Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 89

Chapter 893,022 wordsPublic domain

Paper, peipə, subst. papier, blad, zak(je), verhandeling, opstel, document, courant, geldswaardig papier, papillottenpapier, behangselpapier, (personen met) vrijbiljetten; ook adj.; Paper verb. met papier bedekken, in papier wikkelen, behangen, met vrijbiljetten vullen: To commit to (Put on) paper = op papier zetten; It will get into the papers = couranten; To perform to houses filled with paper = voor theaters vol van personen met vrijbiljetten; Reflect, before you put pen to paper = vóór gij schrijft; To read a paper on Folk Lore = een lezing houden; To send in one’s papers = stukken; To set a paper in English grammar = een gram. oefening opgeven; A paper of cigars = zakje; Paper of direction = adreskaart; A paper of needles = brief naalden; Paper of patterns = staalkaart; He is three down the paper = staat No. 3 op lijst of voordracht; On paper = op papier; Blotting-paper and letter-paper = vloei- en postpapier; It is nothing but waste paper = het is louter scheurpapier; I will have this room papered = zal laten behangen; Paper-bag = zak; Paper-chase = snipperjacht; Paper-collar = papieren boord; Paper-cornet = peperhuisje; Paper-cover = omslag; Paper-credit = wisselcrediet; Paper-cutter = papiersnijder, vouwbeen; Paper-fastener = klemmer; Paper-folder = vouwbeen; Paper-hanger = behanger; Paper-hangings = behangsel; Paper-knife = papiersnijder; Paper-mill = papiermolen; Paper-money = papiergeld, bankbiljetten; Paper-shop = courantenrondbrengerswinkel; Paper-stainer = fabrikant van behangselpapieren; Paper-weight = “presse-papier”; Papery = als papîer.

Paphian, peifiən, van Paphos, tot Venus of haar dienst behoorende, ontuchtig: subst. boeleerster; Paphos, peifos, stad in Cyprus met Venustempel.

Papilio, pəpiliou, koninginnepage (kapel); Papilionaceous, pəpiljəneišəs, vlindervormig; kapelachtig.

Papilla, pəpilə, papil, tepel; Papillary, papələri, pəpiləri; Papillate, papilit, pəpilit, tepelvormig, met wratjes bedekt.

Papillote, papilout, papillot.

Papist, peipist, Roomsch-Katholieke; adj. Papistic(al); Papistry = R. Katholicisme.

Papoose, pəpûz, pəpûs, jong kind (Indianen).

Pappose, papous, van zaadpluis voorzien; Pappus = zaadpluis, fijne haarbedekking.

Papua, papuə, pâpuə; adj. Papuan, papuən, papjuən, ook = Papoea.

Papula, papjulə, puistje.

Papyrus, pəpairəs, papyrusplant (rol).

Par, pâ, pari(koers), gelijkheid, normaalstand; verkorting voor Paragraph: Above, below par = boven, beneden pari: They are on a par (with) = staan op gelijke lijn, op gelijke hoogte (als); There is a par about him in to-day’s paper = er staat wat over hem in de courant.

Parable, parəb’l, parabel: He took up his parable = begon te spreken (hief zijn spreuk op).

Parabola, pərabələ, parabool, kegelsnede; Parabole, pərabəlî, vergelijking, parabool; Parabolic(al) = parabolisch; bij wijze van gelijkenis of vergelijking.

Paracelsian, parəselš’n, van Paracelsus = Paracelsus.

Parachute, parəšût, subst. valscherm, parachute; Parachute verb. zich met eene parachute laten vallen; Parachutist = iemand, die zich van een valscherm bedient.

Paraclete, parəklît, voorspraak, Trooster (H. Geest).

Para-coat, pârəkout, gummi-overjas.

Parade, pəreid, subst. parade, vertoon, optocht, paradeplein, exercitieplaats (= Parade-ground), openbare wandelplaats; Parade verb. vertoon maken, pronken, pralen, (laten) paradeeren: At three o’clock the troops were paraded = liet men de troepen parade maken.

