Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 53

Chapter 533,111 wordsPublic domain

God, god, God: Come from God knew where; So help me God! (eedsformulier); Would to God = God gave! The gods = (de lui van) het “schellinkje” (in een schouwburg); Godchild = petekind; Goddaughter = peetdochter; Godfather, subst. peetvader, peetoom; God verb. als peetvader optreden; God-fearing = godvreezend, godsdienstig; In this God-forgotten place; Godhead, Godhood = Godheid, goddelijkheid; God-man = Godmensch; Godmother = petemoei; Godsend = meevallertje, geluk; Godson = peetzoon; God’s-acre = godsakker, begraafplaats; God-speed: To bid god-speed = goede reis wenschen; Godwit = griet; Goddess = godin; Godless = goddeloos; subst. Godlessness; Godlike = goddelijk, vroom; subst. Godlikeness; Godly = godvruchtig, vroom: The Godly = het volk Gods (naam van de parlementsgezinden in den Eng. burgeroorlog van 1629–1640).

Godfrey, godfri, Godfried, Govert; Godiva, gədaivə, Godiva.

Goee-goee, gouî-gouî, luiaard, stumper.

Goffer, gofə. Zie Gauffer; Goffering, gofəriŋ, geplooid kantwerk.

Goggle, gog’l, met de oogen rollen, staren; adj. starend, uitpuilend; subst. bril (tegen stof, scherp licht of scheel zien), oogkleppen (v. paarden); Goggle-eye(d) = (met) uitpuilende oogen; gebrild; Goggle-eyed spectacles = met groote, bolle glazen.

Goglet, goglət, (aarden) koelkan.

Goitre, (Amer.) Goiter, gôitə, kropgezwel; adj. Goitrous.

Golconda, golkondə, goudmijn, geldwinning.

Gold, gould, goud, rijkdom; hart van de schijf bij boogschieten; adj. gouden: These words hit the gold with precision = slaan den spijker juist op den kop; Gold-beater = goudpletter, goudbladmaker; Gold-beater’s-skin = goudvlies; Gold-bound = in goud gezet of gevat; Gold-cloth = goudlaken; Gold-digging = het graven naar goud; Gold-dust = stofgoud; Gold-fever = manie voor goudzoeken; Gold-field = gouddistrict, goudveld; Gold-finch = goudvink (ook fig.); Gold-fish = goudkarper; Gold-foil = bladgoud; Gold-flower = vleugelnoot; Gold-hammer = geelgors; Gold-lace = goudgalon; Gold-leaf = bladgoud; Gold-smith(ry) = goudsmid(swerk); Gold-stick = hofceremoniemeester (met gouden staf) in Engeland; Gold-thread = gouddraad (om zijde gewikkeld); Gold-washer = goudwasscher; Gold-wire = gouddraad; Golden = goudachtig, op goud gelijkend, goudkleurig, van goud, schitterend, van groote waarde, gelukkig; Golden age = gouden eeuw; Golden cup = boterbloem; Golden eagle = steenarend; Golden fleece = gulden vlies; Golden-mouthed = welsprekend; Golden-number = guldengetal; Golden-rule = gulden regel, regel van drieën; Golden-tressed = met goudgele lokken; Golding = goudrenet; Goldney = goudvischje; Goldy = goudvink; Goldylocks, gouldiloks, gulden boterbloem; huidvaren, haarmos, etc.

Golf, go(l)f, een soort van kolfspel; Golf verb. ’golf’ spelen; Golf-club = kolf, golfclub; Golf-link = golfbaan.

Golgotha, golgətha, Golgotha, martelplaats.

Goliath, gəlaiəth, Goliath: Goliath beetle = groote kever (in de Tropen).

Golly, goli, gossie: Golly, how they shrieked = gossie, wat schreeuwden ze!

Gollywog, goliwog, een potsierlijk opgekleede pop, met opengespalkte oogen, een haarbos en vaak een zwart gezicht.

Goloe-shoe, gəloušû, (elastieken) overschoen = Golosh(e).

Gombeen, gombîn, Iersch woekeraar.

