Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 108
Right, rait, subst. recht, aanspraak, rechterhand, rechterkant, rechterzijde (in eene wetgevende vergadering); stuk land, aandeel in fabriek of mijn (Amer.); adj. en adv. recht, billijk, rechtvaardig, juist, rechter of rechts(ch); Right verb. recht zetten, oprichten, recht laten wedervaren, zich oprichten: The Right = Rechterzijde (Parl.); Mr. Right is not yet come = de rechte Jozef is nog niet verschenen; Bill (Declaration) of Rights = het Eng. charter van 1689; It would not come right = het wou niet goed komen; We shall soon put (set) this to rights = dat spoedig in orde brengen; I’ll send him to the right-about very soon = hem gauw wegzenden, rechtsomkeert doen maken; To have a (no) right to = recht (geen recht) hebben op; He did not hear, know the rights of it = hoorde, wist er het fijne niet van; They killed a right and left of rabbits = schoten konijnen rechts en links neer; Good shooting does not guarantee rights and lefts at partridges = is nog geen waarborg voor eene goede patrijzenjacht; By rights = eigenlijk; You are in the right = hebt gelijk; She had a fortune in her own right = zij had zelf fortuin; A duchess in her own right = eene hertogin die zelf de rechten heeft, aan dien rang verbonden (behalve een zetel in The House of Lords); He was standing on the right = hij stond aan den rechterkant; To the right = naar rechts; He was strictly within his rights = in zijn recht; Right about face (turn) = rechtsomkeert; All right, my boy = in orde, baasje; You are right = hebt gelijk; That is right, set him right = goed zoo, help hem op weg; It is not right for you to say so = het past u niet; I am on the right side of fifty = nog geen vijftig; On the right side of five guilders = over de; On the right side of fortune = schatrijk; To put right = in orde brengen, verbeteren; We’ll soon set it right = het gauw in orde brengen; Right across = dwars over; Right away = terstond (Amer.); A right down Londoner = oprechte, echte; Right down to the bottom = loodrecht naar de diepte; Right opposite = vlak hier tegenover; To tell right out = zonder omwegen; To read right through = in één stuk door; Right to the point = recht op het doel af; I am right glad that I went right up to the top of the building = erg blij, ... heelemaal naar; I must be righted, or I will right myself = er zal mij recht geschieden, of ik zal mij zelven recht verschaffen; Things will right themselves = zullen wel van zelf in orde komen; To right the helm = het roer midscheeps leggen; To right a pole = een paal rechtop zetten; Right angle = rechte hoek; Right-angled = met rechte(n) hoek(en); Right-hand = rechtsch; subst. rechterhand, ook fig. = Right-hand man = rechter nevenman; Right-handed = rechtsch, handig; Right-hearted = rechtschapen; Right-honourable = titel voor al de pairs in Engeland, voor de zoons en dochters van Dukes en Marquesses, en de dochters en oudste zoons van Earls, voor leden van den Privy Council, den Speaker van het House of Commons, den Lord Chancellor, de Lord Chief Justices, en den Lord Chief Baron; voor de Lord-mayors van London, Dublin en York, en voor den Lord-Provost van Edinburgh, zoolang zij in functie zijn; Right-lined = rechtlijnig; Right-minded(ness) = rechtgeaard(heid); Righteous, raitšəs, rechtvaardig, rechtschapen, heilig, billijk; Righteousness = rechtschapenheid, reinheid des harten, volkomen gehoorzaamheid aan Christus; Righter: Women’s Righter = kampioen voor vrouwenrechten; Rightful = rechtvaardig, rechtmatig: He is the rightful heir = de rechtmatige erfgenaam; subst. Rightfulness; Rightly = terecht, precies: You rightly refused to accompany him = hebt terecht geweigerd.
Rigid, ridžid, (ge)streng, stijf, onbuigzaam, hard: Rigid dirigible = bestuurbare ballon van het stijve stelsel; Rigid examinations = strenge; subst. Rigididity = Rigidness.
Riglet, riglət, lijstje; filet.
Rigmarole, rigməroul, subst. onzin, gewauwel; verhaal door één begonnen, en achtereenvolgens door de anderen van het gezelschap voortgezet; adj. dwaas, onzinnig, vervelend.
Rigorism, rigərizm, (ge)strengheid, stiptheid; Rigorist, subst. iemand van strenge beginselen; adj. streng, stipt; Rigorous, rigərəs, (ge)streng; straf, stipt, onbuigzaam, hard; subst. Rigorousness; Rigour, rigə, strengheid, hardheid, nauwkeurigheid.
