Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 121

Chapter 1213,250 wordsPublic domain

Sortes, sötîz, voorspellingen door het openslaan van een boek en ’t nemen van den eersten zin waarop het oog viel: He used to dip into the Aeneid, seeking sortes.

Sortie, sötî, sötî, uitval.

Sortilege, sötiledž, waarzeggen door loten.

Sori, sôrai, vruchthoopje op varenbladeren; Enkelv. Sorus.

Sot, sot, versufte dronkaard; Sot verb. zijn verstand verzuipen; Sottish = zot, verzopen; subst. Sottishness.

Sotheby, sɐthbi, southbi.

Soubrette, sûbret, soubrette.

Souchong, sûšoŋ, sûšoŋ, zwarte thee.

Souchy, sûtši, gekruide peterseliesaus bij visch.

Soudan, sudân; Soudanese.

Sough, sɐf, sau, subst. gesuis, zucht; Sough verb. zuchten, suizen: The sough of the bellows = het hijgen der blaasbalgen.

Sought, sôt, imperf. en p. perf. van to seek.

Soul, soul, subst. ziel, hart, geest, verstand, neiging, wezen, moed: He is a good soul = een goeie ziel; The soul of a party = ziel (fig.); Not a soul can hear us = geen schepsel hoort ons; We never see a soul here = geen “christenziel”; Cure of souls = zielezorg; I could not for the soul of me understand = mij ter wereld niet begrijpen; Upon my soul = bij mijne ziel; With all my soul = van ganscher harte; He is completely cowed by his wife and dares not (to) call his soul his own = hij durft geen boe of ba zeggen: God rest his soul = zijne ziel ruste in vrede; To unburden one’s soul = zijn gemoed uitstorten; Soul-seller = zielverkooper; Soul-sick = zielsziek; Soulless = zonder hart of ziel.

Sound, saund, subst. geluid, geschal, knal, klank of toon: sond of zeeëngte, luchtblaas (van een visch), inktvisch; sondeernaald (The Sound = de Sont); adj. gezond, volkomen gaaf, flink, krachtig, solide, sterk, gegrond, rechtmatig, onwrikbaar, vast in de leer; Sound verb. klinken, weerklinken, doen klinken, schallen, uitbazuinen, bekend maken, peilen, looden, sondeeren, onderzoeken, uithooren: We arrived safe and sound = gezond en wel; As sound as a (bell, colt) roach = zoo gezond als een visch; As sound asleep as a church = zoo vast in slaap als een mol; In sound earnest = in vollen ernst; I feel on sound ground = op vasten bodem; Sound health = goede; Sound horse = zonder gebreken; Yours is sound reasoning = gij redeneert gezond; He got a sound thrashing = een duchtig pak ransel; To sound the charge = blazen tot den aanval; His praise was sounded all over the country = werd uitgebazuind; Have you sounded him on (about, as to) that subject yet = hem daarover al eens gepolst; Sound-board = klankbord; Sound-hole = klank- of galmgat; Sounding = klinkend, welluidend; subst. klinken, peilen: Soundings = peilbare plaats(en) in den oceaan, looding; To get on -s = ankergrond aanlooden; We lost our soundings = wij konden geen grond meer vinden, waren uit ons vaarwater (fig.); We struck soundings = Got on soundings; To take soundings = looden; Sounding-board = klankbord; Sounding-line = schietlood, loodlijn; Sounding-post = plankje beneden den kam eener viool; Sounding-rod = peilstok; Soundless = stil, zonder klank, onpeilbaar, diep; Soundness = de gelijkheid, zuiverheid, gaafheid.

Soup, sûp, soep: Portable soup = soeptablet; Soup-kitchen = soepkokerij; Soup-maigre, sûpmeigə, magere soep; Soup-plate; Soup-ticket = soepkaartje; Soup-tureen = soepterrine.

