ažərait, lazuursteen.
Azyme, az(a)im, ongezuurd brood; ongezuurd, ongegist.
B.
B, bî, B. B-flat = b mol; B-sharp = b kruis; B.A. = Bachelor of Arts; B. C. = Before Christ; B. C. L. = Bachelor of Civil Law; B. D. = Bachelor of Divinity; B. M. = Bachelor of Medicine; Bart of Bt. = Baronet. (Deze heeft, evenals een Knight, den titel Sir vóór den doopnaam; die titel is echter bij de Baronets erfelijk, bij de Knights niet); B(ritish) M(useum); A B and S = Brandy and Soda; Bro(thers); Brig(adier) Gen(eral); He does not know a B from a bull’s foot (a broom-stick, a battle-dore) = hij kent geene A voor eene B; B(lessed) V(irgin) M(ary).
Baa, bâ, subst. het blaten; Baa verb. blaten: The baby was caressing a woolly baa-lamb; You silly baahling = lam, sukkel.
Baal, beiəl, Baal; Baalist, Baalite, afgodsdienaar.
Bab, bab, peur; Bab verb. peuren.
Baba, bâba, vader, papa.
Babble, bab’l, snappen, wauwelen, babbelen; murmelen; subst. gesnap, gebabbel, gewauwel; gemurmel; Babbler, wauwelaar.
Babe, beib (= Baby): Food (Meat) for babes = kinderkost (ook fig.).
Babel, beib’l, Babel; spraakverwarring; wanorde, rumoer; dwaas plan; Babel-like buildings = hooge.
Baboo, bâbu of bəbû, heer; halfontwikkelde Hindoe: Baboo English = gebroken Engelsch.
Baboon, bəbûn, baviaan; Baboonery, aapachtig optreden.
Baboosh, Babouche, bəbûš, muiltje.
Babu = Baboo.
Baby, beibi, subst. klein kind; pop; adj. klein, jong, kinder Baby: Cry-baby (= Cry-a-baby) = grienerig kind; Baby-car = kinderwagentje (sportkarretje); Baby-carriage = kinderwagen; Baby-farming = zoogenaamde verzorging (meestal opzettelijke verwaarloozing) van kinderen; Baby-feeder = slabbetje; Baby-house = poppenhuis; Baby-linen = kindergoed, luiers; Baby-pin = veiligheidsspeld; Babyhood (Babyship), eerste kindsheid; kleine kinderen; Babyish (= Babish), kinderlijk; subst. Babishness.
Babylon, babilon; Babylonia, babilounjə, Babylonië: Babylonian, Babylonisch, reusachtig; Babyloniër; Babylonic, Babylonish, adj. Babylonisch, verward, rumoerig.
Bac(k), bak, platboomde (veer)boot; kuip.
Baccalaureate, bakəlôri-it, baccalaureaat.
Baccara(t), bakərâ, baccarat (spel).
Baccate, bakit, besachtig, besdragend, bezieachtig.
Bacchanal, bakən’l, subst. Bacchuspriester, Bacchant(e), zwierbol; adj. bacchantisch; Bacchanals = Bacchanalia, bakəneiljə, Bacchanaliën; Bacchanalian = Bacchantisch; zwierbol; Bacchant = Bacchant(e); adj. Bacchantisch; Bacchante, bakənt of bəkant(î), Bacchante; Bacchic = Bacchantisch; Bacchus = Bacchus.
Bacciferous, baksifərɐs, bessendragend; Bacciverous, baksivərɐs, bessenetend.
Bachelor (soms verkort tot Bach) batš(ələ), subst. ongetrouwd man; baccalaureus (laagste acad. graad na 3 jaren studie en examen): His bachelor rooms were always tidy = zijne kamers, toen hij nog ongetrouwd was, etc.; Bachelor’s of Bachelors’ buttons = dubbele ranonkel; Bachelorhood = Bachelorship, baccalaureaat; staat van jonggezel.
Bacillus, bəsiləs (Meerv. Bacilli), bacil.
