Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 88

Chapter 883,057 wordsPublic domain

Own, oun, adj. eigen; Own verb. bezitten: Every one for his own = ieder voor zich; He has a house of his own = een eigen huis; A dear little clock of my very own = heelemaal van mij alleen; To have a reason of one’s own = eene bijzondere reden hebben; To hold one’s own (with) = zijn recht handhaven, stand houden: Of one’s own accord (motion) = uit eigen beweging; He did it on his own hook, account = op eigen houtje, verantwoording; Name your own day = bepaal zelf den dag; To be one’s own master = zijn eigen baas zijn; He does not know his own mind = weet zelf niet wat hij wil; To be own niece to = een volle nicht zijn van; He will have it all his own way = geheel zooals hij het wenscht; Owner = eigenaar; Ownerless = onbeheerd; Ownership = eigendom(srecht).

Own, oun, erkennen, toegeven, zijn hart uitstorten: To own to a fault = bekennen; It must be owned that = erkend worden; I own to your reproach = ik erken dat uw verwijt verdiend is: I own to much less affection for him than for his brother = ik erken, dat ik zijn broer veel liever mag dan hem; Own up like a man! = beken, biecht op; Why don’t you own up about him? = waarom ontken je niet je ongelijk jegens hem?

Ox, oks, (Meerv. Oxen, oks’n), os: Ox-bow = ossenjuk; bocht van eene rivier (Amer.); Ox-eye = bijmees; blauwmeesje; runderoog (plant); Ox-eyed = met groote oogen; Ox-fly = koeienhorzel; Ox-heart = soort groote kers; Ox-hide = runderhuid; Oxlip = hoogstengelige sleutelbloem; Ox-stall = ossenstal; Ox-tail = ossestaart: Ox-tail soup; Ox-team = span ossen.

Oxalic, oksalik: Oxalic acid = oxaalzuur.

Oxford, oksfəd.

Oxidation, oksideiš’n, oxydatie; Oxide, oks(a)id, oxyde; Oxidizable = oxydeerbaar; Oxidize = oxydeeren.

Oxonian, oksounj’n, student, gepromoveerde van de universiteit te Oxford; knoopschoen; ook adj.

Oxygen, oksidžen, zuurstof; bleekpoeder; Oxygenate, oksidžəneit, oksidženeit, met zuurstof verbinden; subst. Oxygenation; Oxygenizable = oxydeerbaar; Oxygenize, oksidžənaiz, oksidžənaiz, oxydeeren.

Oxyhydrogen, oksihaidrədžen, knalgas.

Oxytone, oksitoun, met den klem op de laatste lettergreep.

Oyer, oujə, ôiə, verhoor.

Oyes, Oyez, oujes, oujez, hoort! Met dit woord, driemaal herhaald, worden de openbare afkondigingen begonnen, en zittingen geopend; proclamatie, omroeper.

Oyster, ôistə, oester: Oyster-bed = oesterbed; Oyster-culture = oesterkultuur; Oyster-ground (= Oyster-bed); Oyster-knife; Oysterman; Oyster-patty = oesterpasteitje; Oyster-shell = schelp; Oyster verb. afzonderen, verbannen: He oyster-shelled himself quite out of humanity’s reach = zonderde zich geheel af van de menschen; Oyster-wife (Oyster-woman).

Ozone, ouzoun, əzoun, ozon; Ozonize = in ozon omzetten, met ozon vervullen; Ozonizer = apparaat hiervoor.

P.

