Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 101

Chapter 1013,254 wordsPublic domain

Qualm, kwâm, kwôm, misselijkheid, plotselinge ongesteldheid, onaangenaam gevoel, gewetensbezwaar of wroeging: He had no qualms (of conscience) about the life he had entered upon = geen berouw over; Qualmish = misselijk; subst. Qualmishness.

Quandary, kwondəri, kwondêri, verlegenheid, lastig geval: He was in a nice quandary = hij zat er leelijk in.

Quant, kwont, kwant, kloet, polsstok.

Quantify, kwontifai, de hoeveelheid aanwijzen of bepalen van; Quantitative, kwontitətiv, quantitatief; Quantity, kwontiti, hoeveelheid, mate, uitgestrektheid, omvang, maatklank; Quantum, kwont’m, hoeveelheid, bedrag.

Quarantine, kwor’ntîn, kwor’ntain, subst. quarantaine, isoleering, quarantaine-station; Quarantine verb. ook kworəntîn, tot quarantaine verplichten: To pass (perform, make) quarantine = in quarantaine liggen.

Quaresimal, kwəresim’l: Quaresimal sermons = lijdensmeditatiën (op Zondagavonden in den vastentijd).

Quarles, kwâlz.

Quarrel, kwor’l, subst. twist, ruzie, gekrakeel; pijl met vierkante spits, (venster)ruit; Quarrel verb. kijven, twisten, krakeelen, aanmerkingen maken: Domestic quarrels = huiselijke twisten; He wanted to fasten a quarrel upon me, to pick a quarrel with me = hij wou ruzie met mij hebben; There are two parties to a quarrel and I won’t be one = voor een twist zijn er twee noodig, en ik doe niet mee; I quarrel with your assertions and statements throughout = ben het volmaakt oneens met; Quarreller = ruziezoeker; Quarrelsome = twistziek, ruzieachtig; subst. Quarrelsomeness.

Quarrier, kworjə, arbeider in een Quarry, kwori, subst. steengroeve; wild, prooi; Quarry verb. uitgraven, delven uit; ploeteren: The quarry was worked by a firm = de steengroeve werd door eene firma geexploiteerd; Quarryings = brokjes steen of marmer; Quarryman = Quarrier.

Quart, kwöt, twee pint = ¼ v. een gallon; tweepintskan.

Quart, kât, vier opvolgende kaarten (piket).

Quartan, kwöt’n, vierdaagsch: Quartan ague (fever).

Quarte, kât, houw naar de linkerzijde van den tegenstander (bij het schermen).

Quarter, kwötə, vierde deel, vierendeel, kwartaal, kwartier, ± 23 c.M.; ± 12,7 K.G.; wijk, landstreek, genade, kwartier (voor troepen), arm van een ra; Quarter verb. in vier gelijke deelen verdeelen, vierendeelen, inkwartieren, ingekwartierd zijn: No quarter ought to be given or shown her = geene genade moet haar geschonken worden; The drums beat to quarters = de trommen gaven het sein om in te rukken; We came to close quarters with the enemy = wij werden met den vijand handgemeen; You have got nice quarters here = een mooie kamer; They marched in close quarters = in gesloten colonne; The men stood at quarters = klaar voor den strijd; We are quartered among friends = bij vrienden ingekwartierd; I have as much a right to quarter my arms as any of you = mag evengoed mijn wapens op het schild plaatsen; Quartering = het inkwartieren; het indeelen van een wapenschild; He has more quarterings on his own side than any house in Europe = meer kwartieren op zijn wapenschild; Quarter-bred = met ¼ zuiver bloed (van raspaarden, etc.); Quarter-day = betaal- of kwartaaldag (Lady-day = 25 Maart; Midsummer-day = 24 Juni; Michaelmas-day = 29 September, en Christmas-day = 25 December); Quarter-deck = campagne; Quartermaster = kwartiermeester: Quartermaster-sergeant = fourier; Quarter-profit system = stelsel, waarbij de schrijver ¼ v. de winst krijgt; Quarter-sessions = driemaandelijksche zittingen v. de vrederechters; Quarterstaff = stok; Quarterly, subst. en adj. driemaandelijksch (tijdschrift); Quartern = 0,142 L.; 2,27 L.; 0,1134 K.G.; Quartern-loaf = vierpondsbrood.

