Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 78
Meet, mît, subst. bijeenkomst (van sportlui); rendez-vous voor sportlui, de gezamenlijke sportlui; adj. geschikt, gepast; Meet verb. ontmoeten, tegenkomen, tegemoet komen, bijeenkomen, nakomen, voldoen aan, bevredigen, enz.: A meet of the Coaching Club = het samenkomen van de leden dier club, die coaches bezitten en zelf rijden; It is not meet that he should go there = gepast; Mere inquiry will not meet the case = is in dit geval niet voldoende; More is meant than meets the ear (the eyes) = daar schuilt meer achter dan men hoort (ziet); That meets the needs of the people = voorziet in; To meet due protection = behoorlijk gehonoreerd worden; I will meet you on equal terms = durf je staan onder gelijke voorwaarden; The carriage is to meet the 10,5 train = moet zijn aan; To meet a person halfway = tegemoet komen (fig.); Have I met you? = Is dit wat u verlangt, is dit voldoende? I met with a kind reception = vond eene vriendelijke ontvangst; I met with an accident, a bad fall, a loss = mij trof, ik kreeg; He is met with = heeft zijn man gevonden; He tried to meet all my wants = te voorzien in; I cannot make both ends meet = ik kan niet rondkomen; I sent to meet them at the 10,5 train = liet ze afhalen; It was Greek meet Greek, diamond cut diamond = twee Joden weten wat een bril kost; Meeting = ontmoeting, bijeenkomst, vergadering, zitting, dag van een wedren, samenvloeiing: The meeting was called for half-past seven = bijeengeroepen tegen; Meeting-house = bedehuis; Meeting-place = plaats van samenkomst; Meetly = gepast, geschikt; Meetness = gepast-, geschiktheid.
Meg(a), in samenst.: groot, reusachtig; Megaphone, megəfoun, soort roeper; Megascope, megəskoup, megascoop.
Megass(e), məgas, uitgeperst suikerriet.
Megrim, mîgrim, schele hoofdpijn, gril, luim: Megrims = zwaarmoedigheid; koliek bij paarden.
Melancholia, mel’nkouljə, zwaarmoedigheid; Melancholiac = melancholicus; Melancholy, mel’nkoli, subst. zwaarmoedigheid, droefgeestigheid; ook adj.: He is in a melancholy mood = in eene sombere stemming.
Melanesia, melənîsiə; Melanesian, adj. en bewoner van M.
Melanite, melənait, melaniet.
Mêlée, Fr. uitspr. handgemeen.
Melib(o)ean, melibîən: Melib(o)ean song = beurtzang.
Melilot, melilot, honigklaver.
Melinite, melinait, meliniet.
Meliorate, mîljəreit, verbeteren, beter worden; subst. Melioration; Meliorism, mîljərizm, de leer dat verbetering mogelijk is; het streven hiernaar.
Meliphagous, məlifəgɐs, honigetend; Melliferous = honig voortbrengend; Mellifluence, məlifluens, zoetvloeiendheid; Mellifluent, Mellifluous = zoetvloeiend; Mellite, melait, honigsteen.
Mellay, melei = Mêlée.
Mellow, melou, adj. overrijp, beursch, zacht, aangenaam, vol, gerijpt, lichtelijk aangeschoten; Mellow verb, rijp of zacht worden (maken), rijpen, benevelen; subst. Mellowness; Mellowy = zacht, zoet.
Melodious, miloudiəs, welluidend; subst. Melodiousness; Melodist = componist of zanger v. melodiën; verzameling van melodiën; Melody, melədi, melodie, zangwijze.
Melodrama, melədrâmə, melədrâmə, melodrama; Melodramatic, melədrəmatik, melodramatisch; Melodramatist, melədramətist, schrijver van melodramas.
Melon, mel’n, meloen: Melon-juice.
Melpomene, melpominî; Melrose, melrouz.
Melt, melt, smelten, wegsmelten, week worden, verteederen, roeren; ook subst.: All the spoons were melted down = gesmolten; To melt into tears; Melter = metaalsmelter, smeltoven; Melting heat = zwoele hitte; Melting sorrow = zielsroerende smart; Melting-furnace; Melting-point; Melting-pot = smeltkroes; Meltingness = weekheid (fig.).