Rig Veda, rigveidə, het eerste der 4 Veda’s.
Rile, rail, “het land” opjagen.
Rill, ril, subst. beekje; Rill verb. vlieten; Rillet = klein beekje.
Rily, raili, uit zijn humeur, boos.
Rim, rim, subst. rand, invatsel, garnituur (v. een bril, b.v.); Rim verb. van een rand, etc. voorzien: Her eyes were rimmed round with weeping = zij had randen om de oogen van.
Rime, raim, subst. rijm, rijp (zie Rhyme); Rime verb. tot rijp doen bevriezen; Rime-frosted = berijpt.
Rimose, raimous, raimous, vol barsten en spleten; subst. Rimosity, raimositi; Rimous, raiməs = Rimose.
Rimple, rimp’l, subst. rimpel; Rimple verb. rimpelen.
Rimy, raimi, berijpt, koud en nevelig.
Rind, raind, subst. schors, huid, schil; Rind verb. schillen: Cheese rind, Pork rinds; Rindless.
Rinderpest, rindəpest, longziekte (vee).
Ring, riŋ, subst. ring, kring, circus, renperk, krijt, kliek; klank, stel harmonische klokken; Ring verb. omringen, van een ring voorzien, een kring van schors van een boom snijden; klinken, luiden, doen klinken of weergalmen: The Ring = onafgebroken keten van rijtuigen in Hydepark; kringvormig opgesteld publiek bij een bokspartij, bokspartij; There is a ring in his voice which gains your sympathy = eigenaardige toon of klank; There’s a ring = er wordt gebeld; To blow rings = kringetjes (rook) blazen; To be trained to the ring = voor het circus opgeleid; Swinging-rings = ringen (gymn.); He rang the changes on her praise = prees haar op alle manieren; The bells rang out the old year and rang in the new = luidden het oude jaar uit en het nieuwe in; I rang up the chemist = belde op (per telefoon); The curtain was rung up for the second act = de bel voor het tweede bedrijf luidde; To ring up a (forgotten) letter = in herinnering brengen; The house rang with merriment = vroolijkheid weerklonk door het huis; Ring-bolt = ringbout; Ring-dove = ringduif; Ring-dropper = kwartjesvinder; Ring-finger = ringvinger; Ring-formed = ringvormig; Ring-leader = belhamel; Ring-mail = maliënkolder; Ring-master = pikeur (van een circus); Ring-streaked = met ringen gestreept; Ring-tailed = met kringen op den staart; Ring-worm = soort duizendpoot, dauwworm (Med.); Ringer = klokkenluider; Ringing, subst. het luiden, gelui; adj. klinkend, welluidend: It is still ringing in my ears = het tuit me nog in de ooren; Ringlet = ringetje, krulletje.
Rink, riŋk, subst. ijsbaan, baan voor kunstrijders, lokaal voor het rijden op rolschaatsen; Rink verb. rijden in een Rink: Skating-rink.
Rinse, rins, spoelen, omwasschen (away, off, out); Rinsing-tub.
Riot, raiət, subst. oproer, muiterij, drinkgelag, burengerucht; Riot verb. oproer maken, muiten, zwelgen, rumoerig zijn, snel slaan (pols): The Riot Act was read = de oproerige menigte werd gesommeerd (met verwijzing naar de Riot Act van 1714) uiteen te gaan; To kick up a riot = herrie schoppen; To run riot (Zie Run); Rioter = zwelger, oproermaker; Riotous, raiətɐs, oproerig, ongebonden; subst. Riotousness = Riotry.
Rip, rip, subst. scheur, teenen vischmand, bedrieger, deugniet, waardeloos iets, knol, snoepreisje; Rip verb. openrijten, lostornen, losscheuren (up), onthullen, uitstooten: A six months’ rip to America = uitstapje; Don’t rip up old sores (half-scarred wounds) = rijt geen oude wonden open; Ripper = tornmesje; iets uitstekends: She is a ripper = eene aardige, kranige meid; Jack the Ripper = een berucht vrouwenmoordenaar; A ripping little girl = flinke, bovenste beste, kranige meid.
Riparian, raipêriən, aan een oever gelegen of wonende; ook subst.
Ripe, raip, rijp, ontwikkeld, dringend: Ripe wants = dringende behoeften; He is ripe for the madhouse = rijp voor; Ripen = rijp worden of maken; subst. Ripeness.