Quartet(te), kwötet, kwartet.

Quarto, kwötou, kwartijn; subst. en adj. kwarto.

Quartz, kwöts, kwarts; Quartziferous = kwartshoudend; Quartzite, kwötsait, kwartsrots; Quartzose = kwarts bevattend; Quartzy = van of als kwarts.

Quash, kwoš, subst. Zie Squash; Quash verb. plat drukken, verpletteren, onderdrukken, nietig verklaren: The verdict was quashed = het vonnis werd vernietigd.

Quasi, kweis(a)i: Quasi nobility = de Baronets.

Quasimodo, kwasimoudou: Quasimodo Sunday = eerste Zondag na Paschen.

Quass, kwas, kwass, een Russische drank.

Quassia, kwosiə, kwasiə, bitterhout; Quassin = het bittere bestanddeel hiervan.

Quaternary, kwotɐ̂nəri, kwətɐ̂nəri, subst. het getal vier; adj. uit vier bestaande: Quaternion, subst. het getal vier, aantal van vier, vierlettergrepig woord.

Quatrain, kwotrein, kâtrein, vierregelig vers, kwatrijn.

Quaver, kweivə, subst. ⅛ noot, triller, trilling; Quaver verb. trillen, vibreeren, met trillers zingen; Quaverer.

Quay, kwei.

Quay, kî, subst. kaai; Quay verb. van kaaien voorzien; Quayage = kaai- of werfgeld.

Quean, kwîn, slet, zedelooze vrouw.

Queasiness, kwîzinəs, subst. v. Queasy, kwîzi, zwak, weekelijk, sentimenteel, kieskeurig, walgend, walgelijk.

Quebec, kwibek.

Queen, kwîn, subst. koningin; Queen verb. de koningin spelen, tot koningin maken, van eene koningin voorzien: To go to queen = dam maken; Queen of the meadows = Meadowsweet; Queen-apple = renet; Queen-bee = bijenkoningin; Queen consort = gemalin van den koning; Queen dowager = koninginweduwe; Queen mother = koninginmoeder; Queen regent = koningin-regentes; Queen regnant = regeerende koningin; Queen’s-Bench Division = afdeeling van het hoogste Gerechtshof; Queen’s-carriage = gevangeniswagen; Queen’s-counsel = rijksadvocaat; Queen’s English = zuiver Engelsch; Queen’s-head = postzegel (met de beeltenis der koningin); Queen’s-metal = wit zilver; The Queen’s Speech = Troonrede; Queen’s ware = geglazuurd crêmekleurig aardewerk; Queen’s weather = prachtig weer; Queenhood = koninginneschap; Queenlike, Queenly = als eene koningin.

Queenborough, kwînbərə.

Queer, kwîə, vreemd, zonderling, wonderlijk, verdacht, onlekker, uit zijn humeur, valsch: A queer bill = onsoliede wissel: I am in Queer Street = ik heb me verzien, bedrogen; ik zit er “in”; I feel rather queer to-day = ik voel me niet lekker vandaag; Queerish = vrij zonderling; Queerness = zonderlingheid.

Quell, kwel, onderdrukken, bedwingen, dempen, tot rust brengen: The revolt was quelled = het oproer werd gedempt; Queller.

Quench, kwenš, blusschen, lesschen, dempen, onderdrukken, doen bedaren; Quenchable = wat gedempt of gelescht kan worden; Quencher = domper, een “glaasje”; Quenchless = onbluschbaar, onleschbaar, onverzadelijk.

Quercus, kwɐ̂kəs, eik.

Querimonious, kwerimounjəs, klagend, ontevreden, jammerend; subst. Querimoniousness.

Querl, kwɐ̂l, bocht (Amer.).

Querulous, kwer(j)ulɐs, klagend, ontevreden, jammerend; subst. Querulousness.

Query, kwîri, subst. vraag, vraagteeken, twijfel; Query verb. vragen (naar), betwijfelen, van een vraagteeken voorzien: Query, which of the two is right? = vrage: wie van beiden heeft gelijk.