Gomuti, Gomuto, gəmûti, gəmûtou, arengpalm; de zwarte vezels daarvan.

Gondola, gondələ, gondel, platboomde vrachtboot; perronwagen (Amer.); Gondolier, gondəlîə, gondelier.

Goneril, gonəril.

Gonfalon, gonfəlon, Gonfanon = lansvaantje; kerkbanier.

Gong, goŋ, gong (een tambourijnvormig metalen instrument waarop met een omwoelden stok wordt geslagen, en dat in vele Engelsche huizen in plaats van de etensbel wordt gebruikt); heimelijk gemak; Gong-punch. Zie Bell-punch (Amerik.).

Goniometer, gouniomətə, goniometer; Goniometry, gouniomətri, goniometrie.

Good, gud, goed, zoet, geschikt, vroom, aanzienlijk, juist, getrouw; subst. het goed(e), voordeel, welzijn, genot, nut, goede hoedanigheden: It’s no good = geeft niet(s); What’s the good of it = waartoe dient het? For the good of the house = ten voordeele van den landheer; For good (and all) = voor goed, volkomen; Goods = goederen, waren, materiaal: Goods and chattels = have en goed; Goods shed = goederenloods; Goods train = goederentrein; Ill-gotten goods seldom prosper = kwalijk verkregen goed gedijt niet; Five shillings to the good = tegoed, credit, vooruit; He has behaved as good as gold = is erg zoet geweest; She gave her as good as she got = betaalde haar met gelijke munt; He is as good as his word = hij vervult trouw wat hij belooft; His fortune is as good as made = vrij wel; Good! = dat is goed, mooi zoo! That is good! = dat is ook mooi! That is a good one! = een goeie grap, wat moois! A good deal, A good many = zeer vele; A good ten miles, A good two months = ruim, een goeie; In good sooth = in waarheid; In good time = tijdig, in gunstige omstandigheden; On (from) good authority = uit goede bron; Well and good = alles goed en wel; Not good for much = niet veel waard; That is good-for-nothing = dat is nietswaardig; A good-for-nothing (fellow) = nietswaardige (kerel); He has made good his name = zijn naam eer aangedaan; To make good damages, a loss = vergoeden; He has seen (thought) good to do it = het heeft hem goed gedacht (behaagd); He (It) stands good = is soliede; Good behaviour: He was released on his good behaviour = hij werd ontslagen (uit de gevangenis) onder de verplichting, dat hij zich goed zou houden; Good breeding = hoffelijkheid, wellevendheid; Good-conditioned = in goeden staat zijnde; Good-day = goeden dag (bij komen of heengaan); Good-bye = goeden dag (bij heengaan voor geruimen tijd): I will not say good-bye yet = ik zie je nog wel; Good-evening = goeden avond; Good-faced = met gunstig uiterlijk; Good-fellow = gezellige, goedaardige kerel; Good-fellowship = kameraadschap; Good-folk(s) = feeën; Good Friday = Goede Vrijdag; Good-graces = gunst; Good-humour = opgeruimde aard; Good lack = Hemeltjelief! (verbazing); Good-looking = knap; Good-manners = beschaving; Goodman = vriendje, huisbaas, echtgenoot, de Duivel; Good-morning, Good-morrow = goeden morgen; Good-nature = goedaardigheid; Good-natured = goedaardig; Goodness = goedheid: Goodness knows = de Hemel weet; I hope to goodness you will not do it = ik hoop waarachtig; Good-night = goeden nacht; serenade; Good now = Beware me! (verbazing); Good sense = gezond verstand; A good-sized box = vrij groote; Good speed = succes! Good-tempered = goedgehumeurd; Good Templar = geheelonthouder; Goodwife = huisvrouw; moedertje; Goodwill = welwillendheid; gunst; zaak + klandizie, het daarvoor betaalde geld: To buy the goodwill of a house; Goodwill to man = “in menschen een welbehagen”; Goodwoman. Zie Goodwife; He is good, almost to goodiness = hij is zoo goed, dat hij haast over zich laat loopen; Goodies = lekkernijen, bonbons; Goodly = knap, edel, aanmerkelijk, aangenaam, piekfijn (ironisch); Goody = subst. sul, goeie vent, beste moeke; adj. goedaardig, sullig, sentimenteel: It would look so goody-goody and stupid = zoo sullig en dom lijken; I have talked goody-goody to her = ik heb met haar zitten kwezelen.

