Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 119

Chapter 1193,391 wordsPublic domain

Slice, slais, subst. sneetje, schijfje; vischlepel (= Fish-slice), spatel, vuurschop; Slice verb. in dunne sneden snijden: A slice of bread and butter = boterham; They had their ears sliced = hun werden de ooren afgesneden; Slicer.

Slick, slik, gestampt en gewasschen erts.

Slick = Sleek (Amer.).

Slid, slid, imp. en part. perf. van to slide.

Slidder(y), slidəri = slippery.

Slide, slaid, subst. glijbaan, hellend vlak, schuif, aardverschuiving; Slide verb. glijden, zacht overgaan, schuiven: He took a slide down the street = ging baantje glijden op straat; He slid back the door (slid the door close) = open (dicht)schuiven; We slid down the slope = gleden de helling af; We will let things slide a little = een tijdje op hun beloop laten; Sliding = glijdend, glij.., schuif.., onzeker; subst. overtreding: Sliding-case = stoomschuif; Sliding-doors; Sliding-knot = slipknoop; Sliding-seat = glijbank in een giek: I am used to fixed seats and not to Sliding-seats (= Sliders); Sliding-scale = schaal die al naar de omstandigheden verandert; His slidings are many = overtredingen.

Slight, slait, subst. minachting, verwaarloozing, geringschatting; adj. gering, onbeteekenend, zwak, dun, tenger, oppervlakkig, vluchtig; Slight verb. versmaden, verwaarloozen, verachten: To make slight of = geringschatten; My letters and advice were slighted (off) = werden versmaad, verachtelijk ter zijde gelegd; You have slighted over your work = afgeroffeld; Slight-built = tenger gebouwd; Slighter; Slightness = zwakheid, onbeduidendheid, geringschatting, minachting, vluchtigheid, oppervlakkigheid.

Sligo, slaigou.

Slily, slaili, op listige wijze.

Slim, slim, dun, slank, schraal; subst. Slimness.

Slime, slaim, slijk, slik, slijm; Slime verb. met slijm bedekken, het slijm verwijderen; Sliminess, subst. v. Slimy = slibbig, slijkachtig, kleverig.

Sling, sliŋ, subst, slinger, zwaai, slag, draagband, riem, strop; soort van grog (met geraspte muskaat); Sling verb. slingeren, werpen, zwaaien, met lange, veerkrachtige stappen loopen: He had his arm in a sling = in een doek; He slung his hook = hij schuurde zijne piek (fig.); Slinger.

Slink, sliŋk, (weg)sluipen, ontijdig werpen; subst. te vroeg geworpen dier; adj. onrijp, lang en dun, waardeloos.

Slip, slip, subst. ontglipping, vergissing, abuis; takje, loot, stekje, reepje, koppel of ketting voor honden, jong ding, saut-de-lit, (scheeps)helling, rij plaatsen in een kerk (Amer.), nauwe gang achter de loges; Slip verb. glippen, uitglijden, wegsluipen, struikelen (fig.), zondigen, zich verpraten, laten glijden, loslaten, ontijdig werpen, schuiven, heimelijk stoppen in, snel aanschieten, afsnijden (van takken of loten): I saw some rosy little slips in the nursery = blozende snoesjes; A slip of a fellow = dreumes; A slip of a girl = kleine peuter; A slip of the memory, the pen, the tongue = vergissing, verschrijving, etc.; He gave me the slip = hij ontglipte mij, liet mij zitten; To get the slip = een korf krijgen; My health often makes a slip = laat mij vaak in den steek; To make a slip = een “misstap” doen; My foot slipped and I fell = ik gleed uit; The cable was slipped = men liet slippen; To slip the collar = de halster strijken, vrij komen: To let slip the dogs = loslaten; It has slipped my memory = is mij ontgaan; To slip one’s foot = uitglijden; To slip away = heimelijk weggaan; You must not allow the opportunity to slip (by) = niet laten voorbijgaan; My socks will slip down = zakken altijd af; Many errors slipped into the first edition = slopen in; I slipped off my mantle = legde af; I slipped on my trousers and slippers = ik schoot aan; To slip out = zich handig ergens afmaken; laten vallen; Slip-bolt = grendel; Slip-carriage = slipwagon; Slip-cover = stofkleed; Slip-knot = schuifknoop; Slip-rope =- sliplijn (op een kabel); Slipshod = met afgetrapte hakken, slordig: It is written in Slipshod English = in slordig E.; He went slipshod all over the house = slofte het geheele huis door; Slip-train = sliptrein; Slipper = pantoffel, remschoen; morsschort (Amer.): They played at hunt the slipper = speelden “slofje onder”; Slipperiness, subst. v. Slippery = glibberig, glad, onvast, onzeker, sluw, listig: It’s a slippery ground to walk upon = dat is wagen op glad ijs; He is the slipperiest rascal I ever heard of = de gladste schurk; Slipping of the soil = grondverschuiving.

