Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 152
Wrong, roŋ, subst. onrecht, onrechtmatige daad, overtreding, beleediging, nadeel, misvatting; adj. verkeerd, onbillijk, onrechtmatig; Wrong verb. verongelijken, onrecht aandoen, krenken, beleedigen: Private (public) wrong = onrecht een persoon (de maatschappij) aangedaan, inbreuk op de rechten van een persoon (v. de maatschappij); To be wrong = verkeerd zijn, ongelijk hebben; That is altogether (decidedly) wrong = heelemaal (bepaald) verkeerd; There is something wrong somewhere = er is ergens iets niet in den haak; To do a person wrong = To do wrong to a person = verongelijken, onrecht doen; He has done wrong = verkeerd gedaan, slecht gehandeld; He has had wrong = is verongelijkt; To get to wrongs = in de war raken; To get on (to) the wrong tack = op het verkeerde spoor; To go wrong = verkeerd gaan, den verkeerden weg opgaan; My watch goes wrong = loopt niet goed; To go the wrong way = in ’t verkeerde keelgat komen; To rub the wrong way = boos maken, prikkelen; To swallow a crumb the wrong way = in ’t verkeerde keelgat krijgen; To get hold of the wrong end of the stick = iets bij het verkeerde eind hebben; He got out of bed the wrong foot (leg) foremost = hij is met het verkeerde been uit het bed gestapt; I am on the wrong side of sixty = over de zestig; The wrong side uppermost (outward) = den verkeerden kant boven (buiten), ondersteboven (binnenstebuiten); He wronged her by two years = dacht ten onrechte dat ze twee jaar ouder was; He never wronged me of a penny = heeft mij nooit een cent te kort gedaan; Wrong-doer = overtreder; Wrong-doing = onrecht, overtreding; Wrong-headed = verkeerd, eigenzinnig; subst. Wrong-headedness; Wronger = verongelijker; Wrongful = onbillijk, benadeelend, verkeerd; subst. Wrongfulness; Wrongly = verkeerdelijk, onrechtmatig; Wrongous = onwettig (Schotl.).
Wrote, rout, imperf. van to write.
Wroth, rôth, roth, verbitterd, toornig.
Wrought, rôt, gewrocht, bewerkt, gevormd, gesmeed, geslagen: He was wrought on by his relations = werd bewerkt door zijne familie; Wrought up to great fury = tot groote woede gebracht; Wrought upon = bewerkt (fig.); High-wrought expectations = hooggespannen verwachtingen; Wrought-iron = gesmeed ijzer, staafijzer.
Wroxeter, roksitə.
Wrung, rɐŋ, imp. en p.p. van to wring; Wrung heads = kim (scheepst.).
Wry, rai, scheef, verdraaid, verkeerd: To make a wry face = een leelijk gezicht trekken; To make wry faces = gezichten trekken; Wry-neck = scheeve nek (hals); draaihals (vogel); Wryness = scheefheid, verdraaidheid.
Wunner, wɐnə, kranige vent = Oner.
Wuther, wɐdhə, huilen, bulderen: Wuthering heights = onherbergzame hoogten.
Wyandotte, waiəndot, waiəndot.
Wyat(t), waiət.
Wych-elm, witšelm = bergiep; Wych-hazel (Z. Witch).
Wycherley, witšəli; Wyclif(fe), wiklif; Wyclif(f)ite, wiklifait, volgeling van W. (1324–1384); Wycombe, wikəm; Wye, wai; Wykeham, wikəm; Wykehamist, wikəmist, naam van de leerlingen van Winchester College, door Wykeham, Bisschop van Winchester, te Oxford gesticht; Wyndham, wind’m; Wyoming, waioumiŋ.
Wyvern, waiv’n, gevleugelde draak (Herald.).
X.
X, eks; X. = Christ; Xm., Xmas = Christmas; Xn. = Christian; Xnty. = Christianity; Xpher, Xr. = Christopher; Xt = Christ; Xtian = Christian; X-legged = met x-beenen; X-rays = x-stralen.
Xanthian, zanthiən, van Xanthus: Xanthian-marbles = marmeren beeldhouwwerken nabij Xanthus, zanthəs, in 1838 ontdekt (thans in het British Museum).
Xanthic, zanthik: Xanthic acid; Xanthin, zanth(a)in, zanthin, xanthine.