Ripon, rip’n.
Ripost(e), ripoust, tegenstoot, vlug en vinnig antwoord.
Ripple, rip’l, subst. gekabbel, golving; groote kam om vlas te repelen; Ripple verb. rimpelen, kabbelen; repelen: Chestnut hair with a ripple in it; It excited ripples of interest = teekenen v. belangstelling; The rippling of the waves = het kabbelen der golven; Ripple-marks = indrukken van de wijkende golven op het strand; The beach was Ripple-marked = het strand had overal de indrukken der golven.
Riprap, riprap, steenstorting (als fundament); ook verb.
Rise, raiz, subst. opstand, opkomst, opslag, verhooging, rijzing, verheffing, bron, het opkomen, toeneming, verbetering, bevordering; Rise verb. opstijgen, opstaan, opkomen, opzwellen, voortkomen, wassen, toenemen: The rise of the Dutch Republic = de opkomst der Nederl. republiek; That gave rise to many cordial greetings = gaf aanleiding tot; The Rhine takes its rise in Switzerland = ontspringt in; I took (got) a rise out of him = ik ben hem te slim af geweest, heb hem belachelijk gemaakt; The water is on the rise = aan het opkomen; Each epithet rose above the other = elk volgend epitheton was steeds mooier; The House rose at three in the morning = de zitting werd gesloten; The company rose from table = stond van tafel op; The whole nation rose in arms = vatte de wapenen op; The wind soon rose to a storm = verhief zich; The colour rose to her cheeks = steeg haar naar de wangen; He rose to the occasion, emergency = was tegen de moeilijkheid opgewassen; He would not rise to my scheme = hij wou mijn plan niet begrijpen, er niets van weten; He rose to the suggestion = hij begreep den wenk; The words Plenty, Abundance and Exuberance rise upon each other in expressing the idea of fulness = het begrip overvloed wordt telkens sterker uitgedrukt door; Riser: I am not an early riser = niet matineus; Rising, subst. opstaan, opstand, opgang, gezwel; adj. opgaande, opkomend, toenemend, aanzwellend: The rising of Lazarus = de opwekking van L.; The rising generation = het opkomend geslacht; They adore (worship) the rising (risen) sun = zij aanbidden de opgaande zon.
Risibility, rizibiliti, subst. v. Risible, rizib’l, belachelijk, lachwekkend; tot lachen geneigd.
Risk, risk, subst. gevaar, risico; Risk verb. wagen, in de waagschaal stellen: He did it at the risk of his life = met gevaar van eigen leven; I won’t run the (a) risk = wil mij daaraan niet blootstellen; You are subject to the risks = moet de risico dragen; Risker; Risky = gevaarlijk, gewaagd: A risky experiment = gewaagde proefneming.
Risorial, raisôriəl: Risorial muscle = lachspier.
Rite, rait, godsdienstige plechtigheid, ritus; Ritual, ritjuəl, subst. rituaal, liturgisch boek met formulieren; adj. ritueel: Is thy meat ritually prepared? = koscher; Ritualism = ritus; Ritualist = voorstander van de richting der High Church; kenner der kerkgebruiken; adj. Ritualistic.
Rivage, rividž, oever, kust.
Rival, raiv’l, subst. mededinger, medeminnaar; adj. mededingend, concurreerend; Rival verb. mededingen, wedijveren: He was my rival for that place = mededinger; Rivalry = Rivalship = medeminnaarschap, wedijver.
Rive, raiv, scheuren, opensplijten: The tree was riven (riv’n) by (with) lightning = door den bliksem gespleten; River.
River, rivə, rivier, stroom: We sailed down, up the river = de rivier af, op; In (On) the river = op de rivier; The Rivers = Delta van den Niger, het Niger-coast Protectorate; River-basin = stroomgebied; River-bed, River-channel = bedding eener rivier; River-craft = riviervaartuigen; River-driver = vlotter (Amer.); River-god = stroomgod; River-hog = Z. Amer. waterzwijn; River-head = bron; River-horse = nijlpaard; River-side = oever.
Rivers, rivəz.
Rivet, rivət, subst. klinknagel; Rivet verb. vastklinken, strak richten op (to, on), diep inprenten: It remains riveted in my mind for ever = staat in mijne ziel gegrift; He was riveted to that post = hij zat er vast aan (kon er nooit eens uit); The Eiffel Tower is the work of the riveter = het werk van den vastklinker, den klinkhamer.