Quest, kwest, subst. zoeken, onderzoek; Quest verb. zoeken naar, onderzoeken: The Quest of the Holy Grail; To be in (To go in) quest of = (gaan) zoeken naar; A fresh and questing mind = onderzoekende geest; Quester = speurhond.

Question, kwestj’n, subst. vraag, ondervraging, geschilpunt, interpellatie, opgaaf, twijfel, rekenschap; Question verb. vragen, ondervragen, betwijfelen: Question! = Ter zake! uitroep als een spreker in het Parlement van het onderwerp afdwaalt; That is a (the) question = de vraag; If it is a fair question = als ik vragen mag, als het niet te onbescheiden is; The previous question = de prealabele kwestie; Beside the question = er buiten; The point in question = het punt van discussie; That is altogether out of the question = daar is heelemaal geen sprake van; It is him without a question = hij is het ongetwijfeld; It is a question of time; There is no question about it = geen twijfel aan; To ask a question = eene vraag doen; He begged the question = hij nam als bewezen aan, wat nog bewezen moest worden; The question-begging use of certain terms = het zonder bewijs gebruiken van zekere uitdrukkingen, als: “The will of the nation”; The House is calling for the question = (het Lagerhuis) de vergadering verlangt sluiting van het debat; His repentance was called in question = werd betwijfeld; Questions will be invited at the close of the meeting = gelegenheid om vragen te stellen zal worden gegeven; To pop the question = ten huwelijk vragen; To put a leading question = een vraag doen waarbij men tegelijk het antwoord in den mond geeft; To put a person to question = in verhoor nemen (ook onder folteringen); He put a question to the Home Minister = stelde een vraag aan den Min. v. Binnenl. Zaken; To put the question = (voorstellen) de debatten (te) sluiten en tot stemmen over te gaan; This question is settled = die zaak is in orde, dit geschil is beslist; Remember you question with a cruel man = dat gij te doen hebt; Question-time = tijd om vragen te richten tot de regeering (House of Commons); Questionability = twijfelachtigheid; Questionable = betwijfelbaar, twijfelachtig; subst. Questionableness = betwijfelbaarheid; Questioner = vrager, onderzoeker; Questionless = ongetwijfeld.

Questor, kwestə, Zie Quaestor.

Queue, kjû, staart, staartpruik: To form a queue = “queue” maken.

Quibble, kwib’l, subst. spitsvondigheid, woordspeling, uitvlucht, voorwendsel: Quibble verb. ontwijken, uitvluchten zoeken, spitsvondig zijn, woordspelingen maken; Quibbler.

Quick, kwik, subst. levend vleesch, levende haag; adj. vlug, levend(ig), opwekkend, snel, haastig, gevoelig, hevig, sterk, fijn; To cut (sting, touch) to the quick = tot in ’t levende vleesch snijden, een pijnlijke snaar aanroeren, diep wonden (fig.); Quick ear = fijn gehoor; Quick of ear = scherp van gehoor; Quick eye = scherpe blik; Quick of scent = met fijnen neus; Quick of sight = scherp van gezicht; The quick and the dead = de levenden en de dooden; Be quick about it = gauw wat; He is quick at figures = hij is vlug in het rekenen, rekent vlug; He is a quick-answered boy = gevat jongetje; Quick-beam = gewone lijsterbes; Quick-eyed = scherp van gezicht; Quick-fence = levende haag; Quick-grass = kweek; Quicklime = ongebluschte kalk; Quick-march = versnelde pas; Quick-match = gezwinde lont; Quicksand(s) = drijfzand; Quick-scented = met fijnen reuk; Quickset = uit levende planten bestaande (Quickset hedge = levende haag); subst. levende plant (haag); Quick-sighted = scherp van gezicht; Quicksilver = kwikzilver; Quicksilvered = met kwikzilver bedekt; Quick-step = Quick-march; Quick-tempered = opvliegend, prikkelbaar; At double quick-time = in den looppas; Quick-witted = scherpzinnig, gevat; Quicken = levend worden, zich snel bewegen, trekken, leven vertoonen (gevoelen), opwekken, bezielen, aanvuren, versnellen, opscherpen; ook subst.: Look out for the quicken = houd je klaar voor het snellere tempo; To pick up the quick = dit tempo aannemen; Quickener = opwekker, opwekking, opwekkend middel; Quickness = vlugheid, snelheid, scherpte van blik, etc.