Paradigm, parəd(a)im, paradigma, voorbeeld; adj. Paradigmatic.

Paradisaic(al), parədiseiik(’l), paradijsachtig; Paradise, parədais, paradijs, schellinkje (Theater): Bird of paradise = paradijsvogel; Paradisiac(al), parədisiək(’l), parədisaiək(’l), paradijsachtig.

Paradox, parədoks, paradox; Paradoxer = maker van paradoxen; Paradoxical, parədoksik’l: A paradoxical cynic or a cynical paradoxer = een van paradoxen houdend cynicus of een cynisch paradoxenmaker.

Paraffin(e), parəfin, paraffine, petroleum; Paraffin-oil, parəfinôil, gezuiverde petroleum; paraffine olie.

Paragoge, parəgoudž, paragoge.

Paragon, parəgon, subst. toonbeeld van volmaaktheid; Paragon verb. evenaren, vergelijken.

Paragraph, parəgraf, paragraaf, beknopt artikel; Paragraph verb. paragrafeeren, een artikeltje schrijven; Paragrapher = Paragraphist = reporter.

Paraguay, parəgwei, parəgwai, parəgwai, parəgwei.

Parakeet, parəkît, parkiet.

Parallax, parəlaks, parallax (Astron.).

Parallel, parəlel, parallel, evenwijdig; subst. parallel, breedtecirkel, loopgraaf evenwijdig aan de vuurlinie; Parallel verb. evenwijdig maken (loopen), gelijkstellen, evenaren, overeenkomen met: To draw a parallel between; To find one’s parallel = zijn gelijke; To put oneself on a parallel (with) = zich vergelijken; Parallels of latitude = breedtecirkels; Such passages can be easily paralleled from the best authors = zulke overeenkomende passages vindt men bij; Parallel motion = evenwijdige beweging (van zuigers, enz. bij stoommachines); Parallel ruler = parallelograaf; Parallelism = evenwijdige toestand of ligging, overeenkomst; Parallelogram, parəleləgram, parallelogram; Parallelopiped, parəleləp(a)ipəd, parallelopipedum.

Paralogism, pəralədžizm, drogreden.

Paralysis, pəralisis, verlamming; Paralytic, parəlitik, subst. lamme; adj. aan verlamming lijdende, met aanleg voor verlamming, verlamd; Paralyse = Paralyze, parəlaiz, verlammen.

Paramo, pərâmou, Paramo, hoogvlakte (Andes).

Paramount, parəmaunt, hoogst, voornaamst, onbeperkt, souverein; subst. hoogste; Paramountcy = eerste plaats, enz.

Paramour, parəmûə, minnaar, minnares (steeds in slechten zin).

Parapet, parəpet, borstwering, verhoogde rand of muurtje, trottoir; Parapeted.

Paraph, parəf, paraaf; Paraph verb. parafeeren.

Paraphernalia, parəfəneiljə, eigendom der bruid buiten den bruidschat, zooals lijfgoederen, sieradiën, etc.; toebehooren, uitrusting, versiering: Warlike paraphernalia = uitrusting.

Paraphrase, parəfreiz, subst. paraphrase; Paraphrase verb. paraphraseeren; adj. Paraphrastic(al).

Parasite, parəsait, parasiet; Parasitic(al), parəsitik(’l), woekerend; Parasitism, parəsaitizm, woekering; Parasitize = woekeren.

Parasol, parəsol, parəsol, parasol; Parasolette, parəsəlet, kleine parasol.

Parboil, pâbôil, ten deele koken, opkoken, warmtepuistjes veroorzaken.

Parbuckle, pâbɐk’l, subst. schrooitouw; Parbuckle verb. met een schrooitouw hijschen.

Parcae, pâsî, de schikgodinnen.

