Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 145

Chapter 1453,185 wordsPublic domain

Viscera, visərə, ingewanden: Visceral = tot de ingew. behoorende, de ingew. bevattende, ingewands...; innerlijk, inwendig.

Viscid, visid, kleverig, lijmerig; subst. Viscidity, visiditi = Viscosity, viskositi.

Viscount, vaikaunt, adellijke titel tusschen earl en baron in; Viscountess = echtgenoote van een viscount; Viscountship.

Viscous, viskəs, kleverig, taai; subst. Viscousness.

Viscum, visk’m, marentak, vogellijm.

Visibility, vizibiliti, subst. v. Visible, vizib’l, zichtbaar, duidelijk; subst. Visibleness.

Visigoth, visigoth, West Goth; adj. Visigothic.

Vision, viž’n, het zien, gezicht, visioen, verschijning; Visional = ingebeeld, hersenschimmig; Visionariness, subst. v. Visionary = hersenschimmig, droomerig, fantastisch; subst. dweper, droomer, fantastisch mensch.

Visit, vizit, subst. bezoek, visitatie; Visit verb. bezoeken, inspecteeren, straffen, betaald zetten: A domiciliary visit = huiszoeking; I was on a visit there = op bezoek; He made a visit to his birthplace = bracht; He paid me a visit and I returned it = bracht mij een bezoek en ik bracht hem een tegenbezoek; A visit from his Majesty = door; I never visit at his house = maak nooit visites bij hem; We should not visit those measures with a return in kind = die maatregelen niet met gelijke munt betalen; His offences against decorum were visited with rigour = werden gestreng gestraft; We do not visit = zien elkaar niet; He visits there = komt er vaak; Visitant = bezoeker; Visitation, viziteiš’n = bezoek, visitatie, (periodieke) inspectie, bezoeking Gods: Visitation of the sick = ziekentroost; Visitation of the Virgin Mary = Maria Boodschap; Visitatorial, vizitətôriəl: Visitatorial power = recht van visitatie; Visite, vizît, visite (manteltje); Visiting: Visiting-card = visitekaartje; Visiting-commissioner = maandcommissaris, commissielid dat dienst heeft; Visiting-governess = onderwijzeres (extern); Visitor = bezoeker, inspecteur, visiteur: Visitor’s room = logeerkamer.

Visor, vizə, masker, vizier; Visored = met een vizier, gemaskerd, vermomd.

Vista, vistə, uitzicht of verschiet door eene laan of rij boomen, laan, rij boomen: This book opens splendid vistas to the intelligent reader = opent een heerlijk verschiet.

Vistula, vistjulə, Weichsel.

Visual, vižuəl, gezichts - -: Visual angle = ooghoek; Visual nerves = gezichtszenuwen; Visual point = oogpunt; Visual signalling = optische telegraphie; Visualization, subst. v. Visualize = verzinnelijken voor het oog, zichtbaar maken.

Vital, vait’l, levens..., onmisbaar, onheilspellend: Vitals = Vital organs; His Vital forces ebbed = zijne levenskracht begaf hem; Vital organs, Vital parts = edele deelen; Vital power = levenskracht; We tried to revive this Vital question = levensvraag; Vital spirits = levensgeesten; Vital thread = levensdraad; Vital statistics = statistiek over levensduur; That is vital to our cause = eene levenskwestie voor; Vitality, v(a)italiti, leven, levenskracht, duur, levensvatbaarheid; Vitalization = bezieling, etc; Vitalize = bezielen, leven geven.

Vitellus, v(a)iteləs, dooier.

Vitiate, višieit, bederven, ontwijden, schenden, vernietigen; subst. Vitiation.

Viticulture, vitikɐltjə, wijnbouw; Viticulturist = wijnbouwer; Vitis, vaitis, wijnstok.

Vitreo, vitriou: Vitreo-electric = positief-electrisch; Vitreous, vitriəs, van glas, glasachtig, glazen: Vitreous electricity = glas-electriciteit; subst. Vitreousness; Vitrifaction, vitrifakš’n, verglazing; Vitrifiable, vitrifaiəb’l, verglaasbaar; Vitrification, subst. v. Vitrify, vitrifai, verglazen.