Sour, sauə, adj. zuur, scherp, bitter, norsch, knorrig; Sour verb. zuur maken, verzuren, knorrig maken: That has soured my joy = mijne vreugde vergald; Rye-bread sours on my stomach = van roggebrood krijg ik het zuur; Sour-crout (Sour-krout) = zuurkool; Sour-dock = veldzuring; Sour-dough = zuurdeeg, gist; Sour-faced = met een zuur gezicht; Sourish = zuurachtig; Sourness = zuurheid, etc.

Source, sös, bron, oorzaak, oorsprong.

Souse, saus, subst. pekel, de ooren en pooten van varkens in pekel, onderdompeling, het plotselinge neerschieten op; Souse verb. pekelen, onderdompelen, neerschieten op (upon) (van roofvogels); adv. plotseling, hevig.

Soutane, sûtein, toog, soutane van Roomsche geestelijken.

South, sauth, subst. zuiden, zuidelijke streken, zuidenwind; adj. zuid; South verb. zich naar het Z. bewegen: South of the island = ten zuiden van het eiland; South-down, subst. en adj. (schaap) uit de duinstreken van Hampshire en Sussex; South-east = subst. zuidoosten; adj. zuidoostelijk; South-easterly, South-eastern = zuidoostelijk; Southerly, sɐdhəli, zuidelijk; Southern, sɐdhən, zuidelijk: Southern Cross = zuiderkruis (sterrenbeeld); Southernwood = soort alsem; Southerner, sɐdhənə, bewoner van de Z. Staten der Amer. Unie; Southernmost = zuidelijkst; Southing, saudhing, subst. richting of beweging naar het Z.; Southward = sauthwəd, zuidwaarts(ch); Southwest, subst. zuidwesten; adj. zuidwestelijk; Southwester, southwestə, zuidwestenwind; zuidwester; South-westerly, South-western.

Southam, saudh’m; Southampton, sauthamt’n, sɐdh(h)am(p)t’n; Southend, sauthend; Southey, saudhi, sɐdhə.

Southron, sɐdhr’n, subst. bewoner van een zuidelijk gelegen land, naam door de Schotten aan Engelschen gegeven; adj. zuidelijk.

Southwark, sɐdhək; Southwell, sauthwel, sɐdhəl.

Sovereign, sovərin, sɐvərin, subst. heerscher, opperheer, souverein, monarch, E. goudstuk van 20 shillings; adj. oppermachtig, heerschend, onovertroffen, grootste, krachtdadig: Sovereignty = oppermacht.

Sow, sau, zeug; metaalklomp: To have (get, take) the right (wrong) sow by the ear = den rechte (verkeerde) te pakken hebben (krijgen); Sow-backed = met krommen rug; Sow-bread = varkensbrood (plant); Sow-thistle = moes, melkdistel.

Sow, sou, zaaien, verspreiden, uitstrooien: Sowing-machine.

Sowar, souâ, sauâ, inlandsch cavalerist (Brit. Ind.).

Sowerby, sauəbi; Sowter, sautə.

Soy, sôi, soja.

Spa, spâ, minerale bron, badplaats: To go to a spa = naar een badplaats gaan.

Space, speis, subst. ruimte, wijdte, uitgebreidheid, duur, spatie; Space verb. spatiëeren (met out): For a space = voor een tijdje; Into space = in ’t niet; In space comes grace = komt tijd, komt raad; Spacious, speišəs, ruim, uitgestrekt: A spacious hall = ruime, groote zaal; subst. Spaciousness.

Spaddle, spad’l, kleine spade, schopje.

Spade, speid, subst. spade, schop (Spades = schoppen in ’t kaartspel), driejarig hert, ruin, gecastreerd dier; Spade verb. graven, spitten: Ace, King, Queen, Knave of spades = schoppenaas, heer, enz.; He calls a spade a spade = noemt het kind bij zijn naam; In his speech he called spades something more than spades = droeg hij de waarheid wel wat al te naakt voor; Spade-bayonet = breede bajonet: Spade-guinea = schopjesguinje van 1787–1799 (wegens het schopvormig schild op de keerzijde); Spade-husbandry = bebouwing van ’t veld door diep omgraven; Spadeful.

