Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 135

Chapter 1353,413 wordsPublic domain

Toast, toust, subst. geroosterd brood, toast, dame (of nog algemeener: iemand) op wie gedronken wordt; Toast verb. roosteren, warmen, een dronk instellen, bruin of warm worden: She was the toast of Bath = zij was de gevierde schoone van B.; On toast = prachtig, uitstekend (Amer.): To have a person on toast = in ’t nauw brengen; To give (propose) a toast = instellen; I toast your health = stel een dronk in op; Toast-master = ceremoniemeester, die bij officieele maaltijden de toasten aankondigt en de glazen laat vullen; Toast-rack, Toast-stand = standertje voor geroosterd brood; Toaster = ijzer of vork om te roosteren; Toasting-fork = roostervork; slakkensteker (iron. voor degen).

Tobacco, təbakou, tabak; Tobacco-box = kistje; Tobacco-pipe = tabakspijp; Tobacco-pipe-clay = pijpaarde; Tobacco-pouch = tabakszak; Tobacco-stopper = instrument om (brandende) tabak in de pijp neer te drukken; Tobacco-wrapper = dekblad; Tobacconist = tabaksverkooper (tabaksfabrikant).

Tobias, təbaiəs.

Tobine, toubin, soort taf.

Tobit, toubit.

Tobog(g)an, təbog’n, toboggan, soort slede (Canada); Tobog(g)an verb. bergaf glijden in sleden; Tobog(g)an-slide = glijbaan; Tobog(g)aner, Tobog(g)anist.

Toby, toubi.

Tocher, tokə, subst. bruidsschat (Schot.); Tocher verb. een bruidsschat geven; Tocherless = zonder bruidschat.

Tocqueville, toukvil.

Tocsin, toksin, alarmklok, alarmgelui.

Tod, tod, struik(gewas); oud wolgewicht van 12,7 K.G.; Tod-stove = houtkacheltje (Amer.).

To-day, tudei, vandaag: To-day a man, to-morrow a mouse = vandaag rijk, morgen arm; To-day is the daughter of yesterday = in ’t verleden ligt het heden; To-day me, to-morrow thee = heden ik, morgen gij; One to-day is worth two to-morrows = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht.

Toddle, tod’l, subst. waggelende gang; slentergangetje; Toddle verb. waggelen, familiaar omgaan: I’ll pay the bill, and we’ll toddle = en dan gaan we opstappen; We have not begun to toddle yet = we gaan nog niet familiaar met elkaar om; He toddles on at my side, and dribbles out small talk = hij loopt naast mij voort; Toddler = klein kind.

Toddy, todi, palmdrank; grog met suiker.

Toe, tou, subst. teen; Toe verb. met de teenen aanraken, teenen aanbreien: From top to toe = van top tot teen; To tread on a person’s toes (ook fig.); He has turned up his toes (to the daisies) = is het hoekje om, is dood; Toe the line, boys = allen met de teenen aan de streep; Now you are “toeing the line” of the mystery = nadert ge; To toe a person = een schop geven; Toeless.

Toff, tof, fijne mijnheer, banjer; Toffish = piekfijn, banjerig; subst. Toffishness.

Toffee, Toffy, tofi, kokinje.

Toft, toft, boschje; hofstede; Toftman.

Tog, tog, (meest Togs) plunje; Tog verb. kleeden: In full tog = groot tenue; I have togged myself out in full rig = mij in m’n beste plunje gestoken.

Toga, tougə, toga, tabberd: To fold one’s toga round one = zich in zijn toga hullen (ook fig.).

Together, təgedhə, te zamen, allemaal tegelijk, vereenigd: It has rained for four days together = vier dagen achtereen; By the hour together = een uur lang.

Toggle, tog’l, knoop, knevel (= houten nagel); Toggle-joint = knieverband (bouwk.).

Toil, tôil, subst. zware arbeid, inspanning, net, web of strik (gew. meervoud); Toil verb. werken, zwoegen, afbeulen: We had the enemy in the toils = in onze macht; He was toiling it up the mountain = bracht het zwoegend den berg op; Toil-worn = doodaf; Toiler = zwoeger; Toilsome = zwaar, afmattend; subst. Toilsomeness.

