Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 105

Chapter 1053,149 wordsPublic domain

Rein, rein, subst. teugel, bestuur; Rein verb. besturen, beteugelen, zich laten besturen: To draw rein = inhouden, stilhouden; He gave the reins to his folly = liet den vrijen loop; To give a loose rein to = den vrijen loop laten aan; To hold the rein(s) of (the) government; He holds a tight rein over the boys = hij houdt streng in toom, hij rijdt ze op de stang; He lets the rein loose at times = laat nu en dan glippen; I wish you would take the reins = dat gij de teugels aanvaarddet, het bestuur in handen naamt; He reined in the horses = hij hield de paarden in, bracht ze tot staan.

Reindeer, reindîə, rendier.

Reinforce, rîinfös, versterken; subst. versterking: Reinforcement = versterking.

Reins, reinz, nieren, lendenen.

Reinstal, rîinstôl, weder installeeren; subst. Reinstal(l)ment.

Reinstate, rîinsteit, in vroegere positie herstellen: He was reinstated in his office = werd in zijn ambt hersteld; subst. Reinstatement.

Reinsurance, rîinšûr’ns, herverzekering; Reinsure, rîinsšûə, herverzekeren; Reinsurancer.

Reintegrate, rîintigreit, hernieuwen, herstellen; subst. Reintegration.

Reinvest, rîinvest, opnieuw bekleeden met (aanstellen); subst. Reinvestment.

Reinvigorate, rîinvigəreit, opnieuw bezielen (sterken).

Reis, rei-is, rîz, reis, reis (koperen munteenheid in Portugal en Brazilië).

Reis, rais, reis, titel van hooge Oostersche ambtenaren, scheepskapitein: Reis effendi = vroegere titel van den Turkschen Groot-Vizier.

Reissue, rîišû, subst. nieuwe uitgave of uitgifte; Reissue verb. opnieuw uitgeven of in omloop brengen.

Reiterate, riitəreit, telkens herhalen; subst. Reiteration, riitəreiš’n; adj. Reiterative.

Reject, ridžekt, verwerpen, van zich af gooien, afwijzen, uitschieten, uitspuwen; subst. Rejects = uitschot; My suit was rejected = mijn aanzoek werd verworpen, van de hand gewezen; Rejectable = verwerpelijk; Rejecter; Rejection = verwerping, afwijzing; Rejective = verwerpend.

Rejoice, ridžôis, (zich) verheugen, verblijden: I rejoice at your having come = ik ben blij dat ge gekomen zijt; Rejoicer; Rejoicing = vreugdebetoon, feestelijkheid: Great rejoicings on the occasion of the Queen’s accession.

Rejoin, ridžoin, weder vereenigen, antwoorden, hernemen; Rejoinder = antwoord, bescheid, dupliek.

Rejoint, rîdžôint, weder samenvoegen, opnieuw voegen (van metselwerk).

Rejuvenate, ridžûvəneit, Rejuvenescence, Rejuvenescency, ridžûvənes’ns(i), verjonging; Rejuvenescent = verjongend, verjongings...; Rejuvenize, ridžûvənaiz, verjongen.

Rekindle, rîkind’l, opnieuw aansteken of aanwakkeren.

Reland, rîland, nogmaals landen of ontschepen.

Relapse, rilaps, subst. wederinstorting (ziekte), het weder vervallen (tot vroegere verkeerdheden, enz.), weer dalen (van prijzen); Relapse verb. weder instorten, weder vervallen (tot slechtheid of zonde); Relapser; Relapsing fever = terugkeerende koorts.

Relate, rileit, verhalen; toeschrijven of terugbrengen tot, betrekking hebben op; Related = verwant, in zekere betrekking staande tot; Relater = verhaler; Relation, rileiš’n, verhaal: betrekking, verhouding, verwantschap, bloedverwant, overeenkomst: “Are not those Comptons relations of yours?” “Connections,” said John, “by marriage”; They bear no relation to each other = hebben geene overeenkomst met elkander, staan tot elkaar in geenerlei betrekking of verhouding; Relationship = bloedverwantschap; Relative, relətiv, subst. bloedverwant; betrekking hebbend woord, betrekkelijk voornaamwoord; adj. betrekkelijk: That is not relative to what he said = heeft niets te maken met; The bomb did relatively little damage = betrekkelijk; The number of good books is relatively insignificant = naar verhouding; subst. Relativeness; Relativity, relətiviti = betrekkelijkheid, verwantschap, verhouding: The relativity of all human knowledge = de betrekkelijkheid.