Slipslop, slipslop, subst. slappe drank, prullerig werk, slordig gebruik van een woord voor een ander, als: prodigy voor protégé, etc.; adj. armzalig, prullerig.

Slish, sliš, slag, houw: Slish and slash = klits klats.

Slit, slit, subst. split, reet, lange snede, sponning; Slit verb. in de lengte snijden, in lange reepen snijden, verdeelen, splijten, klooven: His mouth was of a reptilian width of slit = hij had een mond als een brievenbus; I shot the letter into the slit = gleuf; His eyes were like two shining slits = glinsterende streepen; Slitter; Slitting-mill = machine om hout, metaal of steenen te splijten; Slitlike = als een spleet: Slitlike eyes.

Sliver, sl(a)ivə, subst. afgesneden of afgescheurd stuk, sneetje, tak; Sliver verb. in lange, dunne stukken verdeelen, splijten, spouwen.

Sloam, sloum, leemlaag tusschen zand- en kolenlagen.

Slobber, slobə, kwijlen, kindsch zijn, bekwijlen; subst. kwijl: They will slobber their gowns without the pinafores = ze bemorsen hare jurken; Slobberer; Slobbery = modderig, vochtig, kwijlend.

Sloe, slou, sleepruim, sleeboom; Sloe-black = blauwzwart.

Slog, slog, ranselen; subst. kloppartij; Slogger = bokser, die er op los beukt.

Slogan, sloug’n, oorlogskreet der Hooglanders.

Slojd, slôid, slojd.

Sloop, slûp, sloep: Sloop of war = corvet.

Slop, slop, subst. gestort water, poel, kleermaker (Slops = spoelwater, slappe thee, slap soepje voor patienten); goedkoope confectiekleeren; wijde broek, kleeren en beddegoed tegen kostenden prijs aan marinematrozen verstrekt; Slop verb. morsen, storten: Woodcuts loosely slopped over with watercolours = slordig met waterverf besmeerd; Slop-basin, Slop-bowl = spoelkom; Slop-made = saamgeflanst; Slop-pail = toilet-emmer; Slop-seller = houder van een Slop-shop = winkel voor Slops; Slop-work = prullewerk; goedkoope schoenen (kleeren, meubelen); Sloppiness, subst. v. Sloppy = nat, modderig, morsig, slordig: Sloppy, slithery turf = drassige, glibberige zoden.

Slope, sloup, subst. helling of schuinte; Slope verb. hellen, schuin afloopen, bedriegen en zich uit de voeten maken, doen hellen, schuin houden: Slope arms! = over geweer!

Slosh, sloš, natte sneeuw en modder.

Slot, slot, subst. gleuf, sponning, spoor (van een hert); Slot-machine = automaat; Slot-meter = muntmeter.

Sloth, slouth, traagheid, luiheid, onverschilligheid; luiaard of ai; Slothful = lui, traag; subst. Slothfulness.

