Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 131
Tansy, tanzi, boerenwormkruid, reinvaren: Tansy-puddings = met reinvaren toebereide.
Tantalization, tantəl(a)izeiš’n, subst. v. Tantalize, tantəlaiz, tantaliseeren; Tantalus, tantəlɐs.
Tantamount, tantəmaunt, gelijkwaardig, equivalent (met to).
Tantivy, tantivi, tantivi, spoorslag; subst. snelle galop: We rode tantivy.
Tantrum, tantr’m, kwade luim of woede: She got into a tantrum about nothing.
Tap, tap, subst. tik; kraan, zwik, tap, drank, gelagkamer, tapperij; Tap verb. zachtjes slaan of tikken, pikken; opensteken, aanbreken, aftappen, doen vloeien, iets uit iemand zien te krijgen: We have no ale on tap just now = aangestoken; That’s the same tap you gave me just now = hetzelfde “spul”; Taps = taptoe (signaal); I heard a soft tapping on the window = zacht getik; He tapped me on the shoulder = hij klopte mij op den s.; The book is interesting, wherever we tap it = waar we het ook opslaan; Let us tap a fresh bottle = opentrekken; He tried to tap my brains = mij uit te hooren; To tap a mine = bewerken; Open the picture-galleries on Sunday, and you’ll tap the public-houses = en de kroegen loopen leeg; Tap-room = gelagkamer; Taproot = hoofdwortel eener plant; Tapster = tapper.
Tape, teip, lint, band, strook papier, telegr. koersbericht: Announcements of large orders for iron appeared on the tapes of the thousands of stock-indicators throughout New-York = op de telegrafische koersberichten v. de duizenden beursklikkers (openbare toestellen, die den stand der beurs, zoolang deze open is, aangeven); He is a slave of the stock-tape = slaaf van de telegraf. koersberichten (en bouwt daarop speculaties); Betting on the tape is going on in New-York in every street; The tape was originated to inform the public how securities were going = oorspronkelijk dienden de telegraf. beursberichten; Tape-line, Tape-measure = maatlintje; Tape-worm = lintworm.
Taper, teipə, subst. waskaars, toorts; adj. lang en spits uitloopend; Taper verb. zachtjes aan smaller of dunner worden, punten, scherpen: Taper nails, fingers; Taperness = spitse vorm.
Tapestry, tapəstri, subst. bepaald soort (wand)tapijt; Tapestry verb. met tapestry versieren of behangen; Tapestry-carpet = kleed van tapestry; Tapestried chambers = kamers met behangsels van geweven stof.
Tapioca, tapioukə, tapioca.
Tapir, teipə, Z. Am. tapir, waterzwijn.
Tapis, tapis, teipis, of Fr. uitspr., tapijt, tafelkleed: To bring on (upon) the tapis = op het tapijt brengen (fig.); Tapiser, teipisə, behanger, maker van tapijtwerk.
Tar, tâ, subst. teer, pikbroek; Tar verb. teren; Mineral tar = koolteer; Vegetable tar = houtteer; They are tarred with the same brush = met hetzelfde sop overgoten; To light tar-barrels; Tar-oil; Tar-water; Tarry, târi, teerachtig, geteerd.
Tarantass, tarantas, Russische reiswagen.
Tarantella, tarəntelə, soort van Napelsche dans.
Tarantula, tərantjulə, tarantula.
Tarboosh, tâbûš, soort fez, vaak het binnenste gedeelte van een tulband vormend.
Tardigrade, tâdigreid, subst. luiaard; adj. zich langzaam bewegend of gaande; Tardiness, subst. v. Tardy, tâdi, traag, langzaam, dralend, laat, weerstrevend; Tardigrade verb. uitstellen, beletten.
Tare, têə, subst. tarra; voeder-wikke; onkruid; Tare verb. de tarra bepalen van.
Targe, tâdž, klein rond schild, schietschijf = Target, tâgit: They were practising at the target = oefenden zich in het schijfschieten; The bull’s eye of the target = het hart of de roos van de schijf; Target-practice = schijfschieten.