Vitriol, vitriəl, vitriool: Oil of vitriol = zwavelzuur; Vitriol of copper = kopervitriool; Vitriol-throwing = het gooien van vitriool in iemands gezicht; Vitriolate, vitriəleit, in vitriool veranderen; Vitriolic, vitriolik, vitrioolachtig, scherp, kwaadaardig.

Vituperate, v(a)itjûpəreit, berispen, laken, uitschelden; subst. Vituperation; adj. Vituperative.

Vitus, vaitəs: St. Vitus dance.

Vivacious, v(a)iveišəs, levendig, opgewekt, overblijvend, vast; subst. Vivaciousness; Vivacity, v(a)ivasiti, levendigheid, vlugheid, opgewektheid.

Vivarium, vaivêriəm, plaats waar dieren in zoo mogelijk natuurlijken toestand in leven worden gehouden.

Vivat, vaivət, dat hij (zij) leve!

Viva Voce, vaivə vousi, mondeling; subst. mondeling examen.

Vive, vîv, leve!

Vivian, vivj’n.

Vivid, vivid, levendig, helder, treffend, realistisch; subst. Vividness; Vivification, vivifikeiš’n, verlevendiging, weder-opleving; Vivify, vivifai, leven wekken, bezielen: The air was vivifying = de frissche lucht schonk nieuw leven.

Viviparous, vaivipərɐs, levende jongen ter wereld brengend.

Vivisect, vivisekt, levend ontleden; Vivisection, vivisekš’n, vivisectie; Vivisectionist, vivisekšənist, = Vivisector = ontleder van levende dieren of voorstander dier methode.

Vixen, viks’n, wijfjesvos, helleveeg; Vixenish = twistziek, kijfachtig.

Viz. (= Videlicet), uitgespr. neimli.

Vizard, vizəd: A vizard mask = masker voor ’t gelaat.

Vizi(e)r, vizîə, vizier; Vizi(e)rate = vizierschap.

Vocable, voukəb’l, woord; Vocabulary, vəkabjuləri, woordenlijst, woordenboek, woordenschat, spraakgebruik; Vocal, vouk’l, stem - -, vocaal, mondeling, hardop, stemhebbend: Vocal c(h)ords, Vocal ligaments = stembanden; Vocal music = gezang; Vocalic, vəkalik, uit klinkers bestaande; Vocalism = gebruik der stemorganen; Vocalist = zanger(es); Vocalization, voukəl(a)izeiš’n, het uitspreken, het vormen van klanken; Vocalize = uitspreken, stemhebbend maken; Vocalness = stemvermogen, het uitgesproken kunnen worden.

Vocation, vəkeiš’n, roeping, neiging, aanleg, beroep: Reading is not much in my vocation = tot lezen voel ik mij niet zeer aangetrokken.

Vocative, vokətiv, subst. vocatief; adj. vocatief.

Vociferate, vəsifəreit, luide schreeuwen, uitroepen: Vociferation = geschreeuw, luid geroep; Vociferous, vəsifərɐs, schreeuwend, uitbundig juichend.

Vocule, vokjûl, zwakke aspiratie achter p, t, k.

Voe, vou, baai, kreek.

Vogue, voug, zwang, mode, algemeene roep: Writers of lesser vogue = minder populaire; That is much in vogue now = erg in zwang; To bring into vogue = in zwang brengen.

Voice, vôis, subst. stem, geluid, taal, vorm (v. een werkw.); Voice verb. uitdrukking geven aan, uiten, stemhebbend maken: (Not) in voice = (niet) bij stem; He was elected without a single dissentient voice = zonder ééne stem tegen; He was chosen with one voice = eenstemmig gekozen; She has not much of a voice = niet veel stem; He lifted up his voice = hief zijne stem op; To raise one’s voice = verheffen; Active, Passive voice = bedrijvende, lijdende vorm; To voice a grievance = uiten; This article voices the public sentiment = geeft de openbare meening weer; The organ-pipes were voiced = het orgel werd gestemd; Voiced = met stem gesproken: This is a voiced s = deze s wordt met stemtoon gesproken; Voiceful = luid klinkend, bruisend; Voiceless = zonder stemtoon: A voiceless consonant = stemlooze medeklinker.