Quid, kwid, herkauwd voedsel, tabakspruim, een pond (geldstuk).

Quidditative, kwiditətiv, het wezenlijke van iets uitmakend; Quiddity, kwiditi, het wezenlijk deel van iets; woordspeling, spitsvondigheid.

Quiddle, kwid’l, den tijd vermorsen, beuzelen; Quiddler = beuzelaar.

Quidnunc, kwidnɐŋk, nieuwsgierig neuswijs persoon, politieke tinnegieter.

Quiesce, kwaies, stom zijn of worden (v. letters); Quiescence, Quiescency = rust; winterslaap; het stom zijn; Quiescent, subst. stomme letter; adj. kalmeerend, rustig, stil, vredig, stom: Quiescent draught (powder).

Quiet, kwaiit, subst. rust, kalmte, vrede; adj. rustig, stil, gerust, niet opzichtig, zonder omslag, familiaar; Quiet verb. kalmeeren, doen bedaren, met rust laten, rustig of kalm worden (down): Have a quiet dinner at our house, with us = eet familiaar bij ons; A quiet dress = stemmige japon; A quiet horse = mak; It’s the way with all these quiet ones = zoo gaat het met (zoo zijn) die stille, bedeesde meisjes; A few weeks’ quiet = rust; Let me be quiet = laat me met rust; He kept it quiet = sprak er niet van; To restore quiet = de rust herstellen; Quiet, Spartan! = koest! At quiet = rustig; On the (dead) quiet = (heel) in stilte; Quieten, kwaiət’n, tot rust of bedaren brengen: He tried vainly to quieten the naughty child; Quieter = wie of wat stilt; A Quieting draught = kalmeerende drank; Quietism = quiëtisme, berusting, stille onderwerping, (leer van den Jezuïet Molina (1588); Quietist = aanhanger van Quietism; Quietness = Quietude = rust, vrede, berusting; Quietus, kwaiîtəs, ontheffing, ontlasting; ontslag.

Quill, kwil, subst. schacht (van vleugels), pen, stekel (van een stekelvarken), spoel; Quill verb. fijn plooien: He carries a good, a clever quill = hij heeft eene welversneden pen; Quill-driver = veelschrijver, pennelikker; Quill-pen; Quill-toothpick = veeren tandenstokertje; Quilling = fijn plooisel (van kant, tule of lint).

Quilt, kwilt, subst. gewatteerde sprei of deken; Quilt verb. doornaaien, opstoppen, watteeren, twee stukken stof op elkander stikken met watteering daartusschen (together); omwòelen; afranselen: She felt the daisy quilt creeping up higher and higher = zij voelde den dood naderen; The pipe was quilted with string for its longer preservation = de pijp was met touw omwoeld; Quilted calves = valsche kuiten; Tennyson’s works in quilted cover = in gewatteerden band; He went to the quiltings long ago = hij is lang geleden gestorven.

Quin, kwin.

Quina, kînə, kwainə, kina.

Quinary, kwainəri, uit vijven bestaande, door 5 deelbaar.

Quince, kwins, kwee(peer).

Quincentenary, kwinsentənəri, kwinsəntînəri, 500 jarig (jubileum).

Quincey, kwinsi.

Quincunx, kwinkɐŋks, figuur als deze: ⁙

Quindecagon, kwindekəgon, vijftienhoek.

Quindecemviri, kwindisemvirai, 15 priesters belast met de bewaking der Sibyllijnsche boeken.

Quinine, kwinîn, kwinain; kwainain (Amer.) kinine.

Quinquagesima, kwinkwədžesimə, tijd v. 50 dagen: Quinquagesima Sunday = Zondag vóór de vasten.

Quinquangular, kwinkwaŋgjulə, vijfhoekig.

Quinquennial, kwinkwenj’l, vijfjarig of -jaarlijksch.

Quinquina, kinkînə, kwinkwainə, kinkinə, kina.