Tariff, tarif, subst. tarief, toltarief; Tariff verb. een tarief opmaken, belasten: Every vehicle is provided with a tariff of charges = tarief; Tariff-union = tolverbond; Tariff-war.
Tarin, tarin, sijsje.
Tarlatan, tâlətən, tarlatan.
Tarn, tân, klein meer op een berg, poel, moeras (Schotland).
Tarnal, tân’l, verbastering van Eternal (Amer.) = vervloekt.
Tarnish, tâniš, bezoedelen, bevlekken, bezwalken, dof of mat maken of worden.
Tarot, tarət, tarok, een zeker kaartspel.
Tarpaulin(g), tâpôlin, presenning, matrozenhoed, matroos, dekkleed voor wagens.
Tarpeyan Rock, tɐ̂pîənrok, Tarpejische rots; Tarquin, tâkwin.
Tarradiddle, tarədid’l, jokkentje, praatje.
Tarragon, tarəgon, dragon (plant).
Tarriance, tariəns, draling, uitstel; Tarrier, tariə, draler; Tarry, tari, dralen, toeven: I’ll not tarry to come back = ik kom gauw terug.
Tarsal, tâs’l, tot den voetwortel of tot de kraakbeenderen der oogleden behoorende.
Tarse, tâs, Tarsus, tâsəs, voetwortel, kraakbeenderen der oogleden; laatste segment v. insectenpooten.
Tart, tât, subst. pasteitje, vruchtentaart; Tartlet = taartje.
Tart, tât, wrang, scherp, zuur, bits: A tart reply; Tartish = eenigszins wrang; Tartness = wrangheid, etc.
Tartan, tât’n, subst. Schotsch geruit wollen goed, kleed van deze stof; ook adj.
Tartar, tâtə, Tartaar, driftkop, woesteling; adj. Tartaarsch: I have caught a tartar = mijn man gevonden, den verkeerde bij den kop.
Tartar, tâtə = Tartarus; Tartarean, tâtêriən, behoorende tot de hel.
Tartar, tâtə, wijnsteen; Tartareous, tatêriəs, wijnsteenachtig; Tartaric, tâtarik, wijnsteen: Tartaric acid; Tartarous, tâtərɐs = Tartareous.
Tartarous, tâtərɐs, wreed; Tartarus, tâtərɐs, hel; Tartary, tâtəri, Tartarije.
Tartuffe, tâtuf, tâtûf, tâtɐf, huichelaar; adj. Tartuffish.
Task, tâsk, subst. taak, les, bezigheid, arbeid; Task verb. eene taak opgeven, afbeulen, op de proef stellen: He was taken to task for it = werd onder handen genomen; Task-master = werkgever, opzichter, onderdrukker: They rose against their taskmasters = kwamen tegen hunne onderdrukkers in opstand; Task-work = opgelegd werk, karwei, werk bij ’t stuk.
Tasmania, tazmeinjə, van Diemensland; Tasmanian = bewoner van T.
Tassel, tas’l, kwast, franje, lint, bladwijzer; mannetjesvalk; Tasselled, tasəld, met kwasten of franjes behangen.
Tastable, teistəb’l, smakelijk; Taste, teist, subst. smaak, het proeven, proef, proefje, voorliefde, lust; Taste verb. proeven, een proefje nemen, keuren, smaken, smaak vinden aan: That’s in good (bad) taste = smaakvol, netjes (onnet, smakeloos); The furniture was innocent of taste = volkomen smakeloos; I am out of taste = kan niet proeven, heb geen smaak; Isn’t this to your taste? = naar uw zin; To my taste claret is not in it = naar mijn smaak haalt Bordeaux er niet bij; Every one to his taste, my boy = ieder z’n smaak, baasje; That’s a matter of taste = eene kwestie van smaak; Many readers, many tastes; Other times, other tastes = de smaak is veranderlijk; There is no accounting for tastes = over den smaak valt niet te twisten; I never tasted of Champagne but once = heb geproefd; He tasted of everything on the table = gebruikte van; The wine tastes of the cork = smaakt naar den kurk; These fruits are better tasted = smaken beter; Tasteful = smakelijk, smaakvol; subst. Tastefulness; Tasteless = smakeloos; subst. Tastelessness; Taster, teistə, voorproever, proefglas: The literary tasters of the day = de letterkundige fijnproevers of toongevers; Tasty = smaakvol, naar de mode, smakelijk, lekker.