Toilet, tôilət, toilet(tafel), servet, linnen kleedje over kaptafels, enz.; nachtzak; retirade (Amer.): She was at her toilet, making her toilet = bezig haar toilet te maken; She hurried through her toilet = maakte haastig toilet; Toilet-paper = closet-papier; Toilet-sponge.

Toison, tôiz’n, schapevacht: Toison d’or = Gulden Vlies.

Tokay, təkei, Tokayer (wijn).

Token, touk’n, teeken, zinnebeeld, herinnering, gedachtenis, vlek: In token of = ten bewijze; Token-money = noodmunt of -penning; Tokened = met teekens of vlekken.

Tola, toulə, (Br. Ind.) gewicht van ± 11,6 gram.

Told, tould, imperf. en p.p. van to tell.

Toledan, təlîd’n, (bewoner) van Toledo, təlîdou, (zwaard v.) Toledo.

Tolerable, tolərəb’l, dragelijk, tamelijk, redelijk; subst. Tolerableness; I am tolerably well = vrij goed; Tolerance, tolər’ns, verdraagzaamheid, dragelijkheid, toelating; Tolerant = verdraagzaam, lijdend: To be tolerant of = kunnen verdragen (med.); Tolerate, toləreit, dulden, verdragen, toelaten; Toleration = dulding, verdraagzaamheid: To show toleration = verdraagzaam zijn.

Toll, toul, subst. tol(geld), marktgeld, staangeld, schatting, maalloon; langzaam en statig klokgelui; Toll verb. belasten, luiden, slaan, annuleeren, lokken: To exact (take) toll = eischen; Thoughts pay no toll = zijn tolvrij; To toll the funeral bell = de doodsklok luiden; The bell tolled one = sloeg één; Toll-bar = tol- of slagboom; Tollbooth = tolhuis, gevangenis; Toll-bridge = tolbrug; Toll-collector = gaarder; Toll-corn = maalloon (in den vorm van koren); Toll-gate = tolhek; Toll-gatherer = tolgaarder; Toll-house = tolhuis; Toll-man = gaarder; Toll-money; Toll-union = tolverbond; Tollable = belastbaar; Tollage = tol, belasting; Toller = tolgaarder, klokluider.

Tom, tom, verk. van Thomas of Tommy, mannetje, kater (= Tom-cat): I can’t answer every Tom, Dick and Harry = Jan, Piet en Klaas, Jan en alleman; Tomboy = wildzang; Tomfool = kwast, hansworst; Tomfool verb. zich gek aanstellen; Tomfoolery: A piece of tomfoolery = een gekkenstreek; Tom Tiddler’s ground = luilekkerland; Tomnoddy = ezel, domkop. Zie Tommy.

Tomahawk, toməhôk, subst. Indiaansche strijdbijl; Tomahawk verb. met een tomahawk dooden: To bury (dig up) the tomahawk = vrede sluiten (den strijd beginnen).

Tomato, təmâtou, təmeitou, tomaat, liefdesappel; Tomato-sauce = tomatensaus.

Tomb, tûm, subst. graf, grafgewelf, graftombe; Tomb verb. begraven, in eene graftombe bijzetten; Tomb-stone = grafsteen; Tombless.

Tombac, tombək, tombak.

Tombola, tombələ, tombola.

Tome, toum, (zwaar) boekdeel.

Tomentose, təmentous, touməntous, Tomentous, təmentəs, wollig, viltig, met dichte haren bedekt; Tomentum, təment’m, korstzwam.

Tomin, toumin, 12 grains (juweliersgewicht).

Tommy, tomi, (= Tommy Atkins) soldaat; brood(je), proviand, gedwongen winkelnering; Tommy verb. uitbuiten door middel daarvan: Let’s go Tommy Dodd for it = er om opgooien; It’s all Tommy-rot = klets; Tommy-shop; Tommy-system = het stelsel van gedwongen winkelnering.