Void, vôid, subst. ledig(e ruimte); adj. ledig, vacant, ontbloot, nutteloos, nietig; Void verb. ledigen, ontruimen, ruimen, leeggooien, ontlasten, opheffen, vernietigen: That loss made a void in my life, which can never be filled up = bracht eene leemte; It is null and void = van nul en geener waarde; Void of learning = zonder geleerdheid; Void of pity; That sentence is void of reason, of sense = heeft geen zin; The law was made void = werd terzijde gesteld; Void space = ledige ruimte; Voidable = wat ontruimd, geledigd of vernietigd kan worden; Voidance = lediging, ontzetting, verwijdering; Voidness = ledigheid, nietigheid.

Volant, voul’nt, vol’nt, vliegend (herald.), vlug, snel.

Volapuk, vouləpuk, voləpuk, Volapuk; Volapukist = beoefenaar of voorstander van Volapuk.

Volatile, volət(a)il, vluchtig, vervliegend, grillig, ongedurig, dartel: Volatile oils = vluchtige oliën; Volatile salt = vlugzout; Volatileness = Volatility, volətiliti, vluchtigheid, wispelturigheid, wuftheid; Volatilizable = geschikt om vluchtig te worden gemaakt; Volatilization = vervluchtiging; Volatilize, volətilaiz, vluchtig maken.

Volcanic, volkanik, vulkanisch: Volcanic rock = vulkanisch gesteente; Volcanic soil = vulkanische bodem; subst. Volcanism; Volcanist; Volcanization, subst. v. Volcanize = vulkaniseeren; Volcano, volkeinou, vulkaan.

Vole, voul, veldmuis.

Vole, voul, vole: To go the vole = vole spelen.

Volition, vəliš’n, wil, het willen, wilsdaad, wilskracht; adj. Volitional; Volitive, volitiv: Volitive faculty = wilskracht.

Volksraad, foulksrât, volksraad (Z.-Afr.).

Volley, voli, subst. salvo, losbarsting; Volley verb. losbarsten, een salvo losbranden, terugslaan: Give them a volley = geef hun een salvo; A volley of words = een woordenstroom.

Vol plane, vol plân, vol plane.

Volt, voult, volte, snelle zwenking, plotselinge zijsprong bij het schermen.

Volt, voult, volt (electr.); Volt-ampère; Volt-meter = voltameter; Volta, voltə, Volta; Voltaic, volteiik, galvanisch: Voltaic battery = galvanische batterij; Voltaic electricity = galvanisme; Voltaic pile = batterij van V.; Voltaism = galvanisme.

Volubilate, vəl(j)ûbilit, Volubile, vol(j)ubil, kronkelend, klimmend, slingerend.

Volubility, vol(j)ubiliti, bewegelijkheid, draaibaarheid, praatzucht, groote woordenrijkheid; Voluble, vol(j)ub’l, bewegelijk, draaiend, woordenrijk, praatziek, rad van taal.

Volume, vol(j)ûm, schriftrol, winding, boek(deel), grootte, omvang, massa, volumen; Volume verb. zich verzamelen, ophoopen: The volume of foreign trade is increasing = de omvang van buitenlandschen handel; Her anger was gathering volume = nam steeds in hevigheid toe; Such figures speak volumes = zeggen meer dan geheele boekdeelen vol; Voluminous, vəl(j)ûminɐs, omvangrijk, uitgebreid, uit vele deelen bestaande, groot: He is a voluminous writer = hij heeft veel geschreven, hij is een vruchtbaar schrijver; subst. Voluminousness.

Voluntariness, vol’ntərinəs, subst. v. Voluntary, vol’ntəri, vrijwillig, vrij, opzettelijk, spontaan, bereidwillig, willekeurig; subst. vrijwilliger, preludium, fantasie (op orgel of piano): Voluntary schools = vrije scholen (meestal van kerkelijke richting) waarvan de kosten gedeeltelijk door vrijwillige bijdragen (= Voluntary contributions) gevonden worden.