Member, membə, lid, deel, lidmaat, afgevaardigde: Member of Parliament (= M. P.) = lid van het House of Commons; Membered = geleed; Membership = lidmaatschap, ledental.
Membrane, membrein, vlies, perkament: Mucous membrane = slijmvlies; Membranous, membrənɐs, vliezig.
Memento, mimentou, herinnering, gedenkteeken: Memento mori (môrai) = gedenk te sterven.
Memoir, memwö, gedenkschrift, verhandeling: Memoirs = Memorabilia.
Memorability, memərəbiliti, subst. v. Memorable, memərəb’l, merkwaardig, gedenkwaardig; subst. Memorableness.
Memorandum, memərand’m, memorandum, aanteekening, memorie; Memorandum-book = memoriaal.
Memorial, məmôriəl, gedenk..., gedachtenis...; subst. nota, memorie, necrologie, gedenkteeken (-feest): Memorial Day = gedenkdag ter eere der in den burgeroorlog (1861–65) gevallen strijders (Amer.); Memorialist = schrijver van mémoires, indiener van een nota; Memorialize, məmôriəlaiz, een memorie indienen; herdenken: The municipalities memorialized to the queen = dienden een verzoekschrift in bij.
Memorize, meməraiz, in het geheugen bewaren, uit het hoofd leeren; Memory, meməri, geheugen, gedachtenis, gedenkteeken: Her memory fails her a bit now and then = laat haar wat in den steek; In memory of = ter gedachtenis aan; Within the memory of man = Within living memory = sedert menschenheugenis; To call to memory = zich herinneren; To quote from memory.
Memphis, memfis; Memphian: Memphian darkness = Egyptische duisternis.
Men, men, mv. v. Man: Men-folk = manvolk; Men-pleaser = oogendienaar.
Menace, menis, subst. bedreiging; Menace verb. (be)dreigen; Menacer.
Menad, mînad, Bacchante.
Menagerie, Menagery, mənadžəri, beestenspel.
Mend, mend, subst. verbetering, reparatie; Mend verb. beter worden, verbeteren, repareeren, verhoogen, vermeerderen: On the mend = aan de beterhand; To mend one’s efforts = verdubbelen; To mend the fire = wat bij het vuur doen; To mend one’s life (ways) = zich beteren; To mend one’s pace = aanstappen; To mend stockings = kousen stoppen; The prices have mended = zijn omhoog gegaan; Mender; Mending: A card of mending = kaart stopgaren; A lapful of mending = verstelwerk; Mending-basket; My boots want mending = moeten gerepareerd worden.
Mendacious, mendeišəs, leugenachtig, valsch; Mendacity, mendasiti, leugen, leugenachtigheid.
Mendicancy, mendik’nsi, bedelarij, armoede; Mendicant = bedelend, bedel - -; bedelaar; bedelmonnik = Mendicant friar; Mendicity = armoede, bedelarij, bedelstaf.
Menial, mînj’l, dienst - -, huis - -, slaafsch, vuil, gemeen; subst. huisbediende, asschepoester.
Meningitis, menindžaitis, hersenvlies ontsteking.
Mennonist, menənist, Mennonite, menənait, Doopsgezinde.
Menses, mensîz, menstruatie; Menstrual = maandelijksch: Menses flow, Menses flux; Menstruate = menstrueeren; subst. Menstruation.
Mensurability, mensiurəbiliti, meetbaarheid; adj. Mensurable; subst. Mensurableness; Mensuration = meting.
Mental, ment’l, ziels..., geestes...: Mental arithmetic = hoofdrekenen; Mental defectives = achterlijken; Mental deficiency = achterlijkheid; Mental faculties = geestesgaven; Mental power = geestvermogen; Mental reservation = heimelijk voorbehoud.
Menteith, mentîth.
Menthol, menthol, menthol: Menthol cone (Menthol pencil) = migrainestift.
