Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 86

Chapter 863,069 wordsPublic domain

Omnivorous, omnivərɐs, allesetend, alverslindend.

Omoplate, ouməpleit, oməpleit, schouderblad.

Omphalocele, omfələsîl, navelbreuk.

On, on, op, van, naar, tot, te: To be on = in behandeling (rechtszaak) zijn, aan den gang zijn, aan beurt zijn; dronken zijn; To get on = aantrekken; To go on one’s way = voortgaan, zijns weegs gaan; To have on = aanhebben; We left cards on them = gaven onze kaartjes af; The policeman’s “Move on, please” = “doorloopen asjeblieft”; To place on one side = links laten liggen; On account of = wegens; On an average = gemiddeld; On condition = onder voorwaarde; On the contrary = integendeel; On fire = in brand; On foot = te voet; On the one hand, the other hand = eenerzijds, anderzijds; On all hands = van alle kanten; On high = omhoog; On horseback = te paard; On pain of death = op straffe des doods; On purpose = opzettelijk; On the quiet (On the sly) = in stilte, (stiekum); On this side = aan dezen kant; On a sudden = plotseling; Swallows on the wing = vliegende zwaluwen; And so on = enzoovoort; On-come = aanval; On-comer = naderend persoon; On-coming, onkɐmiŋ, naderend, aanstaand; subst. nadering; On-going, on-gouiŋ, voortgang; On-goings = Goings-on; On-looker = toeschouwer.

Onager, onəgə, onədžə, wilde ezel.

Onanism, ounənizm, zelfbevlekking; Onanist.

Once, wɐns, eenmaal, eens: When the war is once over = goed en wel over is; Do it at once = dadelijk; He was at once my friend and colleague = tegelijk; Once again = nog eenmaal; Once and again = nu en dan (zelden); Once for all = eens en voor al; Once more = nog eens; Once in a while = nu en dan, zelden; Once upon a time there was = er was er eens; For this once = voor dezen enkelen keer; For once (in a way) = bij uitzondering, wel eens enkel; Never once = niet eenmaal; That once = voor dien keer; (When) once = zoodra, toen eenmaal; Once a freemason, always a freemason = eens maçon altijd maçon; Once is no custom = eenmaal is geenmaal.

One, wɐn, subst. zeker iemand, éénheid; adj. een, enkel, ongedeeld, men, zekere: One and none is all one = eenmaal is geenmaal; One day = op zekeren dag; One Williams = een zekere W.; One more = nog een; He is the one person who hates it = juist de man; One with another = door elkaar genomen; One way and another = alles te zamen genomen, wel beschouwd; One in a hundred = uit; I for one = ik voor mij; One and all = allen te zamen; All in one = uit één stuk; It’s all one to me = ’t is mij hetzelfde; To be at one = verzoend zijn; To be at one (with) = het eens zijn; I was within one of missing the scene = het was er “an toe”, of ik had het tooneel gemist, niet gezien; To be one and one = één zijn; We shall have to place this on one side = ter zijde moeten zetten, links moeten laten liggen; My little one(s) = kleintje (kindertjes); The great ones of this world = de grooten; The duck and her young ones = de eend en hare jongen; One-armed = éénarmig; One-eyed; That is a one-horse affair (show) = dat is een onbeteekend zaakje, armoedig spulletje; One-legged; Your one-sided views = eenzijdige, partijdige, bekrompen beschouwingen; One-sidedness = eenzijdigheid; One-storied = van één verdieping; Oner = een echte, je ware, een kraan; shilling; Oneness = éénheid, identiteit.

O’Neary, ənîri; Oneida, ənaidə.

Onerous, onərɐs, zwaar drukkend.

Onion, ɐnj’n, ui; kop; Onion verb. inwrijven met een ui: To weep with an onion = krokodillentranen schreien; Onion-peel, Onion-sauce; adj. Oniony.

Only, ounli, alleen, éénig, enkel, behalve: Only bill = solawissel; Only for = zonder; Only see = kijk eens; Only think = denk eens aan; Only yesterday = gister nog, pas (eerst) gisteren.