Volunteer, vol’ntîə, subst. vrijwilliger, volontair; adj. vrijwillig dienst nemend, uit vrijwilligers bestaande, in ’t wild groeiend; Volunteer verb. vrijwillig geven of aanbieden, als vrijwilliger dienen: The Volunteers = een vrijwilligerscorps opgericht in 1859 (Zie Territorials); He did not volunteer an explanation = gaf niet ten beste, opperde geen; Shall we volunteer? = zullen wij vrijwillig gaan, ons aanbieden?

Voluptuary, vəlɐptjuəri, subst. wellusteling; adj. wellustig, zinnelijk = Voluptuous, vəlɐptjuəs; subst. Voluptuousness.

Voluta, vəl(j)ûtə, rolslak; Volute, vəl(j)ût, subst. spiraalvormige krul in Grieksche kapiteelen; rolslak; Volutad = met een spiraalvormige krul, spiraalvormig.

Volvulus, volvjulɐs, darmjicht, darmkronkel.

Vomic, vomik: Vomic-nut = braaknoot.

Vomit, vomit, subst. braaksel, braakmiddel; Vomit verb. braken, uitbraken: A mass of scoriae was vomited forth from the bowels of the earth = werd uitgebraakt; Vomitive = braak - - -; Vomitory = braak(middel).

Voracious, vəreišəs, gulzig, roofgierig; subst. Voraciousness, Voracity, vərasiti, gulzigheid; vraatzucht, roofgierigheid; Vorant, vôr’nt, verslindend (Herald.).

Vortex, vöteks, (Meerv. Vortexes, Vortices, vötisîz), dwarrelwind, draaikolk; Vortex-wheel = turbine; Vortical = dwarrelend, draaiend = Vortiginous, vötidžinɐs.

Vosges, vouž, Vogezen.

Votaress, voutərəs, ordezuster, vereerster, aanhangster; Votary, voutəri, subst. ordebroeder, aanbidder, vereerder, aanhanger; adj. gewijd, eene gelofte afgelegd hebbende.

Vote, vout, subst. stem, stemrecht, stemming, votum, stembriefje (kogeltje); Vote verb. stemmen, voteeren, kiezen, verklaren: One man one vote = ieder man een stem; The chairman has a casting vote = beslissende stem; The remaining votes of the army estimates were considered and agreed to = de nog overblijvende artikelen van de oorlogsbegrooting; The ministry had a close escape, and carried the motion by fourteen votes = kreeg de motie met een meerderheid van veertien stemmen aangenomen; He was within a vote of losing his situation = met één stem meerderheid behield hij zijne betrekking; The motion came to the vote = werd in stemming gebracht; The votes cast, given = de uitgebrachte stemmen = The votes polled; To put to the vote = in stemming brengen; To take a vote on a question = laten stemmen over; Vote of confidence = votum van vertrouwen; Want-of-confidence vote = votum van wantrouwen; A motion of thanks was voted to the chairman = den president werd de dank der vergadering gebracht; He spoke for the government and voted against it = en stemde er tegen; He voted himself into the chair = benoemde zichzelf tot voorzitter; Voter = kiezer, stemgerechtigde; Voting: Voting by ballot = ballotage; Voting-paper = stembiljet: To fill up a voting-paper, To mark a voting-paper = invullen, merken.

Votive, voutiv: Votive medal = herinneringsmedaille; Votive offering = dankoffer; Votive tablet = gedenksteen.

Vouch, vautš, subst. verzekering, getuigenis; Vouch verb. waarborgen, instaan voor, betuigen, verzekeren, getuigenis afleggen: Will you vouch for the truth of it? = staat gij voor de waarheid in? Vouchee, vautšî, iemand, die als borg of zegsman wordt opgeroepen; Voucher = getuige, bon(netje), toegangskaart, borg, getuigenis, declaratie (voor uitgegeven en onvergolden gelden): My voucher has left the audit-office = mijne declaratie is al bij de Rekenkamer geweest; A voucher for a drink = bon; Vouchor, vautšə, vautšö, die een ander daagt (als Vouchoree); Vouchsafe, vautšseif, toestaan, waarborgen, de goedheid hebben, zich verwaardigen: He did not vouchor any reply = verwaardigde zich niet te antwoorden.

