Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 142

Chapter 1422,912 wordsPublic domain

Unreplenished, ɐnripleništ, onaangevuld.

Unrepresented, ɐnreprizentid, niet vertegenwoordigd, onopgevoerd.

Unreprovable, ɐnriprûvəb’l, onberispelijk: Unreproved = onberispt.

Unrequested, ɐnrikwestid, ongevraagd.

Unrequitable, ɐnrikwaitəb’l, niet te vergelden; Unrequited = onvergolden, onbeantwoord.

Unresented, ɐnrizentid, niet kwalijk genomen, ongewroken.

Unreserve, ɐnrizɐ̂v, vrijmoedigheid, ongedwongenheid: Unreserved = openhartig, vrijmoedig, onbeperkt, volledig; subst. Unreservedness.

Unresigned, ɐnrizaind, niet gelaten.

Unresisted, ɐnrizistid, niet weerstaan; Unresisting = zonder weerstand te bieden.

Unresolved, ɐnrizolvd, onopgelost; Unresolving, besluiteloos.

Unresponsive, ɐnrisponsiv, onhartelijk.

Unrest, ɐnrest, onrust, ongerustheid; Unresting = rusteloos, onophoudelijk.

Unrestored, ɐnristöd, niet hersteld.

Unrestrained, ɐnristreind, onbeteugeld, bandeloos; Unrestricted = onbeperkt.

Unretracted, ɐnritraktid, onherroepen.

Unrevealed, ɐnrivîld, ongeopenbaard.

Unreversed, ɐnrivɐ̂st, onherroepen = Unrevoked, ɐnrivoukt.

Unriddle, ɐnrid’l, oplossen, verklaren.

Unrideable, ɐnraidəb’l, onberijdbaar.

Unrig, ɐnrig, aftakelen, uitkleeden.

Unrighteous, ɐnraitjəs, onrechtvaardig, zondig; subst. Unrighteousness.

Unrip, ɐnrip, opensnijden.

Unripe, ɐnraip, onrijp; Unripened = niet gerijpt; subst. Unripeness.

Unrival(l)ed, ɐnraiv’ld, ongeëvenaard.

Unrobe, ɐnroub, (zich) uitkleeden.

Unroll, ɐnroul, afrollen, ontplooien, loskronkelen.

Unromantic, ɐnrəmantik, niet romantisch.

Unroof, ɐnrûf, het dak wegnemen.

Unroot, ɐnrût, ontwortelen.

Unround, ɐnraund, verb. ontronden (van vokalen): Unrounded = niet gerond.

Unruffled, ɐnrɐf’ld, kalm, bedaard.

Unruliness, ɐnrûlinəs, subst. v. Unruly, ɐnrûli, toomeloos, bandeloos, uitgelaten, lastig.

Unsaddle, ɐnsad’l, ontzadelen.

Unsafe, ɐnseif, onveilig, gewaagd; subst. Unsafeness.

Unsaid, ɐnsed, ongesproken, niet gezegd.

Unsal(e)able, ɐnseiləb’l, onverkoopbaar.

Unsalted, ɐnsôltid, ongezouten, versch.

Unsanctified, ɐnsaŋktifaid, onheilig, ongewijd.

Unsanctioned, ɐnsaŋkš’nd, niet bekrachtigd.

Unsatiable, ɐnseišəb’l, onverzadelijk; Unsatiating, ɐnseišeitiŋ, niet te verzadigen.

Unsatisfactoriness, ɐnsatisfaktərinəs, subst. v. Unsatisfactory, ɐnsatisfaktəri, onvoldoende, onbevredigend; Unsatisfied = onvoldaan, ontevreden, niet overtuigd, onbevredigd; Unsatisfying = onvoldoende.

Unsaturated, ɐnsatjureitid, niet verzadigd.

Unsavouriness, ɐnseivərinəs, subst. v. Unsavoury, ɐnseivəri, onsmakelijk, walgelijk, smakeloos.

Unsay, ɐnsei, herroepen, intrekken: To say and unsay = nu eens ja, dan weer neen zeggen.

Unscalable, ɐnskeiləb’l, onbeklimbaar.

Unscared, ɐnskêəd, niet verschrikt.