Onomatopoeia, onomətəpîjə, onəmatəpîjə, klanknabootsend woord, klanknabootsing door woorden; Onomatopoeic(al); Onomatopoetic(al) = klanknabootsend.

Onrush, onrɐš, hevige aanval.

Onset, onset, aanval, storm: To give (make) the onset = aangrijpen, aanvallen.

Onslaught, onslôt, woedende aanval.

Onslow, onzlou; Ontario, ontêriou: Lake Ontario.

Ontology, ontolədži, ontologie, leer van de algemeene eigenschappen der dingen.

Onus, ounəs, bewijslast = Onus probandi, ounəs prəbandai.

Onward, onwəd, vooruit, naar voren; voorwaartsch = Onwards.

Onyx, oniks, ouniks, onyx.

Oof, ûf, geld, “duiten” of centen = Ooftish.

Ooze, ûz, subst. zachte modder, slijk; Ooze verb. (uit)sijpelen, zacht vloeien, (uit)lekken (out); Oozy = modderig: To be oozy with = druipen van.

Opacity, əpasiti, ondoorschijnendheid, onduidelijkheid, domheid; ondoorschijnend iets.

Opal, oup’l opaal; Opalesce, oupəles, kleuren spelen of verspreiden (als een opaal); Opalescence = schittering van kleuren; adj. Opalescent; Opaline, oupəl(a)in, opaalachtig.

Opaque, əpeik, ondoorzichtig, onduidelijk, dom.

Open, oupən, open, blootgesteld, openbaar, bekend, vrij, onbezet, duidelijk, royaal, openhartig, edelmoedig, ontvankelijk; Open subst. open ruimte, vrije veld, open lucht, open zee; Open verb. openen, openslaan, uitspreiden, bekend maken, ontdekken, uitleggen, ontvankelijk maken, bevrijden, opengaan, uitkomen op, open staan, beginnen, aanslaan (van jachthonden) op het zien of ruiken van wild: It is open to criticism = onderhevig; He is open to entreaties = toegankelijk voor; It is open to him = staat hem vrij; An open carriage; Open field = vrij; Open place = niet versterkte; Open river = ijsvrije; Open sea; To cut open = opensnijden; To lay open = openleggen, blootleggen; To lie open = blootgesteld zijn; To set (throw) open; To sleep in the open = onder den blooten hemel; To open the ball = het bal openen, beginnen, voorop zijn, den strijd beginnen; To open a battle; To open a business, a house = eene zaak oprichten; They opened their fire upon the town; To open one’s mind (oneself) to = zich uitstorten voor; To Open a railway = in exploitatie brengen; To open an umbrella over a person; The door opens into a passage = komt uit op; The street opens out of Regent Circus = gaat uit van R. C.; Open-air meetings; Open-eyed = waakzaam; Open-handed = royaal; subst. Open-handedness; Open-hearted; subst. Open-heartedness; Open-mouthed = met open mond (ook fig.); vraatzuchtig, schreeuwerig; Open-work = opengewerkt iets; Opener; Opening = opening, begin, kans, gelegenheid; ook adj.: Men become Tories or Whigs, partly by principle, partly as openings come = afhankelijk van de voordeelen of kansen, die zich aanbieden; Mr. M. has an opening for an apprentice = kan plaatsen; Opening ceremony = openingsplechtigheid; Openly = openlijk; Openness = het open zijn, openhartigheid, mildheid.

Opera, opərə, opera: Opera-bouffe = opera comique; Opera-cloak = sortie; Opera-dancer = balletdanser(es) = Opera-girl; Opera-glass = tooneelkijker; Opera-hat = klak; Opera-house = opera(gebouw); Opera-singer; Operatic = tot eene opera behoorende, opera...

Operate, opereit, bewerken, teweegbrengen, uitwerken, opereeren, drijven, uitvoeren, exploiteeren: To operate upon = bewerken, opereeren; Operating: Operating expenses = bedrijfskosten; Operating-room = operatiezaal; Operating-table = operatietafel; Operation, opəreiš’n, werking, uitwerking, handeling, operatie (in de verschillende beteekenissen), reeks v. militaire bewegingen (mv.): To perform an operation = een operatie doen; Line of operations = operatielinie; First year’s operations = resultaten; Operative, opərətiv, subst. werkman, handwerker; adj. werkdadig, werkend, in exploitatie, operatief; Operator, opəreitə, werker, operateur, tandarts, telegrafist, beursspeculant.