Mention, menš’n, subst. (ver)melding; Mention verb. vermelden, noemen, gewagen: At a mention of = bij vermelding van; To make (no) mention of = (geen) melding maken van; “Don’t mention it” = It is not worth mentioning = “’t Is de moeite niet”; Not to mention = om niet te spreken van; To be mentioned in dispatches = eervol vermeld worden (mil.); Just mention some = noem er eens een paar; Mentionable: It is hardly mentionable = het is haast niet noemenswaard.
Mentor, mentə, mentor, adj. Mentorial.
Mentz, ments, Mainz.
Menu, mənû, spijslijst.
Mephistophelean, mefistəfəlîən, adj. v. Mephistopheles, mefistofilîz, Mephistopheles.
Mephitic, mifitik, stinkend, verpestend; Mephitis, mifaitis, Mephitism, mifaitizm, mefətizm, verpestende uitwasemingen of dampen.
Mercantile, mɐ̂k’nt(a)il, handels..., handeldrijvend; baatzuchtig: Mercantile code = wetboek van koophandel; The mercantile marine = handelsvloot; Mercantile and trade schools = handels-, en vakscholen; Mercantile town = handelsstad.
Mercator’s Chart, mɐ̂keitəztšât, zeekaart volgens de projectie van Mercator.
Mercenariness, mɐ̂sənərinəs, veilheid; Mercenary, mɐ̂sənəri, loon - -, baatzuchtig, inhalig, veil; subst. huurling: Mercenary marriage = huwelijk om geld; Mercenary troops = huurtroepen.
Mercer, mɐ̂sə, zijdekoopman, manufacturier; Mercery = manufactuurzaak, (handel in) manufacturen of zijde.
Merchandise, mɐ̂tš’ndaiz, koopwaar.
Merchant, mɐ̂tš’nt, subst. koopman, groothandelaar; adj. handels - -, koopmans - -: Merchant-fleet = koopvaardijvloot; Merchantman = koopvaardijschip; Merchant-service = handelsvloot, zeehandel; Merchant-tailor = marchandtailleur; Merchantable = gangbaar, willig.
Merciful, mɐ̂siful, genadig; barmhartig; subst. Mercifulness; Merciless = meedoogenloos; subst. Mercilessness.
Mercurial, məkjûriəl, Mercurius - -; vluchtig, levendig, wispelturig, kwikzilverachtig; subst. Mercuriality; Mercury, mɐ̂kjəri, Mercurius, kwikzilver.
Mercy, mɐ̂si, genade, barmhartigheid, vergeving: To be at the mercy of = overgeleverd aan de genade van; It was a mercy, he did not prosecute him = hij mocht van geluk spreken, dat..; Vergel. Lord, have mercy upon us = Heer, wees ons genadig; To beg (cry) for mercy = om genade smeeken; To throw oneself on the mercy of = zich op genade of ongenade aan iemand overgeven; We are thankful for small mercies = voor gering gunstbetoon; Mercy-seat = troon der genade; verzoendeksel.
Mere, mîə, subst. grens, grenssteen; meertje.
Mere, mîə, louter, bloot: He is your mere tool = slechts uw werktuig; Merely = enkel, alléén.
Meredith, merədith.
Meretricious, meritrišəs, ontuchtig; verlokkend, bedriegelijk: Meretricious courage = voorgewende moed; subst. Meretriciousness.
Merganser, məgansə, duikergans.
Merge, mɐ̂dž, verb. indompelen, verzinken, opgaan in (into): To be merged in = geheel opgaan in; Merger = het opgaan van eene bezitting of een recht in een ander, van eene zaak in een andere.
Meridian, məridj’n, subst. middag, hoogste punt, meridiaan; adj. middag..., hoogte..., hoogste: Meridian altitude = middaghoogte; Meridian of the globe = koperen meridiaan; Meridional = meridiaan..., middag, zuidelijk: Meridional distance = lengteverschil; Meridionality = zuidelijke of zuidwaartsche ligging of richting.
Merino, mərînou, subst. merinoswol, merinos, merinosschaap (= Merino sheep); adj. merinos...
