Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 79

Chapter 793,032 wordsPublic domain

Milk, milk, subst. melk, zog, sap; Milk verb. melken, melk geven: There’s no help for (It’s no use crying over) spilt milk = gedane zaken nemen geen keer; To take in with the mother’s milk; To milk the pigeon = monnikenwerk doen; To milk the wires = onrechtmatig vreemde telegrammen aflezen; zich een deel van een electr. stroom toeeigenen; Milk-and-water(y) = melk en water ..., flauw, sentimenteel; Milk-can; Milk-cure; Milk-farm; Milk-fever = zogkoorts; Milk-gauge = galactometer; Milk-glass = melkglas; Milk-jug; Milk-livered = laf; Milkmaid; Milkman = melkboer; Milk-pail; Milk-punch = rum met melk, suiker en muskaat; Milk-sop = in melk geweekt brood; verwijfd persoontje; Milk Standard Act = wet tegen melkvervalsching; Milk-strainer = zeef; Milk-sugar; Milk-tooth = melktand; Milk-walk = wijk van één melkboer; Milk-woman; Milker = melker; melkkoe = Milking-cow; Milking-time; Milky = melkachtig: The Milky Way = melkweg.

Mill, mil, molen, fabriek, spinnerij, tredmolen; vuistgevecht, rekenpenning (​1⁄10 v. een Am. cent); Mill verb. malen, kartelen, vollen, walken, pletten, afranselen, doen schuimen: That brings grist to your mill = dat zet zoden aan den dijk, geeft je voordeel; To go through the mill = door ervaring leeren; He has been through the mill = hij weet er alles van; Oil mill; Saw mill; St. Stephen’s mill = het Parlement; Wind mill; Mill-brook = molenbeek; Mill-clack, Mill-clapper = molenklapper; Mill-cog = tand (molenrad); Mill-dam = molendam; Mill-hand = molenaarsknecht; fabrieksarbeider; Mill-head = water vóór den molen; Mill-owner = fabrikant; Mill-pond = molenvijver: As quiet as a mill-pond; Mill-race = molentocht; Mill-sail = molenzeil; Mill-stone = molensteen; To get between the upper and the nether mill-stone = tusschen hamer en aambeeld geraken; He can see through (into) a mill-stone = hij is scherpzinnig; Mill-tail = waterstroom uit een molen; Millwright = molenmaker; Miller = molenaar: There are many cases of drowning the miller in our annotated editions of standard authors = herhaaldelijk vinden we gevallen van te veel commentaar in de verklarende uitgaven van onze classieken; Miller’s fee (toll) = maalgeld; Milling = het malen, kartelen (van muntranden).

Millenarian, milənêriən, duizendjarig, wat tot het duizendjarig rijk behoort; subst. geloover in de komst van het duizendjarig rijk; Millenarianism = de leer der Millenarians; Millenary, milənəri, duizendjarig; subst. millennium: The millenarian of King Alfred = de duizendste jaardag; Millennial, milenj’l, duizendjarig; Millennium, milenj’m, het duizendjarig rijk, de tijd van den Wereldvrede.

Milleped, miliped, Millipede, milipîd, duizendpoot, pissebed (oproller, varkentje).

Millerism, milərizm, leer v. William Miller (1782–1849); Millerist, Millerite, milərait, volgeling van Miller, die de onmiddellijke komst en heerschappij van Jezus verwachtte.

Millesimal, milesiməl, duizendste deel.

Millet, milət, gierst.

Milliard, miljəd, duizend millioen.

Milligram(me), miligram; Millimetre, Millimeter, milimîtə, milimitə.

Milliner, milinə, modemaakster, dameskleermaker; Millinery = (zaak in) modeartikelen; kostuumnaaien.

Million, milj’n, millioen: Two thousand millions of money; The million = de groote hoop, het groote publiek; Millionaire, milj’nêə, millionair; Millionary = uit millioenen bestaande; Millionth = millioenste.

Millocrats, miləkrats, rijke fabrikanten.

Milnes, milz; Milo, mailou.

Milreis, milrîs, Portug. munt (± ƒ 2,70).

Milsey, milsi, melkzeef.