P, pî: He is on his P’s and Q’s = op zijn “qui vive”; Mind your P’s and Q’s, for she is very black (= knorrig) this morning = pas op uw tellen; P. staat verkort voor page, participle, past, pole en port; Pa = Pennsylvania; Paint(ing); Pa(st) Part(iciple); Par(agraph); Parl(iament); Particip(ial); Pass(ive); Pat(rick); Pathol(ogical); P(atres) C(onscripti) = de beschreven vaderen; P(olice) C(onstable); P(rivy) C(ouncil); P(ai)d; Penn(sylvania); Pers(onal); Percent(um) = percent; Perf(ect); Pet(er); Pharm(acy); Ph(ilosophiae) B(accalaureus); Ph(ilosophiae) D(octor); Phil(osophy); Phil. Trans. = Transactions of the Philosophical Society = Handelingen van het Wijsgeerig Genootschap; Philol(ogy); Philos(ophy); Photog(raphy); Phren(ology); Phys(ics); Physiol(ogy); Pinx(it) = hij (zij) heeft het geschilderd; P(oet) L(aureate); P(oor) L(aw) C(ommissioners); Plu(ral); Plup(erfect); P(ost) M(eridiem) = na den middag; P(ost) M(aster) G(eneral); P(ost) O(ffice); P(eninsular &) O(riental Steam Navigation) Co(mpany); Poet(ry); Pol(ish); Polit(ical) Econ(omy); P(ost) O(ffice) M(oney) O(rder); Pop(ulation); Port(ugal); Poss(essive); Pph = Pamphlet; Pr(esent, Prince of Priest); Pr(esent) Par(ticiple); P(resident of the) R(oyal) A(cademy); Pref(ix of Preface); Prep(osition); Pres(ent); Pret(erite); Prim(ary); Print(ing); Prob(lem); Prof(essor); Prop(osition); Pro temp(ore) = voor het oogenblik; Prov(erb); Prox(imo = volgende maand); P(resident of the) R(oyal) S(ociety); Prus(sia); P. S. = Postscript; P(rompter’s) S(ide) = de rechterzijde van het tooneel, waar de souffleur staat; P(rivy) S(eal); Ps(alm); Psychol(ogy); P(articulars) t(o) f(ollow) = nadere bijzonderheden volgen; P(lease) T(urn) O(ver); Pub(lic); Pxt = Pinx(it).

Pa, pâ, Pa.

Pabulary, pabjuləri, voedzaam, voedsel - -; Pabulum, pabjulɐm, voedsel: To offer literary pabulum.

Paca, pakə, peikə, gevlekt zeevarkentje (Z. Amer.).

Pace, peis, subst. stap, pas, gang, schrede, tempo, elasticiteit der banden van een biljart (= Pace of the table): Pace verb. gaan, stappen, afpassen; afstappen, gangmaken: Double-time pace = looppas; Ordinary pace = marsch tempo; Quick pace = versnelde pas; To go at a great pace = flink doorstappen; To go the pace = voortsnellen; een vroolijk (losbandig) leven leiden; To keep pace with = met iemand in den pas blijven, iemand bijblijven; You had better mend your pace = je deed beter wat aan te stappen; To set the pace = het tempo aangeven; We walked twelve miles at a pace = twaalf mijlen achtereen; The horse (He) was put through its (his) paces = men liet het paard vóórdraven, hij werd op de proef gesteld, moest toonen wat hij kon; To work a horse within his pace = zich niet te veel laten inspannen; Pace-maker = gangmaker; Thorough-paced = flink geoefend, geschoold, onvervalscht, doortrapt; Thorough-pacer = renpaard.

Pace, peisi: Pace Mr. W. = met verlof van.

Pacha, pəšô, pacha.

Pachyderm, pakidɐ̂m, dikhuidig dier; Pachydermatous, pakidɐ̂mətɐs, dikhuidig; ongevoelig.

Pacific, pəsifik, subst. Stille Zuidzee; adj. Pacific(al) = vredelievend, verzoenend, rustig, vreedzaam; Pacification = verzoening, verdrag, bevrediging; Pacificator = vredestichter; Pacifier, pasifaiə, vredestichter; Pacify = bevredigen, stillen, tot bedaren brengen.

