Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 81
Most, moust, subst. meeste, grootste; adj. meest, grootst; adv. zeer: At (the) most = op zijn meest, hoogstens; The Most High = de Allerhoogste; For the most part = meerendeels; To be as good as most people = nog zoo kwaad niet zijn; To make the most of = zooveel mogelijk profiteeren van; I am most happy to see you = erg blij; Mostly = hoofdzakelijk, voornamelijk, meestal, doorgaans.
Mot, mot, hallali; snol.
Mote, mout, stofje, vlekje, spikkel, kleinigheid: Dust motes dancing in a sunbeam.
Mote, mout = may, might, must: So mote it be! = zoo zij het! (formule bij de Free-masons).
Mote, mout = To motor.
Moth, moth, mot; vlinder; kanker (fig.); ook verb.: She is a moth = ze hengelt, geeft zich veel moeite (voor een man); The cloth is moth-eaten = de mot is er in; To go mothing = op de vlindervangst gaan; Mothy = vol motten.
Mother, mɐdhə, subst. moeder, moedertje, abdis; moer, droesem; Mother verb. de moederplaats innemen, als kind aannemen: Where will you and the mother sit? = en moeder; Mother’s son = verwend kindje; Mother Carey’s Chicken(s) = stormzwaluw(en); Mother Carey is plucking her goose = het sneeuwt; Mother Shipton = eene beroemde waarzegster; Mother-church; Mother-country = moederland, geboorteland; Mother-in-law = schoonmoeder (stiefmoeder); Mother-earth = moederaarde; Mother-of-pearl = parelmoer; Mother-spot = moedervlek; Mother-tongue = moedertaal; Mother-wit = gezond verstand, natuurlijke gevatheid; Motherhood = moederschap; Motherless; Motherliness = moederlijkheid; Motherly = als eene moeder, zorgzaam.
Motion, mouš’n, subst. beweging, handbeweging, wenk, neiging, aandrift, motie, voorstel; stoelgang; Motion verb. gebaren maken, door een beweging te kennen geven: Of one’s own motion = uit eigen beweging; Equable motion = gelijkmatige beweging; Laws of motion = de drie bewegingswetten van Newton; The motion was agreed to unanimously = de motie werd met algemeene stemmen aangenomen; The motion was carried by 70 votes to 20 = aangenomen met; The motion was lost = verworpen; To make a motion to a person = iemand wenken; To put a motion = een motie stellen; To second a motion = ondersteunen; He motioned me to a chair = wenkte mij te gaan zitten; Motionless = onbewegelijk.
Motivate, moutiveit, motiveeren, gronden; Motive, moutiv, subst. beweegreden, oorzaak; adj. bewegend, beweeg...; Motivate verb. motiveeren; Motive-force = beweegkracht; Motiveless = doelloos, zonder reden; Motivity = beweegkracht.
Motley, motli, bont; subst. narrenpak, nar, bonte mengeling.
Motor, moutə, subst. motor, beweger, beweegkracht; adj. bewegend, motorisch; Motor verb. met een motorrijtuig rijden; Motor-(bi)cycle; Motor-boat; Motor-cab = autotax, taxi; Motor-car = automobiel; Motor-cycle = motorfiets; Motor-cyclist; Motor-launch = motorboot; Motor-man = bestuurder van een electr. tram; chauffeur; Motor-omnibus; Motor-sleigh = motorslede; He motored over to A.; Motorist = automobilist.
Mottle, mot’l, stippelen, vlekken, schakeeren; ook subst.; Mottle-faced = met rood gevlekt gezicht; Mottled with wrath = rood van woede.
Motto, motou, motto, zinspreuk: Motto-kisses = ulevellen met deviezen.
Mouch, mautš, rondzwerven; Moucher = vagebond.
Mould, mould, subst. aarde, teelaarde, stof, schimmel, roestvlek, gietvorm, mal; vorm, karakter; Mould verb. met teelaarde bedekken of ophoogen; beschimmelen, schimmelig worden; vormen, modelleeren, gieten, kneden: To contract mould = beschimmelen; I am not fit for society at present, I am covered with blue mould = verboerd; Moulded cheese; Mould-board = strijkbord van een ploeg; Mould-candle = gegoten kaars; Mould-loft, mallenzolder (scheepsb.); Mouldwarp = mol; Moulder, subst. (metaal)gieter; Mould verb. tot stof vergaan, vermolmen, verrotten; Mouldiness = beschimmeldheid; Moulding = vormen, enz.; lijst, fries; Mouldy = beschimmeld, oud: Mouldy cheese.