Unscarred, ɐnskâd, zonder litteeken(s).

Unscathed, ɐnskeidhd, ɐnskeitht, ongedeerd.

Unschooled, ɐnskûld, ongeletterd, ongeoefend.

Unscientific, ɐnsaiəntifik, onwetenschappelijk.

Unscorched, ɐnskötšt, niet geschroeid.

Unscreened, ɐnskrînd, onbeschut, niet gezeefd.

Unscrew, ɐnskrû, losschroeven.

Unscriptural, ɐnskriptjur’l, niet naar de Schrift.

Unscrupulous, ɐnskrûpjulɐs, gewetenloos; subst. Unscrupulousness.

Unseal, ɐnsîl, ontzegelen, openen: Unsealed = ongezegeld, ontzegeld.

Unsearchable, ɐnsɐ̂tšəb’l, onnaspeurlijk; subst. Unsearchableness; Unsearched = niet onderzocht.

Unseasonable, ɐnsîzənəb’l, ontijdig, niet van pas, ongelegen, ongeschikt: At an unseasonable time of night = laat in den nacht; subst. Unseasonableness; Unseasoned = niet toebereid, niet gekruid, niet geacclimatiseerd, onervaren, ongewend: Unseasoned deal = niet uitgedroogd vuren(grenen)hout.

Unseat, ɐnsît, van het paard werpen, van eene plaats (in het Lagerhuis) berooven.

Unseaworthiness, ɐnsîwɐ̂dhinəs, subst. v. Unseaworthy, ɐnsîwɐ̂dhi, niet zeewaardig.

Unseconded, ɐnsek’ndid, niet ondersteund.

Unsectarian, ɐnsektêriən, neutraal.

Unseemliness, ɐnsîmlinəs, subst. v. Unseemly, ɐnsîmli, onbetamelijk, ongepast.

Unseen, ɐnsîn, ongezien, onzichtbaar: The Unseen = geestenwereld, hiernamaals; Latin Unseens = à vue vertalingen.

Unselfish, ɐnselfiš, onbaatzuchtig; subst. Unselfishness.

Unsent, ɐnsent, ongezonden: Unsent for = ongenood, ongevraagd.

Unsepulch(e)red, ɐnsep’lkəd, onbegraven.

Unserved, ɐnsɐ̂vd, niet (op)gediend; Unserviceable, ɐnsɐ̂visəb’l, ondienstig, onbruikbaar.

Unset, ɐnset, niet geplaatst (gezet, geplant, ondergegaan).

Unsettle, ɐnset’l, doen weifelen, uit de voegen of uit het verband rukken, schokken: Your tidings have unsettled me = mij van streek gebracht; Unsettled = niet geregeld, onzeker, troebel, veranderlijk, weifelend, onbetaald.

Unsex, ɐnseks: Ambition has unsexd her = haar het (zacht-)vrouwelijke ontnomen; To Unsex oneself = zich emancipeeren.

Unshackle, ɐnšak’l, ontkluisteren.

Unshaded, ɐnšeidid, onbeschaduwd, zonder schaduw = Unshadowed, ɐnšadoud.

Unshak(e)able, ɐnšeikəb’l, onwrikbaar; Unshaken, ɐnšeik’n, onverwrikt.

Unshapely, ɐnšeipli, wanstaltig.

Unsheath(e), ɐnšîdh, uit de scheede halen: To unsheath the sword = het zwaard trekken.

Unsheltered, ɐnšeltəd, onbeschut.

Unshielded, ɐnšîldid, niet verdedigd.

Unship, ɐnšip, ontschepen, lossen, over boord werpen, losmaken: We unshipped the oars = wij namen de riemen uit de dollen.

Unshocked, ɐnšokt, ongeschokt.

Unshot, ɐnšot, adj. niet afgeschoten, niet getroffen; Unshot verb. een kanon of geweer ontladen.

Unshrinkable, ɐnšrinkəb’l, krimpvrij.

Unshrinking, ɐnšriŋkiŋ, onvervaard.

Unsifted, ɐnsiftid, ongezift, onervaren.

Unsight, ɐnsait, ongezien: To buy a thing unsight.

Unsightliness, ɐnsaitlinəs, subst. v. Unsightly, ɐnsaitli, afzichtelijk, leelijk, wanstaltig.