Goorkha = Ghoorka.

Goosander, gûsandə, gusandə, duikergans.

Goose, gûs, subst. gans, sul, sukkel, uilskuiken; (kleermakers)persijzer; Goose verb. uitfluiten: Every man thinks his own geese swans = elk denkt zijn uil een valk te zijn; To cook a person’s goose for him = te pakken nemen, ruïneeren, van kant maken; To get the goose = uitgefloten worden; He is sound on the goose = hij is ouderwetsch in de slavenkwestie (Amer.); trouw aan zijne partij; Goose-berry = kruisbes, kruisbessenstruik: Goose-berry time = komkommertijd (ook The silly season); Old Goose-berry = de duivel; I am not going to play goose-berry(picker) to you two = ik wil niet jullie beider “fâcheux troisième” zijn, voor ’t “fatsoen” met jullie meegaan; He plays old goose-berry with the British public = houdt voor den gek; Goose-berry-fool = uitgeperste kruisbessen met room; zotskap; Goose-flesh (Goose-skin) = kippenvel; To go all over goose-flesh = kippenvel krijgen; Goose-herd = ganzenhoeder; Goose-neck = zwaanshals (van giek of boom); Goose-quill = ganzeveer, pen; Goose-winged = met de leizeilen bijgezet (voor den wind zeilend).

Gopher, goufə, naam voor verschillende in een gat in den grond levende dieren, als ratten, eekhoorntjes, schildpadden (Amer.); Gopher verb. op goed geluk naar goud graven.

Gorboduc, göbədɐk.

Gorcock, gökok, korhaan; Gorcrow, gökrou, kraai; Gorhen, göhen, korhen.

Gordian, gödj’n: Gordian knot = Gordiaansche knoop: He cut the Gordian knot = hij heeft den knoop doorgebakt.

Gore, gö, subst. geronnen bloed; geer, driehoekig stuk (land); Gore verb. doorboren, spietsen, met eene wig doorbreken; Goring = prik, steek.

Gorge, gödz, subst. keel, strot, het verzwolgene, zware maaltijd; nauwe bergpas; Gorge verb. gretig verzwelgen, schrokken: The stench turned my gorge = het hart draaide me in mijn lijf om van; My gorge rises at it = ik walg er van; He gorged himself with it = at veel van.

Gorgeous, gödžəs, schitterend, prachtig; subst. Gorgeousness.

Gorget, gödžət, halsstuk (van eene wapenrusting), borstplaat, halskraag of plooisel.

Gorgon, gög’n, subst. Gorgone; iets zeer leelijks; Gorgonean, Gorgonian, gögounj’n, versteenend, afschuwelijk leelijk; Gorgonize = doen versteenen.

Gorilla, gərila, gorilla.

Gormand, göm’nd, gulzigaard; Gormandize, göm’ndaiz, gulzig eten, schrokken.

Gorse, gös, brem; Gorsy = vol brem.

Gory, gôri, met geronnen bloed bedekt.

Goschen, gouš’n.

Goshawk, goshôk, havik, patrijsvalk.

Gosling, gozliŋ, gansje; katje (van wilgen, etc.).

Gospel, gosp’l, subst. evangelie, iets onomstootelijk waars: You must not take his words for gospel = als de waarheid; That is gospel truth = de waarachtige waarheid; Gospeller = evangelist; voorlezer van het evangelie.

Gossamer, gosəmə, herfstdraden, dun gaas, fijne sluier: Old lace, fine as gossamer; adj. Gossamery.

Gosse, gos.

Gossip, gosip, subst. peet, vriend, buur, gebabbel, babbelaar; Gossip verb. babbelen, leuteren; Gossip-monger = wauwelaar; Gossiper; adj. Gossipy = praatziek, prettig keuvelend.

Gossoon, gosûn, jongen, knecht.

Got, got, imp. en part. perf. van to get.