Parcel, pâs’l, subst. deel, stuk, pakje, pakket, hoeveelheid; adj. gedeeltelijk, half; Parcel verb. verdeelen; smarten (zeeterm): Bill of parcels = factuur; By parcels = bij gedeelten; That is part and parcel of our contract = dat is een voornaam deel van ons contract; It was parcelled out to us = toebedeeld; Parcel-express = pakketpost; Parcel-office = bestelkantoor, goederenbureau; A parcels-delivery man (Parcelvan) = besteller (wagen van den besteldienst); Parcel(’s)-post = pakketpost; Parcels-service = bestelgoederendienst.

Parcenary, pâsənəri, mede-erfgenaamschap; Parcener, pâsənə, mede-erfgenaam.

Parch, pâtš, opdrogen, verdorren, verzengen, schroeien, roosteren: I am parched with thirst = versmacht van.

Parchment, pâtšm’nt, subst. perkament; perkament(en): The parchment of a drum; Parchment-paper = Vegetable parchment = perkamentpapier; Parchmentize = in perkament veranderen.

Pard, pâd, panter, luipaard; ook = Partner, (Amer.).

Pardie, pâdî, Zie Pardy.

Pardon, pâd’n, subst. vergiffenis, aflaat, amnestie; Pardon verb. vergeven, vergiffenis schenken: (I beg your) pardon! = neem me niet kwalijk; (I) beg your pardon? = wat blieft u? Pardonable = vergeeflijk; subst. Pardonableness; Pardoner = verkooper van aflaten.

Pardy, pâdî, par Dieu, waarachtig.

Pare, pêə, afsnijden, schillen, besnijden, besnoeien (ook fig.): He pared his nails to the quick = hij sneed zijne nagels tot op het vleesch af; Parer = schilmachine, enz.

Paregoric, parəgorik, subst. en adj. pijnstillend (middel), opiumtinctuur.

Parenchyma, pəreŋkimə, celweefsel, parenchiem; adj. Parenchymatous.

Parent, pêr’nt, vader of moeder, oorzaak, bron; Parents = ouders: You are not a parent = hebt geen kinderen; Parentage, pêr’ntidž, geboorte, afkomst, ouders, oorzaak; Parental, pərent’l, ouderlijk; Parenthood = ouderschap; Parentless = ouderloos.

Parenthesis, pərenthəsis, parenthese: By way of parenthesis = tusschen twee haakjes (fig.); Parentheses, pərenthəsîz, haakjes: In parenthesis, Within marks of parenthesis = tusschen haakjes; Parenthesize; Parenthetic(al) = tusschen haakjes geplaatst; He said it parenthetically = bij zijn neus langs.

Parget, pâdžət, subst. ruw pleisterwerk; Parget verb. bepleisteren; grimeeren.

Parhelion, pâhîlj’n, bijzon.

Pariah, pâriə, pêriə, paria, uitgeworpene: Pariah dog = onbeheerde hond.

Parian, pêriən, van Paros; subst. soort van porselein.

Parietal, pəraiət’l, tot een muur (buikwand) behoorende, wandstandig; universiteits... (Amer.); Parietary = glaskruid, muurkruid.

Paring, pêriŋ: Parings = krullen, schillen.

Paris, paris, Parijs: He knows his Paris = hij kent z’n Fransch; Paris doll = kostuumpop; Paris garden = oude berebijt in Londen; Parisian, pəri’ž’n, subst. Parijzenaar; adj. Parijsch.

Parish, pariš, kerspel, parochie; district (Amer.); adj. gemeente..., parochie...: To be on (To come (up)on, To throw oneself on) the parish = armlastig zijn (worden); Parish clerk = leider der responses in de Anglik. kerk; Parish priest = geestelijke met eigen gemeente; Parish register; Parish work = herderlijke werkzaamheid; Parishioner, pərišənə, lid van eene parochie of gemeente.

Parisina, parisînə.

