Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 128

Chapter 1283,002 wordsPublic domain

Sum, sɐm, subst. som, geheel, bedrag, inhoud, rekenvoorstel, toppunt; Sum verb. optellen, opsommen, resumeeren (up): Gross (Round) sum = ronde; The civil engineer’s advances are great in the sum = de vooruitgang van den civiel-ingenieur is te zamen genomen groot; That is the total sum of my experiences = het totaal; The sum and substance = korte inhoud; To do (make, work) a sum = maken; He is good at sums = kan goed sommen maken; He could not do a sum in large divisions, in multiplication = geene groote deelingen en vermenigvuldigsom maken; It can’t be summed up in two words = laat zich niet zeggen; The judge’s summing-up was lucid and impartial = ’s rechters resumé van het verhoor en de pleidooien.

Sumac(h), siûmak, sumak, pruikenboom.

Sumatra, sumâtrə; Sumatran = (bew.) van S.

Summarily, sɐmərili, in ’t kort, summier; Summarize = resumeeren; Summary, sɐməri, subst. korte inhoud, kort begrip, resumé; adj. beknopt, kort, snel, afgedaan: The judge gave a summary of the case = summing-up.

Summation, səmeiš’n, het samentellen.

Summer, sɐmə, subst. zomer; horizontale balk, kalf of bovendrempel, groote steen over zuilen en pilaren, waarop de bovenbouw rust; adj. zomer...., zomersch; Summer verb. den zomer doorbrengen, den zomer door laten weiden: We went for a brief summering in the country = voor een kort tijdje in den zomer buiten wonen; To summer and winter a person = van haver tot gort kennen; Indian summer = nazomer (in N. Amer.); St. Luke’s summer = St. Martin’s summer = zacht en mooi najaarsweer, voorspoed na ongelukken en rampen; One swallow does not make a summer; Summer-colts = golvende trillingen van heete lucht nabij den grond; Summer-fallow, subst. braakliggend land in den zomer; Summer verb. in den zomer braak laten liggen; Summer-house = tuinhuisje, zomerverblijf; Summer-lightning = weerlichten; Summer-time = zomertijd; Summer-wheat = zomertarwe; Summering = vroege appel of peer; Summery = zomersch.

Summerset, sɐməset, Summersault, sɐməsôlt, buiteling.

Summit, sɐmit, top, kam, kruin, hoogste punt; Summit-level = hoogste punt van eene spoorbaan, een kanaal, etc.

Summon, sɐm’n, oproepen, dagvaarden, opeischen, zenden om; Summon verb. dagvaarden: Summons, subst. dagvaarding; A summons was issued (taken out) against him = hij werd voor het gerecht gedaagd; To serve a summons on = een dagvaarding beteekenen; Summons me for that if you like = dagvaard me hiervoor; To summon up one’s courage = zich vermannen; Summoner = deurwaarder.

Sump, sɐmp, poel, mijnput, smeltkroes.

Sumph, sɐmf, domkop; plof.

Sumpter, sɐmptə, subst. pakpaard = Sumpter-horse.

Sumptuary, sɐm(p)tjuəri, de uitgaven betreffende: Sumptuary edict, law = wet tegen te groote weelde; Sumptuous, sɐm(p)tjuəs, kostbaar, duur, weelderig, prachtig; subst. Sumptuousness.