Goth, goth, Goth, barbaar; Gothic = Gothisch, onbeschaafd; subst. Gothisch, Gothiek; Gothicism; Gothicize = Gothisch maken; Gothland.

Gothamist, go(u)thəmist, bewoner v. Gotham in Nottinghamshire (ongeveer als Kampen of Bœotië, bekend om de beweerde domheid der bewoners).

Gothard (St.), s’ntgothəd, St-Gothard.

Gouge, gaudž, gûdž, subst. guts (ronde beitel); bedrog, bedrieger (Amer.); Gouge verb. met een beitel of guts uitsteken of uithollen, bedriegen; Gouge-slip = staal om beitels of gutsen te slijpen; Gouger.

Gough, gof; Gould, gûld.

Gourd, gûəd, waterflesch of karaf, pompoen; Gourdiness = gezwel, stijfheid; Gourdy = gezwollen (van paardepooten).

Gourmand, gûəmand, gulzigaard, lekkerbek.

Gout, gaut, jicht, droppel; Gouty = jichtig, gezwollen.

Gout, gû, smaak.

Govern, gɐv’n, besturen, regelen, bedwingen, regeeren; Governable = bestuurbaar, volgzaam; subst. Governableness; Governess, gɐvənəs, subst. gouvernante; Govern verb. gouvernante zijn: That pleases me better than governessing = dan voor gouvernante te spelen; Government = bestuur, regeling, regeering, zelfbeheersching, uitvoerende macht; adj. Governmental; Governor = bestuurder, landvoogd, loods, “ouwe heer”, regulateur (in stoommachines); Governorship.

Gowan, gauən, madeliefje (Schotl.).

Gower, gauə, gôə.

Gown, gaun, japon, kleed, jurk, tabberd, toga, leden van eene universiteit: Town and gown = studenten en professoren tegenover de stedelingen; Band and gown = toga en bef; Morninggown- = morgenjapon; Nightgown = nachtjapon; Gown-boys = leerlingen, die met kost, inwoning en vrije kleeding tot sommige scholen worden toegelaten; Gown(s)man = getabberde, student; burger.

Gozzard, gosəd, ganzenhoeder, verbastering van Goose-herd.

Grab, grab, subst. greep; soort kustvaarder in Br.-Indië; Grab verb. grijpen (naar = at), pakken, vatten; Grabble = grabbelen, tasten, spartelen.

Grace, greis, subst. gunst, genade, eer, toegestane tijd, bevalligheid, titel van een aartsbisschop of hertog, besluit (v. h. bestuur v. eene Eng. hoogeschool), gebed aan tafel; Grace verb. begunstigen, versieren, vereeren: They said grace = zij baden, dankten; He did it with a bad grace, with (a) good grace = onvriendelijk, vriendelijk, gepast; You might have the grace to offer me something = kon wel eens zoo vriendelijk zijn; Days of grace = loopdagen, respijtdagen; We had but ten minutes’ grace = ons werd slechts tien minuten tijd toegestaan; He was in her good graces = bij haar in de gunst; The Graces = de (drie) Gratiën; In the year of grace 1894 = in het jaar onzes Heeren 1894; Graceful = bevallig; subst. Gracefulness; Graceless = onbevallig, verdorven, brutaal, lomp; subst. Gracelessness; Gracious, greišəs, genadig, gunstig; Good(ness) gracious = genadige goedheid, goeie hemel! subst. Graciousness.

Gracile, gras(a)il, dun, slank.

Gradation, grədeiš’n, geregelde opklimming, trapswijze overgang; adj. Gradational; Gradatories, gradətəriz, subst. trap van uit een klooster naar eene kerk; Gradatory = geregeld opklimmend.

Grade, greid, subst. graad, kwaliteit, ring, stap, helling (van een weg); waterpas maken, ordenen naar grootte of kwaliteit, gelijkmaken: These roads are at grade = waterpas, op dezelfde hoogte; Gradely, greidli, gepast, voegzaam.

Gradient, greidj’nt, subst. (mate van) helling (van een weg); adj. trapsgewijze, geleidelijk.

