Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 44
Far, fâ, ver, afgelegen, zeer, groot: That does not go very far = daar komen we niet ver mee; This cocoa is best and goes farthest = en is het voordeeligst in het gebruik; We had to go far-about = een heelen omweg maken; Far-away = ver weg, verstrooid; To reach far back into antiquity = ver teruggaan; Far and away = verreweg; Far and near, Far and wide = heinde en ver, overal; Few and far between = zelden voorkomend; Far-fetched = vergehaald, vergezocht; Far forth = heel ver; In the far-gone = in ouden tijd; He is far-gone in that science = heeft het een heel eind gebracht in; Far gone in love = tot over de ooren verliefd; Far gone in drink, consumption = erg dronken, in een ver stadium van tering; Far in with = zeer intiem met; Farmost = verst; Far-off = op een grooten afstand; wezenloos, starend; Far other = heel anders; You are far out = hebt het heelemaal mis; Far-reaching = ver-reikend; Far-sighted = verziende, omzichtig; subst. Far-sightedness; Far West = het gedeelte der Unie ten W. van den Mississippi; By far = verreweg; So far as I am concerned = wat mij aangaat; So far so good = tot hiertoe is het in orde.
Faradization, farəd(a)izeiš’n, behandeling van ziekten door electrische stroomingen, ook: Faradism, naar Faraday genoemd; Faradize = electriseeren.
Farce, fâs, klucht, kort blijspel; Farcical, fâsik’l, kluchtig, grappig; subst. Farceness.
Farcin, fâsin, Farcy, fâsi, ziekel. aandoening der lymphklieren bij paarden.
Fare, fêə, subst. voedsel, kost, gerecht, vracht, passagier; Fare verb. zich bevinden, varen, gaan, zich voeden: Half fares = halve of kinderkaarten; Regulation fare = tarief; Bill of fares = tarief (in omnibus of huurrijtuig); Bill of fare = menu, spijskaart; Fare you well = vaarwel; Fare-meter (for cabs) = taxometer; Farewell, fêəwel, subst. afscheid, vaarwel: He bade farewell to his country = zeide vaarwel; adj. afscheids... (fêəwel): A farewell address = afscheidsrede; interj. (fêəwel) vaarwel! adieu!
Farina, fərainə, fərînə, bloem van meel; zetmeel; Farinaceous, farineišəs, melig, meel bevattend: Farinaceous food = meelkost; Farinose, farinous, meelhoudend, met meelachtig stof bedekt.
Farm, fâm, subst. boerderij, pachthoeve; Farm verb. pachten, verpachten, bebouwen, den landbouw uitoefenen, kinderen uitbesteden: This house was let to farm = verhuurd; Farm-bailiff = rentmeester; Farm-crossing = (spoor)overweg bij een boerderij; Farm-dog = waakhond; Farm-hand = arbeider, knecht; Farm-house = boerenwoning; Farm-labourer = boerenarbeider; Farm-produce = landbouwproducten; Farm-stead(ing) = boerenplaats; Farm-yard = erf; Farmer = pachter, landman; Farmery = boerenerf met huizen, schuren enz.; Farming, subst. landbouw; adj. landbouw...
Farnborough, fânbərou; Farne Islands, fân ailəndz; Farnham, fânəm.
Faro, fêrou, een hazardspel.
Faroe, fêrou: Faroe Isles; Farquhar, fâkwâ, fâk(w)ə.
Farrago, fəreigou, mengelmoes.
Farrier, fariə, subst. hoefsmid, paardendokter; Farriery = hoefsmidsbedrijf, smederij.
Farrow, farou, subst. big, worp biggen; adj. gust (niet drachtig) van eene koe (Dial. en Amer.); Farrow verb. biggen werpen.
Farther, fâdhə, Farthest, fâdhist, comp. en superl. van far; Farther-more = bovendien.
Farthing, fâdhiŋ, ¼ penny; Farthing’s-worth = waarde van een farthing.
Farthingale, fâdhiŋgeil, soort hoepelrok (16de en 17de eeuw).
Fasces, fasîz, bundel, fasces (Oud-Rome): Fasces of flowers.