Parisyllabic, parisilabik, met het zelfde aantal lettergrepen.

Parity, pariti, gelijkheid, overeenkomst.

Park, pâk, subst. park, artilleriepark, de batterijen behoorende bij een afd. artill.; oesterbank; Park verb. in een park besluiten, samenbrengen; Park-keeper; Park-paling.

Parker, pâkə; Parkes, pâks; Parkhurst, pâkhɐ̂st; Parkinson, pâkins’n.

Parlance, pâl’ns, gesprek; Parlance verb. onderhandelen, spreken met: In common parlance = in de taal van het dagelijksch leven.

Parley, pâli, onderhoud, onderhandeling: To beat (To sound) a parley; To desire, To hold a parley.

Parliament, pâliment, parlement: To dissolve (To prorogue) a parliament; To convene (To summon) a parliament; Parliamentarian. pâlimentêriən, aanhanger van het Long Parliament (onder Karel I en Karel II); Parliamentary, pâlimentəri, parlements...; subst. volgens parlementsbesluit voorgeschreven trein voor de 3de klasse reizigers, minstens eens per dag tegen hoogstens 1 penny per Eng. mijl: Parliamentary agent = een solicitor optredend als verkiezingsagent; Parliamentary borough = een borough, die een lid afvaardigt; A parliamentary carriage = wagon 3de klasse.

Parlour, pâlə, huis- of woonkamer; ontvangkamer (Amer.), spreekkamer, gelagkamer; Parlour-boarder = kostjongen, die met de familie aan tafel zit, en als huisgenoot behandeld wordt; Parlour-maid = kamermeisje.

Parlous, pâləs, gevaarlijk, vreeselijk.

Parmesan, pâməzan, Parmezaansch: Parmesan cheese.

Parnassian, pânaš’n, van den Parnassus; Parnassus, pânasəs, Parnassus.

Parnell, pânel, pânel.

Parochial, pəroukj’l, parochiaal; bekrompen, kleingeestig: Parochial board = armbestuur, armvoogden; Parochial relief = armenzorg; Parochialism = bekrompenheid; Parochialize = in parochies verdeelen.

Parodist, parədist, parodieënmaker; Parody, parədi, subst. parodie; Parody verb. parodieeren.

Parole, pəroul, eerewoord, wachtwoord: The officers were admitted to their parole (released on parole) = werden op hun eerewoord vrijgelaten.

Paronomasia, parənəmeisiə, parənəmeižə, woordspeling.

Paronym, parənim, gelijkluidend of verwant woord; adj. Paronymous, pəronimɐs; subst. Paronymy, pəronimi.

Paroquet, parəket, parkiet.

Paroxysm, parəksizm, krampachtige aanval; Paroxysmal, parəksizm’l, krampachtig.

Parquet, pâket, parketvloer; parket in een schouwburg (Am.); parket (Jur.); Parquet verb. met paneelen inleggen; Parquetry = parketvloer.

Parr, pâ, jonge zalm (kabeljauw, haas).

Par(r)akeet, parəkît, parkiet.

Parricidal, parisaid’l, adj. v. Parricide, parisaid, vadermoord(er).

Parrot, parət, papegaai (ook fig.); Parrot verb. napraten, nadoen; Parrot-coal = soort v. bitumineuse kool; Parrot-fish = papegaaivisch; lipvisch; Parrotry = naäperij.

Parrott, parət: Parrott gun, een naar den uitvinder P. genoemd kanon.

Parry, pari, afweren, pareeren: Parry and thrust = pareeren en uitvallen.

Parse, pâs, pâz, (taalkundig) ontleden.

Parsee, pâsî, pâsî, aanhanger. v. d. Oud-Perzischen godsdienst, afstammeling der oude Perzen (in Indië); Parseeism = de leer (van Zoroaster) der Parsees.