Slouch, slautš, subst. het laten hangen van het hoofd, slappe en boersche gang, lompe en logge vent, sukkel; Slouch verb. slungelig loopen (zitten), slap neerhangen, laten hangen, neerdrukken (van den hoed): No slouch at a party canvass = hij weet zijn mondje te roeren (bij); Slouch-hat = hoed met breeden, slappen rand.

Slough, slau, poel, moeras; Sloughy = moerassig.

Slough, slɐf, subst. afgeworpen slangevel, korst of roof (van eene wond); Slough verb. scheiden, afwerpen, afvallen (als een roof, korst of huid); Sloughy = korstig.

Slovak, sləvak, Slavisch bewoner v. Noord-Hongarije = Slovakian.

Sloven, slɐv’n, vuilpoes, morsebel; Slovenliness = slordigheid.

Slow, slou, adj. langzaam, bedachtzaam, traag, achterlijk, saai, vervelend, levenloos; Slow verb. de snelheid verminderen: Safely and slow, they stumble who run fast = hardloopers zijn doodloopers; Slow and sure (steady) wins the race = langzaam maar zeker; Slow coach = langzaam, vervelend persoon; A slow dinner, person, town = saai; Slow fever = binnenkoorts; A slow train = boemeltrein; My watch is slow = is achter; Writing a dictionary is slow work = schiet niet op; The ship was slowed down = de vaart werd verminderd; The ascent slowed up the vehicle = deed langzamer gaan; Slow-gaited = zich langzaam bewegend; Slow-match = lont; Slow-paced = met langzamen schred; Slow-witted = traag van begrip; Slow-worm = hazelworm; Slowness = langzaamheid, etc.

Slub, slɐb, subst. grof gesponnen wol; Slub verb. voor- of grofspinnen.

Slubber, slɐbə, bezoedelen, bemorsen.

Sludge, slɐdž, modder, modderige sneeuw, ijsmassa; adj. Sludgy.

Slue, slû, omdraaien (om eene spil).

Slug, slɐg, luipaard; (naakte) slak (= Slug-snail); onregelmatig gevormd stuk metaal als kogel; Slug-a-bed = langslaper; Sluggard = luilak; Sluggish = lui, traag; subst. Sluggishness.

Sluice, slûs, subst. sluis, sluiswater (inspuit)kraan; Sluice verb. eene sluis openen, laten uitstroomen, bevloeien, spoelen: It is sluicing down = het valt met emmers uit de lucht; Sluice-chamber = kolk; Sluice-door, Sluice-gate = sluisdeur; Sluice-keeper = sluiswachter.

Sluit, slût = Sluice. (Z. Afr.).

Slum, slɐm, subst. slop, achterbuurt, vuil straatje, Slum verb. de achterbuurten bezoeken: Slum-born child; The slums of the low London press = de (vuile) kolommen der Londensche vuile kranten; To go slumming = de achterbuurten bezoeken.

Slumber, slɐmbə, subst. sluimering; Slumber verb. sluimeren; Slumberer; Slumberous = slaapwekkend, slaperig.

Slump, slɐmp, plotseling dalen van prijzen; Slump verb. zakken door ijs, in sneeuw, plotseling dalen in prijs: Then the slump came = toen kwam de “krach”; A slump in the sale of Christmas cards = plotselinge vermindering.

Slung, slɐŋ, imperf. en part. perf. van to sling; Slung-shot = soort ploertendooder (Amer.).

Slunk, slɐŋk, imperf. en p. perf. van to slink.

Slur, slɐ̂, subst. vlek, smet, schandvlek, verwijt, verbindingsteeken (muz.); Slur verb. bevlekken, besmetten, bezoedelen, losjes overheen loopen, bemantelen, onzuiver uitspreken, slepen (muz.): He cast a slur on me = heeft een smet geworpen; She slurs her th’s; He slurred it over = liep er losjes overheen.

Slush, slɐš, subst. natte half gesmolten sneeuw, weeke modder; smeer; Slush verb. boenen, smeren; Slush-lamp = soort vetlamp; Slushy = slijkerig, modderig, nat.