Back, bak, subst. rug, achterzijde, onderkant, keerzijde, verste kant, etc.; adj. achter-, rug-, afgelegen, omgekeerd, etc.; adv. terug, omgekeerd, etc.; Back verb. van een rug voorzien, den rug versterken, verdedigen, bekrachtigen, steunen; achteruitgaan, achteruitbrengen, achterwaarts bewegen, bak halen, strijken; van achteren grenzen aan, op den rug dragen, endosseeren, wedden op, etc.: To sit back to back = met den rug tegen elkaar aan; Small of the back = kruis; He does not need my little palm in the small of his broad back = heeft mijn geringe steun niet noodig; He has not a shirt on his back = aan het lijf; Behind one’s back = achter iemands rug (ook fig.); To bow the people’s back = onderdrukken; To get up (make, set) a back = voorover gaan staan, een hoogen rug maken (van katten), boos worden; To provide a back = gaan staan (bij haasje over); To put one’s back into = zich inspannen voor; To put anybody’s back up = boos maken; To scratch the back of the public = vleien; To see the back of = afkomen van, zich afmaken van; To turn one’s back upon = den rug toedraaien; The back of the hand (postcard, wood) = rugzijde (achterkant, verste zijde); To be at the back of = ergens achter zitten (fig.); To look best from the back; To see through the back of a person’s head = iemand geheel doorzien; To go back on a friend = verraden; To go back on a promise = breken; She kissed him back = weerom; To look back upon = terugzien op; The angel rolled back the stone from the door = wentelde af; Back and forth (Amer.) heen en weer; As far back as = reeds in, toen reeds; Some time back = geleden; The horse backed with him = ging achteruit; To back the oars = strijken; To back sail = bakzeil halen (bijdraaien); To back water = strijken; achteruitkrabbelen (fig.); To back down before = wijken voor; Our train was backed on to a siding = teruggezet op een zijspoor; To back out of an engagement = terugkrabbelen, zich er afmaken; To back out of a fix = met fatsoen uit een moeilijkheid komen; To back up = steunen (rugsteunen); To back a horse = wedden op (in tegenstelling van den book-maker die ‘lays against’); To back the field = op alle paarden wedden behalve op de “favourite”; He would back himself for any amount to do it better than any of them = wilde wedden, maakte zich sterk; Backbite = belasteren, kwaad spreken van; Backbiter; Back-board = rugplank; rugplank in den stuurstoel van een (roei)boot; Backbone = ruggegraat; wilskracht: He is a liberal to the backbone = door en door; He has no backbone = geen pit in zich; Back-country = achterland, Hinterland (Amer.); Back-door = achterdeur; uitvlucht, uitweg; Backdown: That statesman’s backdown was an earnest of later success = zijn toegeven was eene belofte van later succes; High backed chairs = met hooge ruggen; Backer = helper, steuner; Backfall = val op den rug (bij het worstelen); Backgammon, bakgam’n, triktrakspel, bakspel; Background = achtergrond: To keep in the background = blijven in; Back-hand = subst. schuin linksch schrift; Back-handed = met den rug van de hand, schuin links, dubbelzinnig, heimelijk: A back-handed compliment = dubbelzinnig; A back-handed blow (= back-hander) = met den rug van de hand: Fortune gave him a lift, with a back-hander to follow = Fortuna was hem eerst gunstig, maar bedroog hem daarna; He took a back-hander = extra glas (wijn etc.); Back-house = achtergebouw; Back-number (-volume) = oud, vroeger; Back-payment (-rent) = achterstallige; Back-piece, Back-plate = rugbedekking (van een harnas); Back-seat = voorbank; ondergeschikte rol (plaats); Back-settlements = nederzettingen in het achterland (Amer.); Back-side = achterzijde; achterste; Back-slang = soort dieventaal, waarbij de woorden andersom gespeld worden b.v. Cool the esclop (of slop) = Look at the police; Backslide = afvallig of ontrouw worden; wegloopen; Backslider; Back-staff, bakstâf, ouderwetsche quadrant; Back-stair(s), bakstêə(z), subst. geheime trap, achtertrap; adv. listig, oneerlijk: The whispers of the backstairs = lasterlijk gefluister; Backstays = pardoens; Back-sword, baksöd, soort houwdegen; schermstok met getralied handvatsel, het spel daarmee; Backward = adj. en adv. achterwaarts, rugwaarts, langzaam, traag, onwillig, achterlijk, stomp van bevatting; schuchter (Amer.); lang geleden: It is backward in us = achterlijk; Backward and forward(s) = heen en weer; To repeat backwards = achterste voren opzeggen; backwardation, bakwədeiš’n, korting voor het recht om eerst na 14 dagen te mogen leveren; Backwards = van achteren naar voren; Back-water = opvaart, haf; achterwaarts geworpen water door waterraderen of schepraderen; ook verb. strijken; Backwoods, bakwudz, Canadeesche oerwouden; Backwoodsman = een Peer, die nooit een zitting bijwoont (fig.).
Backshee(sh), bakšî(š), Ba(c)kshish, bakšiš, drinkgeld, fooi; Backshish verb. omkoopen.
Backy, baki, tobacco; Backy-box = tabaksdoos.
Bacon, beik’n, Baco; Baconian, van Baco.
Bacon, beik’n, gezouten spek: A flitch of bacon = zij spek: He may fetch a flitch of bacon from Dunmow = hij heeft nooit ruzie gehad met zijne vrouw (een toespeling op den hiervoor uitgeloofden prijs); To save one’s bacon = er heelhuids afkomen.
Bacteria, baktîriə, (mv. v. Bacterium = bacterie); Bacteriological = bacteriologisch; Bacteriologist, bacterioloog; Bacteriology, bacteriologie.
Bad, bad, slecht, schadelijk, valsch, bedorven, ziek, erg: He is in a bad way = hij is er slecht aan toe; That’s too bad = dat is te kras; To feel bad = onwel; boos; To go bad = bederven (van eieren); To go from bad to worse = van kwaad tot erger; You had it bad = je hadt ’m leelijk “om”; To the bad = schuldig, te kort; To drift (go) to the bad = den slechten weg opgaan; Baddish = vrij slecht; I want it badly = heb het hoog noodig; He seems to be badly off = hij schijnt het slecht te hebben; Badness = slechtheid.