Gradual, gradjuəl, trapsgewijze, langzamerhand; subst. een response gezongen na het epistle, gradueel of graduale.

Graduate, gradjueit, verb. in graden verdeelen, gradueeren, titreeren; promoveeren, trapsgewijze overgaan; subst. gradjuit, iemand met acad. graad; adj. = Graduated: Graduated income-tax = progressieve inkomstenbelasting; These lessons are carefully graduated to the children’s powers = deze lessen klimmen geregeld op, en zijn berekend voor de krachten der jeugdige leerlingen; Graduation, gradjueiš’n, geregelde opklimming, verdeeling, promotie, terugbrenging van eene vloestof tot eene bepaalde hoeveelheid (door verdamping); Graduator, gradjueitə, graadboog, stroomregelaar.

Gradus, greidəs, woordenboek voor klassieke prosodie (eig. Gradus ad Parnassum).

Graft, grâft, subst. entrijs; harde arbeid; knevelarij (Amer.); Graft verb. enten; zwoegen; Grafting-knife; Grafting-wax.

Graham bread, greiəmbred, brood van grof gemalen tarwe; Grahamite = vegetariër.

Grail, greil, (Heilige) Graal.

Grain, grein, graan, koren, korrel, grein, draad (van hout of vleesch), weefsel, roode verfstof (cochenille), hart, gemoed, aard, vork, harpoen; Grain verb. korrelen; marmeren, aderen (schilderwerk): He has no grain of sense = geen greintje verstand; He has a grain of allowance = hij krijgt maar een bitter beetje; Against the grain = tegen den draad in; It goes against the grain with me = het stuit mij tegen de borst; First they rubbed the old man against his grain, and then smoothed him down again = eerst maakten zij den ouden man kwaad; That is dyed in grain = in de wol geverfd; He is a rogue in grain = doortrapte schurk; Grains = afgewerkte mout: Grains of Paradise Paradijskorrels; Grain shipments = korenladingen; Grained = ruw, korrelig, in de wol geverfd, gemarmerd (van verven); Grainer = schilder (die het hout imiteert), ook: zijn borstel of kam; leerlooiersloog, looiersmes; Graining = looien met vogelmest; imitatiehout-schilderwerk; Grain-staff, stâf, stok met vorkvormige uiteinden; Grainy = vol graan, korrels of pitten.

Gram, gram, keker; gram.

Gramercy, grəmɐ̂si, Dank u wel! Goddank! Sapperloot!

Graminaceous, gramineišəs, grasachtig; Graminivorous, graminivərɐs, grasetend.

Grammar, gramə, spraakkunst, richtig spraakgebruik; Grammar-school = gymnasium, Latijnsche school; Grammarian, grəmêriən, taalkundige; Grammatical, grəmatik’l, taalkundig, spraakkunstig.

Gramme, gram, gram (= 15,432 troy grains).

Gramophone, graməfoun, gramophoon.

Grampian, grampiən: The Grampians = Grampian Hills, Mountains.

Grampus, grampəs, bruinvisch, zwaardvisch, etc.

Granada, granâdə.

Granary, granəri, korenschuur, korenzolder.

Grand, grand, grootsch, voornaam, beroemd, edel, waardig, prachtig: They do the grand at our expense = zij hangen den heer uit; Grand total = algemeen totaal; Grand-aunt = oud-tante; Grandchild = kleinkind; Granddaughter = kleindochter; Grand-duke = groothertog; Grandfather = grootvader; Grandfather’s clock = ouderwetsche staanklok; Grand-juror = lid van de Grand-jury = de jury, die onderzoekt of er reden is dat de beschuldigde door de petty jury verhoord word; Grand-master = grootmeester; Grandmother = grootmoeder; Grand-nephew = achterneef; Grand-niece = achternicht; Grand-seignior = (oude) titel van den Sultan van Turkije; Grand-stand = groote tribune (bij een wedstrijd); Grandsire = grootvader, voorvader; Grandson = kleinzoon; Grand-uncle = oudoom; Grand-vizier = grootvizier of eerste minister in Turkije; Grandam, grandəm, grootmoeder, oude vrouw; Grandee, grandî, grande (Spaansch edelman); Grande-garde, grandgâd, het deel der wapenrusting, dat den linkerschouder en de borst beschermt; Grandeur, grandjə, grootschheid, pracht, verhevenheid; Grandiloquent, grandiləkwent, Grandiloquous, grandiləkwɐs, bombastisch, grootsprekend, opgeblazen, snoevend; Grandiose, grandious, (werkelijk of gemaakt) grootsch en indrukwekkend; subst. Grandiosity = Grandness.