To-morrow, tumorou, morgen: The old prison was blown into to-morrow = vloog in de lucht; To-morrow morning = morgenvroeg.

Tompion, tompj’n, stop(per), prop.

Tomtit, tomtit, mees, winterkoninkje.

Tomtom, tomtom, trom (O. Ind. en Afrika); Tomtom verb. trommelen.

Ton, ton, toŋ, mode.

Ton, tɐn, ton, maat loopende van 40 tot 2000 cb. feet; gewicht loopende van 600 tot 2000 lbs., met nog speciale beteekenissen voor sommige artikelen. Zie Tonnage.

Tonal, toun’l, toon...; Tonality, tənaliti, juiste toonhoogte, toon: Our Wilhelmus in the old tonality = in de oude toonzetting; Tone, toun, subst. toon, klank, klem, dreun, kleur, aard, stemming, veerkracht; Tone verb. een toon geven of hebben: To tone down = temperen, verzachten; The colour tones gently from deepest blue to liveliest red = gaat zachtkens over; Tone-syllable = beklemde lettergreep; Toneless = toonloos, onwelluidend; subst. Tonelessness.

Tonga, toŋga, tweewielig karretje. (Brit. Ind.).

Tongres, touŋgə, Tongeren.

Tongs, toŋz, tang; Tongs verb. met de tong den klank wijzigen (bij blaasinstrumenten), in een tong uitloopen; ploegen: A pair of tongs = eene tang; To marry over the tongs = over den puthaak trouwen; I wouldn’t touch her with the longest pair of tongs in all the devil’s kitchen = ik zou haar met geen tang willen aanraken; The tongs and the bones = ketelmuziek, mopjes: A few people like classical music, but a very much larger majority prefer the tongs and the bones.

Tongue, tɐŋ, subst. tong, taal, spraak, klepel, tong (van eene gesp), leertje (van een schoen), landtong: That’s a slip of the tongue = eene vergissing; To bite one’s tongue = zich bijten op; It fell from my tongue before I knew it = het ontglipte me; To find one’s tongue = woorden vinden; To give tongue = aanslaan; I have it on the tip of my tongue, at my tongue’s end = het ligt mij op de tong (maar ik kan het niet zeggen); He has an oily tongue, a well-oiled tongue = eene gladde, radde tong; Hold your tongue = houd je mond; To shoot out one’s tongue = uitsteken; He thrust his tongue in his cheek = keek ongeloovig, meesmuilde, lachte ironisch; To wag one’s tongue = rammelen; Tongue-bone; Tongue-lashing = scheldpartij; Tongue-tied = sprakeloos: He stood tongue-tied; Tongue-twister = moeilijk uit te spreken woord; Tongued = met eene tong (in samenst.): Tongued boards = geploegde planken; Tongueless = zonder tong, sprakeloos; Tonguey = rad van tong, met mooie praatjes.

Tonic, tonik, subst. grondtoon, tonisch middel; adj. tonisch; Tonic solfa = het voorstellen van klanken en tonen door letters, enz.; Tonic spasm = rechtstijvigheid.

To-night, tunait, van avond, van nacht.

Tonnage, tɐnidž, tonnemaat, last, tonnegeld: Bill (Certificate) of tonnage = meetbrief; Tonnage and poundage = oude belasting op in- en uitgevoerde koopwaren, wijn, etc.; Tonnage-car = goederenwagen (Am.); A 40 Tonner = schip van 40 t.

Tonsil, tonsil, amandel (keelklier); adj. Tonsillary; Tonsillitis, tonsilaitis, ontsteking der amandelen.

Tonsure, tonšə, tonsuur; Tonsured = met eene tonsuur.

Tontine, tontîn, tontine, een naar Tonti genoemd stelsel van verzekering.

Tony, touni, (verk. v. Anthony), onnoozele hals.

Too, tû, al te, tevens, ook: That’s rather too too = dat is wel wat al tè; Jealous too = nu nog mooier, ook nog jaloersch! Quite too = bovenmate.

