Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 151
Wool, wul, wol, bont: Great (Much) cry and little wool = veel geschreeuw en weinig wol = More squeak than wool; To draw (pull) the wool over a person’s eyes = iemand zand in de oogen strooien; Wool-ball = wolbal (in magen van dieren); Wool-bearing = woldragend; Wool-comber, wolkammer; Wool-combing = het wolkammen; Wool-cotton = boomwol; Wool-dyed = in de wol geverfd; Wool-gathering, subst. het vergaren van pluisjes wol; verstrooidheid; adj. verstrooid: His wits are a-wool-gathering = zijn verstand is op den loop, hij suft; Wool-grower = schapenfokker; Wool-man = wolkooper; Wool-market; Wool-merchant; Wool-mill = wolspinnerij; Woolpack = baal wol (± 108,826 K.G.); Woolsack = zitplaats van den Lord Chancellor in het House of Lords; Woolsorter = wolsorteerder = Wool-stapler, dit laatste ook wolhandelaar; Wool-staple = wolmarkt; lengte der wolharen; Wool-trade = wolhandel; Woollen = van wol, grof, lomp, boersch: Woollens = wollen stoffen, wollen goederen = Woollen articles of Woollen goods; Wool trade = wolhandel; Wool-draper = lakenkooper, handelaar in wollen goederen; Wool-printer = woldrukker; Wool-scribbler = machine om wol te kaarden; Woolliness = wolligheid; Woolly = wollig, wolachtig, gedempt, dof, onduidelijk, prikkelbaar, knorrig; Woolly-haired; Woolly-head = neger; Woolly-minded men = suffers.
Woolwich, wulidž.
Woom, wûm, beverbont.
Wootz, wûts, fijn Indisch gietstaal.
Worcester, wustə.
Word, wɐ̂d, subst. woord, uitdrukking, mededeeling, bericht, bevel, wachtwoord, parool, motto; Word verb. onder woorden brengen: The Word = de H. Schrift; Money is the word = geld is de boodschap; He is as good as his word = houdt zijn woord = He has not been worse than his word; There were angry words between us = we hadden hooge woorden; At a word = met één woord; By good word = met goedheid; He communicated it to me by word of mouth = mondeling; I repeated it to him word for word = woord voor woord; In a (one) word = in één woord, kort en goed; There you have it in a word = met dat ééne woord is alles gezegd; He is a hero in word(s) = een held met den mond; To a word = woordelijk; Upon my word = op mijn woord; To come to words = woorden krijgen; He tried to get away from his word = van zijne belofte af te komen; I could not get in a word edgeways = er geen woord tusschen krijgen; To stick to one’s word = zijn woord houden; I take you at your word = houd je aan; To take up the word again = weer opvatten; To understand at half a word = met een half woord verstaan; To bring word = bericht brengen; You shall eat your words = terugnemen; He gave me many kind words = sprak zeer vriendelijk; I must have a word with you = u even spreken; To have a few words = woorden (ruzie) hebben; To have the final word = het laatste woord hebben; I have your word = uw woord, verzekering; I won’t have any words about it = ik wil er niet van hooren; She hasn’t a good word to say of (for) anybody = zij heeft op iedereen wat te zeggen; To keep one’s word = houden; To leave word with the servant = boodschap achterlaten; I should like a word with you = je gaarne even spreken; To put in a good word for = een goed woordje doen voor = To say a good word for; He has not said his last word = zijn laatste woord nog niet gezegd (fig.); I’ll send you word = ik zal u eene boodschap zenden; To speak a good word for, Zie Put in; You may take my word for it = gij kunt erop aan; To take the word = het woord nemen; To write word = bericht zenden; Word-book = woordenlijst; Word-building = woordvorming; Word-catcher = woordenzifter, woordenvitter; Word-catching; Word-painter = woordkunstenaar; Word-painting = woordkunst; Word-picture = beeld of beschrijving; Word-spin = met woorden schermen: Journalists can Word-spin on occasion = verstaan de kunst om met veel woorden niets te zeggen; Word-spinner = redekunstenaar; Word-square = reeks v. woorden (in een vierkant) die hetzelfde woord opleveren hetzij naar beneden of van rechts naar links gelezen; Cautiously worded = voorzichtig gesteld; A well-worded letter = een goed gestelde brief; Wording = redactie, bewoordingen; Wordiness, subst. v. Wordy; Wordless = sprakeloos, niet uitgesproken; Wordy = woordenrijk, langdradig: Wordy warfare = woordentwist.