Slut, slɐt, slons, slet, morsebel; Sluttery = vuilheid, slordigheid; Sluttish = slordig, morsig, vuil; subst. Sluttishness.

Sluys, slôis, Sluis.

Sly, slai, sluw, loos: He did it on (by) the sly = in ’t geniep; Sly-boots = slimmerd, looze kwant; subst. Slyness.

Smack, smak, subst. smaak(je), geur, oppervlakkige ondervinding of kennis, harde slag, klap, klapzoen; smak (schip); Smack verb. een smaak of geurtje hebben van (met of), een harden klap geven, barsten of kraken, laten knallen, smakken; interj. klets; klap!: To smack one’s lips; To smack a whip = doen knallen; What you say there smacks of heresy = riekt naar ketterij.

Small, smôl, subst. het dunne of smalle deel van iets; adj. klein, gering, zwak, fijn, licht, onbeduidend, kleingeestig: Small of the back = kruis, lendenstreek; Smalls eerste examen voor het Bachelorship te Oxf.; (ook = Small-clothes); I never felt so small in my life = zoo klein (onbeteekenend, zoo deemoedig); Small beer = licht bier: He thinks no small beer of himself = heeft een grooten dunk van; Do you think I will chronicle all the small beer you talk? = uw gewauwel; Small card = lage; I was invited to a small and early dinner; how I hate those smalls and earlies = familiare en vroege diners; Small fry = kleingoed (kinderen); The house sat into the small hours = tot na middernacht; Small master = klein baasje; Small nuts = hazelnoten; He is a small partner = heeft een aandeeltje in de zaak; He is an autocrat in a small way = een klein autocraatje; Small wonder! = geen wonder; Small wares = galanterieën, garen en band; They broke their small wits upon him = haalden hunne flauwiteiten tegen hem uit; Small-arms = draagbare wapenen; Small-clothes = korte broek; Small-coal = kolengruis; Small-craft = kleine vaartuigen; Small-hand = loopend schrift; Smallpox = kinderpokken; Small-talk = gesnap, gepraat; They are literary small-talkers = letterkundige wauwelaars; Smallish = vrij klein, peuterig, popperig; subst. Smallness.

Smalt, smôlt, smalt, kobaltglas.

Smaragdine, sməragdin, als smaragd.

Smart, smât, subst. vinnige pijn, groote smart; adj. pijnlijk, vinnig, doordringend; krachtig, vlug, levendig, geestig, knap, sluw, bij-de-hand, elegant, fijn, kranig; Smart verb. scherpe pijn voelen, pijn doen, boeten, smart veroorzaken, lijden: You shall feel the smart of it = het zal je bitter berouwen; He laved his smart in thoughts of his greatness = verzachtte zijne smart; The characters are clever without being smart = knap geteekend zonder “mooidoenerij”; There is a danger in being smart = in het “aardig” willen wezen; That kind of society which is known as smart = als de groote wereld; He is as smart as threepence (sixpence) = zoo keurig alsof hij uit een doosje kwam; As smart as a steel trap = zoo glad als een aal; He is smarter than anything = iedereen te glad af; Isn’t he a smart little boy? = een bij-de-hand jongetje; My eyes smart a little; You’ll smart for it = er voor “hebben” of boeten; He is still smarting under his loss = lijdt nog onder; Smart-looking = chic; Smart-money = rouwgeld, smartegeld, handgeld; Smart-ticket = bewijsstuk van ontvangen wonden, waardoor de drager aanspraak op smart-money = smartegeld, heeft; Smarten = opschikken, mooi maken: I am going to smarten myself up = mij opknappen; Smartness: His smartness mars several passages = poging om aardig (geestig) te zijn.

Smash, smaš, subst. bankroet, smeet, botsing, vernieling, ontreddering; Smash verb. verpletteren, vernielen, stukslaan, verbrijzelen, platdrukken, breken, bankroet gaan, valsche munt in omloop brengen; adj. kapot, verloren: Gone to smash = op de flesch; The windows were smashed = werden ingegooid; Smash-up = vermorzeling, verbrijzeling; Smasher = meisje, dat veel breekt, grof antwoord, scherp artikel, iets buitengewoons, valsch geld, iemand, die dit uitgeeft: Smashers out (of doors) = uitsmijters; The real purpose goes smash = gaat verloren; Smashing critique = vernietigende.