Vow, vau, subst. gelofte, eed; Vow verb. beloven, eene gelofte doen, bezweren, plechtig betuigen, wijden: To make a vow = een gelofte doen; She has received (taken) the vows = heeft de kloostergeloften afgelegd.

Vowel, vauəl, subst. klinker; adj. vocaal.

Voyage, vôi-idž, subst. verre (zee)reis; Voyage verb. reizen, bereizen, bevaren: Our voyage in, Our homeward voyage = onze terugreis; I met him on my voyage = op reis; On our voyage out = On our outward voyage = heen-, uitreis; He went on a voyage = op reis; Voyager = (zee)reiziger; Voyageur, Fr. uitspr., Canadeesch schuitevoerder.

Vulcan, vɐlk’n, Vulcanus; Vulcanian, vɐlkeinj’n, Vulcanic, vɐlkanik, vulkanisch; Vulcanite = eboniet; Vulcanization = vulkanisatie; Vulcanize = vulkaniseeren.

Vulgar, vɐlgə, adj. gewoon, gemeen, ordinair, grof, lomp, laag, volks...: The vulgar = het gewone volk, groote hoop, het gemeen; Vulgar fraction = gewone breuk; Vulgar speech (talk, tongue) = volkstaal; Vulgarian, vɐlgêriən, proleet; Vulgarism = platheid, platte uitdrukking; Vulgarity, vɐlgariti, laagheid, platheid, grofheid; Vulgarization, subst. v. Vulgarize = plat of laag maken, vulgariseeren.

Vulgate, vɐlgit, vulgata of Latijnsche bijbelvertaling van den H. Jeronymus (329–420).

Vulnerability, vɐlnərəbiliti, subst. v. Vulnerable, vɐlnərəb’l, kwetsbaar, wondbaar; subst. Vulnerableness; Vulnerary, vɐlnərəri, subst. heel- of wondmiddel; adj. heelend: Vulnerary balsam (herb, plant).

Vulpecide, Vulpicide, vɐlpisaid, iemand, die een vos doodt; wederrechtelijk dooden van een vos; Vulpine, vɐlp(a)in, vosachtig, listig, slim; Vulpinism, vɐlpinizm, sluw- of slimheid.

Vulture, vɐltjə, gier: Bearded vulture = lammergier; Vulturine, vɐltjur(a)in, gierachtig, roofgierig = Vulturish = Vulturous.

Vying, vai-iŋ, mededingend.

Vyrnwy, vîənwi: Vyrnwy Lake.

W.

W, dɐb’ljû; W. = Wednesday, Weak, Welsh, Western (postal district, London), Winterline (Plimsoll-merk op schepen); Wallach(ian), Walt(er); W(ater) C(loset); W(estern) C(entral postal district); Wed(nesday); Wel(sh); Whf. = Wharf; W(est) I(ndies); W(est) I(ndian); Wisc(onsin); Wk. = Week; W. N. A. = Winter line North Atlantic (Plimsoll-merk); W(est) Long(itude); Wm. = William; W(orshipful) M(aster) = achtbare meester; W(est) N(orth) W(est); Wp. = Worship; Wpful = Worshipful; W(riter to the) S(ignet); W(est) S(outh) W(est); W(ashington) T(erritory); Wt. = Weight.

Wabash, wôbaš.

Wabble, wob’l, subst. schommeling; Wabble verb. schommelen, waggelen, weifelen; Wabbler; Wabbly = schommelend, waggelend.

Wad, wod, subst. bundel, bos, vulsel, prop watten, enz., geweerprop, pak banknoten, geld; Wad verb. tot eene prop maken, een prop zetten op, opvullen, watteeren: A wadded box = een gewatteerd doosje, bekleede kist; Wad-hook = krasser (om proppen uit een geweer te halen); Wadding = opvulsel, watten, prop: The paper had served as wad for the gun.