Fascia, fašiə, band, gordel, vooruitstekende lijst, zwachtel; Fasciation, fašieiš’n, zwachtelen, verband; Fascicle, fasik’l, bundeltje, aflevering; Fascicular, fəsikjulə, Fasciculate(d) = tot een bundeltje vereenigd.
Fascinate, fasineit, betooveren, verrukken, bekoren, boeien; subst. Fascination.
Fascine, fəsîn, fascine, bundel rijshout voor milit. doeleinden.
Fash, faš, hinderen, plagen, lastig zijn (Dial.).
Fashion, faš’n, subst. fatsoen, aard, wijze, vorm, patroon, mode, trant, kleederdracht, chic, voornaamheid; Fashion verb. vormen, fatsoeneeren, gepast maken voor: The fashion = de groote wereld; Fashions = de heerschende modedracht; After a fashion, In a fashion = tot op zekere hoogte; In the fashion = in de mode; Fashionable = naar de mode, chic, beschaafd, welopgevoed; subst. Fashionableness; Fashionist = modegek; iemand, die aan den vorm hangt; Fashion-monger = fat, modepop; Fashion-sheet = modeplaat.
Fast, fâst, vast, onbewegelijk, bevestigd, gehecht, getrouw; snel, vóórloopend, vlug, los, geëmancipeerd; losbandig: My watch is fast = vóór; You are a little fast = je horloge gaat wat voor; You go too fast = je oordeelt wat haastig; He plays fast and loose with his principles = hij is niet beginselvast; He is as fast asleep as a church = hij slaapt als een otter; Fast beside = vlak naast; Fast by = dichtbij; Fast colours = “waschecht”; Fast freight = ijlgoed; Fast friends = dikke vrienden; Fast man, woman = roué, wufte, geëmancipeerde vrouw; Fast-sailing = snelzeilend; Fast train = sneltrein; Fasten, fâs’n, vastmaken, bevestigen, sluiten, vestigen, opleggen, zich hechten of vastklemmen: He can fasten an article on any journal = kan ... in ieder tijdschrift geplaatst krijgen; I have fastened a fib on him = ik heb hem wat wijs gemaakt; He fastened a quarrel on his opponent = zocht ruzie met; Fastener = knijpertje; Fastening = slot, grendel, sluiting; Fastness = snelheid; losbandigheid, versterking, fort.
Fast, fâst, vasten; subst. vasten, vastentijd: I hope I shall fast my illness off = ik hoop, dat ik door onthouding (vasten) er weer bovenop kom; I am obliged to fast from reading = mij van lezen te onthouden, spenen; Fast-day = vastendag; Faster = vaster.
Fasti, fastai, Romeinsche kalender of registers.
Fastidious, fəstidjəs, kieskeurig, moeilijk te voldoen; subst. Fastidiousness.
Fastigiate(d), fəstidžit(-eitid), naar boven spits toeloopend.
Fat, fat, vet, dik, vleezig, rijk, voedzaam; subst. vet, room, beste deel; Fat verb. mesten, vet worden: The fat is in the fire = de poppen zijn aan ’t dansen, de heele boel is overhoop, vernield; There is plenty of fat in that part = er zit een heele kluif aan die rol; To live on the fat of the land = het vette der aarde genieten; Fat-brained, (Fat-headed, Fat-witted) = dom, suf; Fat-head = domkop; Fat-guts = dikzak; Fatling = jong gemest dier; Fatness = vetheid, vruchtbaarheid; Fatten, fat’n, vet mesten, mesten, zich mesten, vet worden; Fattiness = vetheid; Fatty = vettig: Fatty degeneration = vetziekte.
Fata Morgana, fâtəmögânə, Fata Morgana.
Fatal, feit’l, noodlottig, rampspoedig, onheilspellend, doodelijk; Fatalism = fatalisme; Fatalist = fatalist; adj. Fatalistic; Fatality, fətaliti, noodlottige gebeurtenis; Fatalities = ongelukken.
Fate, feit, noodlot, lot, dood: The Fates = schikgodinnen; As sure as fate = zoo zeker als wat; Fated = voorbestemd; Fateful = noodlottig.