Quinsy, kwinzi, keelontsteking.

Quint, kwint, quint (muziek en schermkunst).

Quintal, kwint’l, ± 45,359 KG. of 100 KG.

Quintan, kwint’n, om de vijf dagen.

Quintessence, kwintes’ns, kern of keur van iets, quintessence; Quintessential, kwintəsenš’l, tot het fijnste behoorende.

Quintet(te), kwintet, quintet.

Quintillion, kwintilj’n, 1 + 30 nullen (Engl.); 1 + 18 nullen (Amer.).

Quintuple, kwintjup’l, adj. vijfvoudig; Quintuple verb. vijfvoudig maken; Quintuplet = (motor)fiets voor 5 personen.

Quip, kwip, subst. fijne of scherpe zet, schimpschot, wonderlijke inval, woordspeling, speeldingetje; Quip verb. schertsen, beschimpen.

Quire, kwaiə, boek papier.

Quirinal, kwirinəl.

Quirk, kwɐ̂k, krul, uitvlucht, wonderlijke inval, woordspeling, loopje in muziek: His paltry quirks did not impose on any member = zijne flauwe uitvluchten; adj. Quirky.

Quirt, kwɐ̂t, rijzweep; ook verb. (Amer.).

Quist, kwist, ringduif.

Quit, kwit, adj. quitte, vrij, ontslagen; Quit verb. verlaten, verzaken, opgeven; overlaten; terugbetalen, loonen, afrekenen, vergelden: To be quit for = er af komen met; I shall be quit with you = het je inpeperen; To go (get) quit = vrij komen, vrijgesproken worden; He got notice to quit = hem werd de dienst (de huur) opgezegd; To quit business = uit de zaken gaan; To quit scores = afrekenen; They quitted the siege = hieven op; To quit smoking = opgeven; Quits = quitte, kamp, gelijk: We are quits = we zijn quitte; To cry quits = verklaren “quitte” te zijn; He played double or quits = dubbel of quitte; Quit-claim, subst. afstand (van een recht); ook verb.; Quit-rent = pacht, die van andere verplichtingen vrijstelt.

Quitch(grass), kwitšgrâs, kweek(gras).

Quite, kwait, geheel: I am quite with you = ik ga geheel met u mee, ben ’t geheel eens; A quite young girl = een heel jong meisje (Vergel. quite a young girl = precies een jong meisje); You are quite out = je hebt het heelemaal mis; Quite so = precies; Persons whom she considered not “quite” = niet van haar stand.

Quittance, kwit’ns, betaling.

Quiver, kwivə, subst. trilling; pijlkoker; Quiver verb. trillen, beven, sidderen, ritselen: In a quiver = sidderend; Quivered = van een pijlkoker voorzien, in een koker of scheede.

Quixote (Don), donkwiksət; Quixotic, kwiksotik, dwaas romantisch, buitensporig; Quixotism, Quixotry = Don Quichotterie.

Quiz, kwiz, grappenmaker, spotvogel, vreemde snaak, mikpunt (van spotternij), nieuwsgierig persoon, raadsel, monocle; Quiz verb. voor den gek houden, foppen, schertsen, begluren; Quizzer = snaak, schalk; Quizzical = grappig, snaaksch; Quizzing-glass = monocle.

Quod, kwod, verkort. van Quadrangle, nor, doos: I’ll have you in quod = ik zal je in de “doos” zien te krijgen.

Quodlibet, kwodlibet, spitsvondigheid, woordspeling, potpourri; Quodlibetarian, kwodlibetêriən, iemand die over alles graag disputeert.

Quoif, kôif, kapsel, hoofdtooi, kap.

Quoin, kôin, uitspringende hoek (archit.); hoeksteen, keg.

Quoint, k(w)ôint.

Quoit, kôit, kwôit, platte ring: Quoits = spel daarmede: Deck quoits = ringwerpen op dek.

Quondam, kwond’m, vroeger, voormalig.

Quorum, kwôr’m, voldoend aantal leden om een besluit te nemen.

Quota, kwoutə, evenredig (aan)deel, contingent.