Pack, pak, subst. pak, last, menigte, troep, spel (kaarten), troep (jachthonden); Pack verb. pakken, inpakken, laden, bergen, wegzenden, de kaarten valsch leggen, eene jury zóódanig samenstellen dat ze partijdig is; zich laten pakken, pakken, zich wegpakken; Pack-cloth = paklinnen; Pack-horse = lastpaard; Pack-ice = pakijs; Packman = marskramer; Pack-saddle = pakzadel; Pack-staff = stok (van een marskramer); Packthread = pakgaren; I sent him packing = ik heb hem de laan uitgestuurd; He was found guilty by a packed jury = een partijdige jury; The hall was packed in every part = vol aan alle kanten; With such people they pack their audiences = vullen zij hun gehoor; Package, pakidž, pakje, pak, emballage, pakloon: Number of packages = getal colli; Packer = pakker; lastdier, leider van een lastdier; Packet, subst. pakje, pakketboot; Pack verb. inpakken, verzenden per Packet-boat; Packet-line; Packet-ship; Packing = vulling, pakking, pakloon; Packing-awl = paknaald; Packing-bath = natte omslagen; Packing-case = pakkist, enz.; Packing-needle = paknaald; Packing-paper; Packing-room = pakkamer; Packing-sheet = paklinnen, natte omslag (laken).

Paco, pâkou, peikou, alpaca.

Pact, pakt, verbond, verdrag; Pactional = afgesproken.

Pad, pad, subst. zacht kussen, stootkussen, onderlegger, spoor (voetindrukken); klepper, telganger (= Pad-nag); Pad verb. te voet reizen, opvullen, watteeren: A pad of straw = een bos stroo; She wears pads = stopt zich op; To go upon the pad = op roof uitgaan; Padding = (op)vulsel, iets ter vulling of bladvulling: There is much padding in the book.

Paddle, pad’l, subst. pagaai, blad (van een roeiriem), schoep (van een scheprad), zwemvoet; Paddle verb. in het water plassen, pagaaien; waggelen; uitsnijden; streelen; afranselen (Amer.): He paddles his own canoe = hij redt zichzelf; Paddle-board = schoep; Paddle-boat = raderboot; Paddle-box = raderkast; Paddle-wheel = scheprad.

Paddock, padək, besloten perk of veld naast een stal (of op een renbaan); stoeterij; padde: As cold as a paddock = ijskoud; Paddock-stool = paddestoel.

Paddy, padi, (verk. v. Patrick) bijnaam voor een Ier; rijst in de aar.

Padella, pədelə, Padelle, pədel, illumineerschaaltje.

Padisha(h), pâdîšâ, pâdišâ, padišô, Groote Heer, titel van den sultan of shah.

Padlock, padlok, subst. hangslot, slot (fig.): Padlock verb. met een hangslot vastmaken.

Padra, pâdra, soort van zwarte thee.

Padua, padjuə; Paduan = Paduaansch; bewoner v. P.; Paduasoy, padjuəsôi, padjuəsôi, Paduazijde, kleed daarvan vervaardigd.

Paean, pîən, triomfzang, danklied.

Paedobaptism, pîdəbaptizm, kinderdoop.

Paeony, pîəni, pioen.

Pagan, peig’n, subst. heiden; adj. heidensch = Paganish; Paganism = heidendom; Paganize = heidensch maken, als heidenen doen.

Page, peidš, subst. page, livreijongen, bode; bladzijde, geschrift, episode; Page verb. als page dienen; pagineeren; Pagehood = pageschap.

Pageant, padž’nt, peidž’nt, vertooning, praal, pracht, optocht; Pageantry = praalvertooning.

Paget, padžət.

Paginal, padžin’l, uit bladz. bestaande; subst. Pagination.

Pagoda, pəgoudə, afgodentempel; vroegere gouden (soms zilveren) munt van ± 7 s. (Br. Ind.): To shake the pagoda-tree = spoedig fortuin maken in Indië.

Pah, pâ, subst. versterkt kamp bij de Maori’s; interj. bah!

Paid, peid, imperf. en part. perf. van to pay.

Pail, peil, emmer; Pailful: By pailfuls = met emmers.