Father, fâdhə, subst. vader, voorvader; Father verb. aannemen (als kind), zich uitgeven voor den maker van, iemand iets op den hals schuiven: Adoptive father = aangenomen vader; Putative father = vermoedelijke vader; Fathers of the Church = Kerkvaders; Conscript fathers = Romeinsche Senatoren; Father-in-law = schoonvader, stiefvader; Father-long-legs = langbeen (mug); He fathers the works of others, and wishes to father his anonymous books on me = hij geeft zich voor den maker van de werken van anderen uit, en tracht mij voor den schrijver van zijne anonieme boeken te doen doorgaan; Fatherhood = vaderschap; Fatherland = vaderland: The Fatherland = Duitschland; Fatherliness = vaderliefde; Fatherly = vaderlijk; Fathership.
Fathom, fadh’m, subst. vadem (1.828 M., of 6.1163 M3); Fathom verb. vademen, omvatten, begrijpen, doorgronden; Fathom-line = loodlijn; Fathomless = ondoorgrondelijk, bodemloos.
Fatigue, fətîg, uitputting, vermoeienis, militaire corvée; Fatigue verb. afmatten, vermoeien, kwellen; Fatigue-cap = politiemuts; Fatigue-dress = corvée-tenue; Fatigue-duty = corvée (milit.); Fatigue-party = troep voor eene corvée.
Fatuity, fətjûiti, sulligheid, domheid; Fatuitous, fətjûitəs, Fatuous, fatjuəs, zwakhoofdig, ingebeeld: A fatuous smile = idiote.
Faucal, fôk’l, strot - -, keel - -; Fauces, fôsîz, strot, achtergedeelte van den mond, besloten door de pharynx en de larynx.
Faucet, fôsət, tapkraan, tapbuis.
Faugh, fô, bah!
Faulkland, fôkl’nd.
Fault, fôlt, subst. fout, gebrek, feil, schuld, verlies van het spoor (jacht), afbreking (van eene mijnader); Fault verb. fouten maken: Whose fault is it? wiens schuld is het? It is my fault; He always finds fault with me = hij heeft altijd wat op mij te zeggen; You like to find fault = van klagen en pruttelen; The hounds were at fault = het spoor bijster; If he is severe, his love of learning is in fault = draagt zijne liefde voor de wetenschap de schuld; He is good to a fault = hij is overdreven goed, doodgoed; He has faulted in several passages = fouten gemaakt; He is a regular fault-finder = echte brompot; pruttelaar; Fault-finding = bedilziek; Faultiness = onnauwkeurigheid, gebrekkigheid; Faultless = onberispelijk; subst. Faultlessness; Faulty = gebrekkig, schuldig.
Faun, fôn, faun, boschgod.
Fauna, fônə, fauna.
Faustina, fôstainə; Faustus, fôstəs; Faversham, favəš’m.
Favour, feivə, subst. gunst, begunstiging, steun, beschermeling, vergiffenis, souvenir, roset, strikje, brief, gelaat; Favour verb. begunstigen, vriendelijk gezind zijn, gemakkelijk maken, vereeren, gelijken op: Orange favours = oranjestrikken; I received your favour of the 1st inst. yesterday = uwe geëerde letteren van den eersten dezer; I have lost favour in your eyes = ben bij u uit de gratie; By (with) your favour = met uw verlof, welnemen; I have done it in your favour = te uwen behoeve; To be in favour with (out of favour) = in (uit) de gunst zijn bij; A challenge to the favour = het wraken van een jurylid, wegens veronderstelde partijdigheid; Under favour of the night = begunstiging; Favourable = gunstig, genegen, bevorderlijk; subst. Favourableness; Favoured = begunstigd, lievelings...: Ill-favoured = met ongunstig uiterlijk; Well-favoured = met knap uiterlijk; Favourite, feiv’rit, subst. gunsteling, favoriet (rensport); adj. lievelings...: That is my favourite dish, author = lievelingskost, lievelingsschrijver; Favouritism = stelsel v. begunstiging.