Unsilvered, ɐnsilvəd, niet met (kwik)zilver bedekt.

Unsisterly, ɐnsistəli, niet zusterlijk.

Unsized, ɐnsaizd, ongesteven, niet geplaneerd of gegrondeerd.

Unskilful, ɐnskilful, onbekwaam, onbedreven; subst. Unskilfulness; Unskilled, ɐnskild, onbedreven: Unskilled labour = eenvoudige handenarbeid; Unskilled labourers = werklui die geen vak verstaan.

Unslacked, ɐnslakt, Unslackened, ɐnslak’nd, onverminderd.

Unslaked, ɐnsleikt, niet gelescht of gebluscht.

Unsmoked, ɐnsmoukt, niet (uit)gerookt.

Unsoaped, ɐnsoupt, niet gezeept, ongewasschen: The unsoaped = het janhagel.

Unsociability, ɐnsoušəbiliti, subst. v. Unsociable, ɐnsoušəb’l, ongezellig; subst. Unsociableness; Unsocial, ɐnsouš’l, eenzelvig.

Unsocket, ɐnsokət, uit eene holte of kas nemen: The storm has unsocketed the oak = den eik ontworteld.

Unsoiled, ɐnsôild, onbezoedeld.

Unsold, ɐnsould, niet verkocht.

Unsolder, ɐnso(l)də, lossoldeeren, scheiden.

Unsoldierlike, ɐnsouldžəlaik, een soldaat onwaardig = Unsoldierly.

Unsolicited, ɐnsəlisitid, ongevraagd.

Unsolicitous, ɐnsəlisitɐs, onbezorgd.

Unsolved, ɐnsolvd, niet opgelost.

Unsophisticated, ɐnsəfistikeitid, onbedorven, echt, kunsteloos.

Unsought, ɐnsôt, ongezocht: To come unsought = onverwacht.

Unsound, ɐnsaund, ongezond, zwak, ziekelijk, niet gaaf, wormstekig, wrak, onwaar, ijdel, valsch, onbetrouwbaar, onrustig: Unsound doctrine, ice; A man of unsound mind = met gekrenkte geestvermogens; Unsound pleasures, sleep; subst. Unsoundness.

Unsoured, ɐnsauəd, ongezuurd, niet verbitterd.

Unsown, ɐnsoun, ongezaaid: Unsown flowers = wilde.

Unsparing, ɐnspêriŋ, ongenadig; mild, royaal; subst. Unsparingness.

Unspeakable, ɐnspîkəb’l, onuitsprekelijk, jammerlijk, afschuwelijk: An unspeakable kind of person = onmogelijke vent.

Unspecified, ɐnspesifaid, niet afzonderlijk vermeld.

Unspent, ɐnspent, onverbruikt, nog niet uitgeput: Unspent ball = nog niet matte.

Unspilt, ɐnspilt, ongestort.

Unsplit, ɐnsplit, ongespleten.

Unspoiled, ɐnspôild, onbedolven.

Unspoken, ɐnspouk’n, niet geuit: Unspoken of = onvermeld.

Unspotted, ɐnspotid, ongevlekt, zonder blaam, volmaakt, zonder gebreken; subst. Unspottedness.

Unsquared, ɐnskwêəd, niet vierkant bekapt, onregelmatig, ongeschikt.

Unstable, ɐnsteib’l, onvast, wankelend, labiel.

Unstaid, ɐnsteid, onstandvastig, vluchtig.

Unstained, ɐnsteind, onbesmet, onbezoedeld, ongeverfd.

Unstamped, ɐnstampt, ongestempeld, zonder zegel.

Unstanched, ɐnstânšt, ongestelpt, niet dicht.

Unstatesmanlike, ɐnsteitsm’nlaik, een staatsman niet passend of waardig.

Unsteadiness, ɐnstedinəs, subst. v. Unsteady, ɐnstedi, ongestadig, flikkerend, onvast, wispelturig, lichtzinnig.

Unstep, ɐnstep, (een mast) uitnemen.

Unstilled, ɐnstild, ongestild.

Unstinted, ɐnstintid, onbegrensd, onbekrompen.

Unstirred, ɐnstɐ̂d, niet be- of geroerd.