Spadiceous, spədišəs, kastanjebruin.

Spadill(e), spədil, schoppenaas in omber en quadrille.

Spahee, Spahi, spâhi, ruiter bij de vroegere Turksche lichte cavalerie; Algerijnsch cavalerist in Franschen dienst.

Spain, spein, Spanje.

Spake, speik, oud imperf. van to speak.

Spalding, spôldiŋ.

Spalt, spôlt, toeslag bij ijzererts.

Span, span, subst. span, korte tijd, span paarden, etc., spanning; Span verb. spannen, overspannen, afspannen (met de vingers), goed bij elkaar passen (Amer.): A beautiful span of black oxen = jok zwarte ossen; The Almighty has seen fit to shorten his span = hem vroeg van ons te nemen; Long span = 9 inch.; Short span = 7 inch.; Span-long = eene spanne lang; Span-roof = zadeldak; Spanner = spanner, ratel, schroefsleutel.

Span, span, Imp. van to spin.

Span, span: Span-clean = spiegelglad; Span-new = Spick-and-span-new = fonkel(splinter)nieuw.

Spancel, spans’l, touw om de achterpooten van koeien of paarden te binden; ook verb.

Spangle, spaŋg’l, subst. loovertje; Spangle verb. met loovertjes tooien of versieren: Spangled heavens = sterrenhemel; The sky was spangled with luminous stars = bezaaid met.

Spaniard, spanjəd, Spanjaard.

Spaniel, spanj’l, subst. patrijshond, Bolognezer (Maltezer) schoothondje; lage vleier; adj. laag vleiend, kruipend.

Spanish, spaniš, Spaansch: Spanish castle = luchtkasteel; Spanish chalk = kleermakerskrijt; Spanish fly; Spanish woman = Spaansche.

Spank, spaŋk, subst. klap met de vlakke hand; Spank verb. met de open hand slaan, klappen; vlug loopen; Spanker = bezaan (scheepsterm); snel renpaard, iets buitengewoons, groote leugen, lange kerel; Spanker-boom = giek; Spanking = groot, grof, krachtig, kranig, flink, aanzienlijk, levendig, vlug: A Spanking breeze = krachtige bries; The grey went at a spanking pace = liep er vlug over heen.

Spar, spâ, subst. spar, rondhout, spaath, schijnstoot, vuistgevecht; Spars = rondhouten; Spar verb. de armen uitslaan bij het boksen, met de sporen slaan, redetwisten: He was sparring away like clockwork = sloeg er automatisch op los; Sparring-match = bokspartij; Sparry = spaathachtig.

Sparable, sparəb’l, schoenspijker.

Sparadrap, sparədrap, hechtpleister.

Spare, spêə, adj. schraal, mager, dungezaaid, matig, spaarzaam, waarloos (scheepst.), overtollig, wat over is; Spare verb. sparen, over hebben, spaarzaam omgaan met, vergunnen, toestaan, kunnen missen, doen zonder, schenken, ontzien, nalaten, etc.: There was room enough and to spare = er was overvloed van ruimte; A spare anchor, sail = reserve (nood)anker of zeil; I have a spare bedroom = nog eene slaapkamer over; Spare cash = geld over; A spare guest-bed-chamber = logeerkamer; He made it in his spare time = in zijne snipperuren; Have you any tickets to spare? = heb je nog over; Enough and to spare = volop; You need not spare costs = geene kosten te ontzien; I will spare you the trouble = u de moeite sparen; I cannot spare this workman = niet missen; Could you spare (me) your grammar for half an hour? = uwe grammatica missen; He did not spare himself = ontzag zichzelf niet; The teacher did not spare for his crying = sloeg maar toe, niettegenstaande zijn schreeuwen; Spare to speak, and spare to speed = een grienende hond krijgt iets, een zwijgende niets; Ever spare, ever bare = te veel bewaard is voor de kat bespaard; Sparerib = ribstuk; Spareness = magerheid. Zie Sparing.

Sparge, spâdž, besprenkelen.