Relax, rilaks, verslappen, verzachten, minder streng of stipt doen zijn; laxeeren, ontspannen: Now she would be cruel, then relax into tenderness again = werd ze weer erg teeder en gevoelig; Relaxant = laxeermiddel; Relaxation = verlichting, ontspanning, verslapping; Relaxative, laxeerend, verzachtend.

Relay, rilei, nieuwe paarden, honden, manschappen om af te lossen; poststation; Relay dogs, Relay horse: We got a relay of horses every two hours.

Relay, rîlei, opnieuw leggen of plaatsen.

Release, rilîs, subst. bevrijding, vrijlating, verlossing, afstand; Release verb. ontslaan, vrijlaten (from = uit), afstaan: Deed of release = acte van afstand; Releasee, rilîsî, iemand, ten wiens behoeve men afstand doet; Releasement = bevrijding, etc.; Releaser = Releasor.

Relegate, religeit, verbannen, sjeezen (v. studenten), verwijderen, verwijzen: This remark might have been relegated to a footnote = ware beter op hare plaats geweest onder aan de bladzijde in eene noot; The student was relegated to his former pleasures = werd gesjeesd en kon zijne vroegere genoegens weer opvatten; subst. Relegation.

Relent, rilent, toegeven, minder hardvochtig of streng worden, zich laten vermurwen; Relenting = toegevend; Relentless = meedoogenloos; subst. Relentlessness.

Relet, rîlet, opnieuw verhuren.

Relevance, Relevancy, reləv’ns(i), betrekking, toepasselijkheid; His answer bore no relevance to my question, was not relevant to my question = was niet toepasselijk (sloeg niet) op mijne vraag; This question is not relevant = ongepast, heeft niets met de zaak te maken.

Reliability, rilaiəbiliti, vertrouwbaarheid: Reliability trial = vertrouwbaarheidsrit; Reliable, rilaiəb’l, be- of vertrouwbaar; subst. Reliableness; Reliance, rilaiəns, vertrouwen: To have reliance (up)on, in = vertrouwen hebben op, in; You cannot place any reliance on him = in hem geen vertrouwen stellen, niet op hem rekenen; adj. Reliant.

Relic, relik, reliquie, overblijfsel, aandenken: Relics = (stoffelijk) overschot; Relics of the past; Relict, relikt, weduwe, weduwnaar.

Relief, rilîf, verlichting, verzachting, onderstand, bevrijding, ontzet, aflossing, hulp, bijstand, relief: Indoor relief = opneming in het Workhouse, of het Ziekenhuis daaraan verbonden; Outdoor relief = ondersteuning aan huiszittende armen; Parish relief = onderstand der burgerlijke gemeente; To apply for relief = om onderstand vragen; To bring into relief = doen uitkomen; I came to his relief in the right nick of time = ik kwam hem net op tijd te hulp; To give relief = onderstand verleenen; Relief-work = werkverschaffing; Relieve, rilîv, verlichten, lucht geven aan, opbeuren, steunen, onderstand geven, aflossen, ontzetten, doen uitkomen, afzetten: The soldiers were relieved guard = afgelost; The monotony of the work was not relieved by anything = werd door niets afgewisseld; The brazen sky was not relieved by a single cloud = geen wolkje stond aan den strak blauwen hemel; He was relieved of his office = ontheven van, ontslagen uit: To relieve oneself = zijn behoefte doen; Relieving officer = gemeentelijke armverzorger; de oude, de pipa.

Relievo, rilîvou, “relief”.

Relight, rîlait, opnieuw aansteken of ontvlammen.

Religion, rilidž’n, godsdienst (vorm of plechtigheid), eerbied, piëteit: No religion was attached to the property = aan dien eigendom was men niet door een gevoel v. piëteit gehecht; To experience, to get religion = zich bekeeren, vroom worden (Amer.); To make (a) religion of doing a thing = er een gewetenszaak van maken; Religionary = godsdienstig, godsdienst...; Religionism = kwezelarij; Religionist = kwezelaar; Religiosity, rilidžiositi, kwezelarij; Religious, rilidžəs, godsdienstig, godvruchtig, nauwgezet, streng; subst. ordebroeder, monnik, non: He was a religious, almost a priest = ordebroeder; The many priests and religious = ordebroeders; My sister is almost a religious = religieuse; A religious house = klooster; All your property will be Religiously respected = zullen streng geëerbiedigd worden; subst. Religiousness = godsdienstigheid.