Toofer, tûfə, slechte cigarette (= Two for a penny).

Took, tuk, imperf. van to take.

Tool, tûl, subst. werktuig (ook fig.), gereedschap, stempel; Tool verb. vorm geven, een wagen of diligence rijden, van geperste versieringen voorzien: Gold tooling = proces om banden van boeken te versieren met vergulde stempels; Tool-box (-chest) = gereedschapskist; Tool-house.

Toom, tûm, adj. ledig; Toom verb. ledigen.

Toot, tût, toeteren, blazen: The horn was tooting; Tooter = blazer, toeter.

Tooth, tûth, tand, punt: He cast it in my teeth = gooide het mij voor de voeten; The baby has cut its first tooth = gekregen; To clench one’s teeth = op elkaar klemmen; He dared me to the teeth = tartte me tot het uiterste (in mijn gezicht); I did it (told it him) in (spite of) his teeth = ik deed het trots zijn verzet, zeide het vlak in zijn gezicht; To have a tooth drawn (extracted, pulled out, taken out) = laten trekken; He has a sweet tooth = is een zoetekauw; To get rather long in the tooth = aftandsch worden; It makes my teeth (mouth) water = het doet mij watertanden; I say it to your teeth = in uw gezicht; It set my teeth on edge = het deed me griezelen, ik werd er akelig van; He set his teeth in grim earnest = zette op elkaar; To show one’s teeth = de tanden laten zien (ook fig.); To defend tooth and nail = met hand en tand; A set of artificial teeth; Canine, Corner tooth = hoektand; Cutting tooth = snijtand; Double, Grinding tooth = kies; False tooth; Milk tooth; Wisdom tooth; Tooth-ache = tand- of kiespijn; Tooth-brush = tandenborstel; Tooth-drawing = het tandentrekken; Toothedge = het tintelend gevoel door harde en krassende geluiden veroorzaakt; Tooth-key = sleutel om tanden te trekken; Tooth-paste = pasta; Toothpick = tandenstoker; Tooth-powder = tandpoeder; Tooth-socket = tandkas; Tooth-wheel = tandrad; Toothed = met tanden; Toothful = mondje-vol; Toothing = het tanden krijgen of wisselen; Toothless; Toothlet = tandje; Toothletted = fijn getand; Toothsome = lekker, smakelijk; subst. Toothsomeness.

Tootle, tût’l, toeteren, blazen.

Top, top, top(punt), spits, kroon, hoogte, hoofdeinde, hoofd, kap, opslag, mars, hemel, bovenste kant, tol; adj. hoogste, grootste, voornaamste, uiterste; Top verb. uitsteken, overtreffen, bedekken, zich verheffen, de toppen of koppen afsnijden of afslaan, toppen (van ra’s), bestijgen, van kappen voorzien, mesten, hoog zijn, vallen, eindigen, voltooien, etc.: He is at the top of his class = nummer één; To be at the top of the tree = op de bovenste sport (fig.); He cried at the top of his voice = zoo hard hij kon; From top to bottom = van onder tot boven; I have slept like a top = als eene roos, als een otter; On the top of = op den top van, daarop, boven en behalve: It is no joke to go tramping to the poll on the top of a day’s work = na eene harde dagtaak; Inside or on the top, sir? = binnenin of bovenop (de omnibus), mijnheer? They are stories without top or tail = verhalen zonder kop of staart; The top of a loaf = bovenste, kapje; The top of the morning to you! = ik wensch je een goeden morgen (Iersch); The top (bottom, lower end) of a hall = vóórin (achterin) de zaal; Top value = hoogste prijs of noteering; This trip tops and caps all others = overtreft (bekroont); Top-boots = laarzen met gekleurde kappen; Top-branch = hoogste tak; Top-cloth = vinkennet (zeeterm); Top-coat = overjas; Top-draining = droogleggen van de oppervlakte van land; Top-dress, subst. bovenmest; Top-dress verb. de oppervlakte bemesten; Top-dressing = bovenmest: To put a fair top-dressing of gentility on a person = een aardig vernisje van beschaving; Topgallant, subst. bramsteng, toppunt; adj. van de bramsteng, voornaamste, uitstekend; Top-heavy = topzwaar, dronken; Top-hole = prima; Top-knot = kuif, strik op het hoofd; Top-knotted = verwaand, pedant; Top-lantern; Top-light = toplicht; Top-mast = steng; Top-sail = marszeil; Top-sawyer (-man) = bovenste van twee zagers, bovenste-beste, man van voorname familie (of veel geld); Top-soil = bovengrond; Top-stone = deksteen; The haystack was Topped off = voltooid; Topped off with gold and silver = versierd met; They topped up with that work = zij eindigden met; Some cream to top up with = nu nog wat room na; Zie Topper.

