Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 45

Chapter 453,061 wordsPublic domain

Festival, festiv’l, subst. feestviering; soms ook adj.; Festive = feestelijk, feest...: Festive mirth = feestvreugde; In a festive disposition = in feestelijke stemming; Festivity, fəstiviti, feestelijkheid, feestvreugde.

Festoon, festûn, subst. guirlande, krans, festoen; Festoon verb. met guirlandes, enz. tooien.

Fetch, fetš, halen, trekken, behalen, opbrengen, maken, doen, geven, bereiken; subst. kunstgreep, list, dubbelganger, strikvraag: I fetched him from behind = greep hem van achteren aan; He was fetched in (out) = gegrepen (weggevoerd); The picture will have to be fetched out = zal wat uitgehaald moeten worden; She was fetched to = bijgebracht; To fetch up = plotseling blijven staan, ophalen, grootbrengen, inhalen: The flatness of the last act must be fetched up = het trekkerige van het laatste bedrijf moet verholpen worden; To fetch a compass = een omweg maken; To fetch a pump = eene pomp aan den gang maken; She fetched a deep sigh = slaakte een diepen zucht; That is rather far-fetched = nogal ver gezocht; Fetch-candle (Fetch-light) = dwaallicht, dat naar het volksgeloof, in Wales, den dood aankondigt; Fetching, pakkend, bekoorlijk.

Fetich, fetiš, fîtiš = Fetish.

Fetid, fetid, fîtid, stinkend; subst. Fetidness.

Fetish, fetiš, fîtiš, fetisch: Fetish-man = fetisch priester of aanbidder; Fetishism = feticisme; Fetishist = fetisch aanbidder.

Fetlock, fetlok, vetlok, kootgewricht.

Fetter, fetə, subst. voetboei, keten, belemmering; kluister; Fetter verb. boeien, belemmeren, binden; Fetterless = vrij, ongedwongen.

Fettle, fet’l, in orde brengen, repareeren, schoonmaken, druk werken, voeren, bedekken, vastmaken; subst. conditie (sportt.), drukte.

Fetus, Foetus, fîtəs, ongeboren vrucht.

Feud, fjûd, vete, twist, vijandschap.

Feud, fjûd, leen; Feudal system = leenstelsel = Feudalism = feudalisme; Feudality, fjudaliti, leenmanschap, feudaal-systeem; Feudalize = leenroerig maken; Feudary = Feudatory = leenman.

Fever, fîvə, subst. koorts, opgewondenheid; Fever verb. koortsig maken: In a fever of disgust = koortsachtig opgewonden van ergernis; Low fever = binnenkoorts; Feverfew = koorts- of moederkruid; Fever-weakened = door de koorts verzwakt; Feverish, fîvəriš, koortsachtig, gloeiend; subst. Feverishness.

Few, fjû, weinige(n): The fewer the better = hoe minder (menschen) hoe liever; A few = eenige; A good few = aanzienlijk getal; In few = in ’t kort; Few and far between = hoogst zeldzaam; Fewness = gering aantal.

Fey, fei, (ge)dood, ten doode bestemd; veeg (Schotsch), ongelukkig, vreemd, zonderling, mistroostig: You are fey, and I prophesy a headache for you to-morrow = je bent niet gewoon.

Fez, fez, fez, Turksche muts.

Fiasco, fiaskou, fiasco, ongunstige uitslag, slecht figuur.

Fiat, faiət, fiat, “het geschiede”.

Fib, fib, subst. leugen(tje); Fib verb. jokken, afranselen: Don’t tell fibs = jok nu niet; Fibber = jokker = Fibster.

Fibre, faibə, vezel, kracht; Fibril, faibril, fijne vezel of draad; Fibrilose, faibrilous, faibrilous, met of van vezeltjes; Fibrous, faibrəs, vezelachtig.

Fibula, fibjulə, kram; kuitbeen; hechtnaald.