Pain, pein, pijn, zorg, kommer, straf; (Pains = moeite, inspanning; weeën); Pain verb. pijnigen, kwellen, smarten, bedroeven, beangstigen: To be in pain; To have much pain; To give oain = pijn doen; On pain of death, pain of a fine = op straffe des doods, van boete; It pains me to see = doet me leed; We are pained at the death of a friend; No gains without pains = zonder moeite heeft men niets; I have been at the (infinite) pains to help him = heb (veel) moeite gedaan; He has spared no pains, has taken many pains = heeft geene moeite ontzien, veel moeite gedaan; Painstaker; Painstaking = onverdroten; nauwgezet; ook subst.; Painful = pijnlijk, subst. Painfulness; Painless = pijnloos; licht; subst. Painlessness.

Painim, peinim, heiden; adj. heidensch = Paynim.

Paint, peint, subst. verf, blanketsel, tinctuur; Paint verb. schilderen, blanketten, verven, tinten, afbeelden, beschrijven: Wet paint! = pas geverfd! She paints = blanket zich; Her letters paint in her autobiography = vullen aan; To paint the city red = de blommetjes buiten zetten; Painted of a deep red = donkerrood gekleurd; Painted in oils = olieverf; Paint flirtation = groote behaagzucht (door blanketten); Paint-box = kleurdoos, verfdoos, schildersdoos; (House) painter = (huis)schilder, vuist: To let go the painter = er op los slaan; Painter’s colic = loodvergiftiging; Painting = schilderkunst, schilderij, blanketsel: Painting-room = atelier; Paintress = schilderes; Painty = met verf bevuild.

Painter, peintə, vanglijn: To cut a person’s painter = iemand wegzenden; hem verhinderen kwaad te doen; To cut the painter = uitsnijden.

Pair, pêə, subst. paar; Pair verb. in paren vereenigd zijn of vereenigen, bij elkaar passen, paren: Pair and pair = paarsgewijze; A carriage and pair = een rijtuig met 2 paarden; There’s a pair of them = zij zijn aan elkaar gewaagd, een paar besten; That’s (quite) another pair of boots = dat is andere thee (fig.); Two pair of spectacles = twee brillen; A pair of steps = huistrap; He rang the twopair-bell = de bel van twee hoog; A twopair-front = voorkamer twee hoog; He struck up a pair with another member, Vergel. To pair off; To pair off = in paren heengaan of komen: In the House of Commons they have adopted the system of pairing off, by which an equal number of members of opposite parties have agreed not to partake of the division, so that the chances remain equal by their non-appearance = in het Huis der Gemeenten bestaat het stelsel van samen wegblijven, waarbij een gelijk aantal leden van tegenovergestelde partijen zijn overeengekomen niet aan de stemming deel te nemen, zoodat de kansen dezelfde blijven bij hunne nietverschijning; Pairing-season (Pair-time) = paartijd.

Paixshansgun, peiks’nzgɐn, soort houwitser.

Pal, pal, kameraad (Slang): To Pal on = maatjes worden.

Palace, palis, paleis: The Palace = het kristallen paleis; Palace-car = salonwagen (Amer.); Palace-Court = een in 1849 opgeheven gerechtshof; Palace-yard = slotplein.

Paladin, palədin, (dolende) ridder, paladijn.

Palaeontology, peiləontolədži, paləontolədži, palaeontologie.

Palaeography, peiləogrəfi, palaeographie.

Palampore, paləmpö, sprei van gebloemd sits.

Palankeen, Palankin, Palanquin, palənkîn, draagkoets.

Palatability, palətəbiliti, smakelijkheid; Palatable = smakelijk, aangenaam; subst. Palatableness; Palatal, subst. verhemeltebeen; verhemelteletter; adj. verhemelte...; Palatalize = in een palatal veranderen; Palate, palit, verhemelte, smaak.

Palatial, pəleiš’l, paleis..; vorstelijk.

Palatinate, pəlatinit, palətinit, paltsgraafschap: The Palatinate = de Palts; Palatine, palət(a)in, tot het keizerlijk hof of paleis behoorend, paltsgrafelijk; subst. palantijn, bewoner van een County Palatine, of de Palts; een soort pelskraag (= Palatine tippet): Count Palatine = paltsgraaf, titel van de oudtijds met bijzondere privilegiën begiftigde stedehouders van Chester, Durham en Lancaster; County Palatine = paltsgraafschap.