Xanthippe, zanthipî.
Xanthium, zanthiəm, stekelnoot.
Xanthophyl(l), zanthəfil, bladgeel.
Xanthous, zanthəs, geel; Xanthoxylum, geelhout.
Xebec, zîbek, kleine driemaster (Middell. Zee).
Xenophon, zenəfon.
Xeres, zerəs, zerîz, soort v. wijn.
Xerophagy, zirofədži, dieet van droge spijzen.
Xerxes, zɐ̂ksîz.
Xiphias, zifias, zwaardvisch, zuidelijk sterrenbeeld, zwaardvormige komeet; Xiphoid, z(a)ifôid, zwaardvormig.
Xylograph, zailəgraf, houtsnede; Xylographer, zailogrəfə, houtgraveur; adj. Xylographic(al), zailəgrafik(’l); Xylography, zailogrəfi, houtsnijkunst.
Xylonite, zailənait, een soort kunstivoor.
Xylophagan, zailofəg’n, houtkever.
Xylophone, zailəfoun, houten blaasinstrument.
Xyst(os), zist(os), lange overdekte zuilengang voor athletische spelen.
Xystarch, zistâk, leider der athletische oefeningen.
Y.
Y, oeai; Y(ear); Y(ar)d; Y(ar)ds; Ye = The of Thee; Y(oung) M(en’s) C(hristian) A(ssociation) = Christelijke Jongelingsvereeniging; Yr. = Year, Younger, Your; Ys. = Years, Yours; Y(oung) W(omen’s) C(hristian) A(ssociation) = Christelijke Jonge-dochtersvereeniging; Y-level = waterpas; Y-moth = gamma-uil (insect).
Yacca, jakə, podocarpus, kostbare houtsoort (W.-Indië).
Yacht, jot, subst. jacht; Yacht verb. met een jacht zeilen; Yachter; Yachting = het varen met een jacht, hardzeilen; Yacht(s)man = bezitter van (zeiler met) een jacht; Yacht(s)manship = de kunst een jacht te besturen; Yachtswoman.
Yah, jâ, interj. Och kom! Bah!
Yahoo, jahû, naam door Swift (in Gulliver’s Travels) aan een aapachtig menschenras gegeven; ruwe kerel, gemeen sujet; groen of sukkel (Amer.).
Yahveh, jawei, Jehova.
Yak, jak, buffel met paardestaart (Thibet).
Yaksha, jakšə, Hindoesche halfgod.
Yakut, jakût; Yale, jeil: Yale University (te New Haven).
Yam, jam, yamwortel, broodwortel, broodplant.
Yangtze-Kiang, jaŋtsə-kiaŋ.
Yank, jaŋk, subst. ruk, draai, stoot; Yank verb. rukken, gappen, snateren, ratelen.
Yank(ee), jaŋk(î), subst. Amerikaan; glas whiskey met stroop (Amer.); ook adj. Yank-clock = koekoeksklok; Yankee-doodle = Amerikaansch volkslied; Yankeefied, jaŋkifaid, veramerikaanscht; Yankeeism = idioom of gewoonte der Yankees.
Yap, jap, subst. geblaf, gekef; Yap verb. keffen.
Yard, jɐ̂d, subst. Engelsche en Amer. lengtestandaard (3 feet of 36 inches = ± 91,44 cM.); ra, plaats, rangeerterrein, erf; werf (= Ship-building yard); Yard verb. vee op het erf opsluiten: Government yard; Private yard; Naval yard; He writes by the yard = is een veelschrijver; Yard-arm = nok der ra; Yard-arm and yard-arm = nok aan nok; Yard-man = spoorwegarbeider; Yard-measure, Yard-stick, Yard-wand = (Engelsche-)ellestok of ellemaat; Yard-tackle = noktakel.
Yarkand, jâkand; Yarmouth, jârməth.
Yarn, jân, subst. garen, draad; matrozenverhaal, lang (ongelooflijk) verhaal; Yarn verb. een (langdradig) verhaal vertellen: Shall I (pitch) spin you a yarn? = zal ik jullie een verhaal vertellen?
Yarrow, jarou, gemeen duizendblad.
Yataghan, jatəgan, kromme Turksche dolk.
Yates, jeits; Yaughan, jôn.
Yaup, jôp = Yelp.