Sparing, spêriŋ: Sparing of time = zuinig op; Sparing of words = karig met woorden; Sparing dinners = schrale diners.

Spark, spâk, subst. vonk, sprank; vroolijke Frans, bluffer, minnaar; Spark verb. het hof maken: He is but a dull spark = een echte suffer; No spark of feeling = geen greintje gevoel; The stone emitted sparks = spatte vonken; His master was sparking within = zijn heer zat daarbinnen te “flirten”, te vrijen; Sparkle, spâk’l, subst. gefonkel, geflikker, glans; Sparkle verb. fonkelen, schitteren; Sparkling = fonkelend, schitterend, levendig: Sparkling wine = parelende, mousseerende.

Sparling, spâliŋ, spiering, zeezwaluw.

Sparrow, sparou, musch: Hedge sparrow = bastaard nachtegaal; Sparrow-bill = snavel van een musch; schoenspijker; Sparrow-grass = asperge; Sparrow-hawk = sperwer.

Sparse, spâs, dun gezaaid of verspreid: The population is sparse = woont verspreid; subst. Sparseness.

Sparta, spâtə, Sparta; Spartan, subst. en adj. Spartaan(sch): Spartan broth; Spartan dog = bloedhond.

Spasm, spazm, kramp, krampachtige poging; Spasmodic, spazmodik, krampachtig.

Spat, spat, imperf. en p.p. perf van to spit.

Spat, spat, subst. zaad (v. oesters), jonge oesters; Spat verb. zaad schieten.

Spat, spat, slobkous: He was neatly spatted = had keurige spats aan.

Spatch-cock, spatškok, gedoode en onmiddellijk daarop gebraden haan.

Spate, speit, plotseling opkomende overstrooming: Mountain streams in spate = bergstroomen die hoog gezwollen zijn.

Spatter, spatə, bespatten, spatten, bekladden, “sputteren” (bij het praten); Spatterdashes = slobkousen: Spattering-leather = spatkleed.

Spatula, spatjulə (Spatule, spatjûl) spatel; Spatular, Spatulate = spatelvormig.

Spavin, spavin, spat (bij paarden): Spavined.

Spawn, spôn, subst. kuit, broed, gebroed (fig.); Spawn verb. kuitschieten, uitbroeden (fig.): This is the latest spawn the press has cast = het jongste prul dat de pers heeft geleverd; Spawner = kuiter; Spawning grounds = plaatsen waar de visch kuit schiet.

Speak, spîk, spreken, uitspreken, klinken, praaien, meedeelen: They do not speak now = spreken niet meer met elkaar; His life speaks him a man of sweet temper = zijn leven bewijst, dat; These two facts speak the whole book to the intelligent = lichten den goeden verstaander omtrent het geheele boek in; To speak one’s mind = zeggen waar het op staat; This speaks volumes = dit zegt meer dan boekdeelen vol; He was worth speaking fair = het was de moeite waard, mooi met hem te praten; He was a chivalrous man and spoke her fair = en sprak vriendelijk tot haar; He spoke off-hand = voor de vuist; They speak well of him = gunstig over; To speak at a person = iemand (in zijne tegenwoordigheid) bespreken; To speak by word of mouth = zich mondeling uiten; The fact speaks for itself = is duidelijk genoeg: This wine speaks for itself = recommandeert zichzelf; He has no fortune to speak of = zijn fortuin is niet noemenswaard; He spoke of it at some length = er uitvoerig over; Speak out = spreek vrijelijk; He spoke to me under his breath = fluisterde met mij; He wants to be spoken to = moet eens een standje hebben; Speak up = spreek luid, vrij uit; We have always spoken up for the good qualities in his poetry = hebben het altijd opgenomen voor; We spoke the ship off Dover = praaiden; Speaker = spreker, voorzitter v. het House of Commons: He is an excellent public speaker = uitstekend redenaar; Speakership = voorzitterschap; Speaking: A speaking likeness = sprekende; Speaking below the mark (within bounds) = ten minste; Speaking on the outside = ten hoogste; Speaking broadly, generally = in ’t algemeen gesproken; Speaking-trumpet = scheepsroeper; Speaking-tube = spreekbuis.