Operculum, əpɐ̂kjəl’m, deksel.

Operetta, opəreta, operette.

Operose, opərous, bedrijvig, vermoeiend, zwaar: subst. Operoseness.

Ophelia, əfîljə.

Ophidian, əfidiən, slangachtig; subst. slang; Ophidium, əfidj’m, slangevisch; Ophites, ofaits, slangendienaars, een godsd. secte.

Ophthalmia, of-thalmiə, oogontsteking; Ophthalmic, oog...; subst. oogmiddel: Ophthalmic hospital, Ophthalmic infirmary; Ophthalmology = oogheelkunde; Ophthalmoscope, of-thalməskoup, oogspiegel; Ophthalmoscopy, of-thəlmoskəpi, of-thalməskoupi = onderzoek met den oogspiegel.

Opiate, oupiit, subst. en adj. slaapwekkend, pijnstillend, verdoovend (middel); Opiate verb. (oupieit) in slaap maken, met opium vermengen.

Opine, əpain, denken, onderstellen.

Opinion, əpinj’n, meening, oordeel, gevoelen: Opinion of counsel = rechtskundig advies; Public opinion = publieke meening; In my humble opinion = naar mijne bescheiden meening; To be of opinion = van meening zijn; I have no opinion of it = heb er geen hoogen dunk van; To injure a person in another person’s opinion = een ander een slecht idee geven van; Opinionated, əpinjəneitid, eigenzinnig, koppig = Opinionative, əpinjənətiv; Opinionist = stijfkop.

Opium, oupj’m, opium: Opium-eater = ‘pen-name’ van Thomas De Quincey; Opium-smoker = opiumschuiver; Opium-smoking den = opiumkit.

Opossum, əposəm, opossum.

Oppidan, opidən, uitwonend leerling (van Eton College).

Opponent, əpoun’nt, subst. tegenstander, tegenstrever; adj. tegenstrijdend, tegenwerkend, opponeerend.

Opportune, opətjûn, gelegen, geschikt, juist van pas, tijdig: He has proved it Opportunely = te juister tijd; subst. Opportuneness; Opportunism, opətjûnizm, opətjunizm, opportunisme; Opportunist.

Opportunity, opətjûniti, gelegenheid, geschiktheid van tijd en omstandigheden: Opportunity makes the thief; To embrace (improve, seize, take) the opportunity = aangrijpen; The book is a monument of exceptional opportunities = buitengewoon gunstige omstandigheden; He did not rise to the height of his opportunities = heeft er niet alles van gemaakt wat hij kon, is beneden zijn onderwerp gebleven; I will take an early opportunity = de eerste gelegenheid aangrijpen.

Opposable, əpouzəb’l, weerlegbaar, bestrijdbaar; Oppose, əpouz, tegenstellen, weerstaan, opponeeren, bestrijden, dwarsboomen: They opposed a stubborn resistance = boden hardnekkig weerstand; As opposed to = tegenover; Opposer = mededinger, opponent; Opposite, opəzit, tegenover, tegengesteld, omgekeerd, vijandig, tegenstandig; subst. het tegenovergestelde, tegendeel: Opposite the post-office, on the opposite side = tegenover het postkantoor, aan de overzijde; soms verb.: He declined either to support or to opposite the measure; subst. Oppositeness; Opposition, opəziš’n, tegenstand, hindernis, oppositie: To act in opposition to = handelen in strijd met, weerstreven; To make opposition to = protesteeren; In spite of opposition = trots tegenstand; Oppositionist = lid van de oppositie.

Oppress, əpres, (onder)drukken, zwaar liggen op; Oppression, əpreš’n, onderdrukking, ellende, (afge)matheid, gevoel v. beklemming; Oppressive = onderdrukkend, zwaar drukkend; subst. Oppressiveness; Oppressor = tyran.