Yaw, jô, subst. het gieren van een schip; Yaw verb. gieren; schuimen: To make yaws = gieren.
Yawl, jôl, subst. jol; Yawl verb. Zie Yowl.
Yawn, jôn, subst. wijde opening, gaping; Yawn verb. gapen, geeuwen, wijd openen: Yawning is catching = geeuwen is aanstekelijk.
Yaw-yaw, jôjô, geaffecteerd, lijmerig spreken.
Ycleped, Yclept, iklept, genaamd.
Ye, jî, gijlieden.
Yea, jei, jî, subst. vóórstemmer; adv. jazelfs, zeker, voorwaar: Yea and more = ja zelfs; The yeas have it = de meerderheid is er voor.
Yeames, jeimz.
Yean, jîn, lammeren werpen; Yean kid = geitje, bokje; Yeanling, subst. lam.
Year, jîə, jaar: Civil, Solar, Tropical year = het burgerlijk jaar of het zonnejaar; The year of Grace = het jaar onzes Heeren = The year of our Lord; New Year’s day = Nieuwjaarsdag: New Year’s Eve = Oudejaarsavond(dag); Next year = aanstaande jaar; Last year = verleden jaar; Year by year = jaar op jaar; In years = op jaren; Year in year out; One year with another = het eene jaar door het andere; It may be years first before that happens = daar kunnen nog jaren over verloopen; You bear your years well = houdt u goed voor uw leeftijd; To come to (the) years of discretion = tot (de) jaren des onderscheids komen; To get into (grow in) years = op jaren komen; He has a good thirty years before him = kan nog wel een dikke 30 jaar leven; Year-book = jaarboek; Yearling, subst. dier van één jaar; adj. éénjarig; Yearly = jaarlijks(ch), een jaar durend.
Yearn, jɐ̂n, vurig verlangen, reikhalzen; bedroeven, diep medelijden voelen met (upon, towards, Bijb.).
Yeast, jîst, gist, schuim; Yeast-bitten = naar de gist smakend (v. bier); Yeast-powder = zelfrijzend bakmeel; Yeastiness, subst. v. Yeasty = gistend, schuimend, luchtig.
Yeat(e)s, jeits.
Yelk, jelk; Zie Yolk.
Yell, jel, subst. gil, krijgskreet; Yell verb. gillen, huilen.
Yellow, jelou, subst. het geel, geel van een ei; adj. geel, gouden, ijverzuchtig, jaloersch; Yellow verb. geel maken of worden (Yellows = geelzucht; ijverzucht): He has a yellow streak in him = hij is in zijn hart een lafaard; Yellow bachelor’s buttons = scherpe boterbloem; Yellow boy = goudstuk; Yellow earth = aardgeel, oker; He opened the Yellow envelope = telegram; Yellow fever = gele koorts; Yellow Jack = gele quarantainevlag; gele koorts; Yellow peril = het gele gevaar; Yellow press = de Jingo bladen; Yellow River; Yellow Sea; Yellow-ammer = geelgors, haverkneu (= Yellowhammer); Yellow-bird = wielewaal; distelvink (Amer.); Yellow-golds = goudsbloem; Yellow-rocket = barbarakruid; Yellow-seed = veld-kruidkers; Yellowstone National Park = een in 1872 tot Nationaal Park bestemd gebied van 5500 □ Mijl in Wyoming, Montana en Idaho; Yellowish = geelachtig; subst. Yellowishness; Yellowness = geelheid; Yellowy = geelachtig.
Yelp, jelp, subst. gekef, geblaf; Yelp verb. keffen, blaffen; Yelper = keffer.
Yen, jen, Japansche munt (± ƒ 1,25).
Yenisei, jenisei-î.
Yeoman, joum’n, vroegere eigengeërfde (een kleine grondbezitter, volgend op de Gentry), thans ook huurboer, bootsmans-, kanonniers-, timmermansmaat aan boord van een schip, bereden vrijwilliger: Yeoman’s service = krachtige steun, goede dienst; He has done his party yeoman-service; Yeoman of the wine-cellar = keldermeester; Yeomen of the guard = lijfwacht der E. koningen in 16de eeuwsche uniformen, die aan het hof en bij plechtige gelegenheden dienst doen; hun hoofdkwartier is in den Tower of London; Yeomanry = alle Yeomen; ook een bereden landmilitie (met eigen paarden en uniformen, terwijl het gouvernement de wapens en de munitie verschaft; ze kunnen niet zonder eigen toestemming buitenslands worden gezonden, doch wel opgeroepen worden voor het dempen van oproer).