Parsimonious, pâsimounjəs, karig, gierig, knijperig; subst. Parsimoniousness = Parsimony, pâsiməni.

Parsley, pâsli, peterselie.

Parsnip, pâsnip, pastinaak of witte peen: Fair (Fine) words butter no parsnips = praatjes vullen geen gaatjes.

Parson, pâs’n, dominé, geestelijke (dikwijls in smalenden zin): Parson’s nose = stuit van een gebraden gans; Parsonage, pâsənidž, predikantsplaats, pastorie.

Part, pât, subst. deel, zijde, gedeelte, aflevering, aandeel, lid, stuk, rol, partij, plicht; Part verb, verdeelen, uitdeelen, scheiden, van de hand doen, breken, uit elkaar gaan, opgeven; adv. deels: Silence would have been the better part = verstandiger zijn geweest; The best part of a foot long = ruim een halve; Of the first part, of the second part = ter eenre.. ter andere zijde; For my part = wat mij aangaat; In part = gedeeltelijk: To make a payment in part = een deel afbetalen; On our part = onzerzijds; Do you come on his part? No I come on my own part = van zijnentwege;.... voor mijzelf; To do one’s part = zijn plicht doen; To take a person’s part = iemands partij opnemen; He took part in the conspiracy = nam deel aan; He took my remarks in good part = nam goed of vriendelijk op; I hope you will not take it in ill part = ongunstig of euvel opnemen; Parts = talenten; streek: A man of parts = begaafd; I am a stranger in these parts = hier; The ten parts of speech = de tien rededeelen; To come out in parts = afleveringen; Divided into parts = in stukken verdeeld; To be (To have) art and part in = deel hebben aan; To have no part nor lot in = part noch deel hebben aan; To become part and parcel of = een wezenlijk deel worden van; He was part and parcel of the procession = maakte een wezenlijk deel uit van; They had better part = zij moesten liever scheiden; To part company = scheiden, uiteengaan, zich van het eskader afzonderen; To part the hair = een scheiding maken; I intend to part with my dog, though I feel it will be hard to part from such a faithful friend = van de hand te doen, schoon ik voel dat ik moeilijk van zulk een trouw vriend zal kunnen scheiden; I parted with her at the station = verliet, nam afscheid van; With parted mouth = met open mond; Part-music = meerstemmig; Part-owner = mede-eigenaar (reeder); Part-payment: In part-payment = op afbetaling; Parting = scheiding, deeling, vertrek; adj. scheidend, afscheid - -: At parting = bij het vertrek; At the parting of the ways = bij de scheiding; Speed the parting guests and welcome the coming = wensch den vertrekkenden Gods zegen; Parting-cup = afscheidsdronk; Parting-kiss; Parting-song = afscheidslied; Parting-word = afscheidswoord; Partly = gedeeltelijk, soms ook Part.

Partake, pâteik, deelnemen, deelhebben: We partook of a nice little dinner = gebruikten; It partakes of the nature of a crime = het heeft iets van; Partaker.

Parterre, pâtêə, bloemperk(en); parterre.

Parthenon, pâthənon, Parthia, pâthiə, Parthië: Parthian, Parthisch; subst. bewoner van Parthië: Parthian arrow (shot) = scherp antwoord van den vertrekkende.

Partial, pâš’l, gedeeltelijk, partijdig, vooringenomen, eenzijdig: Every mother is partial to her children = zal het beste van hare kinderen denken; I am partial to such food = van zulk eten houd ik veel; Partial board = pension zonder middageten; Partialism = partijdigheid; Partialist; Partiality, pâšaliti, partijdigheid, voorliefde.

Participant, pâtisip’nt, deelhebbend; subst. deelhebber: To be participant of = deelnemen aan.

Participate, pâtisipeit, deelnemen aan, deel hebben in: I participate in (of) your happiness = deel in uw geluk; subst. Participation; Participator = deelnemer.

Participial, pâtisipiəl, deelwoordelijk; Participle, pâtisip’l, deelwoord.