Fickle, fik’l, wispelturig, grillig; subst. Fickleness.

Fico, fîkou, vijg; verachtelijk gebaar waarbij men den duim in den mond of tusschen wijs- en middelvinger bracht.

Fictile, fiktil, kneedbaar; aarden: Fictile art = keramiek.

Fiction, fikš’n, verdichting, verdichtsel, prozawerk, roman; Fictitious = verdicht, nagemaakt, onecht; subst. Fictitiousness; Fictive = Fictitious.

Fictor, fiktə, modelleur.

Ficus, faikəs, vijgeboom; vijgewrat.

Fidalgo, fidalgou, Portugeesch edelman.

Fiddle, fid’l, subst. viool, slingerlatten (scheepst.); Fiddle verb. vioolspelen, beuzelen, spelen, beetnemen: He played first fiddle = hij speelde de eerste viool (ook fig.); To take first fiddle = de leiding nemen; Fiddle-bow = strijkstok; Fiddle-bridge = kam; Fiddle-case = kist; Fiddle-de-dee = malligheid; Fiddle-faddle, fid’lfad’l, subst. gewauwel, kouwe drukte; adj. wauwelachtig, beuzelend; Fiddle-faddle verb. drukte maken om niets, beuzelen; Fiddle-stick = strijkstok: I don’t care a fiddle-stick = ik geef er geen zier om; Fiddlesticks’ ends = geleuter; Fiddle-string = vioolsnaar; Fiddler = vioolspeler, zesstuiverstuk.

Fide-jussion, faididžɐš’n, borgstelling; Fide-jussor = borg.

Fidele, faidîlə.

Fidelity, fideliti, getrouwheid, aanhankelijkheid, trouw.

Fidget, fidžət, subst. zenuwachtige gejaagdheid, bewegelijkheid, zenuwachtig persoontje; Fidget verb. zich zenuwachtig bewegen, zenuwachtig maken: Her arm seemed to have got the fidgets = niet stil te kunnen blijven liggen, bewoog zenuwachtig heen en weer; You fidget me by your presence = ge maakt me zenuwachtig en gejaagd door uwe tegenwoordigheid; Fidgety = gejaagd, zenuwachtig.

Fiducial, fidjûš’l, vertrouwend, vertrouwelijk: Fiducial mark = bewijs van vertrouwen; Fiduciary, fidjûšəri, subst. iemand, wien een pand ter bewaring is toevertrouwd; adj. vol vertrouwen, toevertrouwd: In his fiduciary capacity = betrekking van vertrouwen.

Fie, fai, foei!

Fief, fîf, leengoed.

Field, fîld, veld, akker, slagveld, slag, gezichtsveld, uitgestrektheid, al de cricketspelers, de jachtstoet, aantal deelnemende paarden; Field verb. voor fielder spelen bij cricket, wedden op het field (i.e. tegen den favourite): He betted (laid) against the field = hij wedde op den favourite; The field was fought, lost, won = slag; The army took the field and kept it during the summer = het leger trok te velde en bleef daar den ganschen zomer; A field of ice = groote (drijvende) ijsmassa; Field of view = gezichtsveld; Field-allowance = extratoelage aan te velde zijnde soldaten; Field-artillery = veldartillerie; Field-bed = veldbed; Field-book = veldboek (voor het landmeten); Field-day = dag voor velddienst, dag van groote drukte, vertoon, etc.; Field-duck = kleine trap; Field-equipage = velduitrusting; Fieldfare = veldjakker, kramsvogel; Field-glass = veldkijker; Field marshal = veldmaarschalk; Field-mouse = veldmuis; Field-officer = stafofficier; Field-piece (Field-gun) = stuk veldgeschut; Field-practice = velddienstoefening; Field-sports = jachtvermaak, enz.; Field-works = schansen; Fielder = een bepaald speler bij cricket.

Fiend, fînd, booze geest, duivel; adj. Fiendish; subst. Fiendishness; Fiendlike = duivelsch, demonisch.