Spear, spîə, subst. speer, lans, spriet; Spear verb. met lans of speer doorboren of dooden, hoog opschieten; Spear-grass = struikgras, kweekgras; Spear-hand = rechterhand van een ruiter; Spear-head = punt v. lans of speer; Spearman = lansknecht; Spearmint = groene munt; Spear-side = mannelijke lijn v. een geslacht; Spear-thistle = speervederdistel; Spear-wigeon = middelste zaagbek; Greater Spear-wort = groote boterbloem; Lesser Spear-wort = egelboterbloem.

Spec, spek, verk. v. Speculation; Specs = verk. v. Spectacles; ook: oogen (schertsend).

Special, speš’l, subst. persoon of zaak voor een bepaald doel aangewezen, extrablad extratrein; adj. bijzonder, buitengewoon, speciaal, extra, uitdrukkelijk, voortreffelijk: Extra special = extratijding; The newspaper specials are not in it with you = de extratijdingen der couranten halen niet bij u; Special constable = burger, die bij bijzondere gelegenheden als politiedienaar wordt beëedigd en in dienst gesteld; Special train; Special verdict = vonnis der jury omtrent de feiten alleen; Specialist = specialiteit; Speciality, spešialiti, bijzonderheid, bijzonder geval: Chance brought him a speciality = het toeval speelde hem de gelegenheid in handen; Specialization = toewijding aan een bijzonder vak (van studie, etc.), aanwending of geschiktmaking van een bepaald orgaan voor bepaalde functiën; Specialize = wijden aan een bepaald vak of eene bepaalde functie; Specialty = specialiteit, bijzonder contract.

Specie, spîši, baar geld, klinkende munt.

Species, spîšîz, soort, geslacht: Species-monger = peuteraar.

Specific, spəsifik, subst. onfeilbaar middel, middel voor eene bepaalde ziekte of pijn; adj. soortelijk, bepaald, onfeilbaar: A specific for the toothache = onfeilbaar middel tegen; Specific gravity = soortelijk gewicht; Specific name = de naam van het geslacht of de familie; Specification = specificatie, nauwkeurige opgaaf van bijzonderheden; Specify, spesifai, in bijzonderheden vermelden, specificeeren.

Specimen, spesim’n, proef, staaltje, exemplaar: Specimen-book = staalboek; Specimen-page = proefblad; Specimen-scheme of instruction = ontwerp-leerplan.

Specious, spîšəs, schoonschijnend, plausibel; subst. Speciousness.

Speck, spek, subst. vlek, smet, blaam, deeltje, stip; spek (v. walvisch); Speck verb. bespikkelen; Speckle, subst. spikkel; Speckle verb. bespikkelen; Speckled = gespikkeld; subst. Speckledness; Speckless = vlekkeloos.

Spectacle, spektək’l, schouwspel, vertoon(ing): A pair of spectacles = een bril; To look through very roseate spectacles = door een erg rooskleurigen bril kijken (fig.); He wears spectacles = draagt een bril; Spectacle-case = brillenhuisje; Spectacle-frame = montuur; Spectacle-glass; Spectacle-snake = brilslang.

Spectacular, spektakjulə, bij wijze van schouwspel of vertooning; Spectator, spekteitə, toeschouwer; Spectatress, Spectatrix, spekteitrəs (spekteitriks), toeschouwster.

Spectral, spektr’l, spookachtig, spook...; spectraal: Spectral analysis; Spectre, spektə, spook, geestverschijning: The spectre of the salt = het spooksel van rang- en standverschil; The spectre self = de spookgestalte, het visioen.

Spectroscope, spektrəskoup, spectroscoop; Spectrum, spektr’m, spectrum: Solar spectrum; Spectrum analysis = spectraal analyse.

Specular, spekjulə, als een spiegel, spiegelend, spiegel...