Relinquish, riliŋkwiš, verlaten, opgeven, laten varen: I have relinquished that claim = heb afgezien van; Relinquisher = die opgeeft, laat varen of afziet van iets; Relinquishment = afstand.

Reliquary, relikwəri, reliquiënkastje; Relique, rilîk, relik = Relic.

Relish, reliš, subst. smaak, pikante bijsmaak; Relish verb. graag eten, smaak vinden in, smakelijk maken, goed smaken: To eat with relish = met smaak; That gave a relish to my desires = verhoogde, prikkelde; He has no relish for poetry, for a joke = hij heeft geen zin voor; Have you relished your dinner? = heeft het je gesmaakt? I did not relish the coffee = de koffie smaakte me niet; I do not relish such jokes = zulke aardigheden mag ik niet; The remark relishes of wit = heeft iets geestigs; Relishable = smakelijk.

Relive, rîliv, herleven, weer opleven.

Reluctance, Reluctancy, rilɐkt’ns(i), weerzin, tegenzin; Reluctant = weerbarstig, onwillig: I am reluctant to (have a reluctance to) such measures = ik heb een tegenzin in; He was very reluctant to go = ging ongaarne.

Relume, ril(j)ûm, opnieuw ontsteken, verlichten.

Rely, rilai, rekenen of zich verlaten op, berusten op, gronden: That man is not to be relied on = kan men niet op aan; We rely on the will = gronden onzen eisch op.

Remain, rimein, (over)blijven, overschieten, verblijven; subst. Remains = stoffelijk overschot, nagelaten letterkundige producten, ruïne: It remains to me to do so = mij rest nog; That remains to be seen = dat staat te bezien; Remainder = overblijfsel, restant, saldo, onverkochte exemplaren: He left her a good round sum to be hers for life, with remainder to her children = die na haar dood aan de kinderen kwam.

Re-make, rîmeik, opnieuw maken.

Remand, rimând, subst. terugzending; Remand verb. terugzenden: Under remand (Jur.): i.e. een beschuldigde is Under remand, zoo lang zijn zaak niet is beslist. Hij kan dan zijn, òf in preventieve hechtenis, òf op vrije voeten, mits on bail, i.e. na borgstelling; He remanded his son home = liet... thuis komen; He was remanded till the 20th = tot den 20en in preventieve hechtenis teruggezonden; Remanded on bail = na borgstelling, voorloopig vrij gelaten.

Remanet, remənet, restant, uitgestelde zaak.

Remark, rimâk, subst. opmerking, aanmerking; Remark verb. opmerken, aanmerken: To pass remarks on = aanmerkingen maken op; He did not remark on that = hij had geene aan- of opmerkingen; Remarkable = merkwaardig; subst. Remarkableness.

Remasticate, rîmastikzeit, herkauwen; subst. Remastication.

Remediable, rimîdjəb’l, herstelbaar; subst. Remediableness; Remedial, rimîdj’l, heelend; Remediless, remədiles, rəmediles, ongeneeslijk, onherstelbaar; Remedy, remədi, subst. geneesmiddel, hulpmiddel, rechtsmiddel, vrije namiddag; Remedy verb. genezen, verhelpen: There is no remedy for it, It is beyond (past) remedy = er is niets aan te doen; It cannot be remedied = het kan niet verholpen worden.

Remember, rimembə, zich herinneren, te binnen komen, onthouden, gedenken, groeten: Well remembered = goed dat gij er om denkt; Remember the Sabbath = gedenk den Sabbatdag; I do not remember having seen him before = ik herinner me niet; Remember me kindly to your friend = doe mijne vriendelijke groeten aan; He has “remembered me” very handsomely = goed bedacht (in zijn testament); I should be glad to be remembered = doe alstublieft mijn groeten; Remembrance, rimembr’ns, herinnering, geheugen, heugenis, aandenken: Do it in remembrance of him = doe het te zijner gedachtenis; Within my remembrance = zoolang mij heugt; I cannot call it to remembrance = ik kan het mij niet herinneren: Give my kind remembrances to = groet van mij; Remembrancer = The City Remembrancer = vertegenwoordiger van de City in het Parlement; Your letter was a kind remembrancer = uw brief heeft er mij vriendelijk aan herinnerd.

Remind, rimaind, te binnen brengen, herinneren: There, that reminds me = wacht eens, daar schiet me te binnen; Remind me of it = help het mij onthouden; Reminder: A gentle reminder = een vriendelijke aanmaning, wenk; A little reminder note = briefje om te herinneren aan; Remindful of = gedachtig aan.