Fierce, fîəs, woest, wreed, meedoogenloos, hevig, onstuimig; subst. Fierceness.

Fieri facias, fai(ə)raifeišas, dwangbevel tegen een schuldenaar: He has been served with a writ of fieri facias.

Fieriness, fai(ə)rinəs, vurigheid, vuur, hevigheid; Fiery, fai(ə)ri, vurig, hartstochtelijk, opvliegend: Fiery substances = licht ontbrandbare stoffen; Fiery-cross = vlammend kruis (in de Hooglanden van Schotland), om de stammen te wapen te roepen.

Fife, faif, subst. fluit, pijp; Fife verb. pijpen, op eene fluit spelen; Fifer = pijper.

Fifteen, fiftîn, (maar Fifteen boys, fiftîn bôiz), vijftien; Fifteenth = vijftiende; Fifth, fifth, subst. en adj. vijfde (deel): Fifth monarchy men = dweepzieke godsdienstsekte, die ongeveer 1659 ontstond en eene vijfde monarchie profeteerde, waarin Christus duizend jaren op aarde zou heerschen; Fifthly = ten vijfde; Fifty = vijftig: In the fifties = tusschen ’50 en ’60; Fiftieth = vijftigste.

Fig, fig, subst. vijg, vijgeboom, gala, lor, pruimtabak (Amer.): Figs! = loop heen, ’klets’; In full fig = in groot tenu, poesmooi, goed op dreef; I don’t care a fig for what you say = geef geen zier; Fig-eater (Fig-pecker) = vijgeneter; Fig-leaf = vijgeblad: This poet’s works have been subjected to the fig-leaf and knife = zijn gecastreerd en besnoeid; Fig-shell = schelp in den vorm eener vijg of peer.

Fight, fait, subst. gevecht, strijd; Fight verb. vechten, strijden, bevechten, laten vechten: A hand-to-hand fight = man tegen man; A running fight = het nazetten van en vuren op een vluchtenden vijand; Single fight = tweegevecht; To make a brave fight = zich kranig houden; To show fight = de tanden laten zien, zich te weer stellen; I will fight you = ik daag je uit; To fight shy of = uit den weg gaan, vermijden; To fight a battle = slag leveren; To fight a duel = duelleeren: To fight the tiger = dobbelen (Amer.); He fought his way through the crowd = baande zich met geweld een weg; We will fight it out together = het samen uitvechten; Fighter = vechter, vechtersbaas, boxer; Fighting-alliance = of- en defensief verbond; Fighting-cock = kemphaan; The fighting efficiency of our fleet = vechtvermogen; Fighting-top = mars (op een oorlogschip).

Figment, figm’nt, vinding, verdichtsel.

Figuline, figjul(a)in, pottebakkersaarde, vaas van kunstaardewerk.

Figurant(e), figjurânt, figurant (ook fig.).

Figurate, figjureit, gefigureerd; Figuration, figjureiš’n, voorstelling, afbeelding, type; Figurative, figjurətiv, figuurlijk, zinnebeeldig, bloemrijk.

Figure, fig(j)ə figuur, vorm, voorkomen, gedaante, gestalte, beeld, afbeelding, persoonlijkheid, voorbeeld, pracht, prijs, cijfer, de passen (bij het dansen); Figure verb. vormen, afbeelden, voorstellen, figuurlijk gebruiken, figureeren, figuren vormen, met figuren versieren, becijferen, cijferen: What a figure you are = wat zie jij er uit! What is the figure? = op hoeveel komt dat? Trustworthy figures = vertrouwbare cijfers; To be bad at figures = een slecht rekenaar zijn; He cuts (makes) a good (poor) figure = een goed (treurig) figuur; To go the whole figure = al het mogelijke doen; He lives in figure = hij voert een grooten staat; To sell at a great figure = voor hoogen prijs; I will not sell it under three figures = onder £100 (= 3 cijfers); He figured down several couples with his amiable partner = hij danste (in den country-dance) tusschen de rij der dansers door; We have figured it out = het uitgerekend; It is easy to figure these sums up = op te tellen; Figure-head = vóórsteven- of galjoenbeeld; Figure-maker = modelleur; Figure-weaver = damastwever; Figured = gebloemd, met figuren; Figurette, figjuret = Figurine, figjurîn, beeldje.