Smatter, smatə, subst. geringe en oppervlakkige kennis; Smatter verb. geringe kennis hebben van, oppervlakkig spreken: He smatters words in several languages = kakelt zoo’n beetje in allerlei talen; He has a smattering of Spanish = weet een beetje van het Spaansch; A smattering musketry was going on yet = hier en daar hoorde men nog een enkel geweerschot; Smatterer = halfweter, oppervlakkig kenner.

Smear, smîə, subst. vlek, smet; Smear verb. besmeren, insmeren, bezoedelen.

Smell, smel, subst. reuk, geur; Smell verb. ruiken, rieken, speuren: You retain the smell = je ruikt er nog naar; He never smelt powder as yet = is nog nooit in ’t vuur geweest; He smelt it out = heeft het uitgevorscht; The wine smells of the cork = ruikt naar den kurk; Smeller = baardhaar (v. een kat), (slag op den) neus; Smelling: Smelling-bottle = reukfleschje; Smelling-salts; Smelling-water; Smelly children = viesruikende.

Smelt, smelt, imperf. en part. perf. van to smell.

Smelt, smelt, subst. spiering: He is as dead as a smelt = zoo dood als een pier.

Smelt, smelt, smelten; Smelter; Smeltery = smelterij; Smelting: Smelt-furnace = smeltoven; Smelt-pot; Smelt-works.

Smerk(y), smɐ̂k(i), keurig, netjes, fijn, kranig.

Smew, smjû, nonnetje (vogel).

Smiddy, smidi, Zie Smithy.

Smiffle, smif’l, verk. van Smithfield.

Smile, smail, subst. glimlach, vriendelijk gezicht, gunst, “hapje” of slokje (Amer.); Smile verb. glimlachen, vriendelijk kijken, een “hapje” nemen: She was all smiles (and graces) = poeslief; He gave me a smile = hij glimlachte tegen mij; We smiled our thanks = drukten uit door een glimlach; He smiled at me = glimlachte tegen mij; I have smiled away his cares = door een vriendelijken blik zijne zorgen verdreven; We smiled him into good humour = door onze vriendelijke blikken brachten we hem weer in zijn humeur; Fate smiles upon us = is ons gunstig of genegen; The idea does not smile upon me = lacht me niet toe; Smiler.

Smirch, smɐ̂tš, bekladden, bevuilen, besmeren; subst. klad.

Smirk, smɐ̂k, subst. gemaakte glimlach; adj. fijn, keurig; Smirk verb. gemaakt glimlachen, meesmuilen.

Smite, smait, slaan, treffen (on), dooden, vernietigen, overkomen; Smiter.

Smith, smith, smid: Smith’s coal = smeekolen; Smithwork; Smithy, smithi, smederij.

Smithereens, smidhərînz: The powder blew the house to smithereens = vernietigde het huis geheel; To knock to smithereens = tot gruis slaan.

Smitten, smit’n, p.p. v. to smite: Arctic-smitten = verzot op Noordpoolreizen; Smitten with astonishment = verbluft; Smitten with her, with love = verliefd.

Smock, smok, (vrouwen)hemd, (boeren)kiel = Smock-frock; Smock-mill = Hollandsche windmolen waarbij slechts het bovenstuk draaibaar is.