Milt, milt, subst. milt, horn (van visschen); Milt verb. bevruchten, kuit schieten; Milter = hommer.

Miltiades, miltaiədîz; Milwaukee, milwôki.

Mime, maim, subst. mime, gebarenspel (bij Grieken en Romeinen), gebarenspeler; Mime verb. spelen; We cannot bedeck our inner selves, and make them mime as the occasion pleases = kunnen ons innerlijk niet optooien, en het, al naar de gelegenheid het verlangt, eene rol doen spelen; Mimetic(al), m(a)imetik(’l), nabootsend; Mimic, mimik, nabootsend, nagebootst; subst. nabootser, mime; Mimic verb. nabootsen: Mimic warfare = spiegelgevecht, manoeuvres; Mimicker = nabootser; Mimicry = grappige nabootsing, aanpassing aan de omgeving ter eigen beveiliging (van dieren).

Mimosa, m(a)imousə, mimosa.

Mimsey, mimzi, maatje.

Minaret, minəret, minaret.

Minatory, minətəri, dreigend.

Mince, mins, fijn hakken, bewimpelen, gemaakt spreken of loopen (met kleine pasjes): He doesn’t mince matters = neemt geen blaadje voor zijn mond; She minces her words = spreekt erg gemaakt; To mince one’s steps = trippelen; Mince-meat = fijngehakt, met rozijnen, appelmoes, citroensap, vet, rum, etc., dooreengemengd vleesch voor pasteitjes: To cut into mince (To make mince of) = in de pan hakken (milit.); Mince-pie = eene met Mince-meat gevulde pastei; Mincer = hakmachine; geaffecteerd persoon; Mincingly = geaffecteerd, vergoelijkend.

Mind, maind, subst. gemoed, geest, ziel, neiging, herinnering, zorg, meening; Mind verb. letten op, behartigen, bezwaren hebben, bedenken, van zins zijn: Absence of mind = verstrooidheid; Presence of mind = tegenwoordigheid van geest; To be in one’s right mind = bij zijn volle verstand zijn; To be of one mind = eenstemmig zijn; To be in two (several) minds = weifelen; To be out of one’s mind (of unsettled mind) = niet recht bij zijn verstand zijn; To bear in mind = bedenken; To bring (call) to mind = te binnen roepen, zich herinneren; It came into my mind = de gedachte kwam bij mij op; To cross (enter) one’s mind = te binnen schieten; To feel in half a mind = half van plan (geneigd) zijn; To have a great mind = veel lust hebben; To have no mind = geen lust hebben; To have all the mind in the world = allemachtig veel trek hebben; To keep in mind of = herinneren aan; He does not know his own mind = weet zelf niet wat hij wil; To make up one’s mind = besluiten; Make up your mind for it = bereid er je op voor; I will put you in mind of it = je er aan herinneren; He has set his mind upon it = zijn zinnen er opgezet; Speak your mind = zeg wat je op het hart ligt, spreek ronduit; Out of sight, out of mind = uit het oog, uit het hart; The house has stood there time out of mind = sedert onheugelijke tijden; To my mind = naar mijn meening; So many men so many minds = zooveel hoofden, zooveel zinnen; Mind you! = denk er om! Never mind = het kan niet schelen; Mind your own business = bemoei je met je eigen zaken; To mind a child = passen op; To mind the door = om de deur denken, op het huis passen; Mind your head-ache = denk om je hoofdpijn; I should not mind going there now = zou er nu wel heen willen; Mind your P’s and Q’s = pas op je tellen; Mind-reading = gedachtenlezen; Mind-wandering = ijlen; Minded = geneigd, gezind: He was minded to end the matter = van plan; If you are (so) minded = als ge er zin in hebt; Mindful = opmerkzaam, voorzichtig, gedachtig: Be Mindful of your health = denk om; subst. Mindfulness; Mindless of everything = op (om) niets lettende (denkende).

Mine, main, van mij: This book is mine; A friend of mine = een mijner vrienden; Mine host = de waard.