Quotable, kwoutəb’l, wat aangehaald kan worden; Quotation, kwəteiš’n, aanhaling, citaat, (genoteerde) prijs: Wheat was not in the market at any quotation = er was geen tarwe te krijgen; Quotation of prices = prijsnoteering; Quotation-marks = aanhalingsteekens; Quote, kwout, aanhalen, citeeren, noteeren (van prijzen); Quoter.

Quoth, kwouth, zeide of zegt (ik, hij of zij); Quotha, kwouthə, zoo!

Quotidian, kwətidj’n, subst. en adj. (wat) dagelijks(ch) (voorkomt).

Quotient, kwouš’nt, uitkomst (eener deeling).

Quotum, kwout’m, quotum, evenredig aandeel.

R.

R, ɐ̂; The three R’s = (R)eading, (W)riting and (A)rithmetic; R(iver); R(ex = koning of Regina = koningin); R. A. = Royal Academy, Royal Academician, Rear Admiral (schout-bij-nacht) of Royal Artillery; Rad(ix) = Root; R(oyal) A(gricultural) S(ociety); R(oman) C(atholic); R(ural) D(ean); R(oyal) E(xchange); Recd. = received; Recpt. = Receipt; Ref(erence); Ref(ormed) Ch(urch); Reg(ular); Reg(ius) Prof(essor); Reg(istrar of Regiment); Rel(igion of Religious); Rel(ative) Pron(oun); Rem(ark); Rep(ort of Representative); Rep(ublic) of Repub(lican); Retd. = Returned; Reth(oric); Rev(elation, Revenues, Reverend, Review); R(oyal) H(orse) A(rtillery); R(oyal) H(orse) G(uards); R(hode) I(sland); R(equiescat) I(n) P(ace) = hij (zij) ruste in vrede; Riv(er); R(oyal) M(ail) S(teamer); R(oyal) N(avy); R(eceiving) O(ffice); Rom(an); Rom(an) Cath(olic); R(ight) R(everend); R(oyal) S(ociety for the) P(revention of) C(ruelty to) A(nimals) = Koninkl. Maatschappij tot Bescherming van Dieren; Rt. Hon. = Right Honourable; R(eligious) T(ract) S(ociety); Russ(ia); R(evised) V(ersion); R(ight) W(orshipful) G(rand) M(aster) = Groot-Achtbare Meester; Ry. = Railway.

Rabate, rəbeit, de valk weer op de vuist doen nederdalen.

Rabbet, rabət, subst. sponning; Rabbet verb. eene sponning maken; Rabbet-plane = sponningschaaf.

Rabbi, rab(a)i, Rabbin, rabin, rabbi, rabbijn; adj. Rabbinic(al), rəbinik(’l), rabbijnsch; Rabbinist, rabinist, Talmudist.

Rabbit, rabit, konijn: Buck, Doe rabbit = mannetje, wijfje; Welsh rabbit = geroosterde sneden brood overgoten met in bier geweekte kaas; onvertrouwbaar paard (sport); Rabbit-hole; Rabbit-hutch = hok; Rabbit-warren = konijnenberg = Rabbitry.

Rabble, rab’l, janhagel, grauw, warboel; ook adj.

Rabid, rabid, dol, krankzinnig.

Rabies, reibiîz, hondsdolheid.

Raca, râkə, onwaardig (Matth. V. 22).

Raccoon, rəkûn, gewone waschbeer (Am.).

Race, reis, subst. geslacht, ras, soort, pittigheid (wijn), loop, snelle vaart, wedloop of wedren, loopbaan, wortel; Race verb. snel loopen, wedrennen: I will race you home = ik wil om het hardst met u loopen wie het eerst thuis is; Races = (paarden)wedrennen; The Derby or Epsom races; Race-boat = hardzeiler, boot voor wedstrijden; Race-course = renbaan; molenbeek; Race-ginger = gemberwortels; Race-ground = renbaan; Race-horse = renpaard, harddraver; Race-track = renbaan; Racer = renner, renpaard, rijwiel, hardzeiler.

Racemation, rasimeiš’n, trosvormigheid; Raceme, rəsîm, bloeiwijze in trossen; Racemic, rəsemik, rəsîmik: Racemic acid = druivenzuur; Racemose, rasimous, trosvormig.