Tat, tat, frivolité maken; subst. paatje; peuter: Tiny tats = kleine peuters; To give tit for tat = met gelijke munt betalen; Tatting = frivolité.
Ta-ta, tâtâ, Zie Ta.
Tatar, tâtâ, Tatarian, Tatary, tâtəri = Tartaar, Tartaarsch, Tartarije.
Tatta, tatə, scherm v. bamboesmat voor deuren en ramen (Indië).
Tatter, tatə, subst. vod, lap, lomp, flard; Tatter verb. in flarden scheuren: All in tatters; Tatterdemalion, tatədimeilj’n, tatədimalj’n, havelooze kerel.
Tattersall’s, tatəsôlz, Tattersall’s stallen in Londen met clubgebouw voor ’t afrekenen van weddingschappen.
Tattie, tati = Tatta.
Tattle, tat’l, subst. gebabbel, gesnap; Tattle verb. babbelen, snappen: So runs the tattle = zoo loopt het praatje; Tattler = snapper; Tattling = babbelziek.
Tattoo, tətû, subst. taptoe; tatoueering; Tattoo verb. tatoueeren: To beat the devil’s tattoo = (van ongeduld) met de vingers op de tafel trommelen (ook trappelen van ongeduld).
Taught, tôt, imperf. en p.p. van to teach.
Taunt, tônt, tânt, subst. schimp, hoon, smaad, schamper gezegde; adj. hoog (van masten); verb. hoonen, beschimpen; Taunt-masted; Taunter.
Taunton, tônt’n.
Tauriform, tôriföm, als een stier gevormd of gebouwd; Taurine, tôr(a)in, runderachtig, tot een stierengevecht behoorend; Taurus, tôrəs, stier (Dierenriem).
Taut, tôt, strak, gespannen, vol dienstijver, keurig: I hope these lines will find you pretty taut = in goeden welstand; Taut and trim = in vol ornaat (fig.); Tauten = strak worden, aanhalen; mooi maken; Tautness = strakheid, etc.
Tautologic(al), tôtəlodžik(’l), tautologisch; Tautology, tôtolədži, tautologie.
Tavern, tavən, herberg, wijnhuis, kroeg; Tavern-bush = de krans of struik (vroeger als uithangteeken van herbergen): Good wine needs no (tavern-)bush = goede wijn behoeft geen krans; Tavern-keeper = logementhouder, etc.
Tavistock, tavistok.
Taw, tô, subst. knikker, knikkerspel; Taw verb. witlooien: To play at taw; To taw a person’s hide = afranselen; Tawer, Tawyer = witlooier.
Tawdriness, tôdrinəs, subst. v. Tawdry, tôdri, smakeloos, bont, opzichtig, waardeloos: The Tawdry binding detracts somewhat from the value of the work = de smakelooze en opzichtige band; Tawdry dress = opgedirkte kleeding.
Tawniness, tôninəs, subst. van Tawny, tôni, taankleurig, getaand.
Taws(e), tôz, soort karwats: I was thrashed with the eight-tongued taws = met de karwats met acht riemen; “Getting the taws” means: Thrashing (in een Schotsche school).
Tax, taks, subst. belasting, schatting, tol, requisitie, zware plicht of taak, proef; Tax verb. belasten, afpersen, beschuldigen, berispen, vragen, op de proef stellen: Graduated income tax = progressieve inkomstenbelasting; Inheritance tax = successie belasting; Poll tax = hoofdelijke omslag; The tax on his patience = de proef waarop zijn geduld werd gesteld; A tax on profits and incomes = belasting opbedrijfs-, en andere inkomsten; Heavy taxes were levied = er werden zware belastingen geheven; I was taxed with having offended him = werd beschuldigd; Tax-collector = Tax-gatherer = belastingontvanger; Taxpayer = belastingschuldige; Taxability = belastbaarheid; adj. Taxable; Taxameter, taksamətə, afstandswijzer (for indicating cab fares); Taxation, takseiš’n, belasting, het belasten. Zie Taxer.
Taxel, taks’l, Am. das.
Taxer, taksə, zetter (v. de belastingen), vroeger ambtenaar aan de hoogeschool te Cambridge, die bij de uitdeeling, voor goede maat en juist gewicht zorgde.
Taxicab, taksikab, autotax (atax).
Taxidermist, taksidɐ̂mist, opzetter; Taxidermy = de kunst dieren op te zetten.
Taxin, taksin, harsachtige stof uit taxusbladeren; Taxus, taksəs, taxus.
Tea, tî, thee, aftreksel, een maaltijd, avondeten der kinderen; Tea verb. de tea gebruiken: Beef tea = bouillon; Five o’clock tea; High, Meat tea = thee, souper met allerlei vleezen; Sweet tea = thee met gebak, vruchten, sandwiches; Will you make (the) tea? = thee zetten; To take tea = drinken; Tea-board = theeblad; Tea-caddy = theekistje; Tea-cake = theekoekje; Tea-canister = theebus; Tea-chest = theekist; Tea-cloth = theekleedje; Tea-cosy = theemuts; Tea-cup = theekopje: The tea-cup and saucer school in literature and art = de peuterige, burgerlijke methode in letteren en kunst; A storm in a tea-cup, (tea-pot) = een storm in een glas water; Tea-dealer = theehandelaar; Tea-equipage, ekwipidž, theeservies; Tea-fight = theevisite; Tea-garden = theetuin; Tea-gown = japon bij Afternoon Tea; Tea-kettle = theeketel; Tea-peg = koude thee met soda water (Br. Ind.); Tea-pot = trekpot; Tea-rose; Tea-service (Tea-set); Tea-shrub; Tea-spoon = theelepeltje; Tea-taster = theeproever; Tea-table; Tea-things = theegoed; Tea-towels = theedoeken; Tea-tray = theeblad; Tea-urn = theeurn; Tea-water.
Teach, tîtš, onderwijzen, leeren: I’ll teach you manners = zal je mores leeren; To teach a person wit = door schade en schande leeren; Teachable = wat te onderwijzen is, leerzaam; subst. Teachableness; Teacher = onderwijzer: Assistant teacher = hulponderwijzer; Pupil teacher = kweekeling; Teachership = onderwijzers- of leeraarsbetrekking; The teaching profession = de onderwijzers (als corps).
Teague, tîg, Ier (spottend) = Teaguelander.
Teak, tîk, teakhout = Teak-wood.
Teal, tîl, wintertaling.
Team, tîm, span, bespanning, toom, vlucht, groep v. elf personen (cricket of voetbal); Team-work = veldarbeid door trekvee (Amer.); Teamster = voerman; Teamwise = als een span.
Tear, tîə, subst. traan: Her tears started unbidden = schoten haar in de oogen; The tears trickled down her cheeks = biggelden langs; To be all in tears (= To be drowned in tears) = in tranen baden; He burst into tears = barstte in schreien uit; To draw tears from = ontlokken; To shed tears = storten; Tear-drop = traan; Tear-stained = beschreid; Tearful = tranen stortend, treurig.
Tear, têə, subst. scheur, spleet; Tear verb. scheuren, trekken, losrukken, openrijten, tieren, vliegen: The donkey ran away full tear = ging ervan door; To be on a tear = aan den rol zijn; The wear and tear of the engine = de slijtage; He tore his hair and clothes = rukte zijne haren uit en verscheurde zijne kleederen; He could not tear himself away from his wife = kon zich niet losrukken; The flesh was torn from the bones = gescheurd van; All at once the children came tearing in = binnenstormen; He tore through the pages = vloog er doorheen; Don’t tear it to pieces, rags = scheur het niet aan stukken of flarden; The cloth was torn up into several pieces = werd gescheurd; He went up and down, tearing and swearing = tierend en vloekend; To be in a tearing passion = woest zijn; A tearing old Tory = vurige, felle.
Tease, tîz, subst. plager, plaaggeest; Tease verb. plagen, sarren, kwellen, kaarden: What a tease you are = wat ben je een plaaggeest; Teaser = plager, lastig geval: That’s a teaser = daar zitten we mee verlegen.
Teat, tît, tepel, uier.
Teazel, Teazle, tîz’l, weverskaarde (plant).
Tebeth, tîbeth, tebeth, tiende maand van het godsdienstige jaar der Joden.
Tec, tek, samentr. van Detective.
Technic, teknik, subst. techniek, kunstvaardigheid; adj. Technic(al) = technisch: Technical education = vakonderwijs; Technical classes = cursussen voor vakonderwijs; Technical instruction act = wet op het vakonderwijs; Technicality, Technicalness = technische eigenaardigheid of uitdrukking; Technics = techniek; Technique, teknîk, de techniek of methode eens kunstenaars; Technological, teknəlodžik’l, technologisch; Technology, teknolədži, technologie.
Techy, tetši, knorrig, gemelijk, lichtgeraakt.
Tectrices, tektrisîz, dekveeren.
Ted, ted, keeren (van gemaaid gras); Tedder = machine om het pas gemaaide gras te keeren.
Teddy, tedi: Teddy Bear = beertje (kinderspeelgoed).
Te Deum, tîdîəm, Te-Deum.
Tedious, tîdjəs, vervelend, saai, verdrietig, lastig; subst. Tediousness = Tedium, tîdj’m.
Tee, tî, doel, aardhoopje, vanwaar de bal geslagen wordt bij het Golfspel; doel waarnaar quoits of curling-stones worden geworpen; Tee verb. den bal daar van af slaan.
Teem, tîm, zwanger zijn van, werpen, zich voortplanten, vol zijn, overvloed hebben van: This part of the country teems with gold = bevat veel goud.
Teens, tînz, de jaren v. dertien tot negentien: In her teens = beneden twintig (maar minstens twaalf); Out of her teens = boven de negentien; Since his middle teens = sedert zijn 14de, 15de jaar.
Teeter, tîtə, wippen (Am.).
Teeth, tîth, Meerv. van Tooth = tand; Teeth verb. (tîdh) = tanden krijgen: From one’s teeth = niet van harte; In the teeth of the westerly gale = vlak tegen in; He did it in the teeth of opposition = trots allen tegenstand; In the teeth of the doctor’s prohibition = geheel in tegen; He cast those reproaches in my teeth = wierp mij voor de voeten; He escaped by the skin of his teeth = ontsnapte ternauwernood (Job. XIX, 30); Teeth-drawing (fig.) = bellen moeren; Teething, tîdhiŋ, het tanden krijgen.
Teetotal, tîtout’l, onthoudend: Teetotal drinks = alcoholvrije; Teetotalism = geheelonthouding; Teetotaller = geheelonthouder.
Teetotum, tîtout’m, A-al tolletje: To spin a teetotum.
Tegument, tegjument, omhulsel, huid, zaadhuid, vleugeldeksel; adj. Tegumentary.
Tehee, tîhî, subst. gegichel; Tehee verb. gichelen; interj. hihi.
Teheran, tehərân; Teignmouth, teinməth, tînməth.
Teil, tîl, lindeboom (= Teil-tree).
Teind, tînd = Tithe (Schotl.).
Teith, tîth; Telamon, teləm’n, mannenfiguur als zuil, At as.
Teledu, telədû, Javaansche bunzing.
Telegram, teləgram, telegram; adj. Telegrammic; Telegraph, teləgraf, subst. telegraaf; Telegraph verb. telegrafeeren, seinen: Telegraph-cable; Telegraph-operator = Telegrapher, təlegrəfə, teləgrafə, telegrafist; Telegraphic, teləgrafik, telegrafisch: Telegraphic address = telegramadres; Telegraphist, təlegrəfist, teləgrafist, telegrafist(e); Telegraphy, təlegrefi, teləgrafi, telegraphie.
Telemachus, təleməkɐs.
Teleological, teliəlodžik’l, tîliəlodžik’l, teleologisch; Teleology, teliolədži, tîliolədži, teleologie.
Telepathic, teləpathik, telepathisch: Card-guessing, bank-note-finding and the various other forms of telepathic hide and seek; Telepathy, təlepəthi, teləpathi, telepathie.
Telepheme, teləfîm, telephonisch bericht; Telephone, teləfoun, subst. telephoon; Telephone verb. telephoneeren; Telephonic = telephonisch; Telephonist, təlefənist, teləfounist, telephonist(e); Telephony, təlefəni, teləfouni, telephonie.
Telescope, teləskoup, subst. telescoop, verrekijker; soort van langwerpige spiraalschelp; Telescope verb. in elkander schuiven, zooals een telescoop: The book tries to be an encyclopaedia, telescoped into a dictionary = in een woordenboek saamgevat; The first and the second carriage were telescoped (into each other) = werden in elkander geschoven; Telescope-table = uittrektafeltje; Telescopic(al), teləskojpik(’l), telescopisch, in- en uitschuifbaar.
Telesia, təlîžə, varieteit van saffier.
Tell, tell, vertellen, mededeelen, melden, berichten, bevelen, optellen, onderscheiden, uitwerking hebben, indruk maken, klikken: I can tell = ik kan je verzekeren; Who can tell? = wie weet; Never tell me = maak me niet wijs; Can you tell the clock yet? = kun je al op de klok kijken; I had my fortune told by an old gipsy = liet me waarzeggen; Don’t tell stories (fibs) = jok nu niet; Every shot told = was raak; He never preached “I told you so” = hij zanikte nooit van “Dat heb ik je wel gezegd”; They numbered 100 all told = met hun allen; That tells against you = pleit tegen je; You can tell this wine from vinegar only by the label = slechts onderscheiden van; It is difficult to tell good paste from diamonds = simili van diamant te onderscheiden; That tells for something = dat is lang niet mis, telt mee; You can tell them off by hundreds = aanwijzen bij honderden; One of the clerks was always told off to sleep in the house = werd aangewezen; I shall tell the priests on you = u verklappen aan; The heavy work has told on his constitution = zijn gestel aangegrepen; His troubles have told on him = hem erg aangegrepen; The speech told on the hearers = maakte indruk; To tell out = uittellen; Told out = op, blut; This told with him = dit hielp (bij hem); Tell-tale, subst. babbelaar, verklikker, klikspaan; adj. babbelziek, lasterend, verraderlijk; They are tellable on the fingers = die kan je op de vingers tellen; Teller = verteller, teller, stemopnemer, klerk in een bank die met de klanten rekent; harde slag. Zie Telling.
Tellina, təlainə, platschelpen.
Telling, teliŋ: With telling effect = met goed gevolg, krachtige uitwerking; A telling phrase = kernachtig; A telling speech = een rede, die pakt; That’s telling(s) = dat mag ik niet zeggen.
Tellurian, təl(j)ûriən, aardsch —; bewoner der aarde; Telluric = tellurisch; Tellurion, təl(j)ûriən, tellurium; Tellurium, təl(j)ûriəm, tellurium (Chemie).
Telotype, telətaip, druktelegraaf.
Telpher, telfə, subst. inrichting voor electrisch kabelvervoer; adj. behoorende tot Telpherage, telfəridž, vervoer door electriciteit; Telpher-line = electr. kabelspoorlijn.
Temerity, təmeriti, vermetelheid, roekeloosheid.
Temper, tempə, subst. aard, natuur, temperament, humeur, gemoed, prikkelbaarheid, opvliegendheid, hardheid (v. metaal); Temper verb. matigen, regelen, verzachten, doen bedaren, temperen, harden: Equal, Even temper = gelijkmatig humeur; Hot temper = drift; The temper of the nation = stemming; Your friend is not a good (is a horrid) temper = heeft geen gemakkelijk (een vreeselijk) humeur; He kept his temper better than we had supposed = bleef bedaarder; He lost his temper = raakte uit zijn humeur, verloor zijn geduld; He was in a black temper = verschrikkelijk slecht gehumeurd; What a temper you are in! = hè, wat ben jij knorrig; You must keep him in temper = hem in zijn humeur houden; He was out of temper this morning = uit zijn humeur; Temperament = gestel, geaardheid, temperament; Temperance = matigheid, gematigdheid, onthouding: Temperance-bar = koffiehuis voor onthouders; Temperance-meeting; Temperance-society = matigheids- of afschaffersgenootschap; Temperate, tempərit, bedaard, kalm, gematigd: Temperate zone = gematigde luchtstreek; subst. Temperateness; Temperature, tempərətjə, temperatuur: To take one’s temperature = opnemen; Tempered: Good-, Ill-tempered; Even-tempered = van gelijkmatig humeur; Quick-tempered = opvliegend; A sweet-tempered girl = zacht.
Tempest, tempəst, hevige storm, orkaan, zwaar weer: Tempest-beaten = door de stormen gebeukt; Tempest-tossed = door de stormen geslingerd; Tempestuous, tempestjuəs, stormachtig, hevig; subst. Tempestuousness.
Templar, templə, tempelier; student in de rechten, advocaat of jurist: Order of “Good Templars” = vereeniging tot het verleenen van wederzijdschen steun bij ouderdom, etc.
Temple, temp’l, tempel, godshuis, slaap (van het hoofd): Inner-temple, Middle-temple (Londensche colleges voor opleiding van juristen).
Templet, templət, schabloon, vormhout.
Tempo, tempou, tempo, maat (Meerv. Tempi).
Temporal, tempər’l, tijdelijk, tijds - -, wereldlijk; slaap - -: Temporal bone = slaapbeen; Temporal Lords = wereldlijke, ter onderscheiding v. geestelijke, pairs van Engeland; Temporality = tijdelijk of wereldlijk bezit; Temporalities = temporaliën, inkomsten der geestelijken uit land, tienden, enz.; Temporariness, subst. v. Temporary = tijdelijk, niet duurzaam; Temporize, tempəraiz, zich naar de omstandigheden schikken, den gunstigen tijd afwachten, trachten tijd te winnen: Temporizer = iemand die met de wolven meehuilt, de huik naar den wind hangt, etc.
Tem(p)se, tems, zeef, vergiet(test); Tem(p)se-bread = brood van fijngebuild meel.
Tempt, tem(p)t, verleiden, verlokken, in verzoeking brengen: He tempted me into giving up my plan = verlokte mij; Temptable = te verlokken; Temptation, tem(p)teiš’n, verlokking, verzoeking, aanvechting: To lead into temptation; He yielded to temptation = bezweek voor; Tempter = verleider: The Tempter = de duivel; Tempting = verleidelijk; subst. Temptingness; Temptress = verleidster.
Ten, ten, tien: There were ten of them = They were ten = ze waren met hun tienen; The ten Tribes = tien stammen Israëls; Nine in ten = negen van de tien; Ten to one = tien tegen een; Tenfold = tienvoudig; Ten-pin = kegel: Ten-pin alley = kegelbaan (Amer.); Ten-spot = een tien (kaartspel); He made many ten-strikes = gooide dikwijls alle tien; Ten-seater = fiets voor tien; Tenner = bankbiljet van 10 £; Tenth = tiende (deel).
Tenability, tenəbiliti, subst. v. Tenable, tenəb’l, houdbaar, verdedigbaar: The scholarship is tenable for one year = de beurs geldt voor; subst. Tenableness.
Tenace, tenis, de “fourchette” (de hoogste en op twee na de hoogste kaart) in handen van den vierden speler (Whist); Tenace-minor = kleine “fourchette” (de hoogste en op drie na de hoogste kaart).