Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 48
Force, fös, subst. kracht, geweld, dwang, noodzaak, beteekenis, wettigheid, strijdmacht (ook dikwijls Forces); Force verb. dwingen, noodzaken, overweldigen, verkrachten, forceeren, trekken: By mere force of habit = uit louter kracht der gewoonte; Conservation of force = krachtsbesparing; Correlation of force = krachtsverhouding; External forces = van buiten werkende krachten; Land forces; Marine forces; Moral force = zedelijke kracht; Natural forces = natuurkrachten; Physical force = natuurlijk vermogen; By main force = met geweld; The scouts reported that they had discovered the enemy in force = in grooten getale; To be of force = van kracht; The law will come into force (be enforced) very soon = de wet zal spoedig tot uitvoering komen; That must follow of force = dat moet er noodzakelijk uit voortvloeien; I discovered where his force lay = wat zijn “fort” was; To force along = voortdrijven, meeslepen; To force back = terugdrijven; To force down the throat = doen slikken; His sword was forced from his hand = aan zijne hand ontwrongen; He forced that word into a new meaning = gaf eene gedwongen nieuwe beteekenis aan; He forces a passage of Macaulay into his service = hij sleept er eene passage van M. (als eene bewijsplaats) bij de haren bij; They were forced out = met geweld verjaagd; The ministers forced the queen’s hand = dwongen ... zoo te handelen; Force-meat = gehakt (en sterk gekruid) vleesch; Force-pump = perspomp; Forced = gedwongen, gekunsteld; getrokken; subst. Forcedness; Forceful = krachtig; Forceless = krachteloos.
Forceps, föseps, tang voor chirurgen (dentisten).
Forcible, fösib’l, krachtig, gewelddadig, hevig, onstuimig, indrukwekkend: Forcible entry and detainer = gewelddadige inbezitneming (Jur.); Forcible-feeble, subst. iemand, die een schijn van kracht ontwikkelt; adj. gemaakt of slechts schijnbaar krachtig; subst. Forcibleness.
Forcing, fösiŋ; Forcing-house = broeikas; Forcing-pump = perspomp.
Forcipitate(d), fösipiteit(id), tang- of schaarvormig.
Ford, föd, subst. doorwaadbare plaats (v. eene rivier), stroom; Ford verb. doorwaden; Fordable = doorwaadbaar.
For(e)do, födû, verwoesten, vernietigen, overwinnen, uitputten.
Fordyce, fədais.
Fore, fö, adj. vooraan, voor, vooraf; adv. vooraan: To the fore = naar voren toe, gereed, aanwezig, nog levend; He came to the fore = kreeg naam; He is well to the fore = hij heeft veel naam; Fore and aft = de geheele lengte v. het schip; Forearm, subst. voorarm; Forearm, fô-âm, vooraf wapenen; Forewarned, forearmed = eenmaal gewaarschuwd maakt dubbel voorzichtig; Forebode, föboud, voorspellen, een voorgevoel hebben van; Foreboding = voorgevoel; Fore-brace, Fore-bits = betingen der fokkebrassen; Fore-bow = zadelknop; Fore-cabin = voorkajuit; Forecast = voorspelling, voorziening: The weather forecast = weervoorspelling; Forecast, fökâst, voorspellen, vooraf berekenen, ontwerpen; Forecastle, fouks’l, bak (op een schip tusschen den voormast en den boeg); Foreclose, föklouz, tegenhouden: To foreclose a mortgager = een hypothecair schuldenaar het recht op terugverkrijging van zijne bezittingen ontnemen; Foreclosure = ontneming van dit recht; Foredoom, födûm, veroordeelen, doemen: The attack was foredoomed to failure; Foreelder = voorouder; Fore-end = eerste gedeelte; Forefather = voorvader: Forefathers’-Day = 21 December, toen de Pilgrim Fathers in Amerika landden (1620); Forefend, föfend, verbieden, afwenden, afweren; Forefinger = voorvinger; Forefoot = voorpoot; Forefront = voorste deel; Forego, fögou, afstand doen, afzien van, zich ontzeggen: That is a foregone conclusion = dat is eene uitgemaakte zaak, spreekt vanzelf; Foregoing = voorafgaande; Foreground = voorgrond; Foregather, fögadhə, samenkomen; Forehand, subst. vóórhand, voorkeur; adj. naar voren, anticipeerend; Forehead, föhed of forəd, voorhoofd; Forehold = voorste gedeelte van het scheepsruim; Fore-horse = voorste paard van een span; Forejudge, födžɐdž, eene klacht afwijzen wegens niet verschijnen van den klager; Foreknow, fönou, vooraf weten; Foreknowledge, fönolidž, het vooruitweten; Foreland = landtong, kaap; ruimte tusschen vestingmuur en gracht; Foreleg = voorpoot; Forelock = voorlok, voorhaar; stift, pin: I will take time by the forelock = ik zal de eerste de beste gelegenheid aangrijpen; Foreman = eerste, eerstaanwezende, woordvoerder (van eene jury), meesterknecht, hoofdconducteur; Foremast = fokkemast; Foremast-man = gewoon matroos; Fore-mentioned, fömenš’nd, voormeld; Foremost = voorste, eerste, voorop; Forename = vóórnaam; Forenamed = voornoemd; Forenoon, fönûn, fönûn, vóórmiddag; Foreordain, fôrödein, voorbeschikken (Bijbel); Foreordination, fôrödineiš’n, voorbeschikking; Forepart = voorste deel; Forepast, Forepassed, föpâst, voorbij, verleden; Fore-peak = hel (scheepst.); Fore-rank = voorste rij of gelid, voorkant, Forereach, förîtš, winnen op (bij het zeilen, etc.); Forereading = voorafgaande doorlezing; Forerun, förɐn, voorafgaan, aankondigen, een voorbode zijn; Forerunner, förɐnə, förɐnə, voorbode, voorlooper; Foresail = fokkezeil; Foresee, fösî, voorzien, vooraf weten; Foreseeable consequences = te voorziene gevolgen; Foreshadow, föšadou, voorbeduiden; subst. voorbeduidsel; Fore-sheet = fokkeschoot; Fore-sheets = voorplecht; Foreshore = het gedeelte kust tusschen eb en vloed; Fore-shorten, föšöt’n, in de verkorting teekenen (perspectief); Foreshow, föšou, voorspellen, voorzeggen, verkondigen; Foreside = voorzijde; Foresight = het vooruitzien, overleg; Foreskin = vóórhuid; Foresleeve = vóórmouw; Forestall, föstôl, vooruitloopen op, berooven, verstoppen: You forestall life with your talk = gij neemt door uw gepraat al het aangename en belangwekkende van het leven weg; He forestalled the market = hij joeg den prijs der goederen op door opkooping en het verspreiden van valsche geruchten, etc. en beheerschte de markt daardoor; They forestall my wishes = raden vooruit; Foretaste = subst. voorsmaak; Foretaste verb. föteist, een voorsmaak hebben van; Foretell, fötel, voorspellen, voorzeggen; Forethought = subst. voorbedachtheid, voorzorg; adj. voorbedacht, vooraf beraamd; Fore-tooth = vóór- of snijtand; Foretop = vóórmars; Forewarn, föwön, vooraf waarschuwen of kennis geven (Zie Forearm); Forewind = gunstige wind; Forewoman = vrouwelijke opzichter; hoofd van eene modezaak; Foreword(s) = voorrede, inleiding.
Foreign, forin, buitenlandsch, vreemd, vreemd aan (to, from): Foreign affairs = buitenlandsche zaken; Foreign attachment = beslaglegging op het eigendom van een buitenlander in Engeland: Foreign news = buitenlandsch nieuws; Foreign Office = ministerie van Buitenl. zaken; Foreign Secretary = minister van B.Z.; Foreign trade; This is foreign to our business = is vreemd aan, staat buiten, heeft niet te maken; Foreign-built = in ’t buitenland gebouwd; Foreigner = vreemdeling.