Mine, main, subst. mijn, rijke bron; Mine verb. ondermijnen (ook fig.); uitgraven, graven naar: A gold mine; Mine-captain = mijnopzichter; Miner = mijnwerker, mineur.

Mineral, minər’l, subst. delfstof; adj. delfstoffelijk, mineraal: Mineral kingdom = delfstoffenrijk; Mineral oil; Mineral salt = mineraalzout; Mineral spring; Mineral waters = minerale bronnen of wateren; Mineralization, subst. v. Mineralize = versteenen, mineraliseeren; Mineralogic, minərəlodžik; mineralogisch; Mineralogist, minəralədžist, delfstofkundige; Mineralogy, minəralədži, mineralogie.

Minerva, minɐ̂və, Minerva: Minerva press = een vroegere drukkerij in Londen; de sentimenteele romans daar gedrukt.

Minever, Miniver, minivə, Siberisch eekhorentje, het bont daarvan.

Mingle, miŋg’l, vermengen, zich vermengen (onder), versmelten.

Miniature, minitj(u)ə, subst. miniatuur(portret); adj. verkleind, op kleine schaal: Miniature painter.

Minibus, minibɐs, een soort wagen voor 4 personen.

Minify, minifai, verkleinen; geringschatten.

Minikin, minikin, zeer klein, geaffecteerd; subst. kleine speld; lieveling.

Minim, minim, zeer klein; subst. dwerg, kort gedicht; ± 65 m.Gram; halve noot; Minims = de strenge orde der Miniemen; Minimal, minimaal; Minimization, subst. v. Minimize = verkleinen, verbloemen: Let us not minimize the danger of our situation; Minimum = minimum.

Mining, mainiŋ, subst. mijnbouw; adj. mijn ...: Mining-academy; Mining-shares (Mining-stocks) = mijn waarden.

Minion, minj’n, subst. slaafsch volgeling, gunsteling, lichtekooi: Minions of the moon = roovers, dieven.

Minister, ministə, subst. (staats)dienaar, minister, gezant; werktuig (fig.); predikant (bij de dissenters); Minister verb. voorzien van, verschaffen, toedienen, besturen, ministreeren, oppassen, behulpzaam zijn, geneesmiddelen geven: Minister of the Colonies; Minister of Finance; Minister of Foreign Affairs; Minister of the Interior = M. van Binn. Zaken; Minister of War; Prime Minister = minister-president; He ministered to me in those days = verzorgde mij; Ministerial, ministîriəl, dienend, gehoorzamend; ministerieel; Ministerialist = regeeringsgezinde; Ministrant, dienend; subst. dienaar; Ministration = dienstverrichting, bestuur, geestelijke bijstand of ambt: The prisoner was offered his ministrant = den gevangene bood men geestelijken bijstand aan; Ministry = ministerie, dienst, geestelijke functiën.

Minium, minj’m, roode menie.

Mink, miŋk, vison, soort v. Amer. wezel; pels daarvan.

Minnow, minou, soort witvisch, voorntje, stekelbaarsje.

Minor, mainə, kleiner, geringer, jonger, klein, gering; subst. minderjarige, mineur, minor, (term van een syllogisme): Minor key = mineur (muz.); Minor poets; Minor premiss, deze bevat den Minor term = het subject v. de conclusie; Minor third = kleine terts; Asia Minor = Klein-Azië; Minorite, mainərait, Franciskaner; Minority, m(a)inoriti, minderheid, minderjarigheid.

Minorca, minökə; Minos, mainəs; Minotaur, minətö.

Minster, minstə, hoofdkerk, kloosterkerk.

Minstrel, minstr’l, minstreel; negerzanger (= Negro minstrel); Minstrelsy = de kunst v. d. minstreel, balladenverzameling.

Mint, mint, munt, groote hoeveelheid; munt (plant); Mint verb. munten, slaan, smeden: Master of the mint = muntmeester; A mint of money = een “bom” duiten; The mint and cummin of literature = de nietige dingen of kleinigheden in de letteren (Zie Matth. XXIII, 23); Mint-drops = pepermuntjes; Mint-julep = Amer. drank van suiker, spiritualiën en kruizemunt in gestampt ijs; Mint-sauce = kruizemuntsaus; Mintage, mintidž, het gemunte, muntrecht.