Fiji, fîdži: Fiji Islands; Fijian, fîdžiən, (bewoner, taal) van F.

Filament, filəment, vezel, draad, meeldraad; Filamentous = vezelig, draderig.

Filander, filəndə, filandə, soort van kangoeroe; soort ingewandsworm; Filanders = ziekte bij valken.

Filbert, filbət, hazelaar, hazelnoot; Filbert-nails = bolle, spits toeloopende, sierlijke nagels.

Filch, filš, stelen, kapen; Filcher = dief.

File, fail, subst. snoer, draad, rist papieren (met datum, korte inhoud, etc. op de rugzijde), lijst, catalogus, rot (mil.); vijl, geslepen vent; File verb. aanrijgen aan een file, deponeeren in ’t archief, indienen van stukken, in rotten marcheeren, vijlen, afvijlen, glad maken; The rank and file = het kader en de manschappen; On file = stelselmatig gerangschikt; Indian (Single) file = eendenmarsch; The soldiers filed off = marcheerden af in eene rij achter elkaar; File, please = wil de zaak als afgedaan beschouwen; File-cutter = vijlmaker; File-leader = voorste soldaat van een File; Filings = vijlsel.

Filial, filj’l, kinderlijk: Filiation = affiliatie.

Filibeg, filibeg = Kilt.

Filibuster, filibɐstə, subst. vrijbuiter, roover; obstructionist (Amer. = Filibusterer); Filibuster verb. op roof of buit uitgaan: A filibustering expedition = rooftocht.

Filices, filisîz, orde der varens; Filical = tot de varens behoorende; Filiciform = varenvormig; Filicoid = fern-like.

Filiform, filiföm, draadvormig, dun.

Filigree, filigrî, subst. filigraan; ook adj. Filigreed = met filigraan versierd.

Fill, fil, subst. bekomst, hoeveelheid tot vulling; Fill verb. vullen, volstoppen, verzadigen, bevredigen, bezetten, bekleeden, volbrassen; vol worden: I have eaten and drunk my fill = volop gegeten en gedronken; She has fretted her fill = is uitgemokt; To gaze one’s fill at = zich zat zien aan; Two fills of tobacco = pijpjes tabak; To fill the bill = aan alle eischen voldoen; To fill an order = een bestelling uitvoeren; To fill parts = rollen bezetten; To fill sails = zeilen doen zwellen; To fill teeth (Amer. voor to stop); To fill in = dichtstoppen, dempen, aanvullen: The article was filled in = het artikel werd geplaatst; His face filled out = werd dikker; Shall I fill you out a glass = vullen? To fill up = geheel innemen, vol maken of worden; dempen: To fill up a vacancy (a canal); The loan was filled up = werd volteekend; The ship filled up with water there = nam daar voldoenden watervoorraad in; Filler = vuller, trechter, vulsel, stopwoord; Filling-in pieces = vulstukken.

Fillet, filət, subst. band (om het hoofd of om het haar), filet; lendestuk, vleesch zonder been (als schijf of rollade opgediend), lijst; Fillet verb. met een hoofdband omringen of binden, versieren, tot een schijf of rollade maken, met lijsten versieren.

Fillibeg, zie Filibeg; Fillibuster, zie Filibuster.

Fillip, filip, subst. knip (voor den neus); aansporing; Fillip verb. knippen (met de vingers): To give a fillip = aanzetten.

Filipeen, filipîn, filipîn, filippine.

Filly, fili, merrieveulen, wildebras.