Yeovil, jouvil.
Yerk, jɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag; Yerk verb. rukken, stooten, aanhalen, slaan met beide achterpooten.
Yes, jes, ja.
Yest, jest, gist = Yeast.
Yester, jestə, gister of vorige (alléén nog in samenstellingen, als: Yesterday; Yestereve, Yestereven, Yesterevening; Yestermorn; Yesternight; Yesternoon; Yesterweek; Yesteryear): The day before yesterday = eergister; I was not born yesterday = ik ben niet van gisteren; Yestern = van gisteren.
Yet, jet, nog, bovendien, verder, thans, reeds, vooralsnog, nochtans, al, echter: Yet again = nog eens; Yet a moment = nog een oogenblik; I have not seen him as yet = ik heb hem tot nu toe nog niet gezien; Never yet = nog nooit; Shall I go now? Not yet = nog niet; Do you know your lesson yet? = kent ge uwe les al? I do not mean to die yet awhile = vooreerst; The Parliament that will yet sit on College Green = toch nog ééns; He is yet only 20 = nu nog maar; Yet time serves = nog is het tijd.
Yew, jû, taxis, taxishout, boog (van dit hout gemaakt); Yew-tree; adj. Yewen.
Yew, jû, komen (v. schuim op kokend zout).
Yid, jid, jood, jodin (mv. Yidden); Yiddish = Joodsch(e taal); Yiddism.
Yield, jîld, subst. opbrengst, productie, winst, oogst; Yield verb. voortbrengen, opbrengen, afwerpen, opleveren, vieren, loslaten, overgeven, toegeven, zwichten, zich onderwerpen (overgeven), wijken: His courage never yields = hij verliest den moed nooit; Such days would yield much pleasure = plachten veel genot te schenken; To yield to conditions = genoegen nemen met; To yield to despair = zich overgeven aan; To yield to superior force = wijken voor; I will not yield to such sentimental reasonings = ik luister niet naar, bezwijk niet voor; You must yield to the times = je schikken in; To yield up the ghost (the breath of life) = den geest geven; Yieldance = toestemming, concessie; Yielding = tot toegeven geneigd, buigzaam, meegaande; subst. Yieldingness.
Yodel, Yodle, joud’l, subst. gejoedel; Yodle verb. joedelen; Jodeller = iemand die joedelt.
Yoga, jouga, een vorm van Hindoesch ascetisme; Yogi, Hindoesch asceet.
Yo-ho, jouhou, hola!
Yoick(s), jôik(s), subst. oude jachtkreet bij de vossenjacht.
Yoke, jouk, subst. juk, jok, span, band, stuk lands dat twee ossen in één dag kunnen omploegen, juk van het roer, stuurtalie; Yoke verb. onder het juk brengen, het juk aandoen, aanspannen, zich verbinden: To bring under the yoke = To put to the yoke = het juk opleggen; To shake (To throw) off the yoke; These two are ill yoked together = passen niet bij elkaar; Yoke-fellow = mede-lijder, levensgezel(lin); Yoke-line, Yoke-rope = stuurtouw; Yoke-toed birds = klimvogels.
Yokel, jouk’l, boerenkinkel, pummel.
Yolk, jouk, dooier; zweet of afscheiding der schapenhuid; Yolk-bag, Yolk-sack = dooiervlies; Yolky = vettig.
Yon(der), jondə, ginds(ch), ginder.
Yonge, jɐŋg.
Yoop, jûp, interj. huup! subst. schreeuw.
Yore, jö, alléén in: In days (times) of yore = in vroeger dagen, lang geleden.
Yorick, jorik; York, jök: Yorickist = aanhanger van het Huis York.
Yorker, jökə: Een yorker gooien, i.e. den bal bij ’t Cricketspel zoodanig gooien, dat hij zonder den grond te raken den Batsman bereikt.
Yorkshire, jökšə, Yorkshire; ook adj. uit Y.; sluw: I am Yorkshire too = ben ook niet van gisteren; He came Yorkshire over me = nam me beet; Yorkshire man = iemand uit Yorkshire geboortig, slimmerd; Yorkshire pudding = soort van vleeschpudding; Yorkshire relish = eene bekende pikante saus; Yorkshire woman.