Topaz, toupəz, topaas; Topazolite, təpazəlait, gele granaat.

Tope, toup, subst. boschje of groep boomen; Tope verb. zuipen, veel drinken; Toper = zuiplap.

Topee, təpî, helm(hoed) (Br. Ind.).

Topeka, təpîkə; Tophet, toufət (2 Kon. 23, 10).

Topi, təpî = Topee.

Topiary, toupjəri: Topiary work = kunstmatig en tot bepaalde vormen snoeien v. boomen, heggen, enz.

Topic, topic, onderwerp (van gesprek); plaatselijk geneesmiddel; Topical song = gelegenheidsgedicht of -lied; There is no topical interest whatever in the paper = niets actueels.

Topmost, topmoust, hoogste.

Topographer, təpogrəfə, topograaf; Topographic(al), topəgrafik(’l), topographisch; Topography, təpogrəfi, topographie.

Topper, topə, voortreffelijk persoon, uitstekend iets, cylinderhoed: A topper for you = dat is een beste, die kun je in je zak steken; Topping, verheven, uitstekend, fijn, voornaam: A topping passion = alles beheerschende hartstocht.

Topple, top’l, (voorover) tuimelen, neervallen: My airy castle toppled to the earth = viel in.

Topsyturvy, topsitɐ̂vi, onderstboven; subst. chaos; Topsyturvy verb. onderstboven keeren: To turn everything topsyturvy; Topsyturvyfication = omvergooiing: The book is a regular topsyturvyfication of morality = gooit alle moraliteit omver.

Toque, touk, Toquet, təkei, toque.

Tor, tö, steile rots, spitse heuvel.

Torch, tötš, toorts; Torch-bearer = fakkeldrager; Torch-dance, fakkeldans; Torch-light, subst. fakkel- of toortslicht: Torch-light procession = fakkeloptocht; Torch-race = fakkelwedloop; Torch-thistle, fakkeldistel.

Tore, tö, imperf. van to tear.

Toreador, toriədö, toreador.

Torment, töm’nt, kwelling, marteling, plaag.

Torment, töment, martelen, pijnigen; Tormenter, Tormentor = kwelgeest, soort eg, lange vork; Tormentress = kwelster.

Torminal, tömin’l, Torminous, töminɐs, erge krampen hebbend.

Tormintil, töm’ntil, tormentil, bloedroode ooievaarsbek.

Torn, tön, part. perf. van to tear.

Tornado, töneidou, tornado.

Torose, tôrous, tôrous, Torous, tôrəs, gezwollen, knobbelig.

Torpedist, töpîdist, torpedist; Torpedo, töpidou, torpedo; knalpatroon; sidderrog; Torpedo verb. torpedeeren; Torpedo-boat = torpedoboot; Torpedo-catcher, Torpedo(-boat) Torpedo-destroyer = torpedojager; Torpedo-net = torpedonet.

Torpid, töpid, verstijfd, bewegingloos, langzaam, traag; subst. tweedeklasse giek (Oxford), de bemanning daarvan: Torpids = roeiwedstrijden in het voorjaar (Oxf.); Torpidity = Torpidness = verstijfdheid, bewegingloosheid, winterslaap = Torpor, töpə.

Torquay, tökei, töki.

Torrefaction, torifakš’n, uitdroging; Torrefy, torifai, drogen, uitdrogen.