Palaver, pəlâvə, pəlavə, subst. discussie, samenspreking, gewauwel; Palaver verb. bepraten, wauwelen; Palaverer.

Pale, peil, subst. paal, spietspaal, omsloten ruimte, district, gebied, grenzen: Within the pale of the law = binnen de perken...; The English Pale = deel v. Ierland, waarin het Engelsche gezag werd erkend (1172–1602); Pale verb. met palen omsluiten.

Pale, peil, bleek, mat, flauw, dof; Pale verb. bleek worden, verbleeken: A pale smile = flauwe; She alternately paled and flushed with anger = werd beurtelings bleek en rood; Paleface = bleek gezicht; Pale-faced = met een bleek gelaat; Pale-hearted = moedeloos; Paleness = bleekheid.

Palestine, paləstain, Palestina; adj. Palestinian, Palestinean.

Paletot, palətou, paletot.

Palette, palət, palet: To set the palette = kleuren op het palet brengen; Palette-knife = = tempermes.

Paley, peili.

Palfrey, pôlfri, damesrijpaard, telganger.

Palgrave, pôlgreiv, palgreiv.

Pali, pâli, Pali, taal der Zuidelijke Boeddhisten.

Palimpsest, palimpsest, palimpsest, perkamentrol, die na afkrabbing van het oorspronkelijk geschrevene, opnieuw beschreven is; ook adj. en verb.

Palindrome, palindroum, woord of zin, evengoed naar voren als naar achteren te lezen, b.v. lepel, madam.

Paling, peiliŋ, paalwerk, staketsel.

Palingenesis, palindženəsis, wedergeboorte; palingenesie.

Palisade, paliseid, subst. palissade, paalwerk, staketsel; Palisade verb. ompalen, palissadeeren.

Palisander, palisandə, palisanderhout.

Palish, peiliš, eenigszins bleek.

Pall, pôl, subst. mantel; doodskleed (over de lijkkist) = Funeral pall; Pall verb. met een lijkkleed bedekken; Pall-bearer = iemand, die (de slippen van) het lijkkleed draagt.

Pall, pôl, verschalen, kracht of aantrekkelijkheid verliezen, vervelen, tegenstaan: It palls upon the reader = begint den lezer te vervelen; Beauty alone soon palls upon the sense.

Palladium, pəleidj’m, beeld van Pallas Athene in Troje, dat de onneembaarheid der stad waarborgde, palladium, schild, heiligst kleinood.

Pallet, palət, palet, in verschillende beteekenissen; stroozak, veldbed.

Palliasse, paljas, stroomatras.

Palliate, palieit, verzachten, verlichten, bemantelen; subst. Palliation; Palliative, subst. en adj. verzachtend(middel); Palliator.

Pallid, palid, bleek; subst. Pallidity = Pallidness.

Pallium, paliəm, opperkleed der oude Grieken; schoudermantel van een aartsbisschop; mantel (weekdieren).

Pallmall, pelmel, maliespel; straat van dien naam in Londen, het daarin gelegen Ministerie van Oorlog.

Pallor, palə, bleekheid, ongezonde kleur.

Palm, pâm, palm (van de hand), lengtemaat, blad van een roer, klauw van een anker, tak van een gewei, palmtak, palmboom, zegepalm; Palm verb. betasten, streelen, in de palm der hand verbergen, aansmeren, bedriegen: He bears (wins) the palm = draagt den palm weg; That carries the palm = spant de kroon; To yield the palm = het veld ruimen; He palmed himself off as an artist = deed zich voor als; He would palm off his butterine on me as best dairy-fresh = mij zijne kunstboter als beste natuurboter aansmeren; Palm-butter = palmboter; Palm-greasing = omkooperij; Palm-house = palmenhuis; Palm-leaf = palmblad (waaier, hoed); Palm-oil = palmolie; steekpenning; Palm-Sunday = Palmzondag; Palm-tree; Palmar, palmə, tot de hand behoorende, van eene handbreed; Palmarian, palmêriən, uitstekend = Palmary: His palmarian emendation of that passage = schitterende tekstverbetering; Palmate, palmit, handvormig; met zwemvliezen; Palmer, pâmə, pelgrim, die als bewijsstuk een palmtak uit het Heilige Land meebracht; soort kunstvlieg (hengelsport); Palmer-worm = soort harige rups; Palmist(er), palmist(ə), pâmist(ə), handkijker; Palmistry = voorspelling uit de palm van de hand; Palmy, pâmi, vol palmen, zegevierend, bloeiend, gelukkig.