Unstitch, ɐnstitš, lostornen.

Unstop, ɐnstop, openen, de belemmering wegnemen, ontkurken.

Unstrained, ɐnstreind, ongefiltreerd, niet gespannen, ongedwongen, natuurlijk.

Unstraitened, ɐnstreit’nd, onbekrompen.

Unstrengthened, ɐnstreŋth’nd, niet versterkt of gesteund.

Unstring, ɐnstriŋ, losmaken, ontspannen, de snaar of snaren afnemen: She was quite unstrung = van streek.

Unstudied, ɐnstɐdid, onbestudeerd, natuurlijk, onkundig, onervaren.

Unstuffed, ɐnstɐft, niet volgestopt, niet gefarceerd.

Unsubdued, ɐnsəbdjûd, onverwonnen.

Unsubstantial, ɐnsəbstanš’l, onwerkelijk, ingebeeld, slap, niet voedzaam of degelijk.

Unsuccessful, ɐnsəksesful, niet gelukkig, zonder resultaat: He has been unsuccessful = hij is niet geslaagd; subst. Unsuccessfulness.

Unsufferable, ɐnsɐfərəb’l, on(ver)dragelijk.

Unsuitable, ɐnsiûtəb’l, ongepast, ongeschikt, onvoegzaam, onbekwaam; subst. Unsuitableness; Unsuited = ongeschikt, etc.; Unsuitedness.

Unsullied, ɐnsɐlid, onbevlekt.

Unsupported, ɐnsəpötid, niet gesteund.

Unsurmountable, ɐnsɐ̂mauntəb’l, onoverkomelijk.

Unsurpassable, ɐnsɐpâsəb’l, onovertreffelijk; Unsurpassed = onovertroffen.

Unsusceptible, ɐnsəseptib’l, niet vatbaar (voor = of).

Unsuspected, ɐnsəspektid, onverdacht; Unsuspecting = niet achterdochtig; Unsuspicious, ɐnsəspišəs, niet wantrouwend, argeloos; subst. Unsuspiciousness.

Unsustainable, ɐnsəsteinəb’l, onhoudbaar; Unsustained = niet gesteund.

Unswayable, ɐnsweiəb’l, niet te beheerschen; Unswayed, ɐnsweid, niet bewerkt of door invloeden beheerscht.

Unswept, ɐnswept, ongeveegd.

Unswerving, ɐnswɐ̂viŋ, niet afwijkend.

Unsworn, ɐnswön, niet beëedigd.

Unsymmetric(al), ɐnsimetrik(’l), niet met goede verhoudingen.

Unsystematic(al), ɐnsistəmatik(’l), stelselloos.

Untack, ɐntak, losmaken.

Untainted, ɐnteintid, onbesmet, niet bedorven.

Untalked, ɐntôkt, onvermeld, niet besproken (met of).

Untam(e)able, ɐnteiməb’l, ontembaar; Untamed, ɐnteimd, ongetemd, woest, wild: Untamed beauty = woeste schoonheid.

Untarnished, ɐntâništ, zonder smet of blaam.

Untasked, ɐntâskt, zonder taak.

Untasted, ɐnteistid, onaangeroerd.

Untaught, ɐntôt, onwetend, onervaren, ongeletterd.

Untaxed, ɐntakst, onbelast, niet beschuldigd.

Unteachable, ɐntîtšəb’l, onleerzaam; niet te leeren.

Untempered, ɐntempəd, niet toebereid, niet gehard, niet gematigd.

Untempted, ɐntem(p)tid, niet verleid of verlokt.

Untenable, ɐntenəb’l, onhoudbaar.

Untenantable, ɐnten’ntəb’l, niet (ver)huurbaar, onbewoonbaar; Untenanted = onverhuurd, onbewoond.

Untended, ɐntendid, onverzorgd.

Unterrified, ɐnterifaid, onverschrokken.

Untested, ɐntestid, onbeproefd.

Unthanked, ɐnthaŋkt, zonder dank; Unthankful = ondankbaar; subst. Unthankfulness.

Unthinkable, ɐnthiŋkəb’l, ondenkbaar; Unthinking = onnadenkend, onbezonnen; Unthought, ɐnthôt, niet gedacht, onverwacht (met of).