Sun, sɐn, subst. zon, zonneschijn, zonsopgang(ondergang); Sun verb. in de zon warmen, drogen of zitten: The sun rises, declines, sets, goes down = de zon gaat op, daalt, gaat onder; He had the sun very much in his eyes = was erg dronken; I have got a touch of the sun = lichte zonnesteek; There is no new thing under the sSun = niets nieuws onder de zon; Sun-beam = zonnestraal; Sun-bird = zonnevogel; Sun-blind = zonneblind; Sun-bonnet = dames zomerhoed; Sun-bronzed; Sun-burn = roode vlek van het verbranden door de zon; Sun-burnt = door de zon verbrand, met sproeten; Sun-clad = in stralen gehuld; Sun-dew = zonnedauw; Sundial = zonnewijzer; Sundown = zonsondergang (Amer.) = Sunset(ting); Sun-dried = in de zon gedroogd; Sunfish = zonne(maan)visch; Sun-flower = zonnebloem; Sun-glass = brandglas; Sun-god; Sun-hat; Sun-heat; Sunlight = zonnelicht; Sunlit = verlicht door de zon; Sun-myth = zonnemythe; Sun-ray; Sunrise, Sunrising = zonsopgang, Oosten; Sun-rose = zonnekruid; Sunset gun = het avondschot; Sunshade = parasol, zeil of scherm; Sunshine = zonneschijn, voorspoed, opgewektheid: To be in the sunshine = beneveld zijn; Sunshiny = zonnig, schitterend; Sun-spot = zonnevlek; Sunstricken, Sunstruck = door een zonnesteek getroffen; Sunstroke = zonnesteek; Sun-up = zonsopgang (Amer.); Sunless = zonder zon, beschaduwd; Sunlike; Sunniness, subst. v. Sunny = zonnig, opgewekt, blijde: Sunny eyes = vriendelijke oogen; I am on the sunny side of fifty = ik ben nog geen vijftig.

Sunday, sɐnd(e)i, Zondag: A month of Sundays = lange en onbepaalde tijd; He was dressed in his Sunday best = in zijne mooie Zondagsche kleeren; Sunday citizen = zondagswandelaar; Sunday-out = uitgaanszondag; Sunday-school = Zondagsschool.

Sunder, sɐndə, verb. scheiden, verdeelen; subst. slechts in de uitdrukking: In sunder = vanéén, in tweeën.

Sundified, sɐndifaid, op zijn Zondags.

Sundries, sɐndriz, diversen: Dealer in sundries = in galanterieën; Sundry = verscheidene, verschillende: All and sundry = alle gezamenlijk.

Sung, sɐŋ, part. perf. van to sing.

Sunk, sɐŋk, part. perf. van to sink; Sunken battery = verdekt opgestelde; Sunken face = ingevallen; Sunken rock = blinde klip.

Sun(n), sɐn, Indische hennepplant; Sunn-hemp.

Sunna, sɐnə, alle voorschriften van Mohamed die niet in den Koran staan; Sunnites, sɐnaits, orthodoxe Mahomedanen.

Sup, sɐp, subst. slokje; Sup verb. slurpen, soupeeren, een avondmaal verschaffen: I supped and dined them for several weeks = ik zorgde voor hun avond- en middagmaal; We supped on cold beef = wij hadden koud rundvleesch voor het avondeten.

Super, siûpə, verk. van Supernumerary.

Superable, siûpərəb’l, wat te overkomen is, overwinbaar.

Superabound, siûpərəbaund, ruim, overvloedig zijn (met with); Superabundance = groote overvloed; Superabundant = meer dan genoeg.

Superadd, siûpərad, nog eraan toevoegen; Superaddition = het bijvoegen of bijgevoegde.

Superannuate, siûpəranjueit, door ouderdom en zwakheid ongeschikt maken, zijn of verklaren, pensionneeren; Superannuated = verjaard, uitgediend, gepensionneerd: Superannuated officer; Superannuated spinsters = oude vrijsters; Superannuation, siûpəranjueiš’n, ongeschiktheid, pensionneering, pensioen; Superannuation act; Superannuation fund; Superannuation money (allowance).

Superb, siupɐ̂b, grootsch, prachtig, rijk, voortreffelijk; subst. Superbness.

Supercargo, siûpəkâgou, supercargo (scheepsterm).

Superciliary, siûpəsiljəri, boven de wenkbrauw(en); Supercilious, siûpəsiljəs, trotsch, aanmatigend, verwaand; subst. Superciliousness.

Supereminence, siûpəreminens, buitengewone voortreffelijkheid; adj. Supereminent.

Supererogation, siûpərerougeiš’n: Doctrine of Supererogation = leer, dat de goede werken van den eenen Christen aan de gezamenlijke Christenen ten goede komen; Works of supererogation = vrijwillige werken (boven hetgeen God van den Christen eischt), die den medechristenen ten goede komen; Supererogatory = meer dan de plicht eischt.