Mouline(t), mûlin(et), haspel, draaikruis.
Moult, moult, subst. het ruien, verharen, vervellen; de tijd daarvoor; Moult verb. ruien, verharen, vervellen; Moulter = ruiende vogel.
Moultrie, mûtri.
Mound, maund, subst. aardverhooging, wal, graf, heuvel; rijksappel; Mound verb. een wal opwerpen: A mound of papers = een heele hoop papieren.
Mount, maunt, berg, bolwerk, blok (bij het bestijgen van een paard), rijpaard, fiets, karton of monteering (voor teekeningen), signaal om op te stijgen; Mount verb. opstijgen, opklimmen, zich verheffen, oploopen, monteeren, versieren, een paard verschaffen, voeren: Mount Aetna; The sermon on the Mount = de Bergrede; I will go out hunting with you, if you give me a mount = als ge een paard voor mij hebt; All the mounts were strong and serviceable = alle “karren”; I should like to see a little more picture, and a little less mount = en minder lijst; Mount! = opstijgen! (een commando bij de cavalerie); He mounted the breach first = hij was het eerst in de bres; To mount a diamond = zetten; To mount a drawing = opplakken, omlijsten; The soldiers mounted guard = betrokken; The ship mounts twenty guns = voert twintig stukken; To mount a horse = bestijgen; To mount a piece = een tooneelstuk monteeren; To mount the trenches = bezetten; The fare to X. and back mounts up = loopt aan; Mounted police = bereden politie; To be miserably mounted = slechte paarden hebben; Mountable = beklimbaar; Mounting = monteering, montuur, affuit.
Mountain, mauntin, berg (ook fig.), soort Malagawijn: Mountains = gebergte; The Mountain = de Bergpartij (Fransche Revol.); The mountain has produced a mouse = A mountain in labour; If the mountain will not come to Mahomet, M. must go to the mountain; To make mountains of molehills = van eene mug een olifant maken; A mountain is raised off my spirits = er is me een steen van ’t hart gevallen; The waves were mountains high = bergen hoog; Mountain-ash = gewone lijsterbes; Mountain-chain = bergketen; Mountain-crystal = bergkristal; Mountain-dew = Schotsche whiskey; Mountain-pass = pas; Mountain-range = keten; Mountain-soap = bergzeep; Mountaineer, mauntənîə, bergbewoner, bergbeklimmer; Mountaineering = het beklimmen van bergen; Mountainous = bergachtig, berg..., buitengewoon groot.
Mountebank, mountəbaŋk, subst. kwakzalver, marktschreeuwer, bluffer; Mountebank verb. bedriegen.
Mourn, mön, rouwen, treuren, betreuren; Mourner = rouwdrager; Mournful = treurig, droevig; subst. Mournfulness; Mourning, subst. smart, klacht, rouw; They went into (were in, put on, took to; went out of, left off) Mourning = gingen (waren) in; gingen uit den rouw; First (deep), court, second Mourning = zware, hof, lichte rouw; Mourning-brooch = gitten doekspeld; Mourning-coach = rouwkoets; Mourning-establishment = magazijn voor rouwkleeren; Mourning-ring = ring ter herinnering aan een afgestorvene; Mourning-suit = rouwpak.
Mouse, maus, muis: Mouse-colour; Mouse-dung = muizenkeutels; Mouse-hole; Mouse-hunt = muizen-jacht; Mouse-trap = muizenval; souverein (ƒ 12): Parson’s Mouse-trap = huwelijk (ironisch).
Mouse, mauz, muizen vangen, aan stukken scheuren; Our cat is a good mouser.
M(o)ustache, məstâš, snor, knevel.