Opprobrious, əproubriəs, verachtelijk, schandelijk; subst. Opprobriousness; Opprobrium, əproubriəm, schande, smaad, eerloosheid.

Oppugn, əpjûn, bestrijden, weerstaan; Oppugnancy, əpɐgn’nsi, tegenstand, strijd.

Optative, optətiv, opteitiv, wenschend; subst. optatief; Optative mood = de wijze (v. een werkw.), die een wensch uitdrukt.

Optic, optik, gezichts...: Optic nerves = gezichtszenuwen; Optical delusion = gezichtsbedrog; Optician, optiš’n, gezichtkundige, optisch instrumentmaker; Optics = optica, oogen.

Optimates, optimeitîz, de aanzienlijken; Optime, optimî, een kandidaat, die bij de Triposes of Honours Examinations voor den B.A. graad te Cambridge, onmiddellijk volgt op den Wrangler.

Optimism, optimizm, optimisme; Optimist, subst. optimist; adj. optimistisch = Optimistic.

Option, opš’n, recht of vrijheid van kiezen, keus, voorkeur: At option = naar verkiezing; To leave a thing to (in) a person’s option = aan iemands keus laten; Optional = van de keus afhangend, vrij in de keuze, facultatief: It is optional with you = het staat u vrij.

Opulence, opjulens, rijkdom, weelde, overvloed; adj. Opulent.

Opus, o(u)pəs (Mv. Opera, opərə), werk (muziek); Opuscule, əpɐskjul, klein werk of geschrift.

Or, ö, eer, of: Either this or the other.

Orach(e), oratš, melde (plant).

Oracle, orək’l, subst. orakel, godsspraak: He has worked the oracle = hij heeft door list en bedrog zijne zaak gewonnen, het zaakje listig overlegd; Oracular, ərakjulə, orakeltaal sprekend, duister, dubbelzinnig, gewichtig; subst. Oracularity = Oracularness.

Oral, ôr’l, mondeling, mond...: Oral examination; Orally.

Orale, əreilî, pauselijke hoofdsluier.

Oran, ərân.

Orange, orinž, subst. en adj. sinaasappel, oranje(kleurig); Orange-blossom = oranjebloesem; Orange-man = koopman in sinaasappelen; Orangeman = spotnaam voor Iersche protestanten (17de eeuw); Orangist, d.i. lid van eene geheime polit. protest, vereeniging in Ierland (1795); Orange-musk = muskaatpeer; Orange-peel = oranjeschil: Candied orange-peel = snippers; Orange-woman; The Orange Free State = The Orange River Sovereignty; Orangeade, orəndžeid, orangeade; Orangery, orənž’ri, oranjerie.

Orang-outang, əraŋûtaŋ, orang-oetang.

Oration, əreišn, redevoering; Orator, orətə, redenaar; Oratoric(al) = welsprekend, rhetorisch; Oratorio, orətôriou, oratorium (muz.); huiskapel; Oratorize, orətəraiz, eene redevoering houden; Oratory, orətəri, welsprekendheid; huiskapel: Priests of the Oratory = leden van het Oratorium, een geestel. congregatie.

Orb, öb, bol, oog(appel), omloop, kringloop, rad, bol; Orb verb. omringen, een kring vormen, zich in een kring bewegen; Orbed = rond, cirkelvormig, volkomen = Orbicular, öbikjulə = Orbiculate, öbikjulit; Orbit, öbit, oogkas; baan (van een hemellichaam); Orbital = tot een baan of oogkas behoorende.

Orcades, ökədîz, Orcaden = Orkney Islands; adj. Orcadian, ökeidj’n.

Orchanet, ökənet, ossetong (plant).

Orchard, ötšəd, boomgaard; Orcharding = ooftbouw; Orchardist.

Orchestra, ökəstrə, orkest: String orchestra = strijkorkest; Orchestral, əkestr’l, ökəstrəl: The Orchestral score = orkestpartituur; Orchestrate, ökəstreit, arrangeeren voor orkest; Orchestration, ökəstreiš’n, het arrangeeren v. muziek voor orkest.

Orchid, ökid, orchidee; Orchidaceous, ökideišəs, tot de orde der orchideeën behoorende; Orchis, ökis, orchis.