Untidiness, ɐntaidinəs, subst. v. Untidy, ɐntaidi, slordig, onordelijk.

Untie, ɐntai, losbinden, losknoopen, losmaken.

Until, ɐntil, tot: He did not write until yesterday = gister pas.

Untilled, ɐntild, onbebouwd.

Untimbered, ɐntimbəd, zonder boomen of timmerhout.

Untimely, ɐntaimli, ontijdig, ongelegen: Untimely merriment = ongepaste vroolijkheid; He died untimely = vroeg, jong; Untim(e)ous, ɐntaiməs, al te vroeg: It reached an untimeous end = het kwam vóór zijn tijd aan een eind.

Untinged, ɐntinžd, ongeverfd, ongetint, rein.

Untirable, ɐntairəb’l, onvermoeibaar, onvermoeid = Untired, Untiring.

Unto, ɐntû, tot (aan).

Untold, ɐntould, ongeteld, niet verhaald, onbeschrijfelijk.

Untouched, ɐntɐtšt, on(aan)geroerd, niet geretoucheerd.

Untoward, ɐntouəd, stijfhoofdig, weerbarstig, eigenzinnig, onaangenaam, ongunstig; Untoward(li)ness.

Untraced, ɐntreist, ongebaand, ook = Untracked, ɐntrakt, niet opgespoord.

Untractable, ɐntraktəb’l, onhandelbaar.

Untrained, ɐntreind, niet geoefend of gedrild.

Untrammelled, ɐntram’ld, onbelemmerd.

Untransferable, ɐntransfərəb’l, niet over te dragen.

Untranslatable, ɐntr’nsleitəb’l, onvertaalbaar.

Untravelled, ɐntrav’ld, onbereisd.

Untraversed, ɐntravəst, niet doorsneden of betreden, niet doorreisd.

Untried, ɐntraid, onbeproefd, onervaren.

Untrimmed, ɐntrimd, niet gesnoeid, niet in orde gebracht of opgemaakt.

Untrod(den), ɐntrod(’n), onbetreden.

Untroubled, ɐntrɐb’ld, ongestoord, onbewogen (van de zee).

Untrue, ɐntrû, onwaar, trouweloos, wispelturig; adv. Untruly; Untruth, ɐntrûth, ɐntrûth, onwaarheid, trouweloosheid, leugen: To tell an untruth; Untruthful = onoprecht.

Untuck, ɐntɐk, losvouwen, een vouw nemen uit.

Unturned, ɐntɐ̂nd, ongekeerd: He left no stone unturned to get it = heeft hemel en aarde bewogen.

Untutored, ɐntjûtəd, niet onderwezen, onbeschaafd, ruw.

Untwine, ɐntwain, losdraaien, losgaan, uit de war maken, uitrafelen = Untwist.

Unused, ɐnjûzd, (ɐnjûst), ongebruikt, ongewoon (to); Unusual, ɐnjûžuəl, ongewoon, niet veelvuldig.

Unutterable, ɐnɐtərəb’l, onuitsprekelijk: Unutterables = broek; Unuttered = niet geuit.

Unvaccinated, ɐnvaksineitid, oningeënt.

Unvanquished, ɐnvaŋkwišt, onoverwonnen.

Unvaried, ɐnvêrid, onveranderd, zonder afwisseling; Unvarying = onveranderlijk.

Unvarnished, ɐnvâništ, ongevernist, onverbloemd, onopgesmukt, eenvoudig.

Unveil, ɐnveil, ontsluieren, onthullen.

Unvendible, ɐnvendib’l, onverkoopbaar.

Unventilated, ɐnventileitid, niet van frissche lucht voorzien.

Unversed, ɐnvɐ̂st, onbedreven (in).

Unvindicated, ɐnvindikeitid, niet verdedigd.

Unviolated, ɐnvaiəleitid, ongeschonden.

Unvisited, ɐnvizitid, onbezocht.

Unvoiced, ɐnvôist, zonder stemtoon.

Unvowelled, ɐnvauəld, zonder klinkers.

Unwalled, ɐnwöld, zonder muren.

Unwarlike, ɐnwölaik, onkrijgshaftig.