Mouth, mauth, mond, muil, opening, monding, woordvoerder, grimas, geblaf (aanslaan): An examination by word of mouth = mondeling examen; He was down in the mouth = neerslachtig; To lead a life from hand to mouth = van de hand in den tand leven; To run from mouth to mouth = rondgaan; Your success is in everybody’s mouth = ieder heeft den mond vol van; To give mouth = aanslaan; To keep one’s mouth shut = zwijgen: He laughed on the wrong side of his mouth: Zie Laugh; To make a mouth (mouths) at = gezichten trekken; It makes my mouth water = het doet mij watertanden; I will stop that mouth of his = hem den mond snoeren; Mouth-made = onoprecht, niet van harte; Mouth-organ = mondharmonica; Mouth-piece = sigarenpijpje, mondstuk; woordvoerder, orgaan: Tennyson has become the mouth-piece of our century; Mouth-wash = mondspoeling; Mouthful; Mouthless.
Mouth, maudh, met den mond grijpen, kauwen, eten; met vollen mond of gemaakt spreken, gezichten trekken, schreeuwen: Deep-mouthed = met zware stem, dof; Mouthy = babbelziek, gezwollen.
Movability, mûvəbiliti, subst. v. Movable, mûvəb’l, beweegbaar, veranderlijk: Movables and immovables = roerende en onroerende goederen; subst. Movableness.
Move, mûv, subst. zet (bij schaken, dammen, etc.), maatregel, handeling, daad, beweging; Move verb. bewegen, opwekken, roeren, ontroeren, zetten, aanzetten, overhalen, voorstellen, verhuizen, trekken, vervoeren, gaan naar of naderen: Whose move is it? = wie moet spelen? To know a move or two = To be up to a move or two, To know all the moves on the board = uitgeslapen zijn; The train is on the move = in beweging; The minister moved the Army Estimates = stelde voor de behandeling der; To move into = betrekken; To move off = heengaan, opbreken, aftrekken; Move on, Keep moving! = doorloopen! Moveable = Movable; Moveless = bewegingloos; Movement = beweging, aandoening; omzet; tempo; mechaniek (van uurwerken), stoelgang: Movement cure = heilgymnastiek; Movements = maatregelen; Mover = beweger, voorsteller, oorzaak, bron, drijfveer; Moving = roerend, treffend, aandoenlijk, bewegend: Moving-day = verhuisdag; Moving force (spring); Movingness = roerendheid.
Mow, mou, subst. het in de schuur opgehoopte hooi; ’t koren in schooven; Mow verb. aan hoopen zetten, opstapelen, maaien, hooien: The troops were mowed down by the enemy’s breechloaders = werden weggemaaid; Mower.
Mow, mau, mou, subst. scheef of zuur gezicht; Mow verb. gezichten (een zuur gezicht) trekken.
Mowat(t), mauət, Mowbray, moubri.
Moxa, moksə, moxa of bijvoetwol, een brandmiddel ter genezing van jicht.
Moya, môiə, vulkaanmodder of slib (Zuid-Amer.).
Much, mɐtš, subst. groote hoeveelheid; adj. en adv. veel, zeer: As much = evenveel; He said as much = zoo iets zei hij; I thought as much = dat dacht ik al; As much again = nog eens zooveel; As much as to say = alsof hij zeggen wou; In as much as = voor zooverre; By much taller = veel langer, grooter; He is not much of a soldier = niet veel bijzonders als soldaat; It is not much of a thing = niet veel zaaks; That is too much of a good thing = overdreven veel, al té; Too much of a good thing is good for nothing = overdaad schaadt; Much good may it do you = wel bekome het u (vaak iron.); That is much the same = vrijwel ’t zelfde; His words were much to this effect = kwamen vrijwel hierop neer; He was made much of = hij werd hoogelijk gewaardeerd, erg gevleid of aangehaald; He made much of himself = deed zich erg te goed, gooide zichzelf niet weg; They are much of a muchness = zij hebben vrij veel van elkaar; Our much-beloved friend = veelgeliefde.
Mucific, mjusifik, slijm afscheidend.
Mucilage, mjûsilidž, plantenslijm, slijmerige stof, (vloeibare) gom; Mucilaginous, mjûsiladžinɐs, slijmerig.