Remington, remiŋt’n.

Reminiscence, reminis’ns, herinnering: Reminiscences of Carlyle = herinneringen aan C.; Reminiscent = herinnerend: To be reminiscent of = zich herinneren; herinneren aan.

Remise, rimaiz, terugzenden, terugschenken; subst. rimîz, rimaiz, afstand; huurrijtuig: To remise a claim = afstand doen van.

Remiss, rimis, zorgeloos, onachtzaam, nalatig, lui: He was a very remiss correspondent; subst. Remissness.

Remission, rimiš’n, remissie, vermindering, verslapping, afneming, afstand, vergiffenis: At last there was a remission of the hot weather = eindelijk werd het wat minder heet; adj. Remissive (of) = nalatig.

Remit, rimit, terugzenden, overmaken, remitteeren, verslappen, verminderen, vergeven, kwijtschelden, afstand doen; Remitting fever = afgaande koorts: The King remitted the sentence of death; His fine was remitted to half the amount = werd tot op de helft teruggebracht; Remittance = het overmaken (van geld, etc.), het overgemaakte geld, remise; Remittee, ontvanger van de remise; Remittent = beurtelings op- en afgaande in kracht: Remittent fever; Remitter = remittent.

Remnant, remn’nt, overblijfsel, laatste stuk: Special remnant day = lappendag.

Remodel, rîmod’l, opnieuw bewerken: The work was entirely remodelled = het werk is geheel omgewerkt.

Remonstrance, rimonstr’ns, vertoog, verzet, protest; Remonstrant, subst. remonstrant; adj. vertoogend, vermanend; Remonstrate, rimonstreit, protesteeren, zich verzetten, excepties opwerpen, onderhouden: I frequently remonstrated with him on his behaviour = heb hem herhaaldelijk onderhouden; subst. Remonstration.

Remora, remərə, de groote zuigervisch.

Remorse, rimös, berouw, wroeging; Remorseful = berouwhebbend, medelijdend; subst. Remorsefulness; Remorseless = meedoogenloos, wreed, onbarmhartig: subst. Remorselessness.

Remote, rimout, afgelegen, verwijderd, lang geleden, vreemd aan, afgezonderd, gering: He made a remote allusion to this = hij zinspeelde er heel in de verte op; Remote antiquity = grijze oudheid; Remote kinsman = verre bloedverwant; Remote resemblance = flauwe gelijkenis.

Remould, rîmould, opnieuw vormen.

Remount, rîmaunt, remonte (ook: versch) paard; Remount verb. opnieuw bestijgen, remonteeren, teruggaan: The Army Remount Commission = remonte commissie; We were getting remounts for the cavalry = remontepaarden.

Removability, rimûvəbiliti, afzetbaarheid; Removable, rimûvəb’l, afzetbaar; ook subst.; Removal, rimûv’l, verplaatsing, verhuizing, afzetting, verwijdering; Remove, rimûv, subst. verwijdering, trap, graad, klasse, bevordering; Remove verb. verwijderen, wegzenden, verplaatsen, verhuizen, afdanken, dooden: The boy gained his remove to the form above = ging over; The boy missed his remove, was not removed = ging niet over, bleef zitten; He is my cousin to the second remove = neef in den tweeden graad (A cousin four times removed = in den vierden graad); Elections at two removes = getrapte verkiezingen; These buildings will be removed = zullen worden afgebroken; I think we shall remove the first of July = zullen verhuizen (overgaan); Removed = verwijderd, afgelegen, dood; Remover: Furniture remover = verhuizer.

Remunerable, rimjûnərəb’l, wat beloond kan worden; subst. Remunerability; Remunerate, rimjûnəreit, beloonen, vergoeden; subst. Remuneration; Remunerative = beloonend, vergoedend = Remuneratory.

Renaissance, rineis’ns, renaissance.

Renal, rîn’l, nier...

Renard, renəd, Reintje de Vos.

Renascence, Renascency, rinas’ns(i), renaissance, wedergeboorte, herleving; adj. Renascent.

Rencounter, renkauntə, subst. ontmoeting, botsing, treffen, gevecht, duel; Rencounter verb. onverwachts ontmoeten, botsen, handgemeen worden.

Rend, rend, vaneenscheuren, verscheuren: To rend in two, to pieces; It has rent my heart in twain = het heeft mijn hart vaneengescheurd.