Rachel, reitš’l.

Rachitic, rəkitik, adj. v. Rachitis, rəkaitis, Engelsche ziekte.

Racial, reiš’l, ras...

Raciness, reisinəs, subst. v. Racy.

Racing, reisiŋ: Racing crew = bemanning van een Racing-boat (Racing-yacht).

Rack, rak, subst. pijnbank, rad, rek, statief, rooster, ruif, arak; halsstuk van kalfs- of schapevleesch; drijvende wolken; zekere paardepas (tusschen draf en stap); ondergang, vernieling; Rack verb. pijnigen, op de pijnbank brengen, afpersen, ontwringen, overdrijven, als damp of mist voortdrijven en verdwijnen, met vluggen gang loopen, voorzichtig aftappen of afschenken (om van droesem te zuiveren): To go to rack and ruin = geheel te gronde gaan; To live at rack and manger = zorgeloos voortleven; To put to the rack = op de pijnbank brengen (ook fig.); He racked his brain(s), his wits about it = brak er zich het hoofd over; Racking-can = klaarkan (voor wijn); Racking headache = brekende; Racking pace = vlugge telgang; Rack-punch = punch van arak; Rack-rent = schandelijk hooge huur: The rack-rented labourers = de op schandelijke huren zittende arbeiders; Racker = iemand, die zulk een pacht vraagt of moet opbrengen.

Racket, rakət, subst. raket; spektakel, rumoer; sneeuwschoen; Racket verb. pret maken, boemelen: That’s just our racket = dat is net wat voor ons; To keep, kick up a racket = lawaai, herrie schoppen; He could not stand the racket and came to grief = kon niet tegen dat losbandige leven; That will not stand the racket = kan niet tegen hetgeen ervan geëischt wordt; Rackets = raketspel; Racketing = rumoerige vroolijkheid; Rackety = druk tierend, lawaaiig: The rackety-tack of the wheels = het geraas.

Racoon = Raccoon.

Racy, reisi, sterk van geur of smaak, pittig, pikant: Racy of the soil = kenmerkend voor, eigen aan.

Rad, rad, verk. v. Radical.

Raddle, rad’l, rood blanketsel; Raddle verb. schminken, met rood krijt merken: Those jabbering mummers with their raddled faces = die schetterende acteurs met hunne rood gegrimeerde gezichten.

Radial, reidj’l, straalvormig; Radiance, Radiancy, reidj’ns(i), straling, schittering, glans; Radiant, reidj’nt, stralend, schitterend, glansrijk; subst. uitstralingspunt, straal: She was radiant with happiness = straalde van geluk; Radiate, reidjit, adj. straalvormig; straal, straaldier; Radiate verb. reidjeit, uitstralen; Radiator, reidjeitə, uitstralend lichaam, verwarmingstoestel, radiator.

Radical, radik’l, subst. wortel, stam(woord), stamletter, radicaal (pol.); adj. oorspronkelijk, uiterst, radicaal, tot den stam behoorende: Radical party = radicale partij; Radical quantity = wortelgrootheid; Radical sign = wortelteeken; Radicalism = de beginselen der radicale partij; Radicate, radikeit, vast inwortelen, vast wortel doen schieten: Radicated abuses = ingewortelde misbruiken; Radication = het diep wortel schieten, wortelvorming.

Radio, reidiou: Radio-active substances = uitstralend als bijv. radium; subst. Radio-activity; Radiogram, reidiəgram = Radiograph, reidiəgrâf = radiogram; Radiography, reidiogrəfi, radiographeeren; Radiometer, reidiomətə, radiometer, graadboog, vleugelborstel.

Radish, radiš, radijs, tweeslachtige waterkers: Horse-radish = mierik.

Radius, reidiəs, buitenste been van den vóórarm, straal (van een cirkel); Radium, reidiəm, radium.

Radix, reidiks, wortel, basis, grondgetal.

Raff, raf, subst. vuil, schuim, deugniet, gepeupel (= Riff-raff): A crowd of shabby raffs = schunnige kerels; Raff-merchant = handelaar in rommel; Raffish = schunnig, liederlijk.