Palmerston, pâməst’n.

Palmetto, palmetou, buks, dwergpalm.

Palmiped, palmiped, adj. met zwemvliezen; subst. zwemvogel.

Palp, palp, voelhoren; Palpi, palpai = voelhorens; Palpiform, palpiföm, in den vorm van voelhorens; Palpigerous, palpidžərɐs, voelhorens dragende.

Palpability, palpəbiliti, subst. v. Palpable, palpəb’l, voelbaar, tastbaar, duidelijk; subst. Palpableness; Palpation, palpeiš’n, onderzoek door voelen.

Palpitate, palpiteit, snel kloppen (van het hart); Palpitation of the heart = hartklopping.

Palsgrave, pôlsgreiv, palzgreiv, paltsgraaf; Palsgravine, pôlzgrəvîn, paltsgravin.

Palsied, pôlzid, door verlamming of beroerte getroffen; Palsy, pôlzi, verlamming, beroerte: Writer’s palsy = schrijfkramp.

Palter, pôltə, uitvluchten zoeken, niet oprecht handelen, spelen met; Palterer = bedrieger, knoeier.

Paltriness, pôltrinəs, subst. v. Paltry, pôltri, onbeteekenend, treurig, klein, laag, verachtelijk.

Paludal, pəl(j)ûd’l, paljədəl, Paludinous, pəl(j)ûdinəs, moerassig, moeras....

Paly, peili, bleek; gepaald, door evenwijdige verticale lijnen in gelijke deelen verdeeld (Herald.).

Pamela, pəmîla, pamila.

Pampas, pampəs, pampa’s (Z.-Amerika); Pampero, pampêrou, koude (Zuid)westen wind in de Pampas.

Pamper, pampə, dikvoeren, volproppen, overvoeren, vertroetelen: Prosperity pampered his recklessness into cruelty = verergerde tot; Pampered from a darling into a despot = door te verwennen veranderd van ... tot.

Pamphlet, pamflət, pamflet; Pamphleteer, pamflətîə, subst. pamflettist; Pamphlet verb. vlugschriften schrijven.

Pan, pan, subst. pan, holte, ondergrond, plas, hoofd, kop, de god Pan; Pan verb. To pan out = goudwasschen; toestaan; zich meester maken van; goud vertoonen, uitvallen, uitpakken: Panned out = bankroet; Pan-ice = los kustijs.

Panacea, panəsîə, panacee, algemeen middel.

Panache, pənaš, vederbos.

Panada, pəneidə, pənâdə, broodsoep.

Panama, panəmâ, pânamâ.

Pancake, pankeik, pannekoek.

Panch, panš, stootmat (scheepst.).

Pancreas, paŋkrias, alvleeschklier; Pancreatic: Pancreas juice = alvleeschsap.

Pandarus, pandərɐs; Pandean, pandîən: Pandean pipes = fluit van Pan = Pan-pipes.

Pandects, pandekts, pandecten, verzameling van wetten betreffende het Oud-Romeinsche recht (wetten van Justinianus).

Pandemonium, pandimounj’m, pandemonium, hel, oproerige vergadering; helsch lawaai.

Pander, pandə, subst. koppelaar; likker (fig.); Pander verb. koppelen, iemands lage lusten terwille zijn, begunstigen: He pandered to all their desires; Panderage, pandəridž, koppelarij; Panderism = het koppelen.

Pandit, pandit. Zie Pundit.

Pandoor, pandûə. Zie Pandour.