Minuend, minjuənd, aftrektal.

Minuet, minjuət, menuet: To step (walk) a minuet = een menuet dansen.

Minus, mainəs, minder dan, onder nul, met uitzondering van, waardeloos.

Minuscule, minɐskjûl, klein, gering; subst. kleine letter.

Minute, minit, subst. minuut, memorandum, concept, notulen, protocol (= Minutes); ook adj.; Minute verb. aanteekeningen maken, do minuten of notulen schrijven van: To keep the minutes; Minute-book = klad- of notulenboek; Minute-glass = zandglas (van ééne minuut duur); Minute-gun = minuutschot; Minute-hand = minuutwijzer.

Minute, minjût, zeer klein, gering, precies, omstandig; subst. Minuteness; Minutiae, minjûšiî, kleinigheden, bijzonderheden.

Minx, miŋks, brutale meid.

Miracle, mirək’l, wonder, mirakel: To a miracle = wonderbaarlijk; To work miracles = doen; Faith works miracles; Miracle-play = mysteriespel; Miraculous, mirakjəlɐs, wonderdadig, wonderbaarlijk, wonder..; subst. Miraculousness.

Mirage, mirâž, luchtspiegeling, waan.

Mire, maiə, subst. slijk, modder; Mire verb. bemodderen, in den modder zakken of zitten, in ongelegenheid brengen: To be in the mire = in den klem zitten; To drag into the mire = door het slijk halen (fig.); Mire-crow = kap- of kokmeeuw; Miriness = modderigheid.

Mirror, mirə, subst. spiegel, toonbeeld; Mirror verb. terugkaatsen: Dutch mirrors = spionnetjes; Halls of mirrors = spiegelzalen.

Mirth, mɐ̂th, vroolijkheid, opgewektheid; adj. Mirthful; subst. Mirthfulness.

Miry, mairi, modderig.

Mirza, mɐ̂zə, Perzische eeretitel; vorst.

Misadventure, misədventjə, ongeluk, tegenspoed; adj. Misadventurous.

Misalliance, miselaiəns, huwelijk beneden iemands stand; Misallied, misəlaid, verkeerd vereenigd.

Misanthrope, misənthroup, menschenhater; adj. Misanthropic(al), misənthropik(’l); Misanthropist, misanthrəpist, menschenhater; Misanthropy, misanthrəpi, menschenhaat.

Misapplication, misaplikeiš’n, subst. v. Misapply, misəplai, verkeerd toepassen.

Misappreciate, misəprîšieit, onderschatten; subst. Misappreciation.

Misapprehend, misaprihend, misverstaan, verkeerd begrijpen; subst. Misapprehension.

Misappropriate, misəprouprieit, zich onwettig toeëigenen; subst. Misappropriation.

Misarrange, misəreinž, verkeerd rangschikken; subst. Misarrangement.

Misbecome, misbikɐm, ongepast zijn voor, slecht passen bij; Misbecoming = ongepast, onvoegzaam.

Misbefitting, misbifitiŋ, onvoegzaam.

Misbegotten, misbigot’n, onecht, slecht.

Misbehave, misbiheiv, zich misdragen (oneself); Misbehaviour, misbiheivjə, wangedrag.

Misbelief, misbilîf, ongeloof, dwaalleer; Misbelieve = dwalen, ten onrechte gelooven; Misbeliever = ongeloovige.

Miscalculate, miskalkjuleit, misrekenen; verkeerd uitrekenen; subst. Miscalculation.

Miscall, miskôl, verkeerdelijk noemen.

Miscarriage, miskaridž, mislukking, verloren gaan, wangedrag, miskraam: A gross miscarriage of justice = grove rechterl. dwaling; Miscarry, miskari, verloren gaan (v. brieven), mislukken, een miskraam krijgen: He miscarries of puns every minute = hij zegt om den haverklap te onrechter tijd woordspelingen.

Miscast, miskâst, subst. misrekening; Miscast verb. misrekenen, verkeerd berekenen.

Miscegenation, misədžəneiš’n, rassenvermenging.