Riviera, rivjêrə.
Rivose, raivous, rivous, gerimpeld.
Rivulet, rivjulet, beek, riviertje.
Rixdollar, riksdolə, rijksdaalder (ƒ 1,50 tot ƒ 2,50).
Roach, routš, (blank-)voorn: As sound as a roach = zoo gezond als een visch.
Road, roud, weg, reis, reede: To be in the road(s) = op de reede liggen; I am off my road = verdwaald; He was on the road to Vienna = op reis naar; There is no royal road to learning = de weg naar de wetenschap is vol moeilijkheden; I have lost my road = ben verdwaald; To put a person on the right road to = den weg wijzen naar; He has taken to the road = struikroover geworden; Road-agent = tolgaarder; roover (Am.); Road-bed = grondlaag v. weg of spoor; Road-book = gids voor steden, wegen en afstanden; Road-hog = onbesuisd fietsrijder; Roadman = Road-mender = wegwerker; Road-metal = steenen voor macadamwegen; He was sitting by (on) the roadside = zat aan den weg; Roadstead = reede; Roadster = rijpaard, koetsier v. diligence, schip (op de reede), soort fiets; Roadway = straatweg, bereden gedeelte van een brug.
Roam, roum, rondzwerven, omzwerven: I roamed the streets of the city aimlessly = zwierf doelloos door; Roamer.
Roan, roun, subst. roode schimmel; roode kleur; adj. rood- of ijzergrauw.
Roar, rö, subst. gebrul, geloei, gehuil, geschater, gebulder; Roar verb. brullen, loeien, huilen, bulderen, schateren, bruisen, donderen: To keep the company in a roar = aan het schateren; He set the company in (on) a roar = deed schateren van lachen; The whole company set up a roar = begon te brullen van lachen; Roarer = bruisende golf, luid aanslaande hond, aamborstig paard; He has a roaring business (trade) = eene woest-drukke zaak.
Roast, roust, subst. gebraad; adj. gebraden; Roast verb. braden, branden; voor het lapje houden, ongenadig plagen: He rules the roast (roost) = hij is de baas, beheerscht alles; Roast beef, goose, etc.; Roaster; Roasting-jack = toestel waarin het spit draait.
Rob, rob, rooven, bestelen, plunderen: He robbed me of my gold watch = ontstal mij; Robber = roover, dief; Robbery = rooverij, diefstal.
Rob, rob, gelei, conserf.
Robe, roub, subst. toga, tabberd, staatsiemantel; Robe verb. kleeden, in een toga of tabberd kleeden: Gentlemen of the long robe = advocaten of getabberden; Master, Mistress of the robe = titel van een hofbeambte, of hofdame met de zorg voor de garderobe belast; They follow the robe as a profession = zijn bij de magistratuur; Robes of office = ambtsgewaad; In robe and crown the king appeared; I have seen him in his robes in the House of Lords = in zijn pairsmantel gezien.
Robert, robət, Robert; ook: kellner, “Jan”; Robertson, robəts’n; Robinson, robins’n.
Robin, robin, Robert; roodborstje; Robin-Good-fellow = goedige kabouter; Robin-redbreast = roodborstje; Round robin = petitie met de handteek. in een cirkel, zoodat men niet weet wie het eerst geteekend heeft: That beats the round robin = dat is wat al te erg, al te brutaal.
Roborant, robər’nt, subst. en adj. versterkend (middel).
Roburite, robjurait, roburiet.
Robust, rəbɐst, krachtig, sterk, gespierd; subst. Robustness.
Roc, rok, fabelachtige vogel in Arabische sprookjes: Roc’s egg = iets fabelachtigs.
Rocambole, rok’mboul, slangelook.
Rochdale, rotšdeil; Rochester, rotšəstə.
Rochet, rotšət, linnen toog; korte pairsmantel; voorn.
Rock, rok, subst. rots, gesteente, klip, soort bonbon, schommel, spinnewiel; Rock verb. wiege(le)n, schommelen, wankelen: To be on the rocks (fig.) = in (geld)verlegenheid zijn; To run against a rock = zich aan gevaar blootstellen; Rock-alum = aluinsteen; Rockaway = een bepaalde Amer. wagen; Rock-bound = door rotsen omsloten; Rock-cork = bergkurk; Rock-crystal = bergkristal; Rock-oil = steenolie, petroleum; Rock-pigeon = klipduif; Rock-ruby = robijn-roode granaat; Rock-salt = klipzout: Rock-snake = tijgerpython; Rock-soap = bergzeep; Rock-staff = blaasbalgstok; Rock-wood = houtasbest; Rock-work = rotswerk; Rocker = wieg, hobbelpaard, onderstel v. een wieg; Rockery = rotswerk (in tuinen, etc.); Rockiness = rotsachtigheid; Rocking-chair = schommelstoel; Rocking-horse = hobbelpaard; Rocking-stone = schommelsteen; Rocky = rotsachtig, hard als een rots.