Unwarned, ɐnwönd, ongewaarschuwd.

Unwarped, ɐnwöpt, niet getrokken; onbevooroordeeld; Unwarping = onbuigzaam.

Unwarrantable, ɐnwor’ntəb’l, onwettig, onverantwoordelijk, onverdedigbaar; subst. Unwarrantableness; Unwarranted, ɐnwor’ntid, ongewettigd, onverantwoordelijk, ongewaarborgd.

Unwariness, ɐnwêrinəs, subst. v. Unwary, ɐnwêri, onbezonnen, overijld.

Unwashed, ɐnwošt, ongewasschen, vuil: The (great) unwashed = het janhagel.

Unwatched, ɐnwotšt, niet bewaakt.

Unwatered, ɐnwötəd, onbesproeid, droog.

Unwavering, ɐnweiv’riŋ, standvastig.

Unweaned, ɐnwînd, niet gespeend, niet ontwend.

Unwearied, ɐnwîrid, onvermoeid.

Unwebbed, ɐnwebd, zonder zwemvlies.

Unwed(ded), ɐnwed(id), ongetrouwd.

Unweeded, ɐnwîdid, ongewied.

Unwelcome, ɐnwelk’m, niet welkom, onaangenaam: He has made me unwelcome = heeft mij onhartelijk ontvangen.

Unwell, ɐnwel, niet wel, ongesteld.

Unwept, ɐnwept, onbeweend.

Unwhipped, ɐnwipt, ongestraft.

Unwholesome, ɐnhouls’m, ongezond, verderfelijk; subst. Unwholesomeness.

Unwieldiness, ɐnwîldinəs, subst. v. Unwieldy, ɐnwîldi, onhandelbaar, niet te hanteeren, zwaar, lomp.

Unwilling, ɐnwiliŋ, onwillig, ongenegen: I am (feel) unwilling to go there = heb geen zin; Willing or unwilling = willens of onwillens; Unwillingness = ongeneigdheid.

Unwind, ɐnwaind, loswinden.

Unwise, ɐnwaiz, onwijs, dwaas.

Unwished, ɐnwišt, niet gewenscht: Unwished for circumstances = ongewenschte.

Unwithered, ɐnwidhəd, onverwelkt; Unwithering = onverwelkbaar.

Unwitnessed, ɐnwitnəst, ongezien, niet door getuigen gestaafd, nooit beleefd.

Unwitting(ly), ɐnwitiŋ(li), zonder te weten: With unwitting irony = onbewuste.

Unwomanly, ɐnwum’nli, onvrouwelijk.

Unwonted, ɐnwɐntid, ɐnwountid, ongewoon, ongewend; subst. Unwontedness.

Unworkable, ɐnwɐ̂kəb’l, onpraktisch, onuitvoerbaar.

Unworkmanlike, ɐnwɐ̂km’nlaik, niet goed afgewerkt, prullerig.

Unworldliness, ɐnwɐ̂ldlinəs, subst. v. Unworldly, ɐnwɐ̂ldli, niet wereldsch, onbaatzuchtig.

Unworn, ɐnwön, niet gedragen: Unworn out = niet versleten.

Unworried, ɐnwɐrid, niet gekweld.

Unworthiness, ɐnwɐ̂dhinəs, subst. v. Unworthy, ɐnwɐ̂dhi, onwaardig, ongepast, verachtelijk.

Unwound, ɐnwaund, imp. en p.p. van to unwind.

Unwounded, ɐnwûndid, ongewond.

Unwrap, ɐnrap, loswikkelen, openmaken.

Unwritten, ɐnrit’n, ongeschreven: Unwritten law = gewoonterecht, ongeschreven wet.

Unwrought, ɐnrôt, onbewerkt, ruw: Unwrought goods, iron.

Unyielded, ɐnjîldid, onovergegeven; Unyielding = niet toegevend, halsstarrig.

Unyoke, ɐnjouk, uitspannen, het juk afnemen.