Merit, merit, subst. uitstekendheid, waarde, voortreffelijkheid, verdienste (meest meervoud) (Merits = hoofdzaken (Jur.)); Merit verb. verdienen, aanspraak hebben op, zich verdienstelijk maken: To make a merit of necessity = van den nood een deugd maken; The matter must rest (stand) on its own merits = moet op zich zelf worden beschouwd; You have Merited well of the country = u verdienstelijk gemaakt jegens; Meritorious, meritôriəs, verdienstelijk; subst. Meritoriousness.
Merivale, meriveil.
Merkin, mɐ̂kin, pruik, toer; haarverf (Amer.); pompstok (van een kanon).
Merle, mɐ̂l, meerle.
Merlin, mɐ̂lin, steenvalk.
Mermaid(en), mɐ̂meid(’n), (zee)meermin; Merman, mɐ̂m’n, triton.
Merovingian, merəvindžən, Merovingisch; subst. Merovinger; Merrimac = merimak.
Merriment, meriment, vroolijkheid, pret; Merry, meri, vroolijk, luidruchtig, prettig, gunstig, aangeschoten: A merry Christmas to you = ik wensch u een prettig kerstfeest; He was rather merry = lichtelijk aangeschoten; They live there as merry as the day is long = leven ... als vroolijk Fransje; To make merry = pretmaken; To make merry with a person = in ’t ootje nemen; Merry-andrew = grappenmaker, Jan Klaassen, hansworst; Merry-dancers = het Noorderlicht (Schotl.); Merry-go-round = mallemolen; Merry-making = subst. pret, vermaken; adj. vroolijk; Merry-meeting = pret, fuif; Merrythought = borstbeen (van eene kip).
Mersey, mɐ̂si, mɐ̂zi.
Mesenteric, mesənterik, tot het darmscheel behoorende; Mesenteritis, mesəntəraitis, darmscheelontsteking; Mesentery, mesəntəri, mezəntəri, darmscheel.
Mesh, meš, subst. maas; Meshes = netwerk, net (fig.), strik; Mesh verb. verstrikken, verstrikt raken; Mesh-work = netwerk; adj. Meshy.
Mesjid, mezdžid, moskee.
Mesmerism, mezmərizm, mesmerisme; Mesmerist = magnetiseur; Mesmerize = magnetiseeren; Mesmerizer.
Mesne, mîn, tusschenkomend: Mesne process = nevenproces; Mesne profits = de winsten van een landgoed, in den tijd dat den rechtmatigen eigenaar onwettig het bezit daarvan is onthouden.
Mesopotamia, mesəpəteimjə.
Mess, mes, subst. gerecht, spijs, voer, viertal, gemeenschappelijke tafel, bak (van militairen en matrozen); wanorde, verwarring, vuile boel; Mess verb. gezamenlijk eten, voeren; dooreenwarren, bevuilen, bevlekken: A mess of pottage = linzenschotel: To sell for a mess of pottage = voor een linzenkooksel (Genesis XXV, 29); Captain of a mess = bakmeester; We are four of a mess = we eten met ons vieren; To be in a pretty mess = er mooi uit zien (iron.); mooi in de klem zitten; He got himself into a mess with the suds = maakte zich vuil met het zeepsop; To get into messes with feminines = intriguetjes hebben met; To make a mess of = morsen, vuil maken, in wanorde brengen; I don’t like to be messed about = dat er zooveel drukte om me (mijne ziekte) gemaakt wordt; To mess about after other women = scharrelen met; Mess-beef = pekelvleesch; Mess-kit = eetgerei (mil.); Mess-mate = tafelgenoot, bakgast; Mess-room = kajuit voor gezamenlijke maaltijden; Mess-table; Messy = vuil, verward: A messy toy = speelgoed, dat aanleiding geeft tot vuil maken van kleeren of tafel.
Message, mesidž, boodschap: To bear (carry, deliver) a message = overbrengen; To go on a message = een boodschap doen; To go messages for; Messenger, mes’ndžə, boodschapper, courier, bode, voorbode; kabelaring (scheepst.).
Messiah, məsaiə; Messias, məsaiəs; Messianic, mesianik, Messiaansch.
Messidor, mesidö, tiende maand van het republikeinsche jaar.
Messieurs, mešɐ̂z, Heeren = Messrs.