Superexcellence, siûpəreksəlens, buitengewone voortreffelijkheid; adj. Superexcellent.

Superficial, siûpəfiš’l, oppervlakkig, ondiep: Superficial measure = vlaktemaat; Superficiality, siûpəfišaliti = Superficialness; Superficies, siûpəfišîz, oppervlakte, buitenkant.

Superfine, siûpəfain, allerfijnst; subst. Superfineness.

Superfluity, siûpəflûiti, overtolligheid, overdaad; Superfluous, siupɐ̂fluəs, overtollig, overdadig; subst. Superfluousness.

Superfrontal, siûpəfrɐnt’l, altaarlaken dat over het frontaal hangt.

Superheat, siûpəhît, oververhitten.

Superhuman, siûpəhjûm’n, bovenmenschelijk.

Superincumbent, siûpərinkɐmb’nt, liggende op.

Superinduce, siûpərindjûs, bij- of toevoegen; subst. Superinduction.

Superintend, siûpərintend, het toezicht hebben op, controleeren; Superintendence, Superintendency = oppertoezicht; Superintendent = opzichter, inspecteur, directeur: Lady Superintendent = directrice; Superintendentship.

Superior, siupîriə, subst. meerdere, superieur; adj. hooger, boven, opper, meer, verhevener: Superior courts = opperste gerechtshoven (Common Pleas, Exchequer en Queen’s Bench); Superior force (strength) = overmacht; Superior planets = planeten verder van de zon dan de aarde; To be superior to = staan boven; Superiority, siupîrioriti, meerderheid, voorrang, overmacht: Air of superiority.

Superjacent, siûpədžeis’nt, liggende op (Geol.).

Superlative, siupɐ̂lətiv, overtreffende, ongemeen, zeer voortreffelijk; subst. overtreffende trap; subst. Superlativeness.

Supernacular, siûpənakjulə, heerlijk, lekker; Supernaculum, siûpenakjul’m, voortreffelijke drank, nagelproef: To drink supernacular = een nagelproef doen.

Supernal, siupɐ̂n’l, bovenste, hemelsch: She was supernal in intelligence = haar geest was superieur.

Supernatural, siûpənatšər’l, bovennatuurlijk, supernaturalistisch; Supernaturalism = bovennatuurlijke toestand, supernaturalisme; Supernaturalist; Supernaturalistic; Supernaturality = Supernaturalness.

Supernumerary, siûpənjûmərəri, subst. ambtenaar of officier boven de formatie; figurant; adj. boven een bepaald getal.

Superpose, siûpəpouz, leggen op; adj. Superposition.

Superroyal, siûpərôiəl, formaat papier (49 bij 70 cM.; Amer. 56 bij 71 cM.).

Supersaturate, siûpəsatjureit, oververzadigen; subst. Supersaturation.

Superscribe, siûpəskraib, schrijven op of boven, adresseeren; Superscription = opschrift, adres.

Supersede, siûpəsîd, afschaffen, opschorten, ter zijde stellen, vervangen, noodeloos maken: To be superseded in the command = van het bevel worden ontheven; Supersedeas, siûpəsîdias, bevel tot opschorting of schorsing; Supersedure, siûpəsîdjə, opschorting, afschaffing, schorsing.

Supersensible, siûpəsensib’l, bovenzinnelijk = Supersensual, siûpəsenšuel.

Supersession, siûpəseš’n = Supersedure.

Superstition, siûpəstiš’n, bijgeloof, bijgeloovigheid, òverpreciesheid; Superstitious = bijgeloovig, overprecies, nauwgezet: Superstitious practices, uses = bijgeloovige praktijken; subst. Superstitiousness.

Superstratum, siûpəstreit’m, bovenste laag.

Superstructure, siûpəstrɐktjə, bovenbouw.

Superterrestrial, siûpətərestriəl, bovenaardsch.

Supervene, siûpəvîn, bijkomen, onverwacht gebeuren of er tusschen komen, verrassen; Supervenient, siûpəvînj’nt, bijkomend; subst. Supervention.