Grange, greinž, schuur, boerderij (met bijgebouwen, enz.), buiten, heerenhuis, een Amer. landbouwvereeniging (Amer.); Grangers = Polit. Agrariërs (Amer.).

Grangerize, greinžəraiz, illustreeren (van boeken, enz.) met platen uit andere boeken vandaan gehaald.

Graniferous, grənifərɐs, graandragend; Graniform, graniföm, korrelig (als graan); Granivorous, grənivərɐs, graanetend.

Granite, granit, graniet; adj. Granitic.

Granny, grani, grootje; ook: Grannam, gran’m.

Grant, grânt, subst. schenking, toelage, subsidie, gave, toestemming, overdracht; Grant verb. geven, schenken, toegeven, toestaan, toestemmen, overdragen: There will be a grant as prayed = de eisch zal toegewezen worden; I claim a grant of letters of administration = ik eisch, dat er een administrateur worde benoemd; God grant him success = God geve, dat hij slage; Let us grant it for argument’s sake = laten wij het voor een oogenblik aannemen; To grant a flavour to = een aangenamen geur (smaak) verleenen aan; I beg your pardon; Granted = ik vraag u excuus; gij hebt het; I take it for granted = ik houd het voor bewezen, uitgemaakt; Granted you are right = toegegeven, dat; Grants-in-aid = hulpkas (eig. schenkingen in nood), vooral bij werkstakingen; Grantable = inwilligbaar, overdraagbaar; Grantee, grântî, iemand, wien iets wordt toegestaan of overgedragen; concessionaris; Granter = die toestaat of overdraagt; Grantor, grântə, grantö, die iets overdraagt of afstaat.

Grantham, grant’m.

Granular, granjulə, korrelachtig, korrelig; Granulate, granjuleit, granuleeren; greineeren; korrelig worden; Granule, granjûl, korreltje; Granulous, granjulɐs, vol korrels.

Granville, granvil.

Grape, greip, druif; Grapes = gezwel (op paardenhiel); Grape-shot = schroot; Grape-sugar = druivensuiker; Grape-stone = druivenpit; Grape-vine = wijndruif; Grapery = druivenkweekerij (-kas).

Graphic(al), grafik(’l), graphisch, aanschouwelijk; Graphology, grəfolədži, graphologie; Graphometer, grəfomətə, graphometer; Graphophone = klankschrijver.

Graphite, grafait, graphiet.

Grapnel, grapn’l, dreg; klein anker.

Grapple, grap’l, subst. worsteling, omvatting (met de armen in een strijd), gevecht van man tegen man; (enter)haak; Grapple verb. aanklampen, vastgrijpen, vechten; Grapplement = worsteling van man tegen man; Grappling-iron = enterhaak.

Grapy, greipi, druifachtig, naar druiven smakend, vol druiven, druiven...

Grasp, grâsp, subst. greep, houvast, bereik; Grasp verb. vasthouden, grijpen, vatten, bezit nemen: He did not grasp the situation = begreep niet; All grasp all lose = wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid op den neus; Grasper = grijpijzer; hebzuchtige, inhalig persoon; Grasping = inhalig.