Mestee, mestî, kind van blanke en quadrone.
Mestino, mestînou, Mestizo, mestîzou, mesties, kind van Spanjaard (of Creool) en Indiaansche vrouw.
Met, met, imperf. en part. perf. van to meet.
Metal, met’l, subst. metaal, brons, compositie, spoorstaaf, grint of steengruis (voor wegen), gesmolten glas; aantal, kaliber (v. kanonnen); Metal verb. een weg met metal bedekken: The train went off the metals = derailleerde; Metallic, mətalik, metalen: Metallic pen = stalen pen; Metallic vein = metaalader; Metalliferous = metaal bevattend; Metalliform, məteliföm, metaalachtig; Metalline, metəl(a)in: Metaline water = mineraalwater; Metallist = metaalwerker: Gold metallist = voorstander van den gouden standaard; Metallography = wetenschap en beschrijving der metalen; Metalloid, metəlôid, metalloïde; Metallurgy, metəlɐ̂dži, metallurgie.
Metamorphic, metəmöfik, metamorphisch; subst. Metamorphism; Metamorphose verb. Metamorphize = Metamorphose, metəmöfous, metəmöfouz, metamorphoseeren; Metamorphosis = gedaanteverwisseling.
Metaphor, metəfö, metaphoor; Metaphoric(al), metəforik(’l), overdrachtelijk, figuurlijk.
Metaphysical, metəfizik’l, metaphysisch; Metaphysician, Metaphysicist = bespiegelend wijsgeer; Metaphysics, metəfiziks, bespiegelende wijsbegeerte.
Metathesis, mətathəsis, metathesis.
Metayer, məteiə, landbouwer die de helft der opbrengst als pacht betaalt.
Mete, mît, subst. maat; grens (= Metes); Mete verb. meten, toemeten: Full justice was meted out to him = hij kreeg geheel wat hem toekwam; The treatment, meted out to him = hem ten deel gevallen; To apply the vulgar mete-yard to = een nuchteren maatstaf aanleggen.
Metempsychosis, mətempsikousis, zielsverhuizing.
Meteor, mîtjə, verheveling, meteoor; Meteoric, mîtiorik, meteoor...: Meteoric shower = groote menigte vallende sterren; Meteoric stone = Meteorite, mîtiərait = Meteorolite, mîtiərəlait; Meteorologic(al), mîtiərəlodžik(’l), meteorologisch; Meteorologist = weerkundige; Meteorology = weerkunde.
Meter, mîtə, meter: Dry meter, Wet meter = drooge, natte meter; To examine the meter = gasmeter opnemen; Meterage, mîtəridž, meting, meetloon.
Metheglin, mətheglin, mede (drank).
Methinks, mithiŋks, mij dunkt.
Method, methəd, methode, stelsel, proces; Methodical, məthodik’l, methodisch; Methodics, məthodiks, methodiek; Methodism = de leer der Methodists = aanhangers van de door John Wesley in Oxford gestichte secte (1729): Methodistic(al), methodistisch; streng methodisch; Methodize = stelselmatig behandelen, methodisch rangschikken; Methodizer; Methodology = (verhandeling over) methodiek.
Methought, mithôt, mij docht.
Methuen, məth(j)ûən, methuən; Methuselah, məthjûzələ.
Methyl, methil, methyl.
Meticulous, mətîkjuləs, bang, vreesachtig.
Metonic-Cycle, mitoniksailk’l, maancirkel (19 jaar).
Metonymic(al), metənimik(’l), metonymisch; Metonymy, mətonimi, metonymia.
Metre, mîtə, dichtmaat, versregel; meter (= 39.37 inches); Metric, metrik, metriek; metrisch = Metrical, metrik’l.
Metrograph, metrəgraf, instrument aan een locomotief, dat de snelheid van den trein, met den duur en het aantal malen “stoppen” aanwijst.
Metronome, metrənoum, metronoom; Metronomy = het meten der maat (muz.).
Metropolis, mətropəlis, zetel van een aartsbisschop, hoofdstad; Londen; Metropolitan, metrəpolit’n, subst. aartsbisschop; adj. aartsbisschoppelijk, tot een metropolis (tot Londen) behoorend: Metropolis Board of Works = Londensche bouwraad.