Supervise, siûpəvaiz, het toezicht hebben of houden op, inspecteeren; Supervision, siûpəviž’n, opzicht, toezicht: Under police supervision (Supervision of the police) = onder voortdurend politietoezicht; Supervisor, siûpəvaizə, opziener, inspecteur; Supervisory power = bevoegdheid om toezicht te houden.

Supination, siûpineiš’n, achteroverligging, ligging v. de hand met de palm naar boven.

Supine, siûpain, supinum (gramm.).

Supine, siupain, achteroverliggend, hellend; onverschillig, werkeloos; subst. Supineness.

Supper, sɐpə, subst. avondeten, avondmaal: We have partaken of the Lord’s Supper = aan het Avondmaal deelgenomen: Supper-time = tijd van avondeten; Supperless: To go supperless = geen avondeten krijgen.

Supplant, səplânt, verdringen, verdrijven, den voet lichten; subst. Supplantation; Supplanter.

Supple, sɐp’l, adj. buigzaam, lenig, meegevend, meegaande, vleierig, kruipend; Supple verb. buigzaam en lenig maken of worden, buigen (fig.), afrijden, zich schikken; Supple-jack = gladbladige paulinia; sterke en lenige wandelstok; subst. Suppleness.

Supplement, sɐpliment, subst. toevoegsel, aanvulling, supplement, toelage; Supplement verb. aanvullen (sɐpliment); Supplemental, Supplementary, sɐpliment’l, sɐplimentəri, aanvullend, bijvoegend, bijgevoegd.

Suppliant, sɐpliənt, Supplicant, sɐplikn’t, subst. smeeker, nederig verzoeker; adj. smeekend, verzoekend; Supplicate, sɐplikeit, smeeken, vragen, bidden: Supplication = smeeking, smeekgebed; Supplicatory = smeekend.

Supplier, səplaiə, verzorger, leverancier; Supply, səplai, subst. aanvulling, bijdrage, aanbod, voorziening, voorraad, versterking, vervanger; Supply verb. aanvullen, verschaffen, voorzien, leveren, verzorgen, de plaats vervullen van: Demand and supply = vraag en aanbod; Supplies = benoodigdheden, versterking, toevoer, voorraad, de door het parlement aan de regeering toegestane gelden: The supplies were voted = de gelden werden toegestaan; They were supplied with the necessaries of life = voorzien van; Will you supply my place for a while? = mij vervangen; To supply a (felt) want = in eene (gevoelde) behoefte voorzien.

Support, səpöt, subst. ondersteuning, onderstand, hulp, steun, onderhoud, verzorging, stut, onderstel, statief, voet, begeleiding; Support verb. steunen, onderhouden, stutten, helpen, uithouden, volhouden, verdedigen, (goed) spelen, begeleiden, leven, lijden, dulden: He cannot support himself = zichzelf niet onderhouden; Sugar supports itself = is vast; I won’t support such insults = niet verdragen; Support arms = schouder ’t geweer; Supportable = verdraagbaar, steunbaar, houdbaar; subst. Supportableness; Supporter = steuner, helper, verdediger, voorspraak, aanhanger, verband, schilddrager (Herald).

Supposable, səpouzəb’l, onderstelbaar, vermoedelijk; subst. Supposableness.

Suppose, səpouz, onderstellen, vermoeden, voor waar aannemen, onderstellingen maken: Let it be supposed that... = laten we aannemen, dat...; Supposing this to be true = aangenomen dat dit waar is; Suppose we go = zouden we niet eens gaan?; That being supposed = in deze veronderstelling; They are soldiers, I suppose = het zullen wel zijn; I suppose = niet waar?

Supposition, sɐpəziš’n, onderstelling, stelling, gissing, vermoeden: Suppositional, sɐpəzišən’l, vermoedelijk; Supposititious, səpozitišəs, ondergeschoven, onecht, nagemaakt, valsch: Supposititious case = aangenomen of ondersteld geval; A supposititious child = ondergeschoven; The supposititious joys of basking in luxury = het twijfelachtig genot; subst. Supposititiousness; Suppositive, səpozitiv, subst. onderstellend woord; adj. ondersteld, onderstellend.