Render, rendə, teruggeven, overgeven, weergeven, overzetten of vertalen, bewijzen, maken, berapen; subst. afgifte, beraping (van een muur), overgave, verklaring: To render account = rekenschap afleggen; To render assistance = hulp verleenen; To render homage = hulde bewijzen; To render judgment = vonnis vellen; He wouldn’t render reason = geene reden geven; Would you render me a service? = een dienst bewijzen; To render thanks = dank betuigen; This rendered him unfit for work = maakte hem ongeschikt; The fortress was rendered up to the prince = werd overgegeven; Renderer.

Rendezvous, rendəvû of Fr. uitspr. subst. plaats van bijeenkomst; Rendezvous verb. verzamelen, samenkomen; Rendezvous-flag = verzamelplaatsvlag.

Rendition, rəndiš’n, overgave, uitlevering; vertaling, weergeving.

Renegade, renəgeid, afvallige, deserteur.

Renew, rinjû; hernieuwen, hervatten, nieuwe kracht geven, opnieuw beginnen, herhalen; Renewable = hernieuwbaar; Renewal = verniewing, herleving; Renewer.

Renfrew, renfrû, als persoonsn. renfrû.

Reniform, rîniföm, reniföm, niervormig.

Rennet, renət, (kaas)stremsel; renetappel.

Renounce, rinauns, subst. renonce (in het kaartspel); Renounce verb. verwerpen, zich verklaren tegen, laten varen, afzien van, renonceeren (in ’t kaartspel): I renounce you and your party = wil niets gemeen hebben met; subst Renouncement; Renouncer.

Renovate, renəveit, vernieuwen, herstellen; Renovater of Renovator; subst. Renovation, renəveiš’n.

Renown, rinaun, subst. vermaardheid, roem; Renown verb. beroemd of vermaard maken; Renowned = vermaard, beroemd.

Rent, rent, subst. scheur, scheuring, scheiding; Rent verb. imperf. en p.p. van to rend.

Rent, rent, subst. rente, huur (Rents = inkomsten); Rent verb. huren, in huur hebben, verhuren: Rent-charge = erfpacht; Rent-day = betaaldag (van huur of rente); Rent-free = kosteloos; Rent-roll = opgaaf of lijst der pachtinkomsten, bruto pachtopbrengst; Rental: The house commanded a good rental = deed eene hooge huur; Rental right = erfpacht; Renter = huurder, pachter, verhuurder, verpachter.

Rente, Fr. uitspr. rente, staatsschuld(bewijs).

Renter, rentə, fijn mazen. haast onzichtbaar stoppen of aaneennaaien; subst. Renterer. Zie Rent.

Renumerate, rinjûməreit, optellen, opsommen.

Renunciation, rinɐnšieiš’n, verzaking, afstand; adj. Renunciative.

Reopen, rîoup’n, opnieuw openen of opengaan: The schools reopen = de scholen beginnen weer; To reopen a wound (sore) = een oude wonde openrijten (fig.).

Reorganization, rîögən(a)izeiš’n, reorganisatie; Reorganize, rîögənaiz, opnieuw organiseeren of inrichten.

Rep(p), subst. rips; adj. geribd: Rep note-paper = geribd postpapier.

Repair, ripêə, subst. herstel(ling); verblijfplaats, schuilhoek; Repair verb. herstellen, vernieuwen, vergoeden, terugkomen op, zich begeven: Beyond repair = niet meer te herstellen; In (good) repair = goed onderhouden; In bad repair, out of repair, under repair = slecht onderhouden, in verval, in reparatie; To undergo repair; Everything was soon repaired to its former state = in vroegeren toestand teruggebracht, hersteld; He repaired to the subject again and again = kwam telkens terug op; I repaired to him for information = wendde mij tot hem; I do not know where to repair to = waar ik zal heen gaan, waar mij te bergen; adj. Repairable; Repairer (rijwiel)hersteller.

Repand, ripand, geschulpt (v. bladen).

Reparable, repərəb’l, herstelbaar; Reparation, repəreiš’n, herstelling, genoegdoening, schadeloosstelling: He made reparation for his offensive words = maakte weder goed; Reparative = herstellend, etc.

Repartee, repətî, gevat antwoord: Quick in repartee = slagvaardig.

Repass, rîpâs, opnieuw voorbij- of overgaan.

Repast, ripâst, maaltijd, voedsel.

Repatriate, ripatrieit, ripeitrieit, repatrieeren; subst. Repatriation.

Repay, ripei, terugbetalen, nogmaals betalen, vergoeden, kwijten: To repay oneself = zich schadeloos stellen; adj. Repayable; subst. Repayment.