Film, film, subst. vlies, film (phot.); Film verb. met een vlies bedekken: The pools were filmed with frost = er lag een vliesje ijs op; subst. Filminess; adj. Filmy = vliezig, zeer dun, fijn; Filmy-fern = schildvaren.

Filter, filtə, subst. filter, filtreer, zeef; Filter verb. filtreeren, ziften; Filtering-bag = doorzijgzak; Filtering-machine = filtreermachine; Filtering-paper = filtreerpapier; Filtering-stone = poreuze steen.

Filth, filth, vuiligheid, vuilnis, ook fig. = Filthiness; adj. Filthy.

Filtrate, filtreit, subst. filtraat; Filtrate verb. filtreeren; subst. Filtration.

Fin, fin, vin: Pectoral and ventral fin = borst- en buikvin; Fin-footed, Fin-toed = met zwemvliezen aan de pooten.

Finable, fainəb’l, beboet- of bekeurbaar.

Final, fain’l, laatste, eind..., slot..., beslissend, finaal; subst. beslissingswedstrijd: Final-cause = einddoel: He does not believe in final-causes = hij ontkent de teleologie; Final decision = eindbeslissing; Final proof = afdoend bewijs; Final success = succes ten slotte; Finality, fainaliti, eindtoestand, volkomenheid; Finally = ten slotte.

Finance, f(a)inans, fainəns, subst. financiewezen: Finances = geldmiddelen, fondsen; Finance verb. de financiën besturen, geldelijk ondernemen of steunen: He finances the paper = hij neemt de geldelijke uitgaven op zich; Many people financed the movement = steunden de beweging geldelijk; He financed his nephew = voorzag van geld; Financial, finanš’l, geldelijk; Financialist = Financier, fa(i)nansîə, finansîə.

Finch, finš, vink: A finch-backed cow = (op den rug) gestreepte of wit gevlekte koe.

Find, faind, subst. ontdekking, vondst; Find verb. vinden, ontdekken, bevinden, verklaren, uitspraak doen, enz.: Will you find me a pen = voor mij zoeken? She was to find linen = zou zorgen voor; We took furnished apartments, only finding plate and linen = moesten alléén voor eigen zilver en tafellinnen zorgen; I could not find it in my heart to do it = ik kon het niet over mijn hart verkrijgen; The jury found for the defendant = de gezworenen spraken den aangeklaagde vrij; A bill was found for the case = er werd in de zaak (door de Grand Jury) rechtsingang verleend; She could not find herself in dresses out of that money = zij had niet genoeg kleedgeld; I will find you in pocket-money = ik zal je zakgeld geven; This small sum has to find me in everything = van dit sommetje moet ik alles bekostigen; He is well found in everything = hij zit goed in z’n spulletjes; B. is well found in hotels = goed voorzien van; Our privateers were not so well found as the enemy’s = waren niet zoo goed van alles voorzien; I will try to find it out = ontdekken; Then the young scholar found himself = toen vond de jonge geleerde een hem passenden werkkring; Find-fault = bedilal; Find-spot = vindplaats; Finder = vinder, zoeker (kijker), visiteur, speurhond; Finding = resultaat, uitspraak; Findings = (vooral schoenmakers) benoodigdheden, enz., waarvoor de werkman zelf moet zorgen (Am.); Finding-store = winkel voor schoenmakersbenoodigdheden (Amer.).

Fine, fain, subst. einde; geldboete; Fine verb. beboeten: In fine = kortom, ten slotte.