Muck, mɐk, mest, drek; iets vuils of verachtelijks; Muck verb. bemesten: It is all muck = het is louter dwaasheid; Muck-cheap = dolgoedkoop; Muck-heap, Muck-hill = mesthoop; Muck-rake = mestvork; Muck-worm = mestworm, vrek; Mucker: To go a mucker = druipen, failliet gaan, mislukken; Muckiness, subst. v. Mucky = vuil.
Mucor, mjûkə, slijm; Mucosity, mjukositi, slijmerigheid; Mucous, mjûkəs, slijmig, slijm...: Mucous membranes = slijmvliezen; Mucus, mjûkəs, slijm.
Mud, mɐd, modder, slijk; Mud verb. (zich) bemodderen, bevuilen: To stick fast in the mud = vast zitten (ook fig.); To throw mud at = met modder gooien (ook fig.); Mud-bath = modderbad; Mud-cart = vuilniskar; Mud-cottage = leemen hut; Mud-dredger = baggermachine; Mud-guards = spatborden; Mud-hole = modderpoel; slijkgat in een stoomketel; Mud-lands = wadden; Mud-lark = vuilnisman. rioolkeerder; jongen die centen, opzettelijk daarin gegooid, uit den modderigen (Theems)oever ophaalt, ook wel: Mud-scraper; Mud-scow = modderpraam; Mudsill = drempel (onderste balk); de arbeidende klasse (Amer.); Mud-wall = leemen muur; Muddiness, subst. v. Muddy, adj. modderig, bemodderd; aardsch, onduidelijk, verward, verdrietig; Muddy verb. troebel maken, bevuilen, verwarren.
Muddie, mɐdi, moesje (voor Mother).
Muddle, mɐd’l, subst. verwarring, poespas, “beroerde” boel; Muddle verb. troebel maken, omroeren, in de war brengen, dronken maken, verknoeien, weggooien, vuil worden, in de war zijn: I will straighten out this muddle = ik zal die (war)boel in orde brengen; He muddled away his property in speculations = verspilde; Let them muddle it out among themselves = laat ze dat onder elkander uit- en goedmaken; He was rather muddled = vrijwat “aangeschoten”; A muddle-headed fellow = sufferig, verward, beneveld.
Mudie, mjûdi: Mudie’s Library.
Muezzin, mjuezin, uitroeper der uren voor het gebed (bij de Mahomedanen).
Muff, mɐf, subst. mof; huls, rol, wals; geknoei, sul; Muff verb. bederven, verknoeien: You muffed it at starting = je bedierf den boel van het begin af; To muff a ball (bilj.); Muff-cap = berenmuts.
Muffetee, mɐfətî, polsmofje.
Muffin, mɐfin, een plat wit rond koekje, dat geroosterd en geboterd wordt; Muffin-cap = platte ronde muts (Mil.); Muffin-faced = met bleek gezicht; Muffineer, mɐfinîə, schotel om de geroosterde Muffins warm te houden; zout- of suikerstrooier.
Muffle, mɐf’l, subst. handschoen (bij ’t boksen), moffel, sourdine; snoet; Muffle verb. warmpjes instoppen, den klank dempen, omfloersen, omwinden (bel of riem), verbergen, blinddoeken, tot zwijgen brengen, mompelen; Muffle-furnace = moffeloven; Muffler (= Muffle), sluier, doek, bokshandschoen, sourdine.
Mufti, mɐfti, Mahom. geleerde, die godsdienstige en jurid. kwesties beslist: Officers in mufti = officieren in politiek; She is a saint in mufti = eene heilige in menschengedaante.
Mug, mɐg, kroes, kopje; smoel; Mug verb. ploeteren, blokken; grimeeren, gezichten trekken: To cut mugs = gezichten trekken; I have got to mug uncommonly hard = buitengewoon veel te ploeteren.
Muggins, mɐginz, een kinderkaartspel, soort dominospel.
Muggy, mɐgi, nat, vochtig; schimmelig; aangeschoten.
Mugwump, mɐgwɐmp, subst. hoofdman; gewichtigdoend persoon; onafhankelijk republikeinschgezinde; adj. gewichtig, onafhankelijk; Mugwump verb. zich onafhank. gedragen, gewichtig doen (Amer.).
Mulatto, mjulatou, mulat; Mulattress.