Wordsworth, wɐ̂dzwəth.
Wore, wö, imperf. van to wear.
Work, wɐ̂k, subst. werk, arbeid, bezigheid, bewerking, behandeling, etc.; Works = industrieele inrichting, fabriek, (uur)werk; goede werken, zedelijke plichten (tegenover “genade”), muren, loopgraven, versterkingen, vestingwerken; Work verb. werken, arbeiden, zich inspannen, gisten, stampen (v. een schip), werken op, zich laten bewerken, laten werken, afbeulen, sturen, leiden, oplossen, bedienen, afvisschen, dresseeren, etc.: That is a good day’s work = eene flinke dagtaak; It’s hard and slow work = moeilijk en langzaam vorderend werk; Bicycling is warm work = warm werk; At work! = aan het werk! They were at work on the map = aan het werk; A maid of all work = meid alléén; To be out of work = zonder werk, stilstaand; You’ll have all your work cut out for you = er de handen vol aan hebben; To find a person work = werk verschaffen; I must try to get through all this work to-day = al dit werk zien af te krijgen; You are going the right (wrong) way to work = legt het goed (verkeerd) aan; To go (fall) to work with a will = met ijver aan het werk gaan; To go out to work = uit werken gaan; To make sad work of = verknoeien; To make short work of = korte metten maken met; To set to work = aan het werk gaan, aan het werk zetten; Take up the work you dropped last week = vat het werk weer op; To be thrown out of work = buiten werk (geraakt) zijn; Gas-works = gasfabriek; An iron-works = ijzergieterij; The Board of Works = een lichaam, dat de secular functions van de Vestries in de meeste parishes heeft overgenomen (Zie Vestry); To work guns = bedienen; He worked his men fewer hours = liet werken; To work a mill = aan den gang brengen, drijven; To work arithmetical problems = oplossen; To work a railway = exploiteeren; If I could work my will = mijn zin kon doorzetten (Vergel. To work with a will = flink aanpakken); Worked in iron, gold, etc. = van ijzer, goud bewerkt; He is a hard worked man = hij moet hard werken; Stocks are working down = de effecten gaan naar beneden; The ship is working to windward = kruist naar loevert op; I have been working at my grammar = heb gewerkt; He worked himself into the king’s favour = drong zich in; I had a headache but I have worked it off = maar ze is met werken overgegaan; That did not work on him = had geen invloed; It has worked out something good = heeft uitgewerkt; I left these things to work out their own problems = om vanzelf tot oplossing te komen; To work out one’s dinner, passage = zijn middagmaal, overtocht verdienen met daarvoor te werken; We have steadily worked through all the exhibits = hebben alle uitstallingen geregeld nagegaan; He worked up his rage = hij werd al woedender; It was worked up into something quite different = er kwam geheel iets anders van; He worked himself up into a passion = maakte zich driftig; Workaday = Work-a-day = daagsch, alledaagsch; Work-bag = werktaschje; Work-basket = mandje; Work-box = werkdoos, naaikistje; Work-day = werkdag; Work-folk(s) = werklui; Work-girl = fabriekarbeidster; Workhouse = werkhuis (waarin de armen worden opgenomen, en de voor werk geschikten tot arbeid gedwongen worden); soort tuchtschool of werkinrichting; Workman = arbeider, werkman; Workmanlike = knap, handig, vaardig; Workmanship = wijze van uitvoering, bewerking, arbeid, bekwaamheid, handigheid: This is a box of excellent workmanship = een fraai bewerkte; Work-people; Work-room = werkkamer (voor vrouwen) in huis of fabriek; Work-season = campagne; Workshop = werkplaats; Work-shy = afkeerig van werken; subst. leeglooper; Work-table = werktafel(tje); Workwoman = werkvrouw, werkster; Workable = wat bewerkt, in beweging of gang gebracht, geëxploiteerd kan worden, uitvoerbaar, praktisch: That is not a workable theory, proposal = practisch; Worker = werker, werkman, arbeider; werkbij (-mier): He was my fellow worker for a time = wij hebben een tijdlang samengewerkt; Working, subst. werk, gisting, beweging, gang, bedrijf, exploitatie; adj. werkend, arbeidzaam, werkzaam, bruikbaar: Working-account = exploitatierekening; Working-beam = drijfstang; Working-class(es) = arbeidende klasse; Working-day, subst. werkdag; adj. als v. een werkdag, zwoegend, gewoon; Working-drawing = plan of teekening, constructieteekening; Working-expenses = exploitatiekosten; Working-man = werkman, arbeider; Working-party = troep soldaten voor eene korvee bestemd; Working-point = deel der machine waarop het vereischte effect wordt teweeggebracht; Workless = zonder werk, werk(e)loos: The Workless, the Thriftless and the Worthless, a book by Francis Peek.