Fine, fain, fijn, teer, dun; schoon, elegant, uitstekend, sluw, scherp, spits, zuiver; helder, klaar; Fine verb. klaren (down), zuiveren, frisschen, affineeren: A fine whist-player = goed; The fine flower of the aristocracy; I have run it very fine = ik heb het er precies afgebracht, het was “er aan toe”; Fine arts = fraaie kunsten; Fine-draw = een scheur haast onzichtbaar stoppen; dun uitrekken; Fine-drawn = erg gezocht (fig.); Fine-spoken = fraaie woorden gebruikend; met gladde tong; Fine-spun = fijn (uit)gesponnen; Fine-still = distilleeren uit bijprodukten der suikerraffinaderij; Fine-stuff = pleisterkalk; Fineness = fijnheid, zuiverheid, etc.; Finer = frisscher; Finery = mooie kleeren, opschik, opzichtigheid; affinerie; Fining-pot = affineerkroes.

Finesse, fines, subst. sluwheid, handigheid, list; Finesse verb. list gebruiken.

Finger, fiŋgə, subst. vinger, vingerbreedte, (-lengte), vingervaardigheid; Finger verb. betasten, bevoelen, ontfutselen, met de vingers bespelen: He has his finger in it = hij is erbij betrokken; He has his finger in every man’s pie = heeft overal de hand in; I have it at my finger-ends (fingers’ ends) = ik ken het op mijn duimpje; He shook his finger at me = dreigde mij met opgeheven vinger; I won’t stir a finger = ik steek geen hand uit; He was Fingering his watch-chain = beuzelde met; Finger-alphabet, Finger-and-sign-language = vingerspraak; Finger-board = nek van een snaarinstrument, manuaal (van piano of orgel); Finger-bowl (Finger-glass) = vingerglas (om na het diner de vingers in af te spoelen); Finger-plate = deurplaat; Finger-post = handwijzer; Finger-prints = vingerindrukken; Finger-reading = lezen door blinden; Finger-stall = vingerling; Fingered = gevingerd: The fingered gentry = de Heeren dieven; Fingering = aanraken met de vingers, fijn werk voor de vingers, vingerzetting.

Fingerling, fiŋgəliŋ, jonge forel.

Finial, finiəl, kruisbloem, Gothische puntversiering, krullen (bij ’t schrijven).

Finical, finik’l, Finicking (Finikin), finikiŋ(n), gemaakt, overdreven, kieskeurig.

Finis, fainis, einde, slot.

Finish, finiš, eindigen, voltooien, besluiten, de laatste hand leggen aan, afwerken, apprêteeren, opgebruiken, opeten, uitdrinken, zijn bekomst geven, dooden, ophouden; subst. afwerking, voltooiing, einde (van den wedstrijd), laatste hand aan iets; pleisterkalk; It was a fight to the finish = tot de beslissing viel = They fought to a finish; That finished him = toen had hij genoeg, was hij dood; Finishing-coat = derde of laatste laag (verf of pleister); Finishing-school = meisjeskostschool waar de laatste hand aan de opleiding wordt gelegd.

Finite, fainait, subst. persoonsvorm (tegenover den Infinitive) van een werkwoord; adj. eindig; subst. Finiteness.

Finland, finland; Finlander = Finn = Fin; Finnic = Finnish = Finsch, Finlandsch.

Finnikin, finikin, soort van gekuifde duif.

Finny, fini, gevind.

Fionia, fiounjə, Funen.

Fions, faiənz, half-mythische krijgslieden in Ossian’s gedichten.

Fiord, fjöd, fjord.

Fir, fɐ̂, den, denneboom, zilverspar; Fir-apple, Fir-cone = pijnappel; Fir-poles = juffers; Fir-tree.