Suppository, səpozitəri, zet- of steekpilletje.

Suppress, səpres, onderdrukken, dempen, verhelen, weglaten, stelpen, stoppen, opheffen: The circulation of the letters was suppressed = werd verhinderd; Suppresser; Suppressible = onderdrukbaar; Suppression = onderdrukking, weglating, verheling, stopping: The suppression of one letter may give an entirely different sense = het weglaten van eene letter; Suppressionist = voorstander van onderdrukking (van den handel in sterke dranken); Suppressive = onderdrukkend, verbergend; Suppressor.

Suppurate, sɐpjureit, zweeren, etteren; Suppuration = het etteren, etter; Suppurative, subst. en adj. ettering bevorderend (middel).

Supra, siûprə, (in samenst.) boven, aan de andere zijde: Supra-axillary = boven den oksel; Supraclavicular = boven het sleutelbeen; Supracostal = boven of op de ribben; Supralapsarian = voorstander van een Calvinistische leer die de verkiezing vóór den zondenval stelt; Supramaxillary = boven de kaken; Supramundane = bovenaardsch, hemelsch; Suprarenal = boven de nieren; Suprascapular(y) = boven het schouderblad.

Supremacy, siupreməsi, oppermacht: Oath of Supremacy = eed waarbij de oppermacht van den Engelschen souverein in geestelijke zaken erkend wordt.

Supreme, siuprîm, hoogste, opperste: The Supreme = de Allerhoogste; His will ought to be supreme = zijn wil moet het hoogste zijn; Supreme command = opperbevel; Supreme Court of Judicature = het in 1875 gevestigde hof, waarin de High Court of Chancery, Courts of Queen’s Bench, Common Pleas, Exchequer en het High Court of Admiralty, Court of Probate for Divorce and Matrimonial Cases en London Court of Bankruptcy werden vereenigd; het bestaat uit twee afdeelingen: het High Court of Justice en het Court of Appeal; Supreme folly = grootste dwaasheid; To rule supremely = de opperheerschappij hebben.

Sura, sûrə, hoofdstuk van den koran.

Surah, s(j)ûrə, soort van zijden stof.

Sural, siûr’l, kuit...

Surat, sûrat, sûrât, grof katoen (Voor-Indië).

Surbase, sɐ̂beis, lijstwerk langs een zuilvoet; Surbased, sɐ̂beist: Surbased arch = elliptisch gewelf.

Surcease, sɐ̂sîs, subst. ophouding, dood, staking; Surcease verb. ophouden, een einde maken aan.

Surcharge, sɐ̂tšɐ̂dž, overladen, te veel vragen, oververhitten; subst. overlading, overvraging, strafport, oververhitting, 2de of 3de hypotheek; Surcharger.

Surcingle, sɐ̂siŋg’l, sɐ̂siŋg’l, zadelgordel, riem; Surcingle verb. met een gordel(riem) bevestigen.

Surcoat, sɐ̂kout, overjas, wapenrok.

Surd, sɐ̂d, subst. onmeetb. grootheid, zooals √ 2; adj. stemloos (van medeklinkers), onmeetbaar.

Sure, šuə, zeker, ongetwijfeld, onfeilbaar: As sure as death and taxes = zoo zeker als 2 × 2; As sure as a gun = zoo zeker als wat = As sure as can be; He is a good fellow to be sure = buiten kijf; I am sure I shall not go = ik ga bepaald niet; I am sure I don’t know = ik weet het heusch niet; I won’t be sure = ik durf het niet zeker zeggen; He is sure not to come = hij komt bepaald niet; Be sure not to forget = denk er om; That’s sure enough = dat is vast en zeker; That’s him, sure enough = hij is het waarachtig; I will make sure where he is = mij vergewissen; Surefooted = vast van voet, stevig op de beenen, vertrouwbaar; subst. Surefootedness; I can do that surely = dat mag ik toch wel doen, he? Sureness = zekerheid; Surety = veiligheid, zekerheid, pand, borgtocht, gerustheid: Of a surety = zeer zeker; I’ll be surety for you, be your surety = voor u instaan, borg voor u zijn; To stand surety = borg blijven; Suretyship = het borg zijn, borgschap.