Speculate, spekjuleit, overpeinzen, bespiegelingen maken; speculeeren; Speculation, spekjuleiš’n, overpeinzing, bespiegeling; speculatie; een kaartspel; Speculative, spekjuleitiv, bespiegelend, theoretisch, speculatief: Speculative beet-market = termijnmarkt v. bietsuiker; subst. Speculativeness = ondernemingsgeest; Speculator, spekjuleitə, theoreticus; speculant.

Speculum, spekjulɐm, metalen spiegel: Ear, Nose speculum; Speculum oculi = oogspiegel; Speculum oris = mondspiegel.

Sped, sped, imperf. en p.p. van to speed.

Speech, spîtš, taal, spraak, redevoering: The parts of speech = rededeelen: He delivered (made) a brilliant speech = hield eene schitterende redevoering; No speechmaking, please = houd je redevoeringen voor je, alsjeblieft; Speech-day = jaarl. prijsuitdeeling in scholen met de van buiten geleerde lesjes der leerlingen; Speech-maker = redevoeringenhouder; Speechify = toespraken houden; Speechless = sprakeloos, stom; Speechless with amazement = stom van verbazing; subst. Speechlessness.

Speed, spîd, subst. spoed, snelheid, bespoediging, voorspoed; Speed verb. haast maken, snellen, begunstigen, doen bloeien, uitvoeren, goed succes, of: het beste wenschen, varen: We were steaming on at full speed = met volle kracht; The horseman was spurring on at the top of his speed = spoorslags; Good speed = goed succes! How speeds life under your roof? = hoe vaar jullie allen; May God so speed me as I wish your welfare = moge God zóó met mij zijn als ik u het beste wensch; To speed the parting guest = een heilwensch toebrengen; We sped on through the forest = snelden voort; Speedwell = eereprijs (plant); Speeder; Speedily = Speedy; Speediness = spoed; Speedy = spoedig, haastig, snel.

Spell, spel, subst. tooverformule, betoovering; aflossing, hulp, rust, arbeidsduur, wacht (op het schip), tijdje; Spell verb. betooveren, beschutten, beteekenen, spellen, ontcijferen; aflossen: Spell and spell = om de beurt; To take spell and spell = elkaar aflossen; We had a spell of rainy weather = een tijd van regenachtig weer; He spoke for some minutes at a spell = achtereen; The birdie was under the serpent’s spell = kon van angst voor de slang niet weg, was door de slang als behekst; To cast (lay, set) a spell on = betooveren, beheksen; He had laid the public mind under a spell = den geest van ’t volk betooverd; I can spell out this lesson if necessary = dit lesje met wat moeite lezen; How does it spell? hoe spelt men dat; It has become a proverb that Shakespeare spells ruin = dat opvoeringen van de stukken van S. zwaar verlies opleveren; Spell-bound = Spell-stopped = betooverd; Speller: He is a bad speller = kan niet zonder spelfouten schrijven; Spelling: Spelling-bee = wedstrijd (gew. voor de aardigheid) in het spellen; Spelling-book = spelboek; Spelling reform faddists = verwoede spellinghervormers.

Spellicans, spelik’nz = staafjes van stroo, hout of ivoor, gebruikt bij het knibbelspel; dit spel zelf.

Spelt, spelt, imperf. en p.p. van to spell.

Spelt, spelt, spelt.

Spelter, speltə, ongezuiverd zink.

Spencer, spensə, spencer.

Spend, spend, uitgeven, verteren, doorbrengen, besteden, afmatten, uitputten, verliezen: To spend and be spent = geld en krachten opofferen; To spend one’s breath = te vergeefs praten; We were invited to spend the evening there, but spending the evening did not begin until 10 = den avond door te brengen, maar de vroolijkheid begon eerst tegen 10; To spend money on a garden = besteden aan; The horse had spent its strength = was doodaf; You spend your words in vain = je verspilt je woorden te vergeefs; Spender; Spendthrift = verkwister; adj. verkwistend.