Miscellanea, misəleinjə, allerlei; Miscellaneous = gemengd, door elkaar, verscheiden; subst. Miscellaneousness; Miscellanist, misələnist, schrijver van mengelwerk; Miscellany, miseləni, mengeling, mengelwerk.

Mischance, mistšâns, subst. ongeluk, ramp; Mischance verb. ongelukkig gebeuren.

Mischief, mistšif, onheil, ongeluk, kwaad, ondeugendheid, onrecht, schade, nadeel: The boys are never out of mischief = voeren altijd wat uit; He is bent on mischief = hij voert wat in zijn schild; Out of pure mischief = uit moedwil; To do mischief = ondeugend zijn; To get into mischief = kattekwaad uitvoeren; To lead into mischief = verleiden tot kwaad doen; To make mischief = onheil stichten; He means mischief = voert wat in het schild; There will be the mischief to pay = dan heb je de poppen aan ’t dansen; What the mischief is your little game = wat duivel voer jij in ’t schild? Like the very mischief = als dol; He is a mischief-maker = onheilstoker, tweedrachtstichter; A mischief-making fellow = kwaadstichter, onheilstoker; Mischievous, mistšivɐs, boos(aardig), schadelijk, moedwillig, noodlottig, ondeugend; subst. Mischievousness.

Miscible, misib’l, vermengbaar.

Miscite, mis-sait, verkeerdelijk aanvoeren of aanhalen.

Miscomprehend, miskomprəhend, Misconceive, misk’nsîv, verkeerd begrijpen of beoordeelen; Misconception = verkeerde opvatting, wanbegrip, dwaling.

Misconduct, miskondəkt, wangedrag, verkeerde behandeling.

Misconduct, misk’ndɐkt, slecht besturen of behandelen: To misconduct oneself = zich slecht gedragen.

Misconjecture, misk’ndžektjə, subst. valsche gissing; Misconjecture verb. verkeerdelijk gissen of berekenen, misrekenen.

Misconstruction, misk’nstrɐkš’n, misvatting, verkeerde uitlegging; Misconstrue, miskonstrû, verkeerd opvatten of uitleggen.

Miscount, miskaunt, subst. misrekening; Miscount verb. verkeerd tellen of rekenen.

Miscreant, miskriənt, afschuwelijk, gemeen; subst. ellendeling, schurk.

Miscue, miskjû, subst. misstoot (bilj.); Miscue verb. misstooten.

Misdate, misdeit, subst. verkeerde dagteekening; Misdate verb. verkeerd dateeren.

Misdeal, misdîl, subst. het verkeerd geven (van kaarten); Misdeal verb. verkeerd geven: To make a misdeal.

Misdeed, misdîd, misdaad.

Misdeem, misdîm, verkeerd beoordeelen.

Misdemean, misdimîn: To misdemean oneself = zich slecht gedragen; Misdemeanant = misdadiger; Misdemeanour, wangedrag, misdrijf.

Misdirect, misdirekt, verkeerd adresseeren, verkeerd leiden; subst. Misdirection.

Misdo, misdû, misdû, verkeerd doen, een vergrijp begaan; Misdoer; Misdoing = vergrijp, misdaad.

Misemploy, misəmplôi, verkeerdelijk toepassen, misbruiken; subst. Misemployment.

Misenter, misentə, valschelijk boeken; Misentry = verkeerde boeking.

Miser, maizə, vrek.

Miserable, mizərəb’l, ellendig, verachtelijk, waardeloos, ongelukkig: The miserables = katterigheid; subst. Miserableness.

Miserere, mizərîri, boetpsalm (51), miserere, weeklacht; Miserere verb. drek braken: Miserere Day = Aschwoensdag.

Misery, mizəri, ellende, ramp, ongeluk.

Misfeasance, misfîz’ns, overtreding, misbruik van ambtelijke bevoegdheid.

Misfit, misfit, (iets) wat slecht past; Misfit verb. niet passen: This coat is a misfit; A misfit suit.

Misform, misföm, misvormen; subst. Misformation, misvorming.

Misfortune, misfötjən, ongeluk, ongelukje (= misstap): Misfortunes never come singly = een ongeluk komt nooit alléén.