Ordain, ödein, instellen, voorschrijven, beschikken, ordineeren, bevestigen of wijden (in kerkelijke ambten); Ordainer; Ordainment.

Ordeal, ödiəl, ödîl, ödîəl, godsgericht, vuurproef (fig.): Ordeal by fire, by water = vuur-, waterproef.

Order, ödə, subst. orde, schikking, methode, toegangsbewijs, reglement, rang, bouworde; Order verb. ordenen, regelen, inrichten, leiden, verordenen, voorschrijven, bestellen, bevelen: Standing orders = reglement van orde; By order = volgens verordening, op bevel; By order of = op bevel van; In order = volgens ’t reglement van orde; In order that = opdat; In order to = om, ten einde; Not in order = buiten de orde = Out of order = in wanorde; Per order = volgens bestelling; To order = op bevel, op bestelling, naar maat; Order of battle = slagorde; Order of the day = agenda, dagorder, orde van den dag; I move to proceed with the order of the day = stel voor tot de orde van den dag over te gaan; Drunkenness was the order of the day = aan de orde van den dag; Order in Council = Kon. Besl. na advies van de Privy Council; To be in good order; In holy orders, Zie Holy; The men were in full marching order = marschtenu; Everything was in working order = alles was klaar (zoodat men beginnen kon); The children were kept in order = stil gehouden; He cannot keep the boys in order = geen orde houden (Vergelijk: To impose good order on a class); To give an order = bevel geven; To give orders for = bestellingen; To be mentioned in general orders = eervol vermeld; He has taken orders with a view to restore order = hij heeft maatregelen genomen om de orde te herstellen; He took priest’s orders = hij werd gewijd als geestelijke; Take Mr. A’s order = vraag wat mijnheer A. zal gebruiken; I won’t be ordered about like that = laat me zoo niet commandeeren; The quack was ordered off by the police = werd gelast heen te gaan; To order out = wegsturen; To order up = boven laten komen; Order-book = boek voor de bestellingen, orderboek (milit.); Order-form = bestelbriefje; Order-word = parool; Orderer; Ordering = regeling, schikking; Orderly, subst. ordonnans (Mounted order), hospitaalsoldaat, opzichter in eene ziekenafdeeling; straatveger (= Streetorderly); adj. ordelijk, rustig, geregeld, kalm, in dienst; Orderly-book = orderboek (mil.); Orderly-man = ordonnans; Orderly-officer = ordonnansofficier; Orderly-room = bureau; Orderly-sergeant = oudste onderofficier van eene compagnie.

Ordinal, ödin’l, rangschikkend; subst. rangsch. telwoord (= Ordinal number); missaal = Ordinale, ödineili.

Ordinance, ödin’ns, verordening, ritus.

Ordinary, ödinəri, gewoon, gevestigd, geijkt, middelmatig, alledaagsch, actief dienend, hof...; lijf...; buiten dienst gesteld; subst. gaarkeuken, table d’hôte in eene ouderwetsche herberg, maaltijd; rechter (vooral in geestelijke zaken): Ordinary debts = boekschulden; Ordinary seaman = licht matroos; In ordinary = actief dienend, lijf..., hof...; buiten dienst gesteld (van schepen): Ambassador, professor in ordinary = gewoon gezant, hoogleeraar; Chaplain in ordinary to the Queen = hofkapelaan; Physician in ordinary to the Queen = hofarts.

Ordinate, ödinit, geregeld, regelmatig; subst. ordinaat; Ordinate verb. ödineit, wijden (door den Bisschop); Ordination, ödineiš’n, wijding, bevestiging; verordening, raadsbesluit (fig.).

Ordnance, ödnəns, (groot) geschut: Piece of ordnance = stuk geschut; (Army) Ordnance Department (tot 1855 Board of Ordnance) = departement voor artillerie en intendance; Director-General of (the) Ordnance = generaal-intendant; Ordnance-factory = geschutgieterij; Ordnance-map = stafkaart; Ordnance Survey = officieele triangulatie van Groot-Brit. en Ierland.