Grass, grâs, subst. gras; Grass verb. met gras of zoden bedekken, bleeken, op het gras werpen, ophalen (bij het hengelen) en op het land werpen: We are at grass = vrij, kunnen in de wei loopen, zijn weggestuurd; To go to grass = doodgaan; in de wei loopen (fig.); Go to grass = ruk uit! The horses were put to (taken (in) to) grass = werden in de wei gedaan; To send to grass = neerslaan; What made him have his horse up from grass = waarom heeft hij het paard uit de weide gedaan? He never lets the grass grow under his feet = laat er nooit gras over groeien, pakt flink en dadelijk aan; While the grass grows, the steed starves = met hopen en verlangen alleen komt men er niet; Grass-blade = grassprietje; Grass-cloth = graslinnen; Grass-green, subst. graskleur; adj. grasgroen; Grass-grown = met gras begroeid; Grass-hand = (nood)letterzetter; Grass-hopper = sprinkhaan; Grass-plot = grasveld; Grass-widow = onbestorven weduwe; ongehuwde moeder; Grassy = met gras bedekt, groen.

Grate, greit, subst. rooster, haard, traliewerk; Grate verb. van rooster of traliewerk voorzien, wrijven, schuren, raspen, stuk wrijven, plagen, kwellen, krassen, knarsen: It grates upon my ears = het doet mijne ooren pijn; Grater, greitə, rasp; Grating, greitiŋ, subst. traliewerk; het knarsen; adj. knarsend, krassend, hard, irriteerend.

Grateful, greitful, dankbaar, aangenaam, liefelijk; subst. Gratefulness.

Gratian, greiš’n, Gratianus; Gratiano, greišiânou.

Gratification, gratifikeiš’n, belooning, genot, bevrediging; Gratify, gratifai, behagen, beloonen, inwilligen, bevredigen, aangenaam zijn: That must be very gratifying to you = daarmede moet gij wel ingenomen zijn.

Gratis, greitis, gratis.

Gratitude, gratitjûd, dankbaarheid.

Gratuitous, grətjûitɐs, gratis, vrijwillig, zonder reden, ongegrond; subst. Gratuitousness; Gratuity, grətjûiti, fooitje, vrije gift, douceurtje.

Gratulate, gratjuleit; Gratulation; Gratulatory. Zie Congratulate.

Gravamen, grəveim’n, hoofdoorzaak, voornaamste punt van aanklacht.

Grave, greiv, subst. graf; Grave verb. graveeren, beitelen; Grave-clothes, greiv-kloudhz, lijkwade; Grave-digger, Grave-maker = doodgraver; Grave-mound = grafheuvel; Grave-stone = grafsteen; Grave-yard = kerkhof; Graveless = onbegraven; Graven = gesneden, gegraveerd; Graver, greivə, graveur, graveerstift.

Grave, greiv, ernstig, plechtig, gewichtig, somber, diep; subst. Graveness.

Grave, greiv, schoonmaken van den bodem van een schip; Graving-dock = droogdok.

Gravel, grav’l, subst. kiezel; graveel; Gravel verb. met kiezel(zand) bestrooien, op het zand laten loopen (van een bootje), verlegen maken: The editor was Gravelled for matter = de redacteur was verlegen om copie; Gravel-pit = kiezelkuil; Gravel-walk = kiezelpad, grintpad.

Gravelin(e), gravəlîn, Grevelingen; Gravesend, greivzend.

Gravid, gravid, zwanger.

Gravitate, graviteit, (aan)getrokken worden, neigen: He is gravitating towards conservatism = helt over, voelt zich aangetrokken tot; Gravitation = zwaartekracht; Gravity, graviti, zwaarte, gewicht, belang, ernst, deftigheid, diepte (van toon), zwaarte- of aantrekkingskracht: Specific gravity = soortelijk gewicht; Centre of gravity = zwaartepunt.

Gravy, greivi, jus, vleeschnat; sap (Amer.).

Gray, grei, subst. grijze kleur, grijsaard, schimmel; soort v. bont, das; adj. grijs, aschkleurig, grauw, duister; Graybeard = grijsaard; steenen kruik (Schotl.); Gray-fly = paardenvlieg; Gray-friar = Franciskaner monnik; Gray-mare = schimmel; bazin, driedekker (eene vrouw, die de broek aan heeft).

Grayling, greiliŋ, vlagzalm.

Graze, greiz, subst. schaafje of schram(metje); Graze verb. schaven, strijken langs, even aanraken; grazen, (af)weiden, hoeden, zich voeden met; Grazer = grazend dier; Grazier, greižə, vetweider.