Misgive, misgiv, met twijfel of argwaan vervullen: My heart (mind) misgave me = ik vreesde het ergste; Misgiving = angstig voorgevoel, twijfel.

Misgovern, misgɐvən, slecht besturen; subst. Misgovernment = wanbeheer, wanbestuur.

Misguidance, misgaid’ns, verkeerde leiding; Misguide, misgaid, verkeerd leiden, op een dwaalspoor brengen.

Mishap, mishap, ongeluk, ongeval, misstap; To have a mishap.

Mishmash, mišmaš, mengelmoes, hutspot.

Mishna(h), mišnə, een afdeeling van den Talmud; Mishnic = tot de M. behoorende.

Misinfer, misinfɐ̂, verkeerdelijk opmaken.

Misinform, misinföm, verkeerd inlichten; subst. Misinformation; Misinformer.

Misintelligence, misintelidžens, verkeerde inlichting, valsch bericht.

Misinterpret, misintɐ̂prət, verkeerd uitleggen; subst. Misinterpretation; Misinterpreter.

Misjoin, misdžôin, slecht of verkeerd verbinden.

Misjudge, misdžɐdž, verkeerd (be)oordeelen; subst. Misjudgement.

Mislay, mislei, verliezen, te zoek maken: She lost her temper, or, rather, mislaid it = zij raakte uit haar humeur, tenminste eventjes; Mislayer.

Mislead, mislîd, misleiden, verleiden; Misleader.

Mislike, mislaik, subst. afkeer, weerzin; Mislike verb. een afkeer hebben, mishagen.

Mismanage, mismanidž, verkeerd besturen; subst. Mismanagement; Mismanager.

Mismatch, mismatš, verkeerd samenvoegen of paren.

Mismetre, mismîtə, het metrum bederven.

Misname, misneim, verkeerd noemen.

Misnia, mizniə, Meiszen; adj. Misnian.

Misnomer, misnoumə, verkeerde benaming.

Misogamist, misogəmist, tegenstander van het huwelijk; Misogamy = weerzin tegen het huwelijk; Misogynist, misodžinist, vrouwenhater; Misogyny, misodžini, vrouwenhaat.

Misplace, mispleis, misplaatsen, verkeerd gebruiken; subst. Misplacement.

Misprint, misprint, drukfout; Misprint verb. verkeerd drukken.

Misprision, mispriž’n, ambtsverzuim: Misprision of felony = verzuim de misdaad te vervolgen; Misprision of treason = verzuim het hoogverraad te vervolgen.

Misprize, mispraiz, onderschatten, verachten.

Mispronounce, misprənauns, verkeerd uitspreken; subst. Mispronunciation.

Misproportion, misprəpöš’n, eene slechte verhouding of schikking maken.

Misquotation, miskwəteiš’n, onjuiste aanhaling; Misquote = onjuist aanhalen.

Misremember, misrimembə, zich niet juist herinneren: If I misremember not = als mijn geheugen mij niet bedriegt.

Misreport, misripöt, subst. onjuist of valsch rapport; Misreport verb. onjuist berichten.

Misrepresent, misreprizent, onjuist of verkeerd voorstellen; subst. Misrepresentation; Misrepresenter.

Misrule, misrûl, wanorde, wanbestuur, oproer; Misrule verb. verkeerd besturen.

Miss, mis, (me)juffrouw (voor ongehuwde vrouwen): The misses Brown, The miss Browns = de (jonge)dames B.; Missie = juffertje; Missish = gemaakt, juffertjesachtig, preutsch; subst. Missishness.

Miss, mis, subst. een misschot, misstoot, misworp; Miss verb. missen, niet raken, misloopen, overslaan, vermijden; ontberen, ontbreken, ketsen, mislukken: A miss is as good as a mile = haast is nog niet half; She feels the miss of her children = het gemis; He made a miss in balk (a miss for safety) = hij gaf een mispunt om goedaf te spelen (bilj.); You have missed the aim (the mark) = mis geschoten, het doel niet geraakt; The gun missed fire = ketste; To miss a train; To miss one’s step (footing) = uitglijden; To be (go) a-missing = weg zijn, weg raken; The book is missing = is er niet, is weg; Several are killed or missing = worden vermist; Missing-link = ontbrekende schakel.