Ordure, ödjə, drek, vuil (ook fig.).

Ore, ö, erts; goud.

Oread, ôriəd, bergnimf.

Oregon, orəg’n; O’Reilly, əraili; O’Rell, ərel.

Organ, ög’n, orgaan, werktuig, orgel; Organ verb. op het orgel spelen: He thinks his owls are organs = hij denkt, dat zijne uilen valken zijn; To blow the organ-bellows = orgeltrappen; To play the organ; To preside at the organ = het kerkorgel bespelen; Organ-blower = orgeltrapper; Organ-builder = orgelmaker; Organ-grinder = orgeldraaier; Organ-loft = orgelkoor; Organ-pipe; Organ-point; Organ-treader.

Organic, öganik, organisch, organiek, bewerktuigd: Organic bodies = dieren en planten; Organic chemistry; Organic disease = organisch gebrek of ziekte; Organic remains = organische overblijfselen; Organism, ögənizm, organisme; Organization, ögənizeiš’n, organisatie, bewerktuiging; Organize, ögənaiz, organiseeren, van organen voorzien.

Organzine, ög’nzîn, ketting(organsijn)-zijde.

Orgasm, ögəzm, geprikkelde toestand.

Orgiastic, ödziastik, als een orgie = Orgie, ödži, Bacchusfeest, drinkgelag, braspartij.

Orgy, ödži. Zie Orgie.

Oriana, örianə.

Oriel, ôriəl, erker, arkel (= Oriel window); oudtijds een soort gallerij.

Orient, ôriənt, subst. Oosten; adj. opgaande, Oostersch, oostelijk, schitterend; Orient verb. ook ôrient, de ligging bepalen, zich orienteeren (= To orient oneself): Pearl of Orient = van het schoonste water = Orient pearl; Oriental, örient’l, subst. Oosterling; adj. oostelijk, weelderig, kostbaar; Orientalism = Oostersche gewoonte of taal, kennis daarvan; Orientalist = Oosterling; kenner v. Oostersche talen, gewoonten, enz.; Orientalize = Oostersch maken (worden); Orientate = (zich) naar het Oosten wenden; Orientation = bepaling van het Oosten, oostelijke ligging, orienteering.

Orifice, orifis, opening, mond, gaatje: Orifice of the stomach.

Origan, origən, marjolein.

Oriflamme, oriflam, oriflamme.

Origen, oridžen, Origenes, oridžinîz.

Origin, oridžin, begin, oorsprong, oorzaak; Original, əridžin’l, oorspronkelijk, eerst, nieuw, erf...; subst. oer-type, eerste exemplaar, oorspronkelijk stuk, excentriek persoon; Original sin (= eerste of) erfzonde; Originality = oorspronkelijkheid, etc.; Originate, əridžineit, voortbrengen, voortspruiten, voortkomen; Origination = oorsprong, begin, wijze van voortbrenging; Originator, oridžineitə, oorzaak, bewerker.

Orinoco, ourinoukou.

Oriole, ourioul, wielewaal.

Orion, əraiən, Orion.

Orison, oriz’n, oris’n, gebed.

Orizaba, ourithâbə.

Orkneys (The), dhiökniz, Orkadische eilanden; Orleans, öliənz, Orleans; soort van katoen, ook ölînz.

Orlop, ölop, overloop, verdek.

Ormolu, öməlu, öməlû, goudbrons.

Ornament, önəment, subst. sieraad, versiersel; Ornament verb. önəment, tooien, versieren; Ornamental, önəment’l, tot versiering dienend: Ornamental art = ornementiek; Ornamental painter = decoratieschilder; Ornamentation = versiering; Ornate, önit, öneit, versierd, sierlijk; subst. Ornateness.

Ornithologist, önitholədžist vogelkenner; Ornithology, önitholədži, leer der vogels; Ornithomancy, ön(a)ithəmansi, önithəmɐnsi, vogelwichelarij.

Orographic(al), orəgrafik(’l), orographisch; Orography, ərogrəfi, orographie.

Orphan, öf’n, wees; adj. verweesd, ouderloos: Orphan-boy; Orphan-girl; Infant Orphan-Asylum = Orphan-hospital; Orphanage, öfənidž, de staat van wees; weeshuis; Orphaned = ouderloos.