Mettle, met’l, (grond)stof, wezen, natuur, geest, vuur, ijver, moed: A man of mettle = voortvarend, van stavast; A horse of much mettle = vurig paard; Mettle of youth = jeugdig vuur; To put a person on (to) his mettle = iemand aanzetten (aanleiding geven) al zijne krachten in te spannen; To try a person’s mettle = alles vergen van iemands krachten; Mettled = Mettlesome = vurig; subst. Mettlesomeness.
Meuse, mjûz, Maas.
Mew, mjû, subst. zeemeeuw; ruikooi (vooral voor valken); schuilplaats; gemiauw: Mews = stal(len); nauwe straat achter groote huizen waarop de stallen uitkomen; Mew verb. opsluiten; ruien, verharen; vernieuwen; miauwen: To mew the feathers.
Mewl, mjûl, schreeuwen, drenzen (van kinderen); Mewler = schreeuwleelijk.
Mexican, meksik’n, subst. en adj. Mexicaan(sch); Mexico, meksikou.
Mezzo, medzə; Mezzo soprano = tweede sopraan; Mezzotint(o) = mezzotint.
Mho, mou, Ohm (electr.).
Miaow, miau, miaauw!
Miasm(a), maiazm(a), (Meerv. Miasmata), miasma; Miasmatic(al) = miasmen bevattend: Miasmatic fever = malaria.
Miaul, miôl, miaul, miauwen.
Mica, maikə, mica; Micaceous, maikeišəs, van of als mica, mica...
Micah, maika; Micawber, mikôbə.
Mice, mais, meervoud van mouse.
Michael, maik’l; Michaelmas, mik’lmas, St. Michiel (29 Sept.); herfst: Michael-term = zittingstermijn (vroeger van 2–25 Nov.; thans van 24 Oct.–21 Dec. = Michael Sittings); cursus van 1 Oct.–16 Dec. (Cambr.); 10 Oct.–17 Dec. (Oxf.).
Mich(e), mitš, zich verbergen, rondsluipen, de school verzuimen; Micher.
Michigan, mišigən.
Mickle, mik’l, veel, groot; ook subst.: Many a little makes a mickle = veel kleintjes maken een groote.
Microbe, maikroub, microbe; adj. Microbic.
Microcosm, maikrəkozm, de wereld in ’t klein, de mensch; adj. Microcosmic(al), maikrəkozmik(’l).
Micrometer, maikromətə, micrometer; adj. Micrometric(al); subst. Micrometry.
Micron, maikron, micron.
Micronesia, maikrənîziə, Micronesië.
Microphone, maikrəfoun, microphoon.
Microscope, maikrəskoup, microscoop; adj. Microscopic(al); Microscopist, maikrəskoupist, maikroskəpist = iemand, die met den microscoop werkt; Microscopy, maikrəskoupi, maikroskəpi = microscopie.
Mid, mid, subst. midden...; en verk. v. midshipman: Mid-air = tusschen hemel en aarde; Midday = middag, subst. en adj.; Midland = (in het) binnenland: The Midlands = midden Engeland; The Midland railway = de centraalspoor; Mid Lent = het midden van de vasten; Midmost = middelste; Midnight, subst. middernacht(elijk): He burns the midnight oil = werkt tot diep in den nacht; Midriff = middenrif; Midshipman of Midshipmite (schertsend) = adelborst (v. het oudste jaar); Mid-ships = midscheeps; Midstream = midden van de stroom; Midsummer = hartje v. d. zomer (21 Juni): Midsummer-day = St. Jan (24 Juni); Midsummer-eve = 23 Juni; Midway, subst. middenweg; adj. midden op den weg, halverwege; Midwinter = het hartje van den winter (21 December); Middy = Midshipman; Midst = midden: In the midst of.
Midden, mid’n, mesthoop.