Up, ɐp, verb. opspringen, aanleggen; adv. op, omhoog, op de been, in het zadel, etc.: He upped gun, and let drive at a young hare = legde aan en schoot op; His blood is up = hij kookt van woede; Shall we play fifty up? = vijftig uit (bilj.); The game is up = het spel is uit, verloren; The House is up = het Parlement is gesloten; The quarter is up = het kwartaal is verschenen; The street is up = is opgebroken; The sun is up = is op; Time is up = de tijd is om; All the town is up = in rep en roer, opstand; To be up at seven = op(gestaan); It is all up with him = hij is totaal geruïneerd; We shall be up with another covey in five minutes = binnen 5 minuten treffen we weer aan; What’s up? = wat is er aan de hand; He came up to me = kwam naar mij toe; He came up with me = hij haalde mij in; The river is frozen up = dichtgevroren; The emigrants went up (the) country = trokken verder het land in (Amer.); We went up to the hub = tot het uiterste punt; He will not go up for his examination = zal zich niet onderwerpen; The students go up to-morrow = keeren naar de academie terug; To sail up a river, stream = de rivier op, tegen den stroom op; Up and down = op en neer; The ups and downs of life = de wisselvalligheden des levens; I have been attached to him from my youth up = van mijne jeugd af; He is well up in English = kent goed Engelsch; Hold your tongue up there = daar ginder, daar boven; To go up to town = naar stad; He agreed with me up to a certain point = tot op zekere hoogte; That fellow is up to snuff (to a thing or two, a trick or two) = dat is een gladde kerel, slimme kwant; Up to this time = tot dezen tijd toe; We waded up to our knees through the snow = tot aan de knieën; What are you up to? = wat voert gij uit (in ’t schild); He is up to mischief = voert kattekwaad uit; I am up to what you mean = begrijp; Do you think he is up to the task? = berekend voor die taak; The candidate is not up to the mark = is onvoldoende.

Upas(-tree), jûpəs(trî), upas(boom).

Upbear, ɐpbêə, ondersteunen, schragen, opheffen: His firm faith upbore him = zijn onwankelbaar geloof schraagde hem.

Upbraid, ɐpbreid, verwijten, berispen: He upbraided me for having been there = nam mij onder handen; Upbraiding; Upbraider.

Upbringing, ɐpbriŋiŋ, grootbrengen, opvoeding.

Upham, ɐpəm.

Upheaval, əphîv’l, verheffing, opheffing, omwenteling; Upheave, əphîv, opheffen, zich verheffen.

Upheld, ɐpheld, imp. en p.p. van to uphold.

Uphill, ɐphil, bergopwaarts(ch), moeilijk: That’s uphill work = dat werk valt niet mee.

Uphold, ɐphould, omhoog houden, steunen, schragen, handhaven, verdedigen: Their Lordships upheld the judge’s finding = bevestigden de uitspraak; Upholder = verdediger, steuner.

Upholster, əphoulstə, bekleeden, stoffeeren; Upholsterer = stoffeerder; Upholstery, bedden, gordijnen, karpetten, kleeden, kussens, enz. enz. om de huizen te meubileeren; stoffeerderij: Mere upholstery = louter schijn.

Upkeep, ɐpkîp, onderhoud.

Upland, ɐpl’nd, subst. hoogland, binnenland; adj. hooglandsch, binnenlandsch.

Uplift, ɐplift, subst. verheffing; adj. opgeheven; Uplift verb. opheffen, optillen: Her victory had uplifted her = vroolijk (trotsch) gestemd.

Up-line, ɐplain, lijn naar het hoofdstation.

Upmost, ɐpmoust, bovenste.

Upon, əpon, op, bovenop, omtrent, bij, etc.: Upon his arm = aan zijn arm; Upon my arrival (arriving) = bij mijne aankomst; Upon bread and water; You do it upon your own danger = op eigen risico; Upon duty = in dienst, op post; I learned this upon inquiry = bij onderzoek; It was just upon midnight = tegen; Upon the whole = over het geheel; I call upon this assembly to do away with such an abuse = doe een beroep op deze vergadering; I called upon (on) him = ik ben bij hem aangeloopen; I do not want to be imposed upon = bedrogen te worden; This town lies upon a river = ligt aan; He lives upon his mother = op kosten van; To live upon vegetables = van groenten; Look upon me = zie mij aan; To make war upon a people = den oorlog aandoen; I don’t wish to be played upon = voor den gek te worden gehouden; Don’t rely upon such people = vertrouw niet op; To stand upon ceremonies = staan op complimenten; To stand upon one’s dignity = op zijn waardigheid gesteld zijn; I will think upon it = zal me er eens op bedenken; He took upon himself to arrange the matter = nam op zich.