Orphean, öfîən, öfiən, v. Orpheus = Orpheus, öfjûs, öfiəs; Orphic, öfik, verweesd, mystiek, v. Orpheus; mysticus.

Orphrey, öfri, een rand v. goudborduursel, ook een rijk vergulde rand in metselwerk.

Orpiment, öpiment, operment, koningsgeel.

Orpin(e), öpin, smeerwortel, gele verfstof.

Orris, oris, Florentijnsche lisch; goud- of zilvergalon.

Ort, öt, brokje, afval; meest m.v.

Orthodox, öthədoks, rechtzinnig, Grieksch Katholiek, rechtgeaard, echt, ouderwetsch, soliede: Orthodox arm-chairs = soliede (ouderwetsche) leuningstoelen; An orthodox pair of lovers = geliefden van den ouden stempel; Orthodox three-volume novels = ouderwetsche romans in 3 deelen; Orthodoxy = rechtzinnigheid, rechtgeaardheid, echtheid.

Orthoepic(al), öthəepik(’l) tot de Orthoepy, (öthouəpi of öthə-ipi) of (de leer der) juiste uitspraak behoorende; Orthoepist, öthouəpist of öthə-ipist, uitspraakkundige.

Orthogon, öthəgon, rechthoek; adj. Orthogonal.

Orthographic(al), öthəgrafik(’l), orthographisch; Orthography, öthogrəfi, spellingsleer, juiste spelling.

Orthopaedic(al), öthəpîdik(’l), öthəpedik(’l), orthopaedisch; Orthopaedist, öthəpîdist, öthopidist, orthopaedisch dokter; Orthopaedy, öthəpidi, öthopədi, orthopaedie.

Ortolan, ötələn, ortolaan, tuinmeerle.

Osage, ousidž, əseidž; Osborne, ozbən.

Oscan, osk’n, Osker (oude Ital. volksstam).

Oscillate, osileit, slingeren, weifelen; subst. Oscillation; adj. Oscillatory.

Osculate, oskjuleit, osculeeren (mathem.); kussen; Osculation, osculatie; kus; Osculatory, oskjulətəri, subst. Christus of heiligenbeeltenis, die vroeger met de woorden “Vrede zij met u” te kussen werd gegeven; adj. kussend, aanrakend: Osculatory ceremony = ceremonie v. voet- of handkus; Oscule = kleine opening, zuigspriet.

O’Shaughnessy, əšônəsi; O’Shea, əšei.

Osier, oužə, kat-(bind)wilg; rijsje; witte kornoelje (Amer.): Osier-ait = klein eilandje; Osier-bed (Osier-holt) = wilgenboschje; Osier-bottle = mandflesch; Osier-twig; Osier-work = mandewerk.

Osiris, əsairis.

Osmium, ozmiəm; osmiəm, osmium.

Osmose, osmous, ozmous, osmose; adj. Osmotic.

Osmund, ozmənd, osmunda: Osmund royal = koningsvaren.

Osnaburg, oznəbɐ̂g, osnəbɐ̂g, Osnabr¸ck; grof linnen.

Osprey, ospri, vischarend; aigrette.

Ossein, osi-in, beenderenweefsel.

Osselet, osəlet, beentje, sepia; Osseous = beenachtig, been..; Ossicle = beentje; Ossiferous, osifərɐs, beenderen bevattend; Ossification = beenvorming; Ossify = tot been worden, versteenen: Ossified system = verouderd, zéér oud; Ossuary = knekelhuis; urn.

Ostend, ostend.

Ostensibility, ostensibiliti, subst. v. Ostensible, ostensib’l, schijnbaar, oogenschijnlijk, duidelijk; Ostension = uitstelling van het allerheiligste; Ostensive = (duidelijk aantoonend; aanstellerig.

Ostent, ostent, aanblik, teeken, voorteeken; bluf; Ostentation = (praal)vertooning, vertoon, pracht; Ostentatious, ost’nteišəs, praalziek, ijdel, opzichtig: subst. Ostentatiousness.