Fire, faiə, subst. vuur, brand, hitte, licht, gloed, hartstocht, het schieten, hel; Fire verb. in brand steken, afvuren, afschieten, aanvuren, stoken, bakken (van porselein), ontbranden, ontvlammen, een carillon luiden: The house is on fire = in brand; We were under fire = aan ’t vuur (des vijands) blootgesteld; To catch fire = vuur vatten; The piece hangs fire = heeft geen succes; He went off to sleep, but I hung fire = maar ik kon den slaap niet vatten; The affair hung fire = hokte; My gun missed fire = ketste; They opened a raking fire = begonnen moorddadig te vuren; To set on fire (= To set fire to) = in brand steken; He will never set the Thames on fire = hij heeft het buskruit niet uitgevonden; To silence the enemy’s fire = de batterijen van den vijand tot zwijgen brengen; To take fire = vuur vatten, in brand raken; I took fire = vatte vuur, stoof op; Fire! = vuurt; To fire a gun, a mine, a shot; This fired my blood = maakte mijn bloed aan ’t koken; Fire away! vooruit maar, begin maar!; A gun-boat was fired upon = er werd gevuurd op eene kanoneerboot; He is fired up = woedend; St.-Anthony’s fire roos; Greek fire = Grieksch vuur; Kentish fire = een rhythmisch applaus; Running fire = snelvuur; Fire-alarm = brandschel; Fire-annihilator, ənaihileitə, extincteur; Fire-arm = vuurwapen; Fire-ball = brandbom; vuurbol (meteoor); Fire-balloon = luchtballon (met heete lucht), ballon met vuurwerk, dat boven in de lucht ontvlamt; Fire-basket = soort komfoor; Fire-bavin = rijsbundel op branders (schepen); Fire-blast = brand, ziekte in hop; Fire-board = schoorsteenscherm; Fire-box = vuurkast (van een locomotief); Fire-brand = brandend stuk hout; stokebrand; Fire-brick = vuurvaste steen; Fire-brigade = brandweer; Fire-brush = haardveger; Fire-bucket = brandemmer; Firebug = brandstichter (Amer.); Fire-clay = vuurvaste klei; Fire-cock = brandkraan; Fire-company = assurantiemaatschappij; Fire-cracker = voetzoeker; Fire-dog = haardijzer; Fire-drill = vuurring gebruikt door de Austral. inboorlingen bij ’t maken van vuur door wrijving van twee stukken hout; oefeningen van een brandweercorps; Fire-eater = vuurvreter; ijzervreter; Fire-engine = brandspuit; Fire-escape = reddingstoestel (bij brand); Fire-extinguisher = extincteur; Fire-fly = glimworm; Fire-hook = brandhaak; Fire-hose = brandspuitslang; Fire-insurance = brandassurantie; Fire-irons = schop, tang en pook; Fire-kiln = vuurvaste oven; Fire-lighter = vuurmaker; Fire-lock = geweerslot; snaphaan; Fireman = brandweerman; stoker (Am.); Firemaster = brandmeester (Amer.); Fire-new = fonkelnieuw; Fire-office = brandassurantiekantoor; Fire-place = haard; Fire-plug = brandkraan; Fire-policy = brandpolis; Fire-proof = tegen het vuur bestand; Fire-raising = brandstichting (Schot.); Fire-screen = vuurscherm; Fire-ship = brander; Fire-shovel = kolenschop; groote mond; Fireside = haard; Fire-station = brandweerkazerne; Fire-stick = wrijfstokje om vuur te maken; Fire-tube = kleine vlampijp (stoomketel); Fire-ward(en) = brandmeester; Fire-water = naam bij de Roodhuiden voor spiritualiën; Fire-wood = brandhout, brandstof; Firework = vuurwerk: To hold a grand display of fireworks = een groot vuurwerk afsteken; Fireworks will be let off = er zal vuurwerk afgestoken worden; Fire-worship = vuuraanbidding: Firing, fairiŋ, het vuren, brandstof, uitbranden (van eene wond): Fire-iron = brandijzer.

Firkin, fɐ̂kin, (boter)vaatje v. 25,4 K.G.

Firm, fɐ̂m, vast, hard, hecht, standvastig, vastberaden, trouw; subst. firma; subst. Firmness.

Firmament, fɐ̂məment, firmament; Firmamental, fɐməment’l, hemelsch, tot het uitspansel behoorende.

Firman, fɐ̂m’n, fɐ̂mân, ferman, verlofbrief, pas, schriftelijk bevel (van Oostersche vorsten).