World, wɐ̂ld, wereld (ook fig.), aardsch bestaan, levensloop, de menschen, het publiek, maatschappij, menigte: A world of pains = ontzettend veel moeite; World without end = eeuwig; The next (other, future) world = The world to be (world to come) = het hiernamaals; The fashionable (great) world = de groote wereld; It’s him, for all the world = hij is het waarachtig; I wouldn’t part with you for (all) the world = voor niets ter wereld; What in the world do you mean by it? = wat ter wereld; History (Knowledge) of the world; He is a man of the world = een man van de wereld; He is of the world worldly = een echte wereldling, wereldschgezinde; We have travelled all over the world, all the world over = de geheele wereld door- of rondgereisd; All the world say so = alle menschen; All the world and his wife go(es) there = Jan en alleman; She was beginning the world = trad de wereld in; I wish I could begin the world over again = dat ik nog eens weer van voren af aan kon beginnen: I would have given worlds = alles; He has renounced the world = heeft van de wereld afstand gedaan; He thinks (all) the world of his nephew = heeft een hoog idée van; As the world goes = zooals het gaat in de wereld; That is how the world wags (Such is the world, This is the way of the world) = is ’s werelds beloop; World-English = phonetisch internationaal spelstelsel v. Melville Bell; World-famous; World-pain = wereldsmart (“Weltschmerz”); World-wearied = de wereld moede, levensmoede; World-wide = oneindig, zeer groot; World-wise = ervaren; Worldliness = wereldsch-gezindheid; Worldling = wereldling; Worldly = wereldsch, menschelijk, aardsch, verachtelijk; World-minded = wereldsgezind; subst. World-mindedness; World-wise = wijs naar de wereld (gew. in afkeurenden zin).
Worm, wɐ̂m, subst. worm, made, larve, stumper, klabak, gewetenswroeging, schroefdraad, krasser op den laadstok, koelslang; Worm verb. kruipende vooruitkomen, in het geheim en langzaam werken, op slinksche wijze bewerkstelligen, de lading uit geweer of kanon halen, touw spiraalsgewijs omwikkelen, van wormen zuiveren: Even the trodden worm will turn = zelfs het wormpje laat zich niet zoo maar trappen; He wormed himself into the king’s confidence = drong zich kruiperig in; He tried to worm that secret out of me = van mij los te krijgen; Worm-cake = wormkoekje; Worm-eaten = wormstekig; subst. Worm-eatenness; Worm-fever = wormkoorts; Worm-grass = muurpeper; Worm-hole = wormgaatje; Worm-powder = wormpoeder, wormkruid; Worm-seed = alsem, welriekende ganzevoet, boerenkers; Worm-shaped = wormvormig; Worm’s meat = voedsel voor wormen, lijk; Worm-wheel = schroefrad, snek; Wormy = vol wormen, wormstekig, aardsch, kruipend.
Wormwood, wɐ̂mwud, bittere alsem: It is (gall and) wormwood to him = hij wormt er over, het grieft hem.
Worn, wön, p.p. van to wear, versleten, uitgeput, verweerd, uitgeteerd.
Worrier, wɐriə: He is a worrier = een kwelgeest, onaangenaam mensch; It has caused me much worriment = me veel last en verdriet veroorzaakt; Worrit, wɐrit (= Worry): Don’t worry yourself = plaag jezelf toch niet, zit toch niet (zoo) te kniezen.
Worry, wɐri, subst. kwelling, angst, zorg, drukte, “soesa”; Worry verb. kwellen, tobben, plagen, afworgen (zooals de honden doen), rukken, uitputten: You have no worries = niets dat u hindert; Don’t be uneasy, my dear old worry = lieve tobber (bezorgde moeder); The dog worried the old gentleman’s gaiters = rukte en scheurde aan de slobkousen van den ouden heer; To be worried at = zich ergeren over, verdrietig zijn over; The chief had been worrying for her for two hours = naar haar gevraagd, overal gezocht.