Repeal, ripîl, subst. intrekking, herroeping, afschaffing; Repeal verb. intrekken, herroepen, afschaffen; Repealable = herroepelijk; subst. Repealableness; Repealer = voorstander v. de Repeal of the Union = de unie van Engeland met Ierland (1843).

Repeat, ripît, subst. herhalingsteeken (muz.), nabestelling; Repeat verb. herhalen, opzeggen, oververtellen, repeteeren: Let me repeat to you = opzeggen, reciteeren; I had to repeat him three times before he answered = moest het hem herinneren; Repeat-order = nabestelling; I have warned him repeatedly = herhaaldelijk; Repeater = herhaler, opzegger, repeteerende breuk (= Repeating-decimal), repetitiehorloge (= Repeating-watch), repeteergeweer of pistool, iemand, die zijn stem tweemaal tracht uit te brengen (Amer.).

Repel, ripel, terugdrijven, afslaan, afstooten, weerstaan, afweren: I repel such terms = kom op tegen; Repellence = afstootende kracht; adj. Repellent: Intoxicating drinks are repellent to me = staan mij tegen; Repeller.

Repent, ripent, spijt of berouw gevoelen (hebben), boete doen: I repent of it = het berouwt me; She repented her of her choice = had berouw van; Repentance = berouw: Stool of repentance = zondaarsbankje; Repentant = berouwhebbend, boetvaardig.

Repeople, rîpîp’l, opnieuw bevolken.

Repercussion, rîpəkɐš’n, terugkaatsing; adj. Repercussive, rîpəkɐsiv.

Repertoire, repətwâ, répertoire.

Repertory, repətəri, repertorium, bewaarplaats, lijst, register: A repertory of useful science = een schat van nuttige kennis.

Repetend, repətend, repətend, repetent.

Repetition, repitiš’n, herhaling, voordracht; adj. Repetitious, Repetitive.

Repine, ripain, morren, ontevreden zijn, kniezen, klagen: What is the use of repining at God’s will? = wat geeft het of gij mort tegen Gods wil.

Replace, ripleis, weer op de vorige plaats brengen, vervangen, opvolgen: I must replace the borrowed sum next week = het geleende teruggeven; He has replaced his opponent in the people’s esteem = zijn tegenstander uit de gunst van het volk gedrongen; By what phrase can this word be replaced? = kan men dit woord vervangen; subst. Replacement.

Replait, rîpleit, rîplît, opnieuw vouwen, dubbel vouwen.

Replant, rîplânt, opnieuw planten, verplanten; subst. Replantation.

Replenish, ripleniš, weder aanvullen, bijvoegen: He couldn’t replenish his small fire = kon niet aanvullen; subst. Replenishment.

Replete, riplît, vol: Replete with filth and misery = vol vuil en ellende; Repletion = overlading, volheid.

Repleviable, ripleviəb’l, losbaar, herkrijgbaar; Replevin = (bevelschrift tot) opheffing van beslag; Replevy, riplevi, weer in het bezit krijgen, lossen.

Replica, replikə, copie v. een kunstwerk (door den maker zelf), herhaling (muz.): A replica of his father = evenbeeld; In Maggie we have Dot in replica.

Replicate, replikit, subst. herhaling (muz.); Replication = antwoord, repliek, herhaling.

Reply, riplai, subst. antwoord, repliek; Reply verb. antwoorden, repliceeren, hernemen: He made a poor reply = gaf een ongelukkig antwoord; The barrister replied on this case = repliceerde met betrekking tot deze zaak; Why did you not reply to his accusation? = antwoorddet gij niet op, weerlegdet gij niet; Reply-(post)card = dubbele briefkaart.

Repolish, rîpoliš, opnieuw polijsten of beschaven.

Report, ripöt, subst. rapport, gerucht, faam, bericht, vonnis, verslag, knal, gebulder; Report verb. berichten, verslag doen, rapporteeren, vertellen: To draw up a report = samenstellen; I am your friend in (through) good and evil report = wat de wereld ook van u zegge; The report of the guns was heard far off = in de verte hoorde men het kanongebulder; He was reported missing, but he soon reported himself = als vermist opgegeven, doch meldde zich; It is reportd = het gerucht gaat; To report against = ongunstig rapporteeren over; The committee reported upon the bill = bracht rapport uit over; School report; Reporter = verslaggever, rapporteur: He is a parliamentary reporter = stenograaf bij de Tweede (Eerste) Kamer; Reporters’ gallery = tribune voor de pers.