Missal, mis’l, misboek.

Missel (thrush), mis’l (thrɐš), groote lijster.

Missend, misend, aan het verkeerde adres zenden.

Misshape, mis-šeip, subst. wanstaltigheid; Misshape verb. wanstaltig maken, verkeerd vormen; Misshapen = wanstaltig, misvormd; subst. Misshapenness.

Missile, misil, werp..; subst. werptuig, projectiel; Missile dart = werpspies.

Mission, miš’n, subst. zending, opdracht, missie, gezantschap, zendelingenstation; Missionary, zendelings..; subst. zendeling; Missioner = bode, zendeling.

Missive, misiv, gezonden; subst. brief, officiëel bericht.

Missouri, misûri.

Misspell, misspel, onjuist spellen; Misspelling = verkeerde spelling.

Misspend, misspend, slecht besteden, weggooien.

Misstate, missteit, verkeerd voorstellen of uitdrukken; subst. Misstatement.

Misstep, misstep, misstap (eigenl. en fig.); Misstep verb. mis-stappen, struikelen.

Mist, mist, subst. nevel, motregen, sluier (fig.); Mist verb. misten, motregenen, met nevel bedekken: I had a mist before my eyes = mijne oogen waren beneveld = A mist was over my eyes; They were in a mist = zij waren beneveld, de kluts kwijt; The leaden mist = grauwe; A Scotch mist = zware, natte nevel; Mistiness, subst. v. Misty; Mistlike = nevelachtig; Misty = mistig, duister.

Mistakable, misteikəb’l, wat gemakkelijk verkeerd wordt opgevat, of met elkaar verward; Mistake, misteik, subst. vergissing, fout; Mistake verb. verkeerd opvatten of verstaan, verkeerdelijk houden voor, misverstaan, dwalen, zich bedriegen: To make a profound mistake = zich deerlijk vergissen; He is a good fellow, and no mistake (about it) = ..., en daar kun je op aan; I mistook you for your brother = ik zag u aan voor; You are mistaken = ge vergist u; A Mistaken notion = dwaalbegrip; Mistakenly = bij vergissing; Mistaker.

Mister, mistə, mijnheer (vóór den naam, en dan steeds geschreven Mr.).

Misterm, mistɐ̂m, verkeerd noemen.

Mistimed, mistaimd, ontijdig, misplaatst.

Mistitle, mistait’l, een verkeerden titel geven.

Mistletoe, miz’ltou, marentak, vogellijm.

Mistranslate, mistr’nsleit, verkeerd vertalen; subst. Mistranslation.

Mistress, mistrəs, meesteres, gebiedster, huisvrouw, hoofd (van een school), juffrouw voor de huishouding (in aanzienlijke families), mevrouw (voor getrouwde vrouwen verkort tot Mrs., misiz), liefje, minnares: Head mistress = directrice, hoofd.

Mistrust, mistrɐst, wantrouwen; ook verb.; adj. Mistrustful; subst. Mistrustfulness: Mistrustfulness of oneself = gebrek aan zelfvertrouwen.

Misunderstand, misɐndəstand, verkeerd begrijpen, misverstaan; Misunderstanding = misverstand, onaangenaamheid, verschil.

Misusage, misjûzidž, misbruik, slechte behandeling; Misuse, misjûs, misbruik, slechte behandeling; Misuse, misjûz, misbruiken, slecht behandelen, beetnemen.

Miswrite, misrait, onjuist schrijven.

Mite, mait, mijt; penning, ziertje, dreumes: My contributory mite = penninkske; The widow’s mite = het penninkske der weduwe; Our Mary was a toddling mite of two years old = een waggelend dreumesje.

Mithridate, mithridit, tegengif; Mithridates, mithrideitîz, Mithridates.

Mitigate, mitigeit, verzachten, verlichten, matigen, lenigen; subst. Mitigation; adj. Mitigative; Mitigator = alles wat lenigt en verzacht.