Particle, pâtik’l, deeltje, greintje, partikel: He has not a particle of sound sense = geen greintje gezond verstand; I don’t care a particle = ik geef er geen zier om.

Parti-coloured, pâtikɐləd, bont.

Particular, pâtikjulə, subst. bijzonderheid; adj. bijzonder, omstandig, persoonlijk, merkwaardig, zorgvuldig, kieskeurig: London particular = echt Londensche mist; bijzonder soort Madeira; In particular = in ’t bijzonder; He did not enter into particulars = hij trad niet in bijzonderheden; For further particulars apply to him = nadere inlichtingen zijn bij hem te verkrijgen; Particulars to follow = bijzonderheden volgen; Particular friend = intieme vriend; I am not particular about it = het steekt me niet zoo nauw; I am particular in (about) my eating and drinking = ben erg kieskeurig op; He is not particular in this = in dit opzicht heeft hij niets bijzonders; He is not particular to a guilder = het komt hem op een gulden niet aan; Particularism = particularisme; Particularist = afgevaardigde die slechts de belangen v. zijn eigen district voorstaat; aanhanger v. de leer der Bijzondere Genade; Particularity, pâtikjulariti, bijzonderheid, omstandigheid; Particularization, subst. v. Particularize = in bijzonderheden treden, op kleinigheden en bijzonderheden letten.

Partisan, pâtiz’n, subst. partijganger, partijgenoot; aanvoerder van een korps partijgangers; partisaan; adj. partijdig; Partisanship.

Partition, pâtiš’n, subst. verdeeling, afdeeling, tusschenschot, scheidingspunt; Partition verb, in stukken of afdeelingen verdeelen (off); Partition-wall = scheidsmuur (ook fig.).

Partitive, pâtitiv, subst. deelend woord; adj. een deel aanwijzend.

Partner, pâtnə, compagnon, firmant, vennoot, danser(es), echtgenoot(e), medespeler: He is a partner in this business = compagnon in deze zaak; Acting (Active), Sleeping (Dormant) partner; Partnership = vennootschap: To enter (go) into partnership, To contract a partnership with.

Partridge, pâtridž, patrijs: Partridge-wood = patrijshout.

Parturient, pâtjûriənt, barend, vruchtbaar; Parturition, pâtjuriš’n, baring.

Party, pâti, subst. partij, troep, gezelschap, “avondje”, zaak, bepaald persoon: The parties = die “lui”; The People’s Party = Volkspartij; A queer party = een rare kerel; I will be no party to this affair = wil er niet mee te maken hebben; To give a party = een partij geven; Party-coloured = v. verschillende kleuren, bont; Party-jury = jury, deels uit Engelschen, deels uit niet-Engelschen bestaande; Party-spirit = partijgeest; Party-wall = scheidsmuur, tusschenmuur.

Parvenu, pâvənjû, parvenu: The parvenu aristocracy.

Pas, pâ, schrede, stap, voorrang: He takes (has) the pas of dukes and earls = gaat in rang vóór; I yielded him the pas = liet hem vóórgaan.

Pasch, pask: Pasch-egg = Paaschei; Pasch(al) flower = paarsche anemoon, Paaschbloem; Paschal, paskəl, tot het Pascha behoorende: Paschal lamb.

Pascha(w), pašə, pâšə, pəšâ, pəšô, pacha; Paschalic, pašəlik, pəšâlik, pâšəlik, pəšôlik = gebied of waardigheid van een Pacha.

Pasque-flower = Paschal-flower.

Pasquil, paskwil, Pasquinade, paskwineid, paskwil, schotschrift.