Pandora, pandôrə, Pandora; Pandora’s-box = doos van P.

Pandour, pandûə, pandoer.

Pandy, pandi, scheldnaam voor de Sepoys.

Pandy, pandi, klap op de vlakke hand; ook verb.

Pane, pein, glasruit = Pane of glass; Paneless = zonder ruiten.

Panegyric, panədžirik, lofrede; adj. = Panegyrical = lovend; Panegyrist, Panegyrist = lofredenaar; Panegyrize, panədžiraiz, hoogelijk prijzen, eene lofrede houden.

Panel, pan’l, subst. paneel(vormig), zadelkussen, (naamrol der) jury; Panel verb. met paneelen maken; Panel-gardening = mozaïekwerk (in tuinen); Panel-picture = paneeltje.

Pang, paŋ, subst. plotselinge folterende pijn, steek, angst, doodsbenauwdheid: Pangs of death = doodsangst.

Panic, panik, subst. paniek; vingergras (= Panic grass); adj. panisch: Panic fear (Panic fright); Panic-struck (Panic-stricken) = door plotselinge vrees bevangen.

Panicum, panik’m, vingergras.

Panjandrum, pandžandrəm, Groot-Mogol (iron.).

Pannade, pəneid, korte boogsprong (paard).

Pannage, panidž, belasting op het laten loopen van varkens in eikenbosschen; eikelvoer.

Pannel, pan’l, soort v. zadel. Z. Panel.

Pannier, panjə, draagmand; soort rok (wijduitstaand in ’t midden).

Pannikin, panikin, pannetje, schaaltje.

Panoply, panəpli, volledige wapenrusting; wapentrophee.

Panopticon, panoptikon, een gevangenis zoodanig gebouwd dat de bewaarders steeds, zonder zelf gezien te worden, alle gevangenen kunnen zien; tentoonstellingsgebouw voor allerlei nieuwigheden, etc.

Panorama, panərâmə, panəramə, panəreimə, panorama; adj. Panoramic.

Panslavic, pansleivik, Panslavisch; Panslavism, panslâvizm, panslavizm, Panslavisme.

Pansy, panzi, driekleurig viooltje.

Pant, pant, pânt, hijgen, snuiven, snakken, verlangen, snakken naar (Pant for); ook subst. Pants = pantaloons; To pant for breath.

Pantalet(te)s, pantəlets, vrouwen- of kinderbroek met strooken.

Pantaloon, pantəlûn, subst. hansworst, de “pantalon” in eene pantomime; Pantaloons = nauwsluitende (onder)broek.

Pantechnicon, panteknikon, magazijn van alle soorten v. artikelen; bewaarplaats voor huisraad; verhuiswagen = Pantechnicon van.

Pantheism, panthiizm, pantheïsme; Pantheist = pantheïst; adj. Pantheistic(al).

Pantheon, panthiən, panthîən, Pantheon.

Panther, panthə, panter; Pantheress.

Pantile, pantail, dakpan van S-vorm; hooge hoed of “kachelpijp”; scheepsbeschuit.

Pantisocracy, pantisokrəsi, pantisocratie.

Pantograph, pantəgraf, pantograaf, teekenaap; Pantəgraphic(al).

Pantomime, pantəmaim, pantomime; ook adj. en verb.; Pantomimic, pantəmimik, pantomimisch; Pantomimist, pantəmaimist, pantomimist.

Pantry, pantri, provisiekast of -kamer.

Pants, pants, Zie Pant.

Pap, pap, pap, vruchtvleesch, pulp; bijverdiensten; tepel: As easy as pap = doodmakkelijk; Pappiness, subst. v. Pappy = papachtig, zacht, sappig.

Papa, pəpâ; (Amer.), pâpə, popə, vader; Papaship.

Papacy, peipəsi, pauselijke waardigheid en macht, de pausen gezamenlijk, R.K. kerk; Papal, peip’l, pauselijk: The Dogma of Papal Infallibility.

Papaver, pəpeivə, papaver: adj. Papaverous.

Papaw, pəpô, pôpô, meloenboom (of vrucht).