Smoke, smouk, subst. rook, damp, uitwaseming, iets onbeduidends; Smoke verb. rooken, uitkloppen, afkloppen, uitrooken: There is no smoke without a fire = men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan; Will you have a smoke? = eens opsteken; I’ll make your back smoke for it = je een pak ransel geven; Put that in your pipe and smoke it = steek dat in je zak (fig.); To smoke off = in een stofwolk wegrennen; Smoke-black = lampzwart; Smoke-consumer = rookverdrijver (werktuig); Smoke-dried = gerookt (van vleesch b.v.); Smoke-jack = toestel om een braadspit door den rook in den schoorsteen te doen draaien; Smoke-room = rookkamer; Smoke-stack = pijp; Smoked spectacles = bril met zeer donkere glazen; Smoker = rooker, rookcoupé: A great (heavy) smoker; Smokiness = rookerigheid; Smoking: No smoking allowed = hier mag niet gerookt worden; Smoking-cap = kalotje, mutsje; Smoking-carriage; Smoking-compartment; Smoking-room = rookkamer.

Smollett, smolət.

Smolt, smoult, jonge zalm in ’t 2de jaar.

Smooth, smûdh, subst. grasvlakte (Amer.); adj. glad, vlak, zacht, glanzig, effen, aangenaam, vriendelijk, vleiend; Smooth verb. glad maken of worden, glad strijken, bemantelen, kalmeeren, uit den weg ruimen, gemakkelijk maken: To give a smooth to one’s hair = zijn haar glad strijken; That song smoothed his forehead = streek zijne rimpels weg; He smoothed the path for me = effende; The report was smoothed down a little = werd verzacht; I shall try to smooth him down = te kalmeeren; A smooth-bore gun = gladloop (kanon of geweer); Smooth-chinned = baardeloos; Smooth-faced = met glad, baardeloos, vriendelijk gelaat; Smooth-shaven = glad geschoren; Smooth-speeched, Smooth-spoken; Smooth-tongued = vleierig; Smoothing: Smoothing-iron = strijkijzer; Smoothing-plane = gladschaaf; subst. Smoothness.

Smote, smout, imperf. van to smite.

Smother, smɐdhə, subst. dichte rook, walm; Smother verb. smoren, verstikken, stikken, onderdrukken, smeulen; Smothery = rookerig, walmig, verstikkend.

Smoulder, smouldə, smeulen.

Smudge, smɐdž, subst. vlek, smet, smeer, verstikkende rook, smeulend vuur (tegen muskieten); Smudge verb. zwart maken, door rook bevuilen, knoeien.

Smug, smɐg, subst. poenig, ingebeeld persoon; adj. netjes, keurig, opgesmukt, gemaakt; subst. Smugness.

Smuggle, smɐg’l, smokkelen (in, out); Smuggler = smokkelaar (ook het schip).

Smut, smɐt, subst. vlek, roet, roetvlek (Smuts = roetvlokken), vuile taal; roest in ’t graan; Smut verb. bevlekken, bevuilen, roestig worden (van koren): His linen had suffered from the smuts of a London fog = de roetdeeltjes van een L. mist; Smuttiness, subst. v. Smutty = vuil, door roest aangetast, zedeloos.

Smutch, smɐtš, subst. vuile vlek, smet; Smutch verb. bevuilen met rook, roet, etc.

Snack, snak, lichte, in haast gebruikte maaltijd; deel; Snack verb. deelen: Shall we go snacks? = zullen we samen deelen; To take a hasty snack = haastig twaalfuurtje.

Snaffle, snaf’l, trens (= Snaffle-bit); Snaffle verb. de trens aanleggen, beteugelen.

Snag, snag, afgebroken tak, knoest, uitsteeksel, bult, boomstam (met het eene eind in den bodem der rivier vastgeraakt, Amer.); Snag verb. knoesten afkappen; tegen snags aanvaren: A bird in the bag is worth two on the snag; Snagged = vol Snags; Snaggy = knoestig, boos, korzelig.

Snail, sneil, subst. huisjesslak, langzaam persoon: At a snail’s gallop (pace, post, trot) = in den slakkengang; Snail-shell = slakkenhuis; Snail-trefoil = rupsklaver; Snail-like = slakachtig, langzaam.