Pass, pâs, subst. pas, gang, enge weg, bergpas, staat van zaken, doorgangs- of toegangsbewijs, slagen bij examen, toestand, uitval, verlegenheid, etc.; Pass verb. gaan, overbrengen, gebeuren, verdwijnen, langzaam veranderen, van de eene hand in de andere gaan; verloopen, weglaten, overslaan, slapen, er door komen, uitvallen, toelaten, vaststellen, aannemen (van eene wet), etc.: Things had come to such a pass that a change was desirable = het was nu zoover gekomen, dat; The world is coming to a pretty pass = het wordt eene mooie boel tegenwoordig; I gave them passes to the theatre = ik gaf hun biljetten voor de comedie (op zulke biljetten staat b.v.: Pass Mr. So and So to the stalls); To make a pass at = een uitval doen; 375 candidates, 154 passes = 154 toegelaten; He may pass = kan slagen; That may pass = kan er door; Let that pass = laten we daar niet meer over spreken = Let us pass that; That passes belief = is ongelooflijk; To pass a bill = een wetsontwerp aannemen; We passed the candidate = hebben toegelaten; To pass base coin = in omloop brengen; To pass muster = den toets doorstaan; Don’t pass remarks on your betters = maak geen aanmerkingen op; To pass a river = oversteken; To pass sentence on a criminal = het vonnis uitspreken over; Who brought it to pass? = wie heeft dat veroorzaakt, gedaan; It came to pass = het gebeurde; Pass along that hedge = ga langs; He passed peacefully away = stierf; Pass away, please = ga daar uit den weg; His life was passed away in the country = werd doorgebracht; What has passed between you? = is er voorgevallen; You cannot pass this for a good coin = als goed geld uitgeven; He passes for a clever man = gaat door voor; Pass on, please = doorloopen, alsjeblieft; I passed that over = dat heb ik over het hoofd gezien, overgeslagen; He was passed over in favour of another man = werd gepasseerd; It will be passed to the credit of your account = op uw credit worden geboekt; The property passed under the will, was very large = bij testamentaire beschikking vermaakt; He passed up coppers to the conductor = gaf door; This judgment was passed upon him = werd over hem uitgesproken; Pass-bill = geleibiljet; Pass-book = bestelboekje, kassiersboekje; Pass-check = vrijbiljet; contremarque; Pass examination = gewoon examen, tegenover Honours exam.; Pass-holder = houder van een vrijbiljet of abonnementskaart; Pass-key = looper, huissleutel; Passman = geslaagde (tegenover Classman = de met grooten lof geslaagde); Pass-paper = schriftelijke examenopgaaf; Passport = paspoort; Password = parool, wachtwoord; Passable = gangbaar, dragelijk, begaanbaar; Passer = die passeert; Passer-by = voorbijganger; Passing = voorbijgang, verloop, aanneming; adj. voortreffelijk, uitstekend, in hooge mate, voorbijgaand, terloopsch: Passing-bell = doodsklok; Passing-note = overgangstoon (muz.); He said it in passing = in ’t voorbijgaan; We don’t see a bit of passing = zien (hier) niemand voorbijgaan.

Passage, pasidž, doorgang, uitgang, binnenkomst, gang, weg, reis, passage, doorvaart, aanneming (v. een wet), stoelgang, voorval, gebeurtenis, etc.: Had you a good passage? = hebt ge een goede overtocht gehad; To take a passage for = biljet nemen; Birds of passage = trekvogels; They indulged in frequent passages of words = hielden herhaalde woordenwisselingen; Passage-money = passagiersvracht.

Passant, pas’nt, gaande: Lion passant = gaande leeuw (Herald.).

Passenger, pas’ndžə, passagier, reiziger, passagierstrein: Cabin passenger; Deck passenger; Effects of passengers = passagiersgoed; Through-passengers = doorgaande reizigers; Passenger-carriage = personenwagen; Passenger-pigeon = postduif; Passenger-traffic = personenvervoer; Passenger-train = personentrein.

Passerine, pasər(a)in, tot de musschensoort behoorende.

Passiflora, pasiflôrə, passiebloem.

Passim, pasim, hier en daar.