Rockefeller, rokfelə.
Rocket, rokət, vuurpijl; Rocket verb. als een pijl opvliegen: To let off a rocket = oplaten; To rocket about (on a horse) = rijden, wippen.
Rockies = Rocky Mountains (Amer.).
Rococo, rəkoukou, Rococostijl (17e eeuw).
Rod, rod, roede (ook maat = 5,029 M.), stok, staf, stang, rotting, scepter, takje: I have a rod in pickle for you = ik heb voor u wat in het vat; Black Rod = koninkl. boodschapper en ceremoniemeester in het Hoogerhuis (altijd een gepension. admiraal of generaal); de staf waaraan hij zijn naam ontleent; Rod-fishing = hengelen.
Rode, roud, imperf. van to ride.
Rodent, roud’nt, knaagdier: He is a political rodent = oude rot (fig.).
Roderic(k), rodərik; Roderigo, rod(ə)rîgou.
Ro(d)ger, rodžə, Rutger; schepers naam voor een ram; stier: We hoisted the Jolly Roger = wij heschen de kapervlag (de vlag draagt “Crossbones and skull” = een schedel met gekruiste doodsbeenderen).
Rodney, rodni; Rodolph(us), roudolf (rədolfəs).
Rodomont, rodəmont, subst. grootspreker, bluffer; adj, blufferig, snoevend; Rodomontade, rodəmonteid, subst. snoeverij, geschetter; Rodomont verb. bluffen, schetteren.
Rody, rodi.
Roe, rou, ree, hinde; kuit: Soft roe = hom; Hard roe = kuit; Roebuck = reebok.
Rogation, rəgeiš’n, litanie: Rogation days (Rogation tide) = de drie dagen vóór Hemelvaartsdag, vóór het feest van den H. Marcus; Rogation week = Hemelvaartsweek.
Roger, rodžə, Zie Rodger.
Rogue, roug, schurk, schalk(je), snaak, grappenmaker, verstooten en daardoor woest geworden olifant: He is a rogue in grain = aartsschurk; Rogue’s march = marsch gespeeld als een soldaat weggejaagd wordt; Roguery = schurkenstreek, snakerij; Roguish = schalksch, schelmachtig; subst. Rogueness.
Roil, rôil, troebel maken, sarren, plagen.
Roister, rôistə, snoeven, rumoer (pret) maken; Roister(er) = snoever, rumoer(pret)maker.
Roland, roul’nd, Roland: To give a Roland for an Oliver = met gelijke munt betalen (fig.).
Roll, roul, subst. het rollen, slingeren (slingering), rol, (presentie)lijst, register, rond broodje, roffel; Roll verb. rollen, wentelen, draaien, slingeren, roffelen, rommelen: To call the roll = appèl houden; To put on the roll = op de rol plaatsen; To strike off the roll = van de rol afvoeren; Master of the Rolls = eerste archivaris v. de Chancery Division of the High Court of Justice; Office of the Rolls = archief; Rolls of Court, Rolls of Parliament = officieele perkamentrollen van het hof of parlement, archieven; The ship rolled and pitched = slingerde en stampte; He rolls himself in luxury (wealth) = baadt zich in weelde; He is like three persons rolled into one = tot één persoon vereenigd; To roll into a ball = op een kluwen winden; To set the ball rolling = een zaakje aan ’t rollen brengen; Roll-call = appèl; Roller = rolstok, rol, zware golf, lange en breede zwachtel, rolletje; Roller-blind = rolgordijn; Roller-skates = rolschaatsen; Rolling = het rollen, golven, etc.: Rolling-fire = pelotonsvuur; Rolling-mill = pletmolen, Rolling-plant = Rolling-stock; Rolling-press = rolpers, mangel; Rolling-stock = rollend materiaal (van een spoor); A rolling stone gathers no moss = op een rollende steen zet zich geen mos aan.