Favus, feivəs, besmettelijk hoofdzeer.
Fawkes, fôks.
Fawn, fôn, subst. jong hert (van ’t eerste jaar); Fawn verb. jongen werpen; Fawn-coloured = reekleurig.
Fawn, fôn, opspringen bij, likken, kruipen (v. honden), vleien, kruipen voor: He fawned (up)on the mighty.
Fay, fei, subst. fee.
Fay, fei, ten doode opgeschreven (Schot.).
Fay, fei, aan elkaar passen, nauwkeurig passen.
Faze, feiz, plagen, verschrikken (Amer.).
Feal, fîəl, trouw: Feal and leal = houw en trouw (Schot.); Fealty = trouw aan leenheer, vorst of regeering.
Fear, fîə, subst. vrees, angst, ontzag, eerbied; Fear verb. vreezen, duchten, vermoeden: For rear of = uit vrees voor; No rear of that = geen vrees daarvoor; Fearful (of) = angstig (voor), vreesachtig, vreeswekkend; subst. Fearfulness; Fearless = onbevreesd; subst. Fearlessness; Fearnaught = Fearnought = dikke en ruige wollen stof, soort fries; Fearsome = angstwekkend.
Feasibility, fîzibiliti, uitvoerbaarheid, mogelijkheid; adj. Feasible.
Feast, fîst, subst. feest, lekkernij, feest- of gastmaal; Feast verb. feestvieren, smullen, onthalen, zich verlustigen aan (on): Enough is as good as a feast = genoeg is overvloed; Feast-day = feestdag; Feast-rite = feestelijk gebruik.
Feat, fît, subst. daad, heldendaad, kunststukje, toer; adj. handig, vlug, bekwaam, netjes: Feat of juggling, goocheltoer; Featness = vlugheid.
Feather, fedhə, subst. veer, veder, pluim, vogels (sportt.), het door de riemen opgeworpen water; Feather verb. bevederen, met veeren bedekken of versieren, er als gevederte uitzien: Birds of a feather flock together = soort zoekt soort: That’s a feather in his cap = dat is een pluim, veer op zijne muts; She was in full feather = in gala; had een gespekte beurs; You are in high feather to-day = je bent erg in je “hum” vandaag; The ship cut a feather = deed het schuim opspatten voor den boeg; To show the (a) white feather = zich lafhartig toonen; It is but the turning of a feather between you and him = haast geen onderscheid, verschil; His air of superiority inspired me with a desire to tar and feather him = om hem eens flink zijn vet te geven (eig.: te teeren, en dan op de teer veeren te strooien); That man is feathering his nest = is bezig zijne schaapjes op het droge te brengen, voor zichzelf te zorgen; To feather the oars = de riemen horizontaal over het water laten glijden; Feather-bed = veeren bed: Feather-bed conspirators = zoetsappige; Feather-boarding = planken beschieting (overnaads); Feather-brain = wuft persoontje; Feather-broom (Feather-brush) = plumeau; Feather-edge = scherpe kant van eene plank; Feather-flowers = kunstbloemen (vooral voor hoeden); Feather-grass = espartogras; Feather-headed = lichtzinnig, wuft; Feather-weight = kleinst mogelijk (precies) gewicht, lichtste belasting (bij een handicap); boxer van licht gewicht; Feathery = vederachtig, veeren - - -, met veeren bedekt.
Feature, fîtšə, fîtjə, gelaatstrek, trek, voorkomen, eigenaardig kenmerk, eigenaardigheid; bepaling (van een contract, etc.), rubriek; Feature verb. gelijken op: This house is the feature of the street = het meest opvallende; Ill-(Well-)featured = leelijk (knap).
Feaze, fîz, ontrafelen (van touw).
Febrifugal, fibrifjug’l, febrifjûg’l, koortsverdrijvend; Febrifuge, febrifjûdž, koortsverdrijvend (middel); Febrile, fîbr(a)il, febril, koortsig, koorts - -.
February, februəri, Februari; February Fill-dyke = Febr. de regenmaand.
Feces, fîsîz. Zie Faeces.