Surf, sɐ̂f, branding; Surf-boat = boot om mee door de branding te varen; Surf-duck (-scoter) = brileend; adj. Surfy.

Surface, sɐ̂fis, subst. oppervlakte, buitenkant, uiterlijk, vlak; adj. oppervlakkig (= Surface-deep); Surface verb. eene zachte oppervlakte geven, glad wrijven: Her information is of the most surface kind = is zoo oppervlakkig mogelijk; Surface-man = wegwerker, lijnopzichter; Surface-survey = landmeten; Surface-water = overdag van de oppervlakte der aarde in een mijn dringend water.

Surfeit, sɐ̂fit, subst. overlading, walging; Surfeit verb. (zich) de maag overladen; oververzadigd zijn: Surfeited with too much appetite = overladen (volgepropt) door.

Surge, sɐ̂dž, subst. groote golf, stortzee; Surge verb. golven, hooge baren vormen, een touw laten schrikken (scheepst.): The audience surged down the corridors = stroomde.

Surgeon, sɐ̂dž’n, heelmeester, chirurg: Royal College of Surgeons = Surgeons’ Hall = Kon. Instituut ter examineering van chirurgen; Surgeoncy = betrekking van arts (in leger of vloot); Surgery = heelkunde, operatiekamer, spreekkamer en apotheek van een dokter; Surgical, sɐ̂džik’l, heelkundig: Surgical instruments = chirurgische instrumenten.

Suricate, siurikeit, palm eekhorentje.

Surinam, sûrinâm, Suriname.

Surliness, sɐ̂linəs, subst. v. Surly, sɐ̂li, norsch, knorrig, gemelijk, afsnauwend.

Surmise, sɐ̂maiz, subst. vermoeden, gissing, argwaan; Surmise verb. vermoeden, onderstellen; Surmiser.

Surmount, sɐ̂maunt, te boven komen, overwinnen: A heavy gilt club surmounted by a crown = met een kroontje er op; A weathercock-surmounted cupola = koepeltje met een weerhaan er op; Surmountable = overkomelijk, verwinbaar; Surmounter.

Surmulot, sɐ̂mjulot, groote woudrat.

Surname, sɐ̂neim, subst. familienaam, bijnaam; Surname verb. ook sɐ̂neim, een bijnaam geven, bij een bijnaam noemen.

Surpass, sɐ̂pâs, overtreffen, te boven gaan: Surpassable = overtrefbaar; Surpassing = uitstekend, buitengewoon: A maiden of surpassing beauty = van weergalooze schoonheid.

Surplice, sɐ̂plis, koorhemd, stool.

Surplus, sɐ̂pləs, subst. overschot, toegift; adj. overtollig: In surplus = bovendien; Surplusage, sɐ̂pləsidž, overschot, groot aantal, overtolligheid: He has a surplusage of daughters = eene heele collectie.

Surprise, sɐ̂praiz, subst. verrassing, overrompeling; Surprise verb. overrompelen, verrassen, ontstellen, verlegen maken: By surprise = bij verrassing; That was a surprise to me = dat verraste me zeer; I am surprised at what you say = ik ben getroffen; The beggars surprised Brielle = verrasten; To surprise oneself = zich betrappen op; Surprise-party (in Amerika) = een troepje personen, dat ongenood in het huis van een gemeenschappelijken vriend komt, en waarvan ieder zijne bijdrage voor een souper levert; Surprise-visit = onverwacht (inspectie)bezoek; Surpriser; Surprising = verbazingwekkend, buitengewoon; subst. Surprisingness.

Surrebut, sɐ̂ribɐt, voor de vijfde maal repliceeren (jur.); Surrebutter = vijfde wederantwoord; Surrejoin, sɐ̂ridžôin, voor de derde maal repliceeren; Surrejoinder = derde wederantwoord.