Spenser, spensə, Edm. Spenser; Spenserian, spensîriən: The Spenserian stanza = bepaalde versbouw van Spenser’s Faery Queene.

Spent, spent, P. Imp. en P.P. van to spend, uitgegeven, afgemat, doodop: A spent rifle-shot = matte kogel; A horse quite spent = doodop; Spent with hunger and fatigue = uitgeput.

Sperm, spɐ̂m, zaad, kuit; Sperm-oil = spermaceti olie; Sperm-whale (Spermaceti-whale) = spermaceti walvisch, cachelot; Spermaceti, spɐ̂məsîti, spɐ̂məseti, spermaceti; Spermatozoon, spɐ̂mətəzou-on, spermatozoïde.

Spew, spjû, braken.

Spey, spei.

Sphacelate, sfasileit, door koudvuur aangetast worden, versterven, wegvreten; subst. Sphacelation; Sphacelus, sfasilɐs, koudvuur, kanker, beeneter.

Sphagnum, sfagn’m, veenmos.

Sphenodon, sfînədon, hagedis (N.-Zeeland).

Sphenoid, sfînôid, wigvormig: Sphenoid bone.

Sphere, sfîə, subst. bol, hemellichaam, globe, kring, loopbaan, schijf, omvang, gebied, rang, klasse, lucht, hemelgewelf; Sphere verb. onder de hemellichamen plaatsen, rood maken: Sphere of action; Sphere of influence; To be summoned to a wider sphere of usefulness (van predikanten); That is out of my sphere, within my sphere = ligt buiten (binnen) mijn gebied of (werk)kring; Sphere-melody, Sphere-music = de harmonie der sferen; Spherical, sferik’l, bolvormig: Spherical triangle = boldriehoek; Spherical trigonometry = boldriehoeksmeting; Sphericity, sfərisiti, bolvormigheid; Spheroid, sfîrôid, spheroïde.

Sphinx, sfiŋks, sfinx.

Spicate, spaikit = Spicous.

Spice, spais, subst. specerij, bijsmaak, zweempje; Spice verb. kruiden: He has a spice of the wilful in his character = is wat eigenzinnig; Spice-bush (Spice-wood) = benzoëboom; The Spice Islands = de Molukken; Spicery = specerijen in ’t algemeen, specerijbergplaats; Spiciness = kruiderigheid.

Spick, spik, nagel, spijker: Spick-and-span = spiksplinternieuw.

Spicous, spaikəs, arendragend.

Spicular, spikjulə, met scherpe punten, gebaard; Spiculate, spikjulit, adj. bedekt met fijne punten; Spicule, spikjûl, (ijs)naald.

Spicy, spaisi, geurig, pikant.

Spider, spaidə, spin, driepoot: To step into the parlour of the spider = in de val loopen; Spider-catcher = muurkruiper; Spider-crab = zeespin; Spider-web = spinrag; Spider’s web = spinneweb.

Spigot, spigət, zwikje (in een vat).

Spike, spaik, subst. aar; lange spijker, nagel, pin, stekel, doorn; Spike verb. vernagelen: This argument spiked his battery = bracht hem tot zwijgen; To spike guns = vernagelen; Spike-lavender = smalbladige lavendel; Spike-nail = lange nagel; Spike-team = driespan (Amer.); Spiked: Spiked fence = schutting met spijkers erop; Spiked helmet.

Spikenard, spaiknâd, spaiknəd, nardus(olie).

Spiky, spaiki, met scherpe punten.

Spile, spail, pen, spil, staak, paal.

Spill, spil, subst. fidibus; val, tuimeling; “krach”; Spill verb. storten, vergieten, morsen, doen vallen, omwerpen; bak brassen (scheepst.): He twisted a piece of paper into a spill; Spills are of common occurrence = ongevallen komen vaak voor; Spilling-lines = geilijnen, gordingen. Zie Spilt.

Spillikins. Zie Spellicans.

Spilt, spilt, imp. en p. perf. van to spill: It is no use crying over spilt milk = gedane zaken nemen geen keer.