You, jû, gij, u, gijlieden, ulieden.
Young, jɐŋ, subst. jong (van een dier); adj. jong, jeugdig, krachtig, frisch, groen, onervaren: Young man = jongmensch, bediende, vrijer; Young Mr. Smith = Smith, junior; He is a young one = nog niet droog achter de ooren; The young ones cackle as the old cock crows = zooals de ouden zongen, piepen de jongen; Your young hopeful = veelbelovend zoontje (Iron.); With young = drachtig; Young-eyed = met frisch, jeugdig uitzicht; Younger, jɐŋgə, jonger; Youngest, jɐŋgist, jongst; Youngish, jɐŋgiš, vrij jong, jeugdig; Youngling, subst. jonge man, jong meisje; jong dier, nieuweling; adj. jong; Youngness = jonkheid, het jongzijn; Youngster = jongeling, jongen, knaap; Younker, jɐŋkə, jonge man; lichtmatroos.
Your, jûə, uw(e): Your man of business = je (ware) koopman; Yours, jûəz, de of het uwe: Yours truly = hoogachtend; You and yours = gij en de uwen; This servant of yours = van u; Yourself = gijzelf, uzelf, gijzelven, uzelven: “Poor boy!” “Poor yourself” = loop heen met je Poor; Be yourself = kalmeer je; Tell me yourself, whether that was right = zeg mij zelf; mv. Yourselves.
Youth, jûth, jeugd, jongeling, jonge man, de jongelui; Youthful = jeugdig: A youthful-looking girl = een jeugdig uitziend meisje; subst. Youthfulness.
Yowl, jaul, subst. gehuil; Yowl verb. huilen.
Yucatan, jukətân; adj. Yucatecan.
Yucca, jɐkə, jucca, Adam’s naald.
Yuck, jɐk, subst. jeuk; Yuck verb. jeuken, krabben.
Yuft(s), jɐft(s), juchtleder.
Yukon, jûkon.
Yule, jûl, kersttijd; Yule-block, Yule-log = groot blok hout voor het kerstvuur; Yuletide = kersttijd.
Z.
Z, zed; Zach(ary), Zach(ariah); Zeph(aniah); Z(oological) G(ardens); Zoochem(istry); Zoogeog(raphy); Zool(ogy).
Zach, zak; Zachariah, zakəraiə; Zachary, zakəri.
Zaim, zaim, zâ-im, Turksch leenman; Zaimet = district van een Z.
Zain, zein, geheel zwart of bruin paard.
Zambezi, zambeizi.
Zambo, zambou, kind van een mulattin en een neger.
Zamouse, zəmûz, W. Afrikaansche buffel.
Zante, zanti: Zante-wood = Hongaarsch geelhout, fiset- of fustiekhout.
Zany, zeini, grappenmaker, hansworst; Zanyism.
Zare(e)ba, zərîbə, omheining, versterkt kamp.
Zayat, zeijat, zâjat, karavansera in Burmah.
Zea, zîə, maïs.
Zeal, zîl, vurige ijver, geestdrift, vuur, gloed; Zealless = lauw.
Zealand, zîland.
Zealot, zelət, ijveraar, drijver, dweper; Zealotism, Zealotry = zelotisme, fanatisme; Zealous, zeləs, vurig, ijverig; Zealousness.
Zebec(k), zîbek; Zie Xebec.
Zebedee, zebədî, Zebedeus.
Zebra, zîbrə, zebra; Zebra-wolf = buidelwolf; Zebrine, zîbr(a)in, zebra-achtig.
Zebu, zîbjû, zeboe, Indische bultos.
Zechariah, zekəraiə; Zedekiah, zedəkaiə, Zedekia.
Zemindar, zemindâ, zemindâ, zəmindâ, Brit. Ind. erfelijk grondbezitter, die belastingen kan heffen; Zemindary, zemindəri, zemindəri, ambt of district van een Z.
Zenana, zənânə, vrouwenverblijf, harem.
Zend, zend, oude taal v. Zoroaster; Zend-Avesta = de heilige boeken aan Zoroaster toegeschreven.
Zenith, zenith, zînith, zenith, toppunt: He was in the zenith of his glory = had het toppunt van zijn roem bereikt.
Zephaniah, zefənaiə, Zephanja.