Surrender, sərendə, subst. overgave, uitlevering; Surrender verb. overgeven, uitleveren, afstaan, afstand doen, zich overgeven (aan): The town surrendered to the enemy at discretion = gaf zich over; To surrender upon terms = op voorwaarden; surrenderer.

Surreptitious, sɐrəptišəs, op slinksche wijze, bedriegelijk, heimelijk: Surreptitious edition = nadruk.

Surrey, sɐri.

Surrogate, sɐrəgit, subst. plaatsvervanger; Surrogateship.

Surround, səraund, subst. soort buffeljacht door omsingeling, de keten van jagers die omsingelt; Surround verb. omringen, omsingelen, insluiten: Surrounding country = Surroundings = omgeving: London and its surroundings = zijne omgeving.

Sursolid, sɐ̂solid, vijfde macht v. een getal.

Surtax, sɐ̂taks, extra belasting.

Surtax, sɐ̂taks, extra belasten.

Surtout, sɐ̂tût, overjas.

Surveillance, sɐ̂veil(j)’ns, toezicht.

Survey, sɐ̂vei, overzicht, inspectie, taxatie, meting; douanedistrict (Amer.): He took a survey of the matter = nam op, onderzocht.

Survey, sɐ̂vei, overzien, het toezicht houden op, nauwkeurig opnemen, scherp onderzoeken, meten (van land), peilen; Surveying-chain = meetketting; Surveyor = opziener, opzichter, administrateur, landmeter; verificateur (Amer.); Surveyorship.

Survival, sɐ̂vaiv’l, het overlèven, het blijven bestaan, in leven blijven, laatst overgeblevene, overblijfsel: Survival of the fittest = het overlèven van de krachtigste individuen.

Survive, sɐ̂vaiv, overlèven, nog leven, in leven blijven: He will survive his next birthday = zal nog halen; They are all dead, but he survives = hij is er nog; Those who survive = de overlèvenden; Surviver, Survivor = langstlevende: The survivors of the wreck = zij die er het leven hebben afgebracht; Survivorship = voordeel, dat den langstlevende toevalt.

Susan, sûz’n, siûz’n, Suzanne, Suze; Susanna, s(j)uzanə, Susanna.

Susceptibility, səseptibiliti, subst. v. Susceptible, səseptib’l, vatbaar, toegankelijk, gevoelig, teeder; Susceptibleness = teergevoeligheid; Susceptive, səseptiv, vatbaar, toegankelijk; subst. Susceptiveness.

Suspect, səspekt, vermoeden, verdenken, wantrouwen, achterdocht koesteren, vreezen; subst. een verdacht persoon; Suspected = verdacht; subst. Suspectedness; Suspecter.

Suspend, səspend, ophangen, hangen aan, opschorten, schorsen, doen ophouden, staken, suspendeeren, stremmen: The lamp was suspended by a chain to the ceiling = hing; To suspend hostilities = schorsen; I wish to suspend my judgment = op te schorten; The officer was suspended = de ambtenaar werd geschorst; The firm suspended payment = staakte hare betalingen; To stand suspended = weifelen, in tweestrijd zijn; Suspenders = kous-ophouders, bretels: Suspenders they were called, braces not being a parliamentary word = ze werden suspenders genoemd, aangezien braces niet fatsoenlijk is; Suspense, səspens, onzekerheid, besluiteloosheid, uitstel: He was in a mortal suspense = in doodelijken angst; To keep in suspense = in spanning of onzekerheid laten; Suspensible = zwevend; Suspension, səspenš’n, (op)hanging, ophouding, opschorting, uitstel, onzekerheid, schorsing, stremming, staking: Suspension of arms, of hostilities = eene staking der vijandelijkheden, een wapenstilstand; Suspension of pain; Suspension of payment; Suspension-bridge = hang- of kettingbrug; Suspensive = twijfelachtig, onzeker; Suspensor = breukband; suspensoir, zaadstreng; Suspensory = hangend, dragend.

Suspicion, səspiš’n, achterdocht, vermoeden, verdenking, “schijntje” of kleinigheid; Suspicious, səspišəs, achterdochtig, verdacht: A suspicious frame of mind = achterdochtige aard; subst. Suspiciousness.