Mulberry, mɐlb’ri, moerbezie(boom); donker purper.
Mulch, mɐltš, subst. bladaarde (tuinb.); Mulch verb. bedekken met bladaarde.
Mulct, mɐlkt, subst. geldboete; Mulct verb. (met geldboete) straffen: He was mulcted of (in) 10 shillings = beboet voor; Mulctuary, mɐlktjuəri: Mulctuary punishment = geldboete.
Mule, mjûl, muilezel; bastaardvorm, dwarskop; Jennymachine (= Spinning mule); Mule-driver = Muleteer, mjûlətîə, muilezeldrijver; Mulish = koppig, bastaard; subst. Mulishness.
Mull, mɐl, subst. stof, molm; verwarring, mislukking; fijne mousseline; kaap; soort snuifdoos; Mull verb. verwarren, verknoeien, warmen, zoetmaken en kruiden (van wijn); verkruimelen: He made a mull of his affairs = bracht in de war; Mulled wine = soort van bisschop, warme wijn; Muller = ketel voor warmen wijn; wrijfsteen.
Mullagatawny, mɐləgətôni, een met kerrie gekruide soep.
Mulle(i)n, mɐlin, grootbloemige toorts.
Mullet, mɐlət, harder; poon; spoorradje, 5 hoekige ster.
Mulligatawny, mɐligətôni = Mullagatawny.
Mulleygrubs, Mulligrubs, mɐligrɐbz, buikpijn; knorrepot, slecht humeur.
Mullion, mɐlj’n, versierde middenpost in een raam; Mullion verb. verdeelen door Mullions.
Mullock, mɐlək, puin, verwarring, vuil.
Mulready, mɐlredi.
Mulse, mɐls, honigwijn.
Multangular, mɐltangjulə, veelhoekig; subst. Multangularness.
Multifarious, mɐltifêriəs, verscheiden, veelvuldig; subst. Multifariousness.
Multiflorous, mɐltiflôrəs, veelbloemig.
Multiform, mɐltiföm, met veel vormen; subst Multiformity.
Multilateral, mɐltilatər’l, veelzijdig.
Multi-millionaire, mɐltimiljənêə, mɐltimiljənêə, iemand die vele millioenen bezit.
Multinomial, mɐltinoumj’l, uit meer dan drie termen bestaande.
Multiped, mɐltiped, Multipede, mɐltipîd, duizendpoot; adj. veelvoetig.
Multiple, mɐltip’l, adj. veelvoudig; veelvoud: (Least) common multiple = (kleinste) gemeene veelvoud; Multiplex = veelvoudig.
Multiplicand, mɐltiplikand, vermenigvuldigtal; Multiplicate, mɐltiplikit, mɐltiplikit, veelvoudig; Multiplication, mɐltiplikeiš’n, vermenigvuldiging: Multiplication-table = tafel van vermenigvuldiging; Multiplicative = vermenigvuldigend; Multiplicity = menigvuldigheid; Multiplier, mɐltiplaiə, vermenigvuldiger; Multiply, mɐltiplai, (zich) vermenigvuldigen: Multiplying glass, Multiplying lens = glas met tal van facetten, die het voorwerp verveelvoudigen.
Multitude, mɐltitjûd, menigte, groot aantal: The Multitude = “de groote hoop”; Multitudinous = talrijk, veelvuldig.
Multum-in-parvo, mɐlt’minpâvou, veel in een klein bestek.
Mum, mɐm, stil; Mum verb. zwijgen; zich vermommen; subst. zoet, dik bier: As mum as a mouse; To be (keep) mum = zijn mond houden; Mum then! = St.! Mum’s the word! = mondje dicht! Mum-chance = lummel; een kaart of dobbelspel: Am I to sit mum-chance? = moet ik er voor niet (Piet Lut) bijzitten?
Mumble, mɐmb’l, mompelen, prevelen, mummelend kauwen; ook subst. = Mumbler.
Mumbo Jumbo, mɐmboudžɐmbou, boeman; hocus pocus.
Mum(m), mɐm, zich vermommen of maskeeren, komedie spelen; Mummer = gemaskeerde, rondreizende acteur; Mummer worship = overdreven vereering van acteurs; Mummery = pret, maskerade, misleiding; Mumming = maskeradepret, komediespelen.