Zephyr, zefə, zachte zuidwestenwind, zefier; Zephyrus, zefirɐs, de w. wind als god.
Zero, zîrou, nul, nulpunt: To be (down) at zero; Below zero.
Zest, zest, stuk sinaasappel- of citroenschil (of het sap dezer schillen) om geur aan dranken te geven, noteschil, lekkere smaak of geur, genot, welgevallen: Kindness gives a zest to intercourse = hartelijkheid is de ziel van den omgang; Not worth a zest = geen cent waard.
Zetetic, zətetik, adj. heuristisch; subst. onderzoeker.
Zeus, zjûs.
Zibeline, zibəl(a)in, sabelbont.
Zigzag, zigzag, subst. zigzag; Zigzag verb. zigzagvormig maken, zigzagsgewijs loopen of afleggen: The path wound in zigzags up a steep, rocky slope; adj. met scherpe hoeken en bochten; Zigzaggy = met scherpe hoeken en bochten.
Zillah, zila, district (Brit. Ind.).
Zinc, ziŋk, subst. zink; Zinc verb. met zink bedekken: Flowers of zinc = zinkbloem; Zinc-white = zinkwit; Zinc-worker = zinkwerker; Zincky = zinkachtig, zink...; Zincode, ziŋkoud, positieve pool eener galvanische batterij; Zincograph, ziŋkəgraf, zinkgravure; Zincographer, ziŋkogrəfə, zinkgraveur; Zincography, ziŋkogrəfi, zincographie; Zincoid = zinkachtig; Zincous = zink....
Zingaro, ziŋgərou, Zigeuner; mv. Zingari.
Zinky, ziŋki, zinkachtig, zink....
Zion, zaiən, Zion.
Zither(n), zithə(n), cither.
Zodiac, zoudiak, Dierenriem; Zodiacal, zədaiək’l: Zodiacal light; Zodiacal signs = de twaalf teekenen van den Dierenriem.
Zoedone, zouədoun, een mousseerende alkoholvrije drank.
Zola, zoulə, Zola; Zolaism = naturalisme, realisme; Zolaistic.
Zonal, zoun’l, als eene zone; Zonar, zounâ, gordel, die voorheen door Christenen en Joden in Turkije moest worden gedragen, ter onderscheiding van de Mahomedanen; Zone, zoun, subst. gordel, luchtstreek, gebied: Frigid, Temperate, Torrid zone = koude, gematigde, heete luchtstreek; Zonule, zounjûl, kleine gordel = Zonulet, zounjulet.
Zoo, zû, verk. van Zoological Garden(s).
Zoochemistry, zouəkemistri, scheikunde der dierlijke stoffen.
Zoographer, zəogrəfə, dierenbeschrijver; adj. Zoographic(al); Zoography = dierenbeschrijving.
Zooks, zuks, sapperloot!
Zoolatry, zəolətri, dieraanbidding.
Zoologer, zəolədžə, dierkundige: Zoological, zouəlodžik’l, dierkundig: Zoological Garden(s) = dierentuin; Zoologist, zəoledžist, dierkundige; Zoology, zəolədži, dierkunde.
Zoomorphic, zouəmöfik, met of in dierenvorm; Zoomorphism = voorstellen van een god in diervorm.
Zoons, zûnz = Zounds.
Zoophyte, zouəfait, plantdier.
Zoril, Zorille, zoril, Zorilla, zourilə, een soort bunzing.
Zoroaster, zourəastə; Zoroastrian, zourəastriən.
Zoster, zostə, gordelroos.
Zouave, zwâv, zuâv, zouaaf.
Zounds, zaundz, interj. donders, duivels!
Zoutch, zautš, zûtš, smoren van aal in weinig water.
Zuider Zee, zaidəzî.
Zuleika, siûlîkə.
Zulu, zûlû, Zoeloe; Zurich, zûrik.
Zuyder Zee, Zie Zuider Zee.
Zygodactyle, z(a)igədaktail, Zygodactylic, z(a)igədaktilik, met klimpooten; Zygodactylous, z(a)igədaktilɐs.
Zymology, zaimolədži, leer der gisting; Zymometer, zaimomətə = gistingsmeter.
Zymosis, z(a)imousis, gisting; infectieziekte; Zymotic, zaimotik, gistings - -, infectie - -: Zymotic diseases = besmettelijke ziekten.