Snake, sneik, subst. slang, adder; Snake verb. spiraalsgewijs omwinden, kronkelen, uittrekken: There is a snake in the grass = er schuilt een adder onder ’t gras; Spectacled snake = brilslang; Snake-fence = zigzagschutting (Amer.); Snake-root = senegawortel; Snake-stone = slangensteen; Snake-weed = adderwortel; Snakish = slangachtig; Snaky = als eene slang, kronkelend, sluw, bedriegelijk; Snake-headed = met slangen in plaats van haar op het hoofd (zooals de wraakgodinnen).

Snap, snap, subst. plotselinge breuk, hap of beet, geknal, veer of knip, momentopname; plotseling omslaand weer (A cold snap), broos gebakje, kinderspelletje (met kaarten), energie, diefstal; adj. vlug, snel, plotseling; Snap verb. plotseling breken, afknappen, ketsen, dichtknippen, hard dichtklappen, plotseling grijpen of vangen, toesnauwen (Snap up short), bijten naar, dadelijk toehappen (bij een aanbod), afdrukken: I do not care a snap of my fingers = geef er geen lor om; The piece will go with a snap = zal “gaan” als een lier (Amer.); She has no go or snap about her = d’r zit geen “fut” in haar; Ministers tried to capture a fresh majority by a snap dissolution = door eene onverwachte ontbinding; I snap my fingers at you = je bent me geen knip voor den neus waard; He snapped at the proposal = hapte dadelijk toe; She snapped at the servants = snauwde af; The chain snapped (off) = knapte plotseling af; I snapped him up severely = maakte hem een hevig standje; The whips snapped = klapten; Snap-beetle = kniptor; Snap-dragon = spelletje waarbij rozijnen uit brandenden brandewijn worden gegrepen en opgegeten; groote leeuwenbek; Snap-shot = schot in ’t wild; momentopname in een kodak; ook verb.: I took two snap-shots at the building = nam twee “kiekjes”; Snap-vote = stemming door opsteken der handen; Snapper = zweepslag, knalbonbon; Snappers = castagnetten; Snappish = scherp, bits, vinnig; subst. Snappishness.

Snare, snêə, subst. strik, lus; Snare verb. verstrikken; Snare-drum = kleine militaire trom; Snarer = strikkenspanner.

Snarl, snâl, subst. grauw, snauw; verwikkeling, verwarring, klem, moeielijkheid; Snarl verb. grommen, knorren, verwarren, verstrikken: I am snarled at by everybody = iedereen snauwt mij af; Snarler = brompot; ruziemaker.

Snatch, snatš, subst. greep, ruk; beet, hap, brok, stuk van een lied, deel; Snatch verb. zonder komplimenten pakken, snel en plotseling grijpen, in haast gebruiken, gappen, rooven: We did it by snatches = nu en dan eens, bij gedeelten; Snatches of information = inlichtingen bij stukken en brokken; Snatches of old melodies, songs; Snatches of sleep = hazeslaapjes; To make a snatch at = een greep doen naar; He snatched at my right hand = deed een greep naar; Snatcher; Body snatching = lijkenroof.

Sneak, snîk, subst. gluiper, klikker, kruiper, gauwdief (ook Sneak-thief); Sneak verb. gluipen, sluipen, klikken, gappen: You have sneaked of me = me verklapt; Sneaking: He may be a queer fellow, yet I have a sneaking kindness for him = mag ik hem eigenlijk wel.

Sneer, snîə, hoongelach, grijns, spottende blik; Sneer verb. den neus optrekken, spottend lachen, hoonen; Sneerer.

Sneeze, snîz, subst. het niezen; Sneeze verb. niezen: Five thousand a year is not to be sneezed at = is niet te verachten; Sneeze-wort = nieskruid; Sneezing-powder = snuif.

Snick, snik, mes, litteeken, teeken: It was a snick-a-snee, Snickersnee = gevecht met messen.

Snicker, snikə, onderdrukt (in zijn vuistje) lachen.

Sniff, snif, subst. gesnuffel, gesnuif; Sniff verb. snuiven, snuffelen, den neus optrekken voor (at), in den neus krijgen, ruiken: The dog sniffed at my trousers.

Sniffle, snif’l, grienen, “snotteren”.