Upper, ɐpə, adj. hooger, bovenste, boven; subst.: Uppers = bovenleer: To be on one’s uppers = in armzalige toestand zijn; Upper crust = de hoogere kringen, aristocratie = The upper ten (thousand); Upper deck; Upper guard = hoofdconducteur; Upper hand = overhand, bovenhand; Upper House = het Huis der Lords, Senaat, Eerste Kamer; Upper leather = bovenleer; Upper lip = bovenlip; Upper Rhine; Upper story = bovenverdieping: He is not right in his upper story = het scheelt hem in zijn bovenste verdieping; Upper teeth = boventanden; Upper works = het gedeelte van het schip, dat boven water is; bol (kop); Upper world = bovenwereld; Uppermost = bovenste, hoogste, heerschend, beste: That fellow says whatever comes uppermost = zegt maar wat hem voor den mond komt; To float belly uppermost (van visch).

Uppish, ɐpiš, trotsch, aanmatigend; subst. Uppishness.

Upraise, ɐpreiz, opheffen.

Uprear, ɐprîə, oprichten.

Upright, ɐprait, subst. opstand van een gebouw, gevel, paal, pilaar; adj. rechtop, oprecht: His hair stands upright = zijne haren rijzen te berge; subst. Uprightness (ɐpraitnəs), opgerichte stand, rechtschapenheid, oprechtheid.

Uprising, ɐpraiziŋ, verheffing, opgang, glooiing, opstand.

Uproar, ɐprö, oproer, verwarring, drukte, lawaai: To make an uproar = herrie maken; To set in(to) uproar = in opstand brengen; Unproarious, əprôriəs, oproerig, lawaaierig; subst. Uproariousness.

Uproot, ɐprût, ontwortelen, verdelgen.

Uprouse, ɐprauz, opwekken.

Upsaddle, ɐpsad’l, opzadelen.

Upsala, ɐpsâlə.

Upset, ɐpsət, ɐpset, subst. het omvallen of omgevallen zijn, het mislukken, schrik, ontroering; adj. vast: Upset-price = inzet (van goederen op verkoopingen).

Upset, ɐpset, omverwerpen, onderstboven gooien, van zijn stuk brengen, overstuur maken, teleurstellen, omvallen, omslaan: To be upset = omslaan; kapot zijn (fig.).

Upshot, ɐpšot, resultaat, uitkomst, einde: That’s the upshot of the rumour = daar komt het gerucht op neer; When it comes to the upshot = van naderbij beschouwd.

Upside, ɐpsaid, bovenzijde; Upside-down = onderstboven, in volkomen verwarring.

Upstairs, ɐpstêəz, ɐpstêəz, boven: He was kicked upstairs = hij werd vooruitgeschopt, voortgeholpen.

Upstart, ɐpstât, opspringen, opschieten.

Upstart, ɐpstât, subst. parvenu; adj. plotseling tot groote macht gebracht; parvenuachtig: Upstart pride.

Up-stroke, ɐpstrouk, ophaal, opwaartsche beweging.

Uptake, ɐpteik, opneming, begrip, begrijpen.

Uptear, ɐptêə, opscheuren.

Up-to-date, ɐptudeit, volgens de nieuwste mode, (hyper)modern.

Up-town, ɐptaun, in de bovenstad (het beste gedeelte) gelegen (Amer.).

Up-train, ɐptrein, opkomende trein.

Upturn, ɐptɐ̂n, omwerpen, omslaan, opslaan.

Upward, ɐpwəd, adj. bovenwaartsch, stijgend, naar boven; Upwards = naar boven, opwaarts: Upwards of = meer dan; It costs upwards of a hundred guilders = over de honderd gulden; Ten guilders and upwards = meer dan; From five guilders upwards = van af vijf gulden en hooger.

Upwhirl, ɐpwɐ̂l, opwarrelen.

Upwind, ɐpwaind, oprollen.

Ural, (j)ûr’l, Ural(isch), adj. Uralian, Uralic.