Torrent, tor’nt, subst. hevige stroom, vloed: Torrent of lava; The rain came down in torrents = in stroomen; Torrential, tərenš’l, krachtig, stormachtig: Torrentential applause, enthusiasm.

Torricellian, toritšelj’n, van Torricelli.

Torrid, torid, verzengd, brandend: Torrid zone; subst. Torridness.

Torse, tös, romp; gevlochten krans (herald.); Torsion, töš’n, draaiing, terugdraaiing; adj. Torsional.

Torsk, tösk, dorsen (visch).

Torso, tösou, romp.

Tort, töt, onrecht, nadeel: The Law of Torts, or: a Treatise on the Principles of Obligations arising from Civil Wrongs in the Common Law.

Tortile, töt(a)il, spiraalvormig gewonden; subst. Tortility.

Tortoise, tötəs, (land)schildpad; Tortoise-shell, subst. en adj. (van) schildpad; Tortoise-shell cat = geelbruine.

Tortuose, tötjuous, gekronkeld, gedraaid; Tortuosity, tötjuositi, kronkeling, kromming, slinkschheid.

Tortuous, tötjuəs, gekronkeld, gedraaid, krom, slinksch; subst. Tortuousness.

Torture, tötjə, subst. marteling, zielsangst, pijniging: Torture verb. kwellen, martelen, verdraaien: To put to the torture; Torture of animals = dierenmishandeling; Torturer.

Torulose, tor(j)ulous, Torulous, tor(j)ulɐs, met knoopen.

Tory, tôri, subst. en adj. Tory, conservatief; Toryism = de beginselen der conservatieve partij.

Tosh, toš, onzin.

Toss, tos, subst. opgooien, worp, onrust, angst; Toss verb. werpen, opgooien, slingeren, verontrusten, woelen, dobbelen (door het opgooien v. geldstukjes): In a toss = erg gejaagd; To win the toss = winnen bij het opgooien; To toss the oars = loodrecht opheffen als teeken van begroeting; To toss pancakes = bakken en omgooien in de pan; He could not toss away the image of his love = van zich afzetten; I tossed it in my mind = overlegde het; We tossed him in a blanket = we hebben hem “gejonast”; Toss off your glass = sla’m eens om; We will toss up for it, head or tail = er om opgooien: kruis of munt: To toss up the head = het hoofd in den nek gooien; Toss-up = risico, onzekerheid: It is a regular toss-up = ’t hangt geheel van het toeval af; Toss-pot = zuiplap; The ship was tempest-tossed, tempest-tost = werd door den storm heen en weer geslingerd; Tosser; Tossy = trotsch, met het hoofd in den nek.

Tot, tot, subst. kleine peuter; borreltje: I have drunk your health in a tot of rum = met een glaasje rum.

Tot, tot, som, post; Tot verb. optellen: The Highlander knows how to tot you up a high bill = weet te rekenen; To tot up profits and losses.

Total, tout’l, subst. en adj. (het) geheel, totaal; Total verb. gezamenlijk bedragen: Their number totals 20.000; Total-abstinence = geheelonthouding; Totalisator, toutəlizeitə, totalisator; Totality, tətaliti, de geheele som, het totaal; Totalize = aanvullen; Totalizer = totalisator.

Tote, tout, het geheel (The whole tote); dragen (Amer.): You must tote fair = ge moet eerlijk en billijk handelen; Tote-load = vracht.

Totem, tout’m, totem; Totem-clan = familiestam, met een gemeenschappelijken totem als familiewapen; Totemic, tətemik, tot een totem behoorende; Totemism = gebruik om familiën en stammen een zeker symbool te geven.

Tother, t’other, tɐdhə, samentr. van that (the) other.

Totter, totə, waggelen, wankel loopen: The baby is at the tottering and tumbling age = de kleine begint alléén te loopen; Tottery = bevend, waggelend.

Tottie, toti, kleine of jonge Hottentot.

Totty, toti, subst. kleine “hummel”; adj. waggelend; Totty-headed = lichtzinnig.