Waddington, wodiŋt’n.

Waddle, wod’l, subst. waggelende, schommelende gang; Waddle verb. waggelen; Waddler.

Waddy, wadi, wodi, knots, stok; Waddy verb. met een knots doodslaan.

Wade, weid, waden, doorwaden, met moeite gaan door: We were wading up to our knees through the mud = waadden tot onze knieën door den modder; Wader = die waadt, hooge waterlaars, steltlooper = Wading-bird.

Wadi, wodi, rivierbedding, die in den zomer droog is.

Wadsetter, wodsetə, de crediteur, die bezittingen in Wadset (= in pand) heeft, en de inkomsten in afbetaling der schuld geniet (Schotl.).

Wae, wei, wee (Schotl.). Zie Woe.

Wafer, weifə, subst. ouwel, wafel, oblaat; Wafer verb. ouwelen, dichtplakken: Beetle wafer = papier of ouwel om torren te dooden; Holy (Sacramental) wafer = hostie; Wafer-cake = knijpkoekje, ijzerkoekje.

Waffle, wof’l, wafel; Waffle-iron = wafelijzer.

Waft, wâft, subst. wenk, sein, ademtocht sjouw (scheepst.); Waft verb. voeren of dragen, overbrengen, drijven, seinen: To hoist the flag with a waft = de vlag in sjouw hijschen; Waftage, wâftidž, vervoer, overbrenging; Wafture = wenken, ademtocht.

Wag, wag, subst. het heen en weer schudden; Wag verb. schudden, schommelen, wiebelen, er van door gaan, spijbelen, kwispelstaarten: He played the wag from school = spijbelde; To wag the finger = den vinger (dreigend) opsteken; There was much wagging of heads at his insolence = men schudde algemeen het hoofd over; The dog wagged its tail = kwispelstaartte; That will set the tongues wagging = daar zal wat over gepraat worden; Thus the world wags = zoo is ’s werelds beloop; The boy wagged from school = spijbelde; Thus I wag through the world = scharrel ik door den tijd; ’t Is merry in hall, when beards wag all = onder mannen alleen, gaat het lustig toe; Wagtail = kwikstaartje; lichtekooi.

Wag, wag, grappenmaker, spotvogel, snaak; Waggery = snakerij, ondeugende aardigheid: He is full of waggery = hij zit vol looze streken; Waggish = grappig, ondeugend, schalksch; subst. Waggishness.

Wage, weidž, subst. (meestal Wages) = loon, huur, soldij; vacatiegelden (Amer.); Wage verb. wagen, wedden, ondernemen, kneden, gelijk staan met: The advance of wage = verhooging; Living wage = het loon dat een menschwaardig bestaan verzekert; The wages of sin is death = de bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6, 23); Wage-earners; Wage-fund = loonfonds; Wage-rate = loon(standaard); Wage-work = loonarbeid; He waged war on mankind = voerde strijd tegen.

Wager, weidžə, subst. weddingschap; aanbod van een beklaagde om op een bepaalden dag onder eede te zullen verklaren dat hij een bedrag niet schuldig was en elf getuigen mee zal brengen ter bevestiging; Wager verb. wedden, verwedden: I will lay you a wager = wed met u; What is your wager? = hoe hoog hebt gij gewed; Name your wager = waar wed je om? Wager of battle = beslissing door een tweegevecht; I wager you are wrong.

Waggle, wag’l, subst. waggelende gang; Waggle verb. waggelen, heen en weer bewegen, wippen: To waggle one’s tail = wippen met den staart (v. vogels).

Wag(g)on, wag’n, vracht- of goederenwagen: Dinner waggle = dienbak op rollen; He is on the waterwaggle now = afschaffer; Waggle-master = wagenmeester; Waggle-shed = remise; Waggle-vault = tongewelf; Waggleage, waidž, vracht(loon), wagenpark; Waggleer = vrachtrijder; Waggleette, wagənet, wagentje, soort brik; Waggleing = vervoer per wagon.