Fecit, fîsit, “hij (zij) heeft (het) gemaakt”.
Feck, fek, subst. voornaamste deel, kracht, waarde; adj. flink, krachtig; Feckless = laf, zwak, waardeloos (Schot.).
Fecula, fekjulə, zetmeel; bladgroen.
Feculant, fekjulent, troebel, modderig, drabbig; subst. Feculence.
Fecund, fek’nd, fîk’nd, fikɐnd, vruchtbaar; Fecundate, fek’ndeit, fîk’ndeit, fikɐndeit, vruchtbaar maken, bevruchten; subst. Fecundation; Fecundity, fikɐnditi, vruchtbaarheid.
Federacy, fed’risi; Zie Federation; Federal, fed’rəl, federaal, bonds - -: Federal City = Washington; Federal Diet = de Duitsche Bondsdag; Federal Union = statenbond; Federalism = federalisme; Federalist = federalist; Federalize = tot een bond vormen; Federate = zich tot een federatie verbinden; Federation = federatie, statenbond; Federative = verbonden, bonds - -.
Fee, fî, loon, salaris, honorarium, bijverdiensten (in deze gevallen meest Meervoud); fooi; leengoed, eigendom; Fee verb. beloonen, betalen, een fooi geven: What with doctors’ and lawyers’ fees we had a hard year of it = door al die kosten van dokter en advocaat; Tuition (University) fees = collegegelden; To hold in fee simple = land bezitten waarover men bij zijn dood vrij kan beschikken; Estate in fee tail = goed, dat op bepaald aangewezen erfgenamen moet overgaan.
Feeble, fîb’l, zwak, krachteloos; Feeble-minded = zwak van geest, besluiteloos; subst. Feebleness.
Feed, fîd, voeden, voorzien van, verzorgen, onderhouden, laten weiden, eten, vreten, grazen; subst. een maal, voer, maaltijd, voorraad: His horse must have its four feeds a day = moet viermaal per dag gevoerd worden; I am off my feed = heb mijn eetlust verloren; He feeds like a wolf = eet als een wolf; To feed one’s cold = uitvieren; To feed the fire = wat in de kachel doen; The operator feeds the letters into the stamping-machine = schuift geregeld; He was feeding morsels from his plate into his mouth, as if he was firing up an engine = hij stopte in zijn mond; Feed-pipe = aanvoerpijp; Feed-pump = perspomp; aanvoerpomp; Feeder = iemand, die voert of mest, iemand of iets, die of dat bevordert, zijrivier, voedingskanaal, zijtak: Dainty feeder = lekkerbek; Greedy feeder = veelvraat; Feeding-bottle = zuigflesch.
Feel, fîl, voelen, bevoelen, betasten, ondervinden, gevoelen; subst. voelen, gevoel, gewaarwording: The baby feels his legs = probeert te gaan staan; I feel for you, poor fellow = ik heb medelijden met je, arme kerel; He felt his way after the sound = hij zocht tastende zijn weg op het geluid afgaande; She felt her way on the subject with him = zij polste hem over dat onderwerp; I shall try to feel him out = te polsen; I feel up to much work = voel me geschikt voor; I feel offended by your remark = ik acht mij beleedigd; Feeler = voeler, voelhoorn; To put (throw) out a feeler = de publieke meening polsen door een voorloopig bericht; Feeling = gevoelend, gevoelvol, medelijdend; subst. gevoel, aandoening, gewaarwording, geest, stemming: He has no feeling against you = niets (= geen wrok) tegen u; To excite bad feeling against = haat opwekken tegen; The feelings = de aandoeningen der ziel, hartstochten, etc.: The feelings are dangerous guides = het gevoel is een gevaarlijk raadsman.
Feet, fît, voeten (Zie Foot): He is certain to fall on his feet anywhere = hij komt altijd op zijn pooten terecht; With the world at your feet = met de wereld gereed om u te dienen.
Feign, fein, veinzen, voorwenden: A feigned issue = een proces, om eenvoudig de rechtskwestie te beslissen; Feint, feint, subst. voorwendsel, schijnbeweging, schijnaanval, list; Feint verb. een schijnbeweging maken: A feint of flight = voorgewende vlucht; He made a feint of writing = deed alsof hij schreef.