Mummy, mɐmi, subst. mummie, entwas; maatje; Mummy verb. balsemen: I’ll beat you to a mummy = ik zal je tot mosterd slaan; Mummification, subst. v. Mummify = balsemen, tot mummie maken.
Mump, mɐmp, mompelen, grijnzen, klagend bedelen, bedriegen; Mumper = bedelaar.
Mumpish, mɐmpiš, verdrietig, gemelijk; subst. Mumpishness; Mumps, mɐmps, gemelijkheid; bof (Med.): To be in one’s mumps = uit zijn humeur.
Mumsy, mɐmzi, maatje.
Munch, mɐnš, hoorbaar, voorzichtig kauwen, smakkend eten; Muncher.
Mundane, mɐndein, wereldlijk, aardsch: Mundane pleasures.
Mungo, mɐŋgou, grove wollen stof; slangenwortel.
Mungoose, mɐŋgûs = Mongoose.
Munich, mjûnik, München.
Municipal, mjunisip’l, gemeentelijk: Municipal Corporations Act = Eng. gemeentewet van 1835; Municipal elections = verkiezingen voor den gemeenteraad; Municipal schools; Municipality, mjûnisipaliti, (burgerlijke) gemeente.
Munificence, mjunifisens, mild(dadig)heid; Munificent = milddadig, grootmoedig.
Muniment, mjûniment, versterking, bolwerk (ook fig.); acte, oorkonde; Muniment-room = archief.
Munition, mjuniš’n, krijgsvoorraad: Munition-bread = kommiesbrood.
Munshi, mûnši, tolk, taalgeleerde, secretaris.
Murad, mûrâd.
Mural, mjûr’l, wand..., muur...: Mural crown = gouden kroon voor den Romeinschen soldaat die het eerst den muur beklom.
Murcia, mɐ̂šə.
Murder, mɐ̂də, subst. moord; Murder verb. vermoorden, vernielen, verknoeien: To commit (a) murder = bedrijven; Murder will out = komt altijd aan het licht; The murder is out = het geheim is verklapt, nu weet ge de waarheid; Murderer = moordenaar; Murderess = moordenares, moordenaarster; Murderous = moorddadig, bloedig.
Murex, mjûreks, stekelhorenslak.
Muriatic, mjûriatik, adj. zout...: Muriatic acid = zoutzuur; Muriate: Muriate of ammonia = salmiak; Muriate of soda = keukenzout.
Muricate(d), mjûrikit, mjûrikeitid, stekelig.
Murk, mɐ̂k, subst. duisternis; adj. duister, dreigend, zwart; subst. Murkiness; Murky = donker, duister.
Murmur, mɐ̂mə, subst. gemurmel, gemompel, gemor, gebrom, gesuis, geruisch; Murmur verb. murmelen, mompelen, onduidelijk spreken, in den baard brommen, morren; Murmurer = knorrepot.
Murrain, mɐrən, subst. veepest; mond- en klauwzeer; adj. aan veepest lijdend: A murrain on (to) you, Murrain take you! = krijg de pest!
Murza, mɐ̂zə, erfelijke Tartaarsche adeltitel.
Muscadel, mɐskədel, Muscadine, mɐskəd(a)in, Muscat, mɐskət, Muscatel, mɐskətel, Muscaatwijn, muscaatdruiven, muscadelpeer.
Muscle, mɐs’l, spier, (spier)kracht: Muscled = gespierd.
Muscovado, mɐskəveidou, ongeraffineerde suiker = Muscovado sugar.
Muscovite, mɐskəvait, bewoner van Moskou, Rus; Moscovisch glas; ook adj.; Muscovy.
Muscular, mɐskjulə, gespierd, spier...: Muscular strength = spierkracht; Muscularity = gespierdheid; Musculature, mɐskjələtjə, spierstelsel.
Muse, mjûz, subst. muze, dichtergave, dichtkunst.
Muse, mjûz, subst. gepeins etc; Muse verb. peinzen, nadenken, overwegen, afgetrokken zijn, peinzend kijken naar: To be at (in) a muse = in gepeins verzonken; Mused = beneveld; Muser.
Musette, mjuzet, soort hobo of doedelzak; eenvoudige melodie met begeleiding daarvan.
Museum, mjuzîəm, museum.
Mush, mɐš, gekookte (maïs)meelpap (Amer.).
Mushroom, mɐšrum, subst. (eetbare) paddenstoel; parvenu; parapluie; adj. van paddenstoel..., parvenuachtig; nieuwbakken: Mushroom aristocracy = nieuwbakken adel; Mushroom-ketchup = champignonsaus.
Mushy, mɐši, brijig, week, slap.
Music, mjûzik, muziek, melodie, toonkunst, partituur, harmonie; twist, pret (Amer.): To discourse (to make, to perform) music = maken; To face the music = aan den dans gaan (fig.), gevaar of moeielijkheid trotseeren; To snore like a military music = als een muziekkorps; To set to music = op muziek zetten; Rough music = ketelmuziek; Music-book; Music-desk; Music-governess = leerares in muziek en zang; Music-hall = Specialiteiten Theater, café-chantant; Music-lover; He is music-mad = dol op muziek; Music-master; Music-mistress; Music-paper; Music-seller; Music-shop; Music-stand = muziekstander; muziektent; Music-stool = pianostoeltje; Musical = muzikaal, welluidend, muziek...; Music(al) box = speeldoos; Musical composer = componist; Musical chairs = een bepaald gezelschapsspel; Musical clock = speelklok; Musical glasses = glasharmonica; subst. Musicalness; Musician, mjuziš’n, musicus, toonkunstenaar, muzikant.
Musk, mɐsk, muskus, muskusgeur, muskusdier, muskusplant; Musk verb. met muskus parfumeeren; Musk-apple (Musk-pear) muskadelappel (Muskpeer); Musk-beaver = bisam of beverrat (= Musk-rat); Musk-deer = muskusdier; Musk-rose = muskusroos; Musk-wood = muskushout; Muskiness, subst. v. Musky = muskusachtig.
Musket, mɐskət, (oude) snaphaan: Flintlock musket; Musket-proof = kogelvrij; Musket-rest = bok voor een geweer; Musketeer, mɐskətîə, musketier; Musketry = geweervuur.
Muslin, mɐzlin, subst. mousseline, neteldoek; ook adj.: Muslin de laine = wollen mousseline; Muslinet = grof neteldoek; Musliny.
Musnud, mɐsnɐd, eereplaats (Brit. Ind.).
Musquash, mɐskwoš = Muskrat.
Musrol(e), mɐzroul, neusriem v. een paard.
Muss, mɐs, subst. verwarde toestand; kloppartij; Muss verb. in verwarring brengen (Amer.): They got into a muss over that girl = raakten aan het bakkeleien.
Mussel, mɐs’l, mossel: Mussel-bed.
Mussulman, mɐs’lman, muzelman; adj. Mussulmanish.
Must, mɐst, moet, moest, moeten, moesten.
Must, mɐst, subst. most; kaam; Must verb. (be)schimmelen, muf worden; Mustiness, subst. v. Musty = schimmelig, muf, afgezaagd, zouteloos: A Musty smelling study = muffe studeerkamer.
Mustache, mɐstâš, mustâš; Mustachio, mɐstâšou, mustâšou. Zie Moustache.
Mustang, mustaŋ, wild prairiepaard; Mustanger, mustaŋə, vanger van prairiepaarden.
Mustard, mɐstəd, mosterd: Mustard-blister (Mustard-cataplasm, Mustard-plaster) = mosterdpleister; Mustard-pot; Mustard-seed.
Musteline, mɐstəl(a)in, tot de wezels behoorende; roodbruin.
Muster, mɐstə, subst. wapenschouwing, monstering, stamboek, appèl, verzameling; Muster verb. monsteren, oproepen, revue houden, samenkomen: That can(not) pass muster = dat kan er (niet) door, is (niet) voldoende; He could not muster a shilling = kon geen 60 cent bij elkaar krijgen; To muster into (out of) service = aanmonsteren (afmonsteren); He could not muster up courage enough = hij kon er niet toe komen, bleek geen moed genoeg te bezitten; Muster-book = stamboek (milit.); Muster-roll = monsterrol.