Wahabee, Wahabi, wəhâbî, aanhanger eener Mahomedaansche secte; Wahabeeism = beginselen der Wahabees.

Waif, weif, onbeheerd goed, strandgoed, weggeloopen vee, door de dieven bij de vervolging weggeworpen goederen, zwerver, vagebond, sjouw (noodvlag): Waifs and strays of society = verlaten kinderen, zwervers.

Wail, weil, subst. weeklacht; Wail verb. weeklagen, beweenen.

Wain, wein, wagen, vrachtwagen: Arthur’s of Charles’s Wain = Groote Beer; Lesser Wain = Kleine Beer.

Wainscot, weinskot, subst. wagenschot; lambriseering; Wainscot verb. met hout beschieten of bekleeden.

Waist, weist, middel (v. het lichaam), keursje, kuil (Scheepst.): He tightened his coat to give himself a waist; Waistband = broeksband, roksband; Waist-belt = gordel, koppel; Waistcloth = (Ind.) lendendoek; schans- of dekkleed; Waistcoat, weskət, weistkout, vest, wambuis: Strait Waistcoat = dwangbuis; Waister = kuilgast.

Wait, weit, subst. wachttijd, hinderlaag, oponthoud, pauze (Waits = muzikanten, die met Kerstmis en Nieuwjaar serenades plachtten te brengen bij notabelen); Wait verb. wachten, afwachten, wachten op; bedienen, vergezellen: To lay wait = een hinderlaag leggen; To lie in wait = op de loer liggen; He may wait a little longer = dan kan hij lang wachten; Dinner waits = het eten is klaar; The paper may wait till to-morrow = kan wachten tot, blijven liggen; Something that will not wait = iets dat niet kan wachten; To wait dinner for a person = met het eten wachten op; I will wait your return = wachten op; Am I to wait you there? = moet ik daar wachten, tot gij komt? You have kept me waiting = mij laten wachten; To wait at table = bedienen; I have been waiting for you (for) ever so long = heb ik weet niet hoe lang op u gewacht; Who waits on you? = past u op, bedient u; We herewith wait on you with the abstract of your account = hierbij hebben we de eer, u te zenden; He waited (up)on the mayor = maakte zijne opwachting bij; We wait on you, o Lord! = wij wachten op u, o Heer; Who is going to wait up for me = wie zal opblijven tot ik thuis kom; Waiter = kellner, bediende, stommeknecht, presenteerblad; Waiting: To play a waiting game = de kat uit den boom kijken; The boats are in waiting on the little pier = liggen klaar aan; The cabs in waiting = de klaar staande; Ladies in waiting = (gehuwde) hofdames; Lords in waiting = kamerheeren; Waiting-gentleman = kamerheer, kamerdienaar; Waiting-maid, Waiting-woman = kamenier; Waiting-room = wachtkamer; Waitress = kellnerin.

Waive, weiv, verlaten, afzien van: I waive my claims = zie af van mijne rechten; Waiver.

Wake, weik, subst. waken of wakker zijn, wijdingsfeest van eene kerk, feest, waken bij een lijk; zog, kielwater, spoor; Wake verb. wakker zijn, wakker worden, wekken, opzitten, opblijven, opwekken, opvlammen: We followed in the wake of the steamer = in het kielwater; They followed in your wake = zij kwamen onmiddellijk achter u aan; He left a wake of victory behind him = behaalde overwinningen waar hij ook kwam; A laugh woke about the corners of his mouth = een lachende trek kwam om zijn mond; Wake-robin = gevlekte aronskelk; Wakeful = wakend, waakzaam; subst. Wakefulness; Waken = wekken, oproepen, aansporen: Wakener = wekker, prikkel; Waker = wekker, waker; Waking: Waking-hours = de uren dat men niet slaapt.

Wakley, wakli; Walcott, wolkət; Waldenses, woldensîz, Waldensers; adj. Waldensian.

Wale, weil, zelfkant; berghout (scheepst.). Zie Weal = striem.

Wales, weilz; Walhalla, walhalə, wolhalə.