Touch, tɐtš, subst. aanraking, voeling, gevoel, lichte aanval, aanslag (van piano of orgel), streek, toetssteen, proef, trek, smaakje, wenk, toespeling, een ietsje, etc.; Touch verb. aanraken, raken, reiken tot, bereiken, voelen, betasten, aanroeren, betreffen, roeren, bedroeven, aannemen, innen, schetsen, schilderen, aanslaan, pakken, beleedigen; bedriegen (Austr.), etc.: To be in touch with = voeling houden met; He came into touch with his century = kreeg voeling met; To establish (Get into) touch with = voeling krijgen met; I have found touch of my fellows = heb voeling gekregen met; I gave my work the finishing touch = heb de laatste hand gelegd; You must keep in touch with us = moet voeling met ons houden; To put to the touch = op de proef stellen; To stand the touch = de proef doorstaan; He has a touch of the gout = aanval van jicht; “No,” he said, with a touch of temper = eenigszins geraakt; It was touch-and-go = het was op het kantje af, er aan toe, het kon weinig lijden; Cold to the touch = op het gevoel; He would touch no food = niet aanraken; Shall we touch glasses = eens klinken; That does not touch the question = raakt; To touch the (touch on the tenderest) spot = den vinger op de wonde plek leggen; We touched the wind = hielden het schip zoo dicht mogelijk aan den wind; Nobody can touch him = bij hem halen; It touched me to the quick = trof mij diep; It touches you more than any of us = raakt u meer; The ship touched = stootte; We sighted an island, but did not touch at it = deden het niet aan; Two of the characters were excellently touched in = uitmuntend geschetst; We will touch of that next time = behandelen; To touch off = vluchtig schetsen, verbeteren, afvuren, geducht raken; Let me just touch on it = het even aanroeren; We shall touch it up = het wat repareeren, opknappen, opfrisschen, retoucheeren; Touch-hole = zundgat; Touch-me-not = kruidje-roer-me-niet; Touch-needle = toetsnaald, proefnaald; Touch-pan = kruitpan; Touch-paper = met salpeter gedrenkt en als lont gebruikt papier; Touchstone = toetssteen: Irish touchstone = basalt van den Giant’s Causeway; Touchwood = zwam; Touchable = raak- of voelbaar; subst. Touchableness; I can do it in four minutes, as near as a toucher = op den kop af; A near toucher = op ’t kantje af; Touching, adj. roerend, treffend; prep. betreffende, aangaande; Touchiness, subst. v. Touchy = knorrig, lichtgeraakt.

Tough, tɐf, taai, hard, streng, vasthoudend; subst. verloopen vent, vechtersbaas (Amer.): Oh, say now! This is tough = kras; He is a tough customer = laat niet los; I had a tough time with Pa = had heel wat met Pa te stellen; That is a tough piece of work = moeilijk werk; Toughen = taai worden of maken; Toughish = ietwat taai; Toughness = taaiheid.

Toupee, tûpî, Toupet, tupei, pruikje.

Tour, tûə, subst. rondreis, uitstapje, toer, volgorde; Tour verb. een rondreis doen, rondgaan, een uitstapje doen; Tourist = tourist: Tour ticket = rondreisbiljet.

Tournament, tûənəment. Zie Tourney.

Tournay, tûənei, Doornik.

Tourney, tûəni, tournooi, steekspel.

Tourniquet, tûəniket, draaikruis, haspel.

Tournure, tûənjûə, tournure, houding, omtrek, vorm.

Tousle, tauz’l, in wanorde brengen; adj. Tousy.

Tout, taut, subst. klantenlokker, spion die inlichtingen geeft omtrent voor wedrennen geoefend wordende paarden; Tout verb. spionneeren, beloeren, klanten lokken: A money-lender’s tout = de handlanger van een geldschieter; What can be got by touting among the critics is not worth the ignominy = wat men bij de critici wint door ze achterna te loopen; To tout for applause, custom, orders = bedelen om, zoeken te lokken; Touter = Tout.