Fel(d)spar, fel(d)spâ, feldspaath.
Felicitate, fəlisiteit, feliciteeren (on); subst. Felicitation; Felicitous = gelukkig, voorspoedig, gelukkig gevonden; Felicity, filisiti, geluk, gelukzaligheid, voorspoed, toepasselijkheid, gelukkige manier van: Felicity in the choice of words = eene gelukkige keus.
Feline, fîl(a)in, katachtig, katten ...: Feline amenities = kattige lievigheden.
Felix, fîliks.
Fell, fel, vel, huid; platte zoom; val of golving (van haar); rotsachtige heuvel; adj. wreed, woest; Fell verb. vellen, omhakken; zoomen; imperf. van to fall; Fell-monger = koopman in huiden.
Fellah, fela, (meerv. Fellaheen, feləhîn), Egyptische boer of arbeider: The fellaheen forces = de strijdmacht der fellahs.
Felloe, felou, velg.
Fellow, felou, subst. kameraad, maat, wedergade, gelijke, kerel, vent, jongen; lid van een college of genootschap; soort lector of tutor in ’t genot van een Fellowship: A glove and its fellow = en de daarbij passende handschoen; He is hail-fellow-well-met with everybody = goede maatjes; They are fellows in office = ambtgenooten, collega’s; adj. (in samenstellingen) mede...; Fellow-citizen = medeburger; Fellow-commoner = student (aan Eng. Universiteiten), die met de fellows van zijn college dineert; Fellow-countryman = landsman; Fellow-craft = vrijmetselaar (tweede graad); Fellow-creature = medemensch; Fellow-feeling = medegevoel; Fellow-lodger = contubernaal; Fellow-ranker = iemand van denzelfden rang; Fellowship = vereeniging, gemeenschap, omgang, gelijk aandeel in; het ambt van, en de toelage voor de fellows van een universiteit: Good fellowship = collegialiteit, kameraadschap; Rule of fellowship = gezelschapsrekening; Fellow-soldier = krijgskameraad; Fellow-traveller = medereiziger.
Felly, feli, velg.
Felon, fel’n, subst. misdadiger; fijt; adj. kwaadaardig, verraderlijk, wreed; Felon’s dock = beschuldigdenbank; Felonious, fəlounjəs, snood, boosaardig, misdadig, met voorbedachten rade; Felony = zware misdaad.
Felt, felt, subst. vilt(en hoed); Felt verb. met vilt bedekken, tot vilt maken; imperf. van to feel.
Feltre, feltə, ouderwetsch borstharnas van vilt.
Felucca, fəlɐkə, feloek (schip).
Felwort, felwɐ̂t, swertia, gentiaan, bitterwortel.
Female, fîmeil, subst. vrouwtje, wijfje; vrouwelijke plant, vrouwspersoon; adj. vrouwelijk: Female die = holle stempel, waarin de male die geslagen wordt; Female rhymes, Female rimes = rijmen met ongeaccentueerde lettergreep op het einde, bijv. geven — leven; Female screw = moerschroef; Female woman = teere, zwakke.
Feme, fem: Feme covert = gehuwde vrouw; Feme sole = ongehuwde vrouw.
Feminine, feminin, vrouwelijk, zacht, teeder, verwijfd: Feminine gender = vrouwelijk geslacht; Femininity = vrouwelijkheid, de vrouwen; Feminize = verwijfd maken, verweekelijken.
Femoral, femərəl, dij - -; Femur = dijbeen.
Fen, fen, moeras, moerasland; Fen-berry = veenbes; Fen colonies = veenkoloniën; Fen-duck = soort v. wilde eend; Fen-fire = dwaallichtje.