Middle, mid’l, subst. het midden, middel (van het lichaam), tusschentijd, tijdschriftartikel; adj. midden, middelst, tusschen beiden, middelmatig: A clever middle for an evening paper; Middle Ages = Middeleeuwen; Middle course = middenweg; Middle English = ’t Engelsch van ± 1150–1500; Middle finger; Above, Under (the) middle height; Middle life = middenstand; Middle term = middenterm; Barely in middle-age = van middelbaren leeftijd; Middle-aged people = menschen van middelbaren leeftijd; Middle-class = burgerklasse; Upper middle-classes = deftige burgerstand; Middle-class school = Burgerschool; Middleman = agent, tusschenpersoon; Middlemost = middenste; Middle-sized.
Middleburgh, mid’lbɐ̂g.
Middling, midliŋ, middelmatig, redelijk; Middlings = met zemelen vermengd meel (veevoeder).
Midge, midž, mug; dwerg = Midget.
Midwife, midwaif, subst. vroedvrouw; Midwife verb. verlosk. bijstand verleenen; Midwifery, midw(a)ifri, verloskunde: Professor of midwifery.
Mien, mîn, uitzicht, gelaat, voorkomen, houding.
Miff, mif, verdrietig, droevig; Miff verb. verdrietig zijn.
Might, mait, imperf. van may: As best he might = zoo goed en zoo kwaad hij kon; He wept and well he might = en daar had hij wel reden voor.
Might, mait, macht, kracht: With might and main = uit alle macht; Might is above right (Might overcomes right) = macht gaat boven recht; Mightiness = grootheid, vermogen; hoogheid: Their High Mightinesses = Hunne Hoogmogenden; Mighty = machtig, groot, sterk: A mighty swell = een groote banjer.
Mignonette, minjənet, reseda.
Migrant, maigr’nt, subst. zwerver, trekvogel; adj. trekkend, verhuizend, nomadisch = Migratory: Migratory birds = trekvogels; Migratory life; Migrate, maigreit, verhuizen of trekken naar een ander land; subst. Migration.
Mikado, mikâdou, keizer van Japan.
Mike, maik.
Milan, milən, milan, Milaan; Milanese, milənîz, milənîs, Milanees, Milaneesch.
Milch, milš, melkgevend: Milch cow = melkkoe (ook fig.); Milchy = melkgevend.
Mild, maild, zacht, zachtaardig, vriendelijk; licht: Mild ale = licht bier; A mild answer = vriendelijk antwoord; Mild and strong cigars; With mild pique = eenigszins gepiqueerd; A mild pun = flauwe; The dog is as mild as milk = doodgoed; Mild-spirited (Mild-tempered) = zachtaardig; Mild-spoken = vriendelijk; To put it mildly = om het zacht te zeggen; subst. Mildness.
Mildew, mildjû, subst. meeldauw, schimmel; Mildew verb. beschimmelen, met meeldauw bedekt worden; Mildewy = bedorven, beschimmeld.
Mile, mail, mijl (1609 meter); Mile-mark (Mile-post) = mijlpaal; Milestone = mijlsteen: I have passed some black milestones = heb het vaak hard te verduren gehad; Mileage, mailidž, afstand in miles; uitgaven per mijl; reiskosten per mijl; A ten miler = een marsch van 10 mijl.
Miles, mailz; Milesian, m(a)ilîž’n, inwoner van Milete; Ier; adj. van Milete, Iersch.
Milfoil, milfôil, gemeen duizendblad.
Miliary, miliəri, gierst, gierstvormig, korrelig.
Militancy, milit’nsi, oorlog(stoestand); Militant = vechtend, strijdlustig: The Church militant.
Militarism, militərizm, oorlogsgeest, oorlogspolitiek, militairisme.
Military, militəri, adj. krijgs ..., krijgshaftig; subst. mv. militairen: Military Academy; Military chest = oorlogskas; Military code; He is a military man = militair; I am not a military man = anti-militair; Military officer = officier van de landmacht; Military school; Military service; Military stores = krijgsvoorraad.
Militate, militeit, (met against, from) = vijandig staan tegenover, strijden tegen.
Militia, milišə, militie, die zonder eigen toestemming niet buitenslands diende (nu vervangen door de “Special Reserve”): The land and the marine militia; To serve in the militia; Militiaman.