Worse, wɐ̂s, erger, slechter; ook subst.: From bad to worse = van kwaad tot erger; Worse luck = ongelukkigerwijze; To be worse = erger, zieker zijn; To be ¼ worse = ¼ procent lager staan; I am no worse = I am none the worse for it = dat heeft me niets gehinderd; To be the worse for = minder waard zijn, schade lijden, er slecht aan toe zijn; To be the worse for drink = aangeschoten zijn; The worse for wear = versleten; To change for the worse = minder worden; To get worse and worse = al erger worden; He is worse off than his brother = slechter af; And, to make things worse, one of the horses fell down dead = en tot overmaat van ramp; Worsen = verergeren, ontaarden; een voordeel behalen op; His betters or his worsers = zijne meerderen of zijne minderen (schertsend).
Worship, wɐ̂šip, subst. waardigheid, aanzien, eerbied, eerbewijzen, aanbidding, godsdienst, eeredienst, titel (vooral van magistraatspersonen); Worship verb. aanbidden, vol eerbied behandelen, vereeren, hoogachten, zich toewijden: Yes, your Worship = ja, edelachtbare; Worshipful = grootachtbaar (titel): Worshipful Master; subst. Worshipfulness; Worshipper = aanbidder: Worshipper of idols = afgodendienaar.
Worst, wɐ̂st, subst. en adj. slechtst(e), ergst(e), minst(e), snoodst(e); Worst verb. verslaan, overwinnen: At the worst = op zijn minst, in ’t ergste geval; In the event of the worst = If the worst comes to the worst = als het op het ergst loopt; The worst of the thing was = het ergste van de zaak was; Let him do his worst = het ergste doen wat hij kan; He had (got) the worst of it = hij verloor het, trok aan het kortste eind; Why should you suppose the worst? = het ergste onderstellen; They were worsted in the battle = zij werden in den strijd totaal verslagen.
Worsted, wustid, subst. en adj. (van) sajet: A ball of worsted = een kluwen sajet.
Wort, wɐ̂t, kruid (in samenstellingen).
Worth, wɐ̂th, worden of zijn (alléén) in: “Woe worth” met volgenden datief: Woe worth the chase, woe worth the day, That costs thy life, my gallant grey = wee de jacht en wee den dag.
Worth, wɐ̂th, subst. waarde, waardij, verdienste, uitstekendheid; adj. waard: To be worth = gelden, waard zijn; What’s that man worth? = hoeveel bezit die man; Take all I’m worth = neem alles wat ik bezit; It is hardly worth looking at = haast geen aankijken waard; It is as much as my place is worth to let him see it = het zou me mijn betrekking kunnen kosten, als hij het zag; He gave the last shilling he was worth = dien hij bezat; He liked to think that he was worth his salt = dat hij den kost waard was; You are not worth a two-penny rope = je bent het ophangen niet waard; He danced for all he was worth = zooveel en zoo goed hij kon; Worthiness, wɐ̂dhinəs, waardigheid, deugd, uitstekendheid; Worthless = waardeloos, verachtelijk; subst. Worthlessness; Worthy, wɐ̂dhi, subst. held, beroemdheid, persoon; adj. waardig, edel, verdienstelijk: The Nine Worthies = de negen helden der Oudheid (Hector, Alexander, Julius Caesar, Jozua, David, Judas Maccabaeus, Arthur, Karel de Groote, Godfried v. Bouillon); I am worthy to be scorned = verdien veracht te worden; This work is not worthy of your talents = is uwe talenten en gaven onwaardig; The labourer is worthy of his hire = zijn loon waard.
Would, wud, imperf. van will: Would to God = God gave; He would often go there = placht te gaan; Would you have me go there? = woudt ge, dat ik daarheen ging? What would you have me do? = wat woudt ge (dan) dat ik deed; I would have you know = ik moet je zeggen; Would-be, subst. bluffer; adj. zoogenaamd: A would-be friend = valsche, zoogenaamde vriend; A would-be sportsman = Zondagsjager.
Wound, wûnd, subst. wonde, smart; Wound verb. wonden, kwetsen: To give (inflict) a wound = eene wonde toebrengen; To wound to death; To wound to the quick = pijnlijk verwonden of grieven; Wound-fever; Wound-wort = andoorn.
Wound, waund, imp. en p.p. van to wind.
Wove, wouv, Woven, wouv’n, imperf. en p.p. van to weave: Wove(n) paper = velijnpapier.
Wow-wow, wauwau, woef (= hond in de kindertaal); langarmige apensoort (Sumatra).
Wrack, rak, zeewier; wrak; lichte, dunne wolk (Zie Rack): Let the world go to wrack = ten onder gaan.
Wrain-bolt, reinboult; Zie Wring-bolt.
Wraith, reith, geