Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 69
Know, nou, kennen, verstaan, weten, begrijpen, vernemen: He knows it like A B C = kent het op zijn duimpje = He knows it from A. to Z.; I do not know how to do this problem = weet niet op te lossen; You know very well what you are about = je weet drommels goed wat je doet; I know him for a clever fellow = ik weet, dat hij is; That man does not know his own mind = weet zelf niet wat hij wil; He knows what is what = heeft z’n weetje, is een gladde kerel; He does not know which is which = kan personen of zaken niet van elkaar onderscheiden; I never knew him do it = ik heb het hem nooit zien doen, van hem bijgewoond; I will make you know better in future = ik zal wel zorgen, dat ge het later beter weet; Know-all = weetal; Know-nothing = weetniet; Knowable = kenbaar; subst. Knowableness; Knowing = glad, slim: He is a knowing one = gewikst; There is no knowing what he may do next = men kan niet weten, wat hij nu weer zal doen; subst. Knowingness; Knowledge, nolədž, kennis, wetenschap, geleerdheid: He has not gone there, to my knowing = voor zoover ik weet; Knowing is power = kennis is macht; Knowing-box = kop.
Knowles, noulz; Knox, noks.
Knub(ble), nɐb(’l), knopje; Knub verb. onhandig omgaan met, slordig inpakken.
Knuckle, nɐk’l, subst. knokkel, kniegewricht (van een kalf), schenkel; Knuckle verb. de vingers buigen, met de knokkels slaan: To rap a person’s knuckles = op de vingers tikken; I am not going to knuckle under (down) = wil niet toegeven, mij onderwerpen; Knuckle-bone = knokkel, bikkel(spel); Knuckle-duster = boksijzer; Knuckle-joint.
Knurl, nɐ̂(l), knoest, knobbel, knoop; dwerg; Knurled = Knurlly.
Knutsford, nɐtšfəd.
Kobold, koubould, kabouter.
Koba, kobə, soort van antilope (Midden-Afrika).
Kodak, koudak, klein photographie-toestel; ook verb.
Koff, kof, kofschip.
Koh-i-noor, kouhinûə.
Koodoo, kûdû, Z.-Afr. antiloop.
Kopeck, koupek, kopeke.
Kopje, kopjə, kopje, heuvel (Z.-Afrika).
Koran, kôr’n, kərân, koran.
Kosher, koušə, koscher.
Koul, koul, belofte, contract (Brit. Ind.).
Kourbash (Koorbash), kûəbaš, subst. zweep van hippopotamushuid; Kourbash verb. met de kourbash slaan of martelen.
Ko(w)-tow, kətau, Kotoo, kətû, subst. diepe buiging, lage vleierij; Ko(w)-tow verb. diep neerbuigen, verachtelijk vleien: They kow-towed to her on account of her reputation.
Kraal, krâl, krôl, kraal (in Z.-Afrika); Kraal verb. vee in de kraal drijven.
Kraken, krâk’n, kreik’n, fabelachtig zeemonster bij de kust van Noorwegen.
Krakow, kreikou.
Krang, kraŋ, geraamte van een walvisch na wegneming van het spek.
Kransick, kransik, gek, krankzinnig (Transvaal).
Krishna, krišnə, Krischna, achtste incarnatie v. Vischnu.
Kruller, krɐlə, in vet gekookt krulkoekje.
Kudos, kjûdos, roem, eer; Kudos verb. roemen.
Kukri, kukri, gekromd mes (Brit. Ind.).
Kurd, kûəd, Kurdish; Kurdistan.
Kuril, kûril, pijl-stormvogel.
Kurile, k(j)urîl: Kurile Islands.
Kyley, kaili, boomerang (Austr.).
Kyrie eleison, kairiî elaison, Heer, erbarm u! het kyrie (eerste woorden van dat gedeelte der Mis, dat op den introïtus volgt).
L.
L, el; L = 50; L(iber) = boek; L(ibra) = pond, ook Lb; Lat(in); L(ord) C(hamberlain of Chancellor); L(egis) C(ivilis) D(octor) = Dr. in het burgerl. recht; L(ady) D(ay) = Maria Boodschap; L(ord) C(hief) J(ustice); Lex(icon); Ld = Lord; Lieut(enant) = Luitenant; Lib(rary); Liq(uor); Lit(erarum) D(octor); L. L. D. = Legum Doctor = in de beide rechten; Long(itude) = geograph. lengte; L(ord) L(ieutenant of) I(reland); Lon(don); Loq(uitur) = hij (zij) spreekt; L(ordshi)p; L(ord) P(rovost); L(eft) S(ide); L(ibrae), S(olidi), d(enari) = pounds, shillings, pence.
La, lâ, lô, hè, kijk, zie!
La, lâ, la (noot).
Laager, lâgə, laager; Laager verb. een laager vormen (Z.-Afr.).
Labarum, labərɐm, labarum, standaard van Konstantijn den Groote, waarop het monogram van den Griekschen naam van Christus; banier, devies.
Labefaction, labifakš’n, achteruitgang, verval.
Label, leib’l, subst. etiket, lijstwerk boven deur of venster, codicil; Label verb. een etiket hechten aan, classificeeren: Enamelled labels = naambordjes (v. straten); Silver labels schildjes (op flesschen).
Labial, leibj’l, tot de lippen behoorende of er mede gevormd, lip - -; subst. lipletter; Labiate, leibjit, lipvormig, gelipt; subst. lipbloemige plant; Labio-dental, leibjədent’l, subst. eene door lip en tanden gevormde letter, als f en v; adj. gevormd door lip en tanden.
Laboratory, labərətori, laboratorium, werkplaats; Laboratory-man = vuurwerker.
Laborious, ləbôriəs, werkzaam, ijverig, moeilijk, vermoeiend; subst. Laboriousness.
Labour, leibə, subst. arbeid, werk, barensweeën, pijn, arbeidersbevolking van een land; Labour verb. arbeiden, zich inspannen, zwoegen, werken (van een schip), bewerken: To lose one’s labour = zich te vergeefs inspannen; I do not wish to labour that point = in ’t bijzonder te behandelen; He labourd under difficulties = hij had met moeilijkheden te kampen; They were labouring under an illness (a complaint) = laboreerden aan eene ziekte (kwaal); To labour under a mistake = in dwaling verkeeren; A labour of love = liefdedienst; Labour-member = werkman lid van het Parlement; Labour-pains = weeën; Labour-party = arbeiderspartij; Independent Labour-party = de socialistische groep van de Labour-party; Labour-registry = arbeidersbeurs; Labour-saving = (handen)arbeid besparend; Laboured = onnatuurlijk, niet vrij, al te veel kunst verradend; zorgvuldig uitgewerkt; Labourer = arbeider: Skilled and unskilled labourers = bekwame en geen vak verstaande arbeiders; A labouring-man = landbouwer, losse arbeider.
Labrador, labrədö.
Laburnum, ləbɐ̂n’m, gewone goudenregen.
Labyrinth, labirinth, labyrint (ook fig.), doolhof; Labyrinthal, labirinthəl = Labyrinthian, labirinthiən = Labyrinthic(al), labirinthik(’l), als een doolhof, verward; Labyrinthiform, labirinthiföm, labyrintvormig; Labyrinthine, labirinth(a)in, als een doolhof, verward.
Lac, lak, lak; honderdduizend ropijen (Eng. Indië): in de laatste bet. ook lakh gespeld; Lac-dye, Lac-lake = schilderslak om rood te verven.
Laccadive Islands, lakədaiv ailəndz = Laccadives = de Lakkadiven.
Lace, leis, subst. kant, snoer, rijgveter, galon, strik; Lace verb. vastmaken, rijgen, met galon versieren; afranselen, sterke dranken voegen bij: Without lace = (koffie) zonder cognac, sterken drank of likeur; Lace-bark = lagette of kantstruik; Lace-bobbin = kantklos; Lace-cushion; Lace-maker = kant- of passementwerker; Lace-man (Lace-woman) = kantverkooper(-ster), of -werk(st)er; Lace-trimming = kanten belegsel; Lace-winged = netvleugelig; Lacing, leisiŋ, boordsel, veter, rijgen, pak slaag.
Lacedaemon, lasidîm’n, Lacedemonië; Lacedaemonian, lasidimounj’n, Lacedemoniër, Lacedemonisch.
Lacerate, lasəreit, (ver)scheuren, wonden, folteren; subst. Laceration.
Lacerta, ləsɐ̂tə, gewone of groene hagedis; Lacertian, ləsɐ̂š’n, hagedisachtig, hagedis...; subst. hagedis.
Laches, lašiz, nalatigheid.
Lachesis, lakəsis, eene der drie schikgodinnen; Brazil. ruitslang.
Lac(h)rymal, lakrim’l, traan..: The lac(h)rymal glands = de traanklieren; Lachrymose, lakrimous, somber, droevig, tranen stortend.
Lack, lak, subst. gebrek, behoefte; verwijt; Lack verb, gebrek hebben aan, behoeven; berispen: John Lackland = Jan Zonder Land; Lack-all = wien het aan alles ontbreekt; Lack-lustre = glansloos, somber.
Lack, lak: Good Lack! = jeminiejoosje; Lack-a-day! = helaas!
Lackadaisical, lakədeizik’l, sentimenteel, geaffecteerd.
Lackey, laki, subst. lakei; slaafsch volgeling of dienaar; Lackey verb. als lakei dienen, slaafs dienen.
Laconia, ləkounjə; Laconian.
Laconic(al), ləkonik(’l), laconiek, droog, kort, bondig; Laconicism, ləkonisizm, Laconism, lakənizm, korte en bondige uitdrukking of spreekwijze.
Lacquer, lakə, subst. vernis, lak (vooral Jap. en Chin.); Lacquer verb. vernissen, verlakken: Good form, or at all events lacquered with the veneer thereof = met beschaafde vormen of in elk geval een vernisje er van.
Lacrosse, lakros, soort balspel (Canada).
Lactation, lakteiš’n, melkvorming, het zoogen, zoogtjjd; Lacteal, laktiəl, melkhoudend, melk - -: Lactation fever; Lactation vessels = lymphvaten = Lacteals, laktiəlz; Lactescent, laktes’nt, melkachtig, melksap voortbrengend; Lactic, laktik, melk..: Lactic acid = melkzuur; Lactic fermentation = het zuurworden der melk; Lactometer = melkweger; Lactose, laktous, melksuiker.
Lacuna, ləkjûnə, gaping, hiaat, kuiltje; Lacunal = met gapingen = Lacunar.
Lad, lad, jongeling, jonge man, kameraad.
Ladder, ladə, ladder, scheepstrap, touwladder: He soon got to the top of the ladder = hij bereikte spoedig de hoogste sport (fig.); He got his foot into the ladder = kreeg zijn voet in den stijgbeugel; He can’t see a hole through a ladder = hij kan geen steek meer zien.
Laddie, Laddy, ladi, jongen.
Lade, leid, laden, scheppen (van water, etc.); Lading = het laden, lading: Bill of lading = vrachtbrief.
Ladle, leid’l, subst. pollepel, gietlepel, schepbord, schoep van een molenrad, laadlepel; Ladle verb. met een grooten lepel opscheppen, toedienen (out): Paying ladle = piklepel; Ladleful.
Ladrone, lədroun, dief, schurk; Ladrones, lədrounz, Dieveneilanden.
Lady, leidi, (voorname) dame, gemalin, vrouw van een knight of baronet, dochter v. een hoogadelijke, mevrouw, vrouw, liefje, teef; ook adj.; Our Lady = Onze Lieve Vrouwe; How is your (good) lady? = hoe vaart je vrouw? The old lady = mijn oudje; Old Lady of Threadneedle Street = de Bank van Engeland; Lady author = schrijfster; Lady-bird = pijlstaart; ook lievenheersbeestje = Lady-bug; Lady-chapel = kapel aan de Maagd Maria gewijd; Lady-day = Maria Boodschap (25 Maart); Lady friend = vriendin; Lady-help = hulp der huisvrouw; Lady-killer = adonis, veroveraar; Lady-love = geliefde; Lady’s-companion = werktaschje, necessaire; chaperon; Lady’s-smock = pinksterbloem; Lady’s-tresses = draaisteel; We carried her in the fashion they call ladies’ cushion = op onze ineengevouwen handen; Ladyish = als een dame; Ladyism = manieren van eene dame; Ladykin (gew. Lakin, leikin) = Onze Lieve Vrouwe; Ladylike = als eene dame, kiesch, vrouwelijk, verwijfd; Ladyship = rang of titel van eene Lady: Your Ladyship = Mevrouw.
Laertes, ləɐ̂tîz.
Lag, lag, adj. langzaam, dralend, laat, achteraankomend; Lag verb. dralen, treuzelen, achterblijven (behind); deporteeren, gevangen zetten, pakken; subst. vertraging; gedeporteerde, boef; Laggard = subst. draler, talmer; adj. langzaam, achterlijk, treuzelig.
Lagoon, ləgûn, lagune; Lagoon-reef = koraalrif.
Lahore, lahö.
Lagrimando, lagrimandou: Lagrimoso, lagrimousou, plechtig, klagend (muz.).
Laic, leiik, leeken...; subst. leek; Laicization = secularisatie; Laicize = seculariseeren.
Laid, leid, P. Imp. en P.P. van To lay: Laid paper = papier met waterlijnen.
Lain, lein, part. perf. van to lie = liggen.
Lair, lêə, leger (van een wild dier); bodemvuil.
Laird, lêəd, grondbezitter (Schotl.), landheer.
Laity, lei(i)ti, de leeken.
Lake, leik, meer; soort lak: Lake Leman (lîm’n) = het Meer van Genève = The Lake of Geneva; Lake-dwellers = bewoners van een paalwoning = Lake-dwelling; Lake School = de dichterschool van Wordsworth, Coleridge en Southey; Lake-settlement = verzameling van paalwoningen; Lakelet = meertje; Laker = Lakist = dichter uit de Lake School.
Lakh, lak, lâk = Lac.
Lallation, laleiš’n, spraakgebrek, waarbij de r als l wordt uitgesproken.
Lam, lam, ranselen: He went on lamming into his men.
Lama, lâmə, Lama priester; Lamaism, lâməizm; Lamasery, lâməsəri, lamâsəri, Lamaklooster.
Lamb, lam, subst. lam, lamsvleesch; Lamb verb. lammeren werpen; plukken (fig.): To lamb down = de wacht houden bij schapen in den lammerentijd (Austr.); Lamb-ale = feestelijkheid bij het scheren der schapen; Lambskin = lamsvel; Lamb’s-wool = lamswol; bier met suiker, notenmuskaat en gebraden appelen; Lambkin = lammetje, lieveling; Lamblike = zacht als een lam.
Lambency, lamb’nsi, lekken van vlammen, stralen, oppervlakkigheid; Lambent, lamb’nt, spelend, lekkend; stralend, vluchtig.
Lambrequin, lambəkin, helmkleed, dat op wapens helm en schild omfladdert; draperie boven aan een venster.
Lame, leim, adj. kreupel, verminkt, hortend, onvolkomen, gebrekkig; Lame verb. kreupel maken, verminken, verlammen; Lame-duck = wanbetalend beursspeculant; To help lame dogs over stiles = zwakke broeders een handje helpen; Lameness, kreupelheid, verlamming, zwakheid.
Lamella, ləmelə, lamelle, dun blaadje metaal, schilfer; Lamellar, lamələ, ləmelə, schilferig; Lamellate(d), laməlit, laməleitid, uit dunne platen of schilfers bestaande; Lamelliform = schilferachtig.
Lament, ləment, subst. weeklacht; Lament verb. betreuren, weeklagen; Lamentable, laməntəbl, jammerlijk, betreurenswaardig, treurig; Lamentation = weeklacht, jammerklacht: The Lamentations of Jeremiah = Klaagliederen van Jeremia; Lamented = zaliger.
Lametta, ləmetə, dun, onecht goud- of zilverdraad.
Lamia, leimjə, booze geest in den vorm eener slang met vrouwenhoofd; heks, toovenares.
Lamina, laminə, dunne plaat, schubje, blaadje; Laminable = tot dunne platen pletbaar; Laminal = Laminar = uit dunne plaatjes bestaande; Laminate, lamineit, pletten, met dunne plaatjes overtrekken; Laminated = schilferig = Laminate, laminit.
Lammas, laməs, 1 Augustus: At latter Lammas = met St. Juttemis, als de kalveren op het ijs dansen; Lammas-day (Lammas-tide) = St. Pieter (1 Aug.); Lammas Eve = 31 Juli.
Lamp, lamp, lamp, licht: To smell of the lamp = naar de lamp rieken; Lamp-black = lampzwart; Lamp-burner = brander; Lamp-light = lamplicht; Lamp-lighter = lantaarnopsteker; fidibus; Lamp-maker = lampenfabrikant; Lamp-mat; Lamp-post = lantarenpaal; Lamp-shade = kap; Lampion, lampj’n = illumineerglaasje.
Lampoon, lampûn, subst. schotschrift; Lampoon verb. schotschriften schrijven; Lampooner; Lampoonery.
Lamprey, lampri, lamprei.
Lanark, lanək; Lanarkshire.
Lanate(d), leinit(id), wollig, zacht.
Lancashire, laŋkəšə; Lancaster, laŋkəstə; Lancashireian, laŋkəstîriən: Lancashire system = stelsel van Joseph Lancaster, waarbij de zwakkere leerlingen door de vluggere (monitors) worden onderwezen; Lancastrian, laŋkastriən, partijganger van Hendrik VI van Lancaster.
Lance, lâns, subst. speer, lans; lansier, wilde; Lance verb, met eene lans doorsteken, met een lancet openen: With lance in rest = met gevelde lans; Lance-corporal = korporaal titulair; Lance-flag = vaantje: Lance-head = spits; Lanceolate(d), lânsiəlit, lânsiəleitid, lancetvormig; Lancer = lansier; Lancers = “quadrille des lanciers”.
Lancelot, lânsəlot.
Lancet, lansət, lancet; Lancet-arch = spitsboog; Lancet-fish = lancetdrager (visch); Lancet-window = Gothisch venster.
Lancinating, lansineitiŋ: Lancinating pain = scherpe, snijdende, vlijmende.
Land, land, subst. land, landstreek, grond, natie, landerijen; Land verb. landen, aan land brengen, lossen, ophalen: By land = te land; Land o’ Cakes = Schotland; Land of the leal = verblijf der zaligen; Land of Promise = Land der Belofte; To lay the land = het land uit het gezicht verliezen; To make the land = in het gezicht krijgen; To set the land = het land peilen; The cape shut in the land = door de kaap was het land niet te zien; To sight the land = in ’t gezicht krijgen; The land was looming = in de verte doemde land op; I want to see how the land lies = ik wil poolshoogte nemen; I landed him for ten pounds = kreeg van hem los; He lands himself in all kinds of difficulties = brengt zichzelf; I landed a splendid fish = haalde op; Land-agent = rentmeester; Land-bank = hypotheekbank (Amer.); By Land-carriage = per as; Land-crabs = landkrabben (ook fig.); Landfall = grondafschuiving; nadering of in het gezicht krijgen van het land, eerste land, dat men na een zeereis in ’t gezicht krijgt; Land-flood = overstrooming; Land-force = landmacht; Land-grabber = iemand die op onwettige wijze land in bezit neemt; iemand in Ierland, die land huurt, waaruit een ander met geweld gezet werd; Land-grave = landgraaf; Land-graviate, landgraafschap; Land-gravine = vrouw van een landgraaf; Land-holder = grondbezitter; Land-jobber = landerijenspeculant; Landlady = kostjuffrouw, waardin; Land-league = in 1879 gevormd en in 1881 door de regeering verboden bondgenootschap van huurders tegen de landeigenaren (Ierland); Land-leaguer = lid van de land-league; A land-locked bay = rondom door land ingesloten baai; Land-loper = vagebond; landrot (fig.); Landlord = huisbaas, waard; Landlordism = de maatregelen der landeigenaren (als één lichaam) tegenover hunne huurders; Land-lubber = landrot (fig.); Landman = landrot; pachter; Landmark = grenspaal, baken, gewichtig tijdpunt; Land-measuring = het landmeten; Landowner = grondbezitter; Land-rail = wachtelkoning, spriet; Land-rat = landrot; Land-rent = landrente; Land-reeve = onder-rentmeester; Land-roll(er) = zware rol, om aardkluiten te breken; Landscape = landschap; Landscape-gardening = de kunst van tuinen en parken aanleggen; Land-scrip = bewijs van landaankoop van den staat (Amer.); Land-shark = straatroover, uitzuiger, advocaat; Land-side = de platte zijde van den ploeg; Land-slide, Landslip = grondafschuiving, de afgeschoven grond; Landsman = landkrab, landrot (fig.); Land-steward = rentmeester; Land-surveying = landmeten; Land-surveyor = landmeter; Land-tax = grondbelasting; Land-warrant = Land-scrip; Landed: Landed estate (= Landed property) = grondbezit; The landed gentry = landadel; Landing = het aanlanden, landingsplaats, pier, werf, perron (Amer.); bordes: Landing-net = klein net om gehengelde visch aan land te krijgen; Landing-place = landingsplaats; Landing-surveyor = opziener over de; Landing-waiters = kommiezen, toezicht houdend bij het lossen van schepen; Landward = landwaarts.
Landau, landô, landauer; Landaulet, landôlet, kleine landauer.
Lane, lein, nauwe weg of pad tusschen heggen, struiken, etc., of twee rijen menschen door, vaargeul tusschen ijsvelden, nauwe straat, steeg: The Lane = Drury Lane = een schouwburg in Londen; It is a long lane that has no turning = aan alles komt een einde.
Langate, langit, rol verbandlinnen.
Langham, laŋəm; Langholm, laŋəm.
Langrage, laŋgridž, Langrel, laŋgr’l, kartetskogel.
Langsyne, laŋsain, lang geleden (Schotl.); vroegere tijd.
Language, laŋgwidž, taal, spraak, stijl: He used bad language = hij vloekte, etc; Language-master = taalonderwijzer.
Languid, laŋgwid, kwijnend, zwak, traag, langzaam; subst. Languidness; Languish, laŋgwiš, verb. kwijnen, versmachten, verslappen, achteruitgaan, kwijnend of teeder kijken, smachten naar; subst. Languishment; Languor, laŋg(w)ə, matheid, dofheid, slapheid, verlangen, zwoelte; Languorous = Languid.
Laniard, lanjəd = Lanyard.
Laniary, leinjəri, subst. hondstand; adj. verscheurend.
Lanigerous, lənidžərɐs, woldragend, wollig.
Lank, laŋk, adj. dun, schraal en lang, slap, los, sluik; subst. Lankness; adj. Lanky.
Lanner, lanə, worgvalk; Lanneret = het mannetje.
Lansquenet, lanskənet, lansknecht; kaartspel.
Lantern, lantən, subst. lantaren; Lantern verb. van lantarens voorzien, aan een lantaarn ophangen: Chinese lantern = lampion; Dark lantern = dievenlantaarn; Magic lantern = tooverlantaarn; Feast of lanterns = feest in China op den eersten van iedere maand; He was lynched and lanterned; Lantern-fly = lantaarndrager (insect); Lantern-jawed = met lang en mager gezicht; Lantern lecture = lezing met lichtbeelden; Lantern-wheel = lantaarnrad of schijfloop.
Lanyard, lanjəd, taliereep.
Laocoön, laokəon; Laodicean, leiədisîən, tot Laodicea, leiədisîə, (in Phrygië) behoorende; lauw in godsdienstige dingen.
Lap, lap, subst. pand (van een kleed), schoot, overstekende kant, voorsprong, vouw; polijstschijf; ronde (bij een wedstrijd); likken, oplikken, kabbelen; slappe drank; Lap verb. vouwen, omleggen, wikkelen, “lappen” (sportt.); (op)likken, kabbelen, bespoelen, polijsten: To make a lap = een schoot maken; Lapped in luxury = badend in weelde; Lap-dog = schoothondje; Lap-stone = klopsteen (van een schoenmaker); Lap-work = werk, waarbij hot eene gedeelte over het andere gelegd is; Lapful; Lapper = vouwer, polijster, likker, zuiper.
Lapel, ləpel, lapel (v. eene jas): A lapelled coat.
Lapidary, lapidəri, tot het steensnijden behoorend, in steen gesneden, steen - -; bondig; subst. steensnijder: Lapidary style = bondige.
Lapidate, lapideit, steenigen; Lapidation = steeniging; Lapidification = versteening; Lapidify = versteenen.
Lapillus, ləpiləs, mv. Lapilli, ləpilai, vulcanische slakkensteen.
Lapis, lapis, leipis, steen: Lapis infernalis = helsche steen; Lapis pumex = puimsteen.
Lapland(er), lapland(ə), Lapland(er), ook kortweg Lap(p); adj. Lappic = Lappish.
Lappet, lapət, slip, pand, loshangend deel van kapsel of muts: Cap lappet = oorlap (v. eene muts, etc.)
Lapsable, lapsəb’l, wat vervallen kan; Lapse, laps, subst. val, loop, verloop, fout, vergissing, plichtverzuim, afdwaling, afval; zondenval, vervallen; Lapse verb. vallen, glijden, glippen, voortglijden, verloopen, dwalen, den plicht verzuimen, afvallen, vervallen: That is a lapsed legacy = vervallen legaat; Lapsed proposals; Lapsus = vergissing, fout.
Laputa, ləpjûtə, adj. Laputan.
Lapwing, lapwiŋ, kievit.
Lar, lâ (Mv. Lares, lârîz), huisgod (bij de Romeinen).
Larboard, lâböd, labəd, bakboord (linkerzijde).
Larcener, lâsənə, Larcenist, lâsənist, dief; Larcenous, lâsənɐs, diefachtig; Larceny, lâsəni, diefstal: He was accused of a simple larceny = van eenvoudigen diefstal.
Larch, lâtš, lorkenboom.
Lard, lâd, subst. varkensreuzel; Lard verb. lardeeren, met vet bedruppelen, mengen; Lardaceous, lâdeišəs, spekkig = Lardy.
Larder, lâdə, provisiekamer (—kast), mondvoorraad.
Lardy-dardy, lâdi-dâdi, blasé, fatterig.
Large, lâdž, ruim, groot, breed, omvangrijk, overvloedig, veelomvattend, edel, pocherig: Large conscience = ruim; As large as life = levensgroot; To be in a large way (of business) = groote zaken doen; Christendom at large = in ’t algemeen; A convict at large = ontvlucht gevangene; A gentleman at large = die zijn eigen baas is; The public at large = het groote publiek; The prisoners were (set) at large = waren (werden) vrijgelaten; To talk at large = er maar op los; They are not tolerated at large = mogen zich niet vrijelijk buitenshuis bewegen; The ship went (sailed) large = zeilde voor den wind; Large-boned = pootig; Large-handed = hebzuchtig; overdreven mild, verkwistend; Large-hearted = grootmoedig; Large-minded person = met ruimen blik; grootmoedig; subst. Large-mindedness; Largen = groeien, vergrooten; Largeness = grootte, uitgestrektheid, grootheid.
Largess(e), lâdžəs, rijk geschenk, gave: To cry largess(e) = om een geschenk vragen (wat door den minstreel werd gedaan).
Larghetto, lâgetou, Largo, lâgou, langzaam (muz.).
Largish, lâdžiš, vrij groot.
Lariat, lariət, subst. pikettouw, lasso; Lariat verb. met een lariat vangen.
Lark, lâk, subst. leeuwerik, pretje, “lolletje”; Lark verb. leeuweriken vangen; pret maken, streken uithalen, voor den gek houden: A lark is better than a kite = iets is beter dan niets; I am up to a lark = heb wel zin in een lolletje; If the sky falls we shall catch larks (there will be catching of larks) = als de hemel valt hebben we allen eene blauwe slaapmuts op; Don’t make a lark of me = houd me niet voor den gek; Larkspur = ridderspoor; Larker = grappenmaker; Larkish = Larksome = Larky = van pret houdend, lustig.
Larrikin, larikin, subst. vagebond, ruwe klant; Larrikinism = herrie, baldadigheid (Australië).
Larrup, larəp, afranselen.
Larva, lâvə, larve of pop; Larval = tot eene larve behoorende; Larvate(d), lâvit(id), verpopt; Larviporous, lâvipərɐs, larven voortbrengend.
Laryngeal, lərindžiəl, larindžîəl, Laryngean, lərindžiən, larinžîən, strottenhoofd..; Laryngitis, larindžaitis, ontsteking van de larynx; Laryngoscope, ləriŋgəskoup, keelspiegel; Laryngoscopy = onderzoek met een keelspiegel; Larynx, lariŋks, luchtpijp, strottenhoofd.
Lascar, laskə, laskâ, Laskaar, Brit.-Ind. matroos op Europeesche schepen.
Lascelles, ləselz.