Rollick, rolik, zich op nonchalante, losse en vroolijke manier bewegen, overmoedig zijn: The wood was jubilant with rollicking children = van de dartelende kinderen; We had some rollicking fun yesterday = dolle pret.
Roly-poly, roulipouli, kort en dik; Roly-poly-pudding = opgerold pasteideeg met confituren; He has a roly-poly growlery of style = hij heeft zoo’n gezwollen brommerigen stijl.
Romaic, rəmeiik, nieuw Grieksch(e taal).
Romal, rəmôl, zijden of haren stof, hoofddoek; rəmal, uit leer of paardehaar gevlochten zweep (Amer.).
Roman, roum’n, subst. Romein; adj. Romeinsch, Roomsch, met romein of gewone drukletter: Roman candle = Romeinsche kaars (soort van vuurwerk); Roman Catholic, subst. en adj. Roomsch-Katholiek(e); Roman law; Romanism = Roomsche leer; Romanist = Roomsch-Katholieke; Romanize = latiniseeren, Roomsch maken of worden.
Romance, rəmâns, subst. romance, geschiedkundig verhaal, verdichting, het romantische, romantiek, Romaansche taal; adj. Romaansch; Romance verb. romantische of overdreven verhalen vertellen, overdrijven, liegen; Romancer = Romancist = schrijver van romances of verdichte verhalen, opsnijder.
Romanese, roumənîz, Rumeensch(e taal).
Romanesque, roumənesk, romanesk.
Romantic, rəmantik, romantisch, fantastisch, schilderachtig, tot de Romant. school behoorend; ook subst.: These great romantics; Romanticism = romantiek; Romanticist = iemand, die tot de romantische school behoort: He is neither a realist, nor a romanticist; Romanticness = het romantische.
Romany, roməni, Zigeuner, taal der Z.
Rome, roum, Rome.
Romeo, roumiou; Romford, rɐmfəd.
Romic, roumik, phonetisch spelstelsel van H. Sweet.
Romilly, romili; Romney, romni.
Romp, romp, subst. wild meisje, wild spel; Romp verb. stoeien, dol spelen; Rompish = wild, uitgelaten; subst. Rompishness.
Romulus, romjulɐs.
Ronde, rond, rondschrift (boekdr.).
Rondeau, rondou, rondou, rondeau; soort muziekstuk.
Rood, rûd, kruis, kruisbeeld, roede, stok, ¼ acre (± 10,117 Are); 5,029 M.; Rood-loft = kruisgalerij (in eene kerk).
Roody, rûdi, geil, weelderig.
Roof, rûf, subst. dak, gewelf, verhemelte (= Roof of the mouth); Roof verb. met een dak bedekken, onder dak brengen: Roof of Heaven; To be content with having a roof over one’s head; Roof-tile = dakpan; Roof-tree = vorstbalk; Roofer = daklegger; Roofing-felt = asphaltvilt; Roofless = dakloos; Rooflet = dakje; Roofy = met een dak.
Rook, ruk, subst. roek; bedrieger; kasteel (schaakspel); Rook verb. bedriegen (in het spel vooral); Rooker = bedrieger; Rookery = bosch met veel roekennesten, de gezamenl. roeken, broedplaats van zeevogels of robben; dievenhol(-kwartier), bordeel.
Room, rûm, subst. ruimte, plaats, kamer, vertrek, gelegenheid, aanleiding, donkerblauwe verfstof; Room verb. kamers bewonen: He gave (left) room = hij ging heen, maakte ruim baan voor een ander; Make room there = ruimte daar! uit den weg! My room will be preferred to my company = ze hebben liever dat ik ga dan blijf; I want your room = ik wensch, dat gij heengaat; There is no room for suspicion = aanleiding tot verdenking; He was appointed in (the) room of his brother = werd in zijn broers plaats benoemd; Cloak-room, Zie Cloak; Living-room, Sitting-room = woonkamer; Room-mate = contubernaal; Roominess = ruimte: Turin is unrivalled in the matter of roominess = er is geene ruimer gebouwde stad dan T.; Roomy = ruim.
Roop, rûp, subst. roep, kreet, heeschheid; Roopy = heesch, schor.
Roost, rûst, subst. rek of stok, troep vogels bij elkander op een stok; Roost verb. slapen, op stok zitten: The hens are at roost = op stok; His curse (chickens) came home to roost = hij kreeg zijne trekken thuis; I am going to roost = ga op stok; The barge lies at roost in a boat-house = is opgelegd in; To retire to roost = op stok gaan; Rooster = haan (Amer.).