Fence, fens, subst. heg, omheining, beschutting, het schermen, handigheid (in ’t debat), heler; Fence verb. omheinen, beschutten, verdedigen, versterken, schermen, pareeren; uitvluchten maken: To be (ride, sit) on the fence = eene afwachtende houding aannemen; She rushed at her fences = zij vloog naar de beschermde plaats, stelde zich te weer; To fence a question = pareeren, ontwijken; He studiously fenced round the points = hij ontweek opzettelijk de kwestie; Fence-month = gesloten jachttijd (van 9 Juni–9 Juli); Fencer = schermer, goed springpaard; Fencible, fensib’l, verdedigbaar: The Fences = soort landweer; Fencing, fensiŋ, materiaal voor eene schutting (Amer.); schermkunst, handig debat: Fencing-foil = degen; Fencing-gloves = schermhandschoenen; Fencing-pad = borstleder (van den Fencing-master = schermmeester).
Fend, fend, verdedigen, afweren: Let us leave him to fend for himself = laat hij zichzelf verdedigen, zien te redden.
Fender, fendə, hek voorlangs den haard of de daardoor ingesloten ruimte; stootmat, kurkenzak, wrijfworst (scheepst.).
Fenian, fînj’n, lid van een in 1857 te New-York opgericht geheim Iersch verbond voor het bevrijden van Ierland; ook adj.; Fenianism = Fenianisme.
Fennel, fen’l, venkel.
Fenny, feni, moerassig.
Fent, fent, opening of split.
Feod, fjûd. Zie Feud.
Feof, fef, subst. leengoed; Feof verb. met een leen begiftigen; Feofee, fefî, leenman; Feofer, Feofor, fefə, leenheer.
Feral, fîrəl, Ferine, fîr(a)in, wild, ongetemd; kwaadaardig (v. ziekten); subst. Feralness.
Fering(h)ee, fəriŋgî, Frank, algemeene naam door de Mahom. aan Europeanen gegeven.
Ferment, fɐ̂m’nt, ferment, gisting (ook fig.).
Ferment, fəment, in gisting brengen (of zijn), beroeren; Fermentability = gistbaarheid; Fermentable = gistbaar; Fermentation = gisting, beroering; Fermentative, gistend, gisting veroorzakend, gistings - -, subst. Fermentativeness.
Fern, fɐ̂n, varenkruid: Fern-owl = nachtzwaluw; Fern-seed = (onzichtbaar makend) varenzaad; Ferny = vol varens.
Ferocious, fəroušəs, woest, wreed, roofgierig; subst. Ferociousness = Ferocity, fərositi.
Ferret, ferət, subst. fret; woekeraar; smal groen lint; Ferret verb. uitdrijven, fretten, uitvisschen: I have ferreted it out = ben het op listige wijze te weten gekomen; Ferret-eyes = kleine, slimme oogen; Ferreter = jager met een fret, speurhond (fig.).
Ferriage, feriidž, overvaart, veergeld.
Ferric, ferik, ijzer ...; Ferriferous = ijzerhoudend; Ferrugineous, ferudžiniəs, ijzerhoudend, ijzerroestkleurig = Ferruginous.
Ferrotype, feroutaip, photographie op een gevoelige ijzeren plaat.
Ferrule, ferûl, metalen ring, koperen busje om een stok, muntring.
Ferry, feri, subst. veer, veerrecht, veerboot; Ferry verb. overzetten; Ferry-boat = veerboot; Ferryman = veerman.
Fertile, fɐ̂t(a)il, vruchtbaar, rijk aan, vindingrijk; subst. Fertility; Fertilization = vruchtbaarmaking, bevruchten; Fertilize, fɐ̂tilaiz, vruchtbaar maken, bevruchten; Fertilizer = mest.
Ferule, ferûl, subst. schoolplak; Ferule verb. met de plak geven.
Fervency, fɐ̂vənsi, vuur, gloed, innigheid, ijver; adj. Fervent, fɐ̂v’nt, subst. Ferventness; Fervid, fɐ̂vid, heet, brandend, vurig, heftig; subst. Fervidness; Fervour, fɐ̂və, gloed, vuur, drift.
Fesse, fes, horizontale dwarsbalk of streep op een schild; Fesse-point = het middelpunt van een wapenschild.
Festal, fest’l, feestelijk, vroolijk.
Fester, festə, subst. zweer, fistel; Fester verb. zweren, etteren, rotten, woeden.