Bade, bad, Imperf. en Past Part. van to bid.
Badge, badž, insigne, kenteeken; galerij (scheepst.); Badge verb. kenmerken: Badge of authority; Badge of an order; Badged and crested ware = aardewerk van het merk van hotel of club voorzien.
Badger, badžə, subst. das; penseel; soort kunstvlieg (bij ’t visschen); Badger verb. sarren, pesten, plagen, tergen: As bald as a badger = zoo kaal als een biljartbal; Badger-baiting (Badger-drawing) = dassejacht; Badger-dog = dashond; Badger-legged; Badgerly = grijzend.
Badi, bâdi, veete.
Badinage, badinidž, badinage, scherts; verb. schertsen.
Badminton, badmint’n, eene soort raketspel; soort verfrisschende drank.
Baffeta(s), baf(ə)ta(s), wit of blauw Indisch katoen.
Baffle, baf’l, bedriegen, listig ontwijken, verhinderen, verijdelen: To baffle description = alle beschrijving te boven gaan; Baffling winds = veranderlijke winden.
Bag, bag, subst. zak, tasch, weitasch, haarzak, buidel; Bag verb. in een zak doen; schieten, vangen; stelen, opzwellen, uitzetten, zakkig zitten: Bags = wijde kleedingstukken, broek; ingewanden, maag (Schotl.): Alms (Collection) bag = armenzakje; Blue (Green) bag = zak voor akten, processtukken, etc.; City (Gladstone) bag = soort valies; What’s the bag to-day? = hoeveel wild is geschoten? He went away bag and baggage = met pak en zak; He is a bag of bones = de levende dood; To bear the bag = baas over’t geld zijn; To get the bag = den bons krijgen; To give the bag = verlaten; bedriegen; To give one the bag to hold = iemand bedotten; He let the cat out of the bag = verklapte alles: How many hares have you bagged to-day? = geschoten? You’ve had your wind bagged at footer = bent achter adem gekomen bij het voetbal spel; Bag-fox, bagfoks, een door jagers medegenomen vos, die los wordt gelaten om op te jagen; Bagman, bagm’n, handelsreiziger (veroud.); Bagpipe = doedelzak; Bagpiper; Bag-wig = pruik met haarzak; Bagging = zaklinnen; Baggy = zakachtig, flabberig; gezwollen: Baggy cheeks.
Bagatelle, bagətel, kleinigheid, bagatel; een zeker spel: Bagatelle-board.
Bagdad, bagdâd, bagdad; Bagehot, badžət.
Baggage, bagidž, bagage (Amer.; in Engeland ook luggage); de benoodigdheden van een leger; brutaaltje; meisje: A pretty, soft-hearted baggage; Baggage-car (Amer.) = goederenwagen.
Bagnio, banjou, badhuis, bordeel; gevangenis voor galeislaven.
Bah, bâ, ba, foei.
Bahadur, bahôdə, heer (Brit. Ind.).
Bail, beil, subst. borgtocht, borg; beugel, hengsel, halve hoepel; stang, staket, afsluiting, grens; hoosvat: Bail verb. borg blijven; toelaten, een borg te stellen, in onderpand geven; van een beugel voorzien; ontwapenen; hoozen: To accept (allow, admit to, take) bail = tegen borgtocht in vrijheid stellen; To be (go, stand) bail for = borg blijven voor; To give (furnish) bail = borg stellen; To bail out = met een borgtocht bevrijden; hoozen; Bailbond, Bail-piece = schriftelijk bewijs van borgstelling; Bailsman = borg; Bailable, tegen borgtocht vrij te laten; waarvoor bail gegeven kan worden; Bailee, beilî, borgtochthouder; Bailer (Bailor), beilə, borgtochtgever; Bailer, hoosvat, soort baggermachine; Bailment = overdracht onder borgstelling; vrijlating tegen borgstelling.
Bailey, beili, buitenmuur; binnenplein: The Old Bailey = zetel van het Central Criminal Court in de City.
Bailiff, beilif, schout, baljuw, opzichter, gerechtsdienaar, soort verificateur; opzichter der visscherijen; Bailiwick, beiliwik, het rechtsgebied van een bailiff.
Bairn, bêən, kind.
Bairam, bairâm, bairam, Turksche feesten (Lesser Bairam volgt op Ramadan; Greater Bairam volgt 70 dagen later).
Bait, beit, subst. aas, lokaas; verfrissching, water en voer; Bait verb. van aas voorzien, verlokken; stilhouden om zich te verfrisschen, drenken en voeren; aanhitsen: To take the bait = bijten; in de val loopen; Bear-bait(ing) = berebijt, vechten van honden tegen beren.
Baize, beiz, baai, saai; gordijn, tafelkleed.
Bake, beik, bakken; Baked meat = vleeschpastei; Baker = bakker: A Baker’s dozen = dertien; Baker-kneed (Bake-legged) = met x-beenen (= Bake-feet); Bakery = Bake-house = bakkerij.