Forensic(al), fərensik(’l), gerechtelijk; Forensic-medicine = gerechtelijke geneeskunde.
Forest, forəst, subst. woud, bosch, koninklijk jachtveld; Forest verb. in een bosch veranderen, met boomen beplanten; adj. boschachtig, landelijk; Forest-fly = luisvlieg (bij paarden); Forest-laws = boschwetten; Forest-officer = ambtenaar bij het boschwezen; Forest-walk = schaduwrijke wandelweg; Forester = houtvester, boschbewoner, boschwachter; Forestry = boschcultuur, boomkweeking.
Forfeit, föfit, subst. het verbeurde, boete, pand; adj. verbeurd; Forfeit verb. verbeuren, verliezen: To cry forfeits = de panden oproepen; They were playing (at) forfeits = waren aan het pandje-verbeuren; Forfeiture, föfitjə = verbeuring, verlies, boete.
Forfex, föfeks, schaar.
Forge, födž, subst. smidse, smidsvuur, smederij, werkplaats; Forge verb. smeden, maken, uitvinden, verdichten, namaken, vervalschen, valschheid in geschrifte plegen, met kracht voortdrijven, langzaam en moeilijk voortbewegen, vooruitwerken: He forged his way home = kwam (ging) met moeite ...; Forge-man = smids-meesterknecht; Forger = smid, vervalscher; Forgery = valschheid (in geschrifte), verdichting, verzinsel; Forgetive = vindingrijk.
Forget, föget, vergeten, verwaarloozen: I forget = ik ben vergeten; I shall forget my own name next = zal mijn eigen naam nog vergeten; To forget oneself = zich vergeten; Forget-me-not = vergeetmenietje; Forgetful = vergeetachtig, slordig; subst. Forgetfulness.
Forgivable, fögivəb’l, vergeeflijk; Forgive, fögiv, vergeven, vergiffenis schenken, kwijtschelden, door de vingers zien; subst. Forgiveness; Forgiving = vergevingsgezind; subst. Forgivingness.
Forgo, fögou, opgeven, laten varen, verliezen, inboeten.
Forgot(ten), fögot(’n), imp. en p.p. van forget.
Fork, fök, subst. vork, gaffel, scheiding van een weg, etc., moeilijkheid, lastig geval, stemvork; Fork verb. met eene vork opheffen en aangeven, omspitten, scherpmaken, zich vertakken, stelen, kapen: You shall fork it over (out) first = je zult het eerst overgeven, eerst opdokken; Fork-head = gevorkte pijlspits; Fork-tail = naam voor visch met gevorkten staart; Forked = gevorkt, zigzag: Forked lightning = zigzag bliksemstralen; Forky = gevorkt.
Forlorn, fölön, verlaten, hulpeloos, ongelukkig, eenzaam; vervallen, vermagerd: Forlorn-hope = troep soldaten, die voor een uiterst gevaarlijken post zijn aangewezen; gevaarlijke post, wanhopig geval, laatste redmiddel; subst. Forlornness.
Form, föm, (uiterlijke) vorm van iets, vorm (drukken), gedaante, stelsel, leest, model, formulier, gelijkheid, plichtpleging, schoolbank (zonder rugleun.), klasse (in school), leger (v. een haas), geschiktheid, goede figuur; Form verb. vormen, scheppen, oefenen, zich richten of vormen: To be bad form = onnet, ongepast; To be in good form = netjes, zooals het behoort; The horse was not in form to-day = niet “in conditie”; The prime minister was in splendid oratorical form = des eersten ministers redenaarstalenten kwamen prachtig uit; They went through the form of dining = voor den vorm deden ze, alsof; They formed for a dance = zij traden aan om te dansen; They formed in front = zij plaatsten zich in de voorhoede in ’t gelid; Formal = vormelijk, precies, stellig, stijf, vol plichtplegingen, naar den vorm: His evidence was of a formal order = zijne getuigenis betrof slechts feiten; Formalism = vormendienst; Formalist = vormelijk mensch, formalist; Formality, fömaliti, vormelijkheid; uiterlijke schijn; formaliteit; Formation = vorming, samenstelling of afleiding, formatie; Formative = vormend, niet tot den stam behoorend; Former = Schepper, vormer, vorm, model.
Former, fömə, voorafgaand, vroeger, eerste; Formerly = vroeger, te voren.
Formic, fömik, van mieren; Formic-acid = mierenzuur; Formication = jeuking.
Formicant, fömik’nt, zwak en onregelmatig (van den pols).
Formidable, fömidəb’l, geducht, vreeswekkend; subst. Formidableness.
Formula, fömjulə, formule, recept: Formularize = formuleeren; Formulary, subst. = formulier, formule; adj. voorgeschreven, vastgesteld naar den ritus; Formulate = Formularize = Formulize.
Fornicate, fönikeit, hoereeren; Fornication, fönikeiš’n, ontucht, bloedschande, overspel, afgodendienst; Fornicator = hoereerder, afgodendienaar.
Fors Clavigera, föz klavigərə (of klavidžərə). Forsake, föseik, verzaken, verlaten, begeven; Forsaken = part. perf.; Forsook, fösuk, imperf. van to forsake.
Forsooth, fösûth, voorwaar, zeker (dikwijls ironisch).
Forspeak, föspîk, beheksen (Schotl.).
Forspend, föspend, verkwisten, afmatten.
Forswear, föswêə, afzweren, bij eede ontkennen: You are forsworn = gij hebt uw eed gebroken; You have forsworn yourself = gij hebt een meineed gedaan.
Forsyth, fösaith.
Fort, föt, subst. sterkte, vesting, kasteel, iemands sterke zijde; adj. sterk, machtig.
Fortalice, fötəlis, klein buitenwerk.
Forte, föt, iemands sterke zijde; forto; bovenkling (schermen).
Forth, föth, vooruit, buiten, uit, voorwaarts, de grenzen te buiten gaande, voort: To be forth-coming, föthkɐmiŋ = gereed of op ’t punt te verschijnen, verschijnend; subst. te voorschijn komen: No confirmation of the report was forth-coming = het gerucht werd niet bevestigd; Forth-going, föthgouiŋ, uitgaand, voortzettend; subst. uitgaan; Forth-issuing = uitkomend; Forthright = recht vooruit, oprecht; Forthrightness of phrase = juistheid van uitdrukking; Forthwith, föthwidh, föthwith, föthwith, onmiddellijk, op staanden voet.
Fortieth, fötiəth, subst. en adj. veertigste (deel).
Fortification, fötifikeiš’n, versterking, fort; Fortify, fötifai, versterken, bevestigen; Fortitude, fötitjûd, lichamelijke of zielskracht, vastberadenheid, moed, geduld.
Fortnight, fötnait, veertien dagen; Fortnightly = alle veertien dagen; veertiendaagsch.
Fortress, fötrəs, vesting, kasteel, sterkte.
Fortuitous, fötjûitɐs, toevallig; Fortuitousness, toevalligheid; Fortuity, fötjûiti, toeval.
Fortunate, fötšənit, gelukkig, gunstig; subst. Fortunateness; Fortune, fötš’n, subst. geluk, fortuin, lot, groote rijkdom, bezit; Fortune verb. begunstigen, gebeuren: By fortune = toevallig; Fortune favours the bold = wie waagt, wint; As fortune would have it = toevallig (’t was of het spel sprak); He came into his fortune = hij kreeg zijn erfdeel; Fortune-book = voorspellingsboekje; Fortune-hunter = iemand, die bij het trouwen op geld uit is; Fortune-hunting = het zoeken van eene rijke vrouw; Fortune-tell = waarzeggen; Fortune-teller = waarzegger; Fortune-telling = waarzeggerij.
Forty, föti, veertig: In forty seconds = in minder dan geen tijd; I’ll take my forty winks = een dutje doen; The roaring forties = streek op 40° tot 50° Z.B., met steeds krachtigen W.N.W. wind.
Forum, fôr’m, forum, rechtbank.
Forward, föwəd, subst. een vooraan geplaatst speler bij football; adj. voorste, vroeg, ver gevorderd in, vroegtijdig, niet achterlijk, wijsneuzig, brutaal, vooruit; adv. (Forwards) vooruit, voorwaarts; Forward verb. bevorderen, aansporen, verhaasten, overzenden; interj. voorwaarts! The book is in a forward state = het boek is een heel eind op weg; I beg to forward this letter = ik ben zoo vrij u dezen brief te doen toekomen; From this day forward = in het vervolg; Forwarder = verzender, expediteur = Forwarding agent; Forwarding firm = expeditiezaak; Forwarding note = vrachtbrief (Amer.); Forwardness = vroolijkheid, vroegrijpheid, wijsneuzigheid, brutaliteit.
Fosbroke, fosbruk. Fosse, fos, vestinggracht, halte.
Fossick, fosik, verlaten goudmijnen of waschplaatsen nasnuffelen; lastig en druk zijn, aanhoudend zoeken; Fossicker (Austr.).
Fossil, fosil, subst. delfstof, versteend lichaam; iemand ten achteren bij zijn tijd; adj. opgedolven, verouderd: Fossiliferous = versteeningen bevattend; Fossilization = versteening; Fossilize, fosilaiz, versteenen, verouderen.
Fossroad, fosroud, een der 4 groote heirbanen door de Romeinen aangelegd, met slooten aan beide kanten, ook Foss(e)way geheeten.
Foster, fostə, voeden, zoogen, kweeken, aanmoedigen, koesteren; Foster-brother = zoogbroeder; Foster-child = voedsterkind; Foster-daughter = pleegdochter; Foster-father = pleegvader; Foster-mother = zoogmoeder; Foster-sister = zoogzuster; Foster-son = pleegzoon; Fosterer = voedster, zoogster, bevorderaar.
Fother, fodhə, wagenvracht; ook verb.: To fother a leak = stoppen.
Fotheringay, fodhəriŋgei. Fotmal, fotmâl, 70 Eng. ponden (31,751 K.G.) lood.
Fought, fôt, imperf. en part. perf. van to fight.
Foul, faul, vuil, onrein, stinkend, heiligschennend, gemeen, zondig, misdadig, onwettig, onbillijk, storm- of regenachtig, bewolkt, belemmerend; subst. aanrijden, aanvaren, ongeoorloofde slag; Foul verb. bevuilen, besmetten, in botsing komen, vuil worden, verward raken: Foul means = oneerlijke; A foul pipe = vuile; Foul play = valsch spel, bedrog; I had a foul taste in the mouth; Foul wind = tegenwind; We fell (ran) foul of a rock = stieten op eene rots; These two persons fell foul of each other = kregen samen twist; He fouled my course and received all my weight = hij kwam mij in den weg, en kreeg mijne geheele zwaarte op zich; Foul-anchor = onklaar anker; Foul-proof = vuile proef; Foul-mouthed, Foul-spoken, Foul-tongued = vuile taal sprekend; Foulness = vuilheid, etc.
Foulard, fulâd, zijden (hals)doek.
Found, faund, imp. en p.p. van to find.
Found, faund, metaal gieten; stichten, grondvesten, oprichten, begiftigen; Foundation, faundeiš’n, grondslag, fundeering, stichting, begiftiging, fundatie (Foundationer = alumnus); Foundation-muslin = stijf gaas; Foundation-school = door corporaties of privaat-personen gestichte school; Foundation-stone = eerste steen; Founder, subst. metaalgieter; stichter, maker, begiftiger: He is the founder of the feast = aanlegger; vr. Foundress; Foundry = metaalgieterij; Foundry-goods = gietijzeren artikelen.
Founder, faundə, verb. zinken, zakken, vergaan, mislukken; doen zinken, vallen, kreupel worden of maken (van paarden): A foundered copy = slecht uitziend (onderhouden) exemplaar; I am foundered with cold = stijf van koude.
Foundling, faundliŋ, vondeling: Foundling-hospital = vondelingshuis.
Fount, faunt, bron, fontein, put; Fountain, fauntin, bron, fontein, waterreservoir; Fountain-head = oorsprong of bron v. eene rivier (ook fig.); Fountain-pen = vulpen.
Four, fö, vier: To form fours = in vieren opmarcheeren; To be folded in fours = in vieren; We are (run) on all fours = wij zijn (loopen) op handen en voeten; They go on all fours = zij stemmen volkomen overeen; That is on all fours with it = dat komt er geheel mede overeen; To place on all fours with = gelijkstellen; Four-ale = goedkoop bier (4d. het quart): Fourfold, adj. viervoudig; subst. viervoud; Fourfold verb. verviervoudigen; Four-footed = viervoetig; Four-handed = vierhandig; Four-horse = door vier paarden getrokken; Four-in-hand, subst. rijtuig met vier paarden; adj. door vier paarden getrokken; Four-legged = met vier pooten, viervoetig; Fourpenny, Fourpence = vierstuiverstukje; Four-poster = groot ledikant met stijlen aan de vier hoeken; Fourscore = tachtig; Foursquare = vierkant, vast gegrond, vast staand: The Eiffel tower stands foursquare on feet of solid masonry = staat onwrikbaar vast op; Four-wheeler = vigelante; Fourteen = veertien; Fourteenth = veertiende; Fourth = vierde; Fourth-rate = vierklassig (bij de marine); Fourthly = ten vierde.
Fourbisseur, fûəbisɐ̂, zwaardveger.
Fourgon, fûəgon, fourgon, ammunitie- of bagagewagen.
Fourierism, fûriərizm, het socialistisch stelsel, aanbev. door Charles Fourier.
Fowl, faul, subst. gevogelte, het vleesch daarvan, gezamenlijke vogels, haan, kip; Fowl verb. vogels vangen of schieten; Fowler = vogelaar; Fowling-piece = ganzenroer; Fowling-shot = ganzenhagel.
Fox, foks, subst. vos, sluwe kwant; Fox verb. zuren (bij ’t gisten), rood of zuur worden, begluren, voorwenden, veinzen, kapen, stelen, voorschoenen aanzetten (Amer.); Fox-brush = vossestaart; Fox-chase (Fox-hunt) = vossenjacht; Fox-earth = vossenhol; Fox-evil = kaalheid; Fox-glove of Folks’-glove = vingerhoedskruid; Fox-grape = Amerikaansche wijnstok; Fox-hound = hond voor vossenjacht; Fox-tail = vossestaart; Fox-trap = vossenval; Fox-trot = sukkeldraf (van een paard); Foxed, fokst, verkleurd, gevlekt; met gestikt bovenleer versierd (Amer.); Foxing, subst. bovenleder; adj. verkleurend; Foxlike; Foxy = sluw, rossig.
Fracas, freikəs, lawaai, ruzie.
Frack, frak, gretig, vaardig, krachtig.
Fracted, fraktid, gebroken; Fraction, frakš’n, breking (vooral met geweld), gebroken getal, breuk, brok; het breken van het brood bij het H. Avondmaal; Fractional, frakšən’l, tot eene breuk behoorend, gebroken, klein, nietig: Fractional certificate = scrip certificaat; Fracture, fraktšə, breuk (met geweld), gebroken deel; Fracture verb. breken: Simple fracture = eenvoudige been- of armbreuk; Compound fracture = gecomplic. breuk (beschadiging v. het weefsel).
Fractious, frakšəs, twistziek, kribbig; subst. Fractiousness.
Fragile, fradžil, broos, zwak, teer; Fragileness = Fragility, frədžiliti, broosheid, zwakheid.
Fragment, fragm’nt, brokstuk; Fragmental, frəgment’l, Fragmentary, fragm’ntəri, uit brokken bestaande, zonder verband.
Fragrance, Fragrancy, freigr’ns(i), geur, welriekendheid; Fragrant, freigr’nt, geurig, welriekend.
Frail, freil, subst. bies (voor manden), biezenmandje of mat (voor vijgen of rozijnen).
Frail, freil, bros, broos, teer, besluiteloos, onvast, zwak, zondig: The frail sex; Frailness = Frailty = zwakheid, broosheid.
Fraise, freiz, subst. frees, halskraag, stormpaal (onder een hoek van 45°); spekpannekoek; drukte; Fraise verb. fraiseeren, met stormpalen beschermen: The battalion was fraised = het bataljon stond met gevelde bajonet.
Frame, freim, subst. samenstel, lichaamsgestel, steiger, geraamte, lijst, raam, borduurraam, broeiraam (broeibak), etc., gemoedsgesteldheid, gietvorm; Frame verb. bouwen, samenvoegen, regelen, ordenen, vormen, overlèggen, omlijsten, in elkander zetten: Out of frame = in wanorde; His frame of mind = gemoedsstemming; Who framed that story = bedacht; Frame-bridge = brug op jukken; Frame-building = Frame-house = houten huis; Frame-timbers = inhouten van een schip; Framework = geraamte, lijstwerk, kader, omlijsting, inrichting.
France, frâns, Frankrijk: Isle of France = Mauritius; The Franco-German war.
Frances, fransəs, Francisca; Francis, fransis, Franciscus, Frans.
Franchise, franš(a)iz, subst. voorrecht, recht, vrijplaats, vrijmoedigheid, edelmoedigheid, stemrecht (= Elective franchise); Franchise verb. vrijdom verleenen.
Franciscan, fr’nsisk’n, subst. Franciskaner (grijze) monnik; adj. Franciskaansch.
Franconia, fraŋkouniə, Frankenland; Franconian = Frankisch; Frank.
Frangible, franžib’l, licht breekbaar; bros; Frangibility = broosheid.
Frangipane, franžipein, amandelgebak: Frangipane gloves = geparfumeerde.
Frank, fraŋk, openhartig, oprecht, vrij; subst. Frank, franc, brief vrij van port; Frank verb. zonder vracht of port verzenden (door “Dienst” of “O. H. M. S.” en de handteekening van den verzender); Franking (of letters); Frankish = Frankisch; Frankly = ronduit; Frankness = openhartigheid.
Frankincense, fraŋkinsens, soort v. geurige hars, wierook.
Frantic(al), frantik(’l), dol, krankzinnig, woest, razend; subst. Franticness.
Frap, frap, spannen (van eene trom); sjorren.
Fraternal, frətɐ̂n’l, broederlijk; Fraternity, frətɐ̂niti, broederschap; Fraternization, fratənizeiš’n, freitən(a)izeiš’n = verbroedering; Fraternize, fratənaiz, freitənaiz, vertrouwelijk en vriendschappelijk omgaan; Fratricide, fratrisaid, broedermoord(er).
Fraud, frôd, bedrog, bedrieger, list; Fraudulence, Fraudulency = bedriegelijkheid, bedriegerij, bedrog; Fraudulent, frôdjulent, bedriegend, bedriegelijk.
Fraught, frôt, beladen, geladen, overvloedig: Fraught with sorrow = vol smart, van smart overstelpt.
Fray, frei, subst. strijd, gekrakeel, twist, rafel, kale plek (in laken, b.v.); Fray verb. verslijten, rafelen, afslijten door wrijven (van horens van een jong hert): Frayed ropes = uitgerafelde touwen.
Freak, frîk, subst. gril, kuur; Freak verb. bont maken, streepen of stippels trekken: Freak of nature = wangedrocht.
Freckle, frek’l, subst. (zomer)sproet, vlekje; Freckle verb. met sproeten bedekken of teekenen; Freckle-faced = met sproeten in ’t gezicht = Freckled; subst. Freckledness; Freckly = Freckled.
Fred, fred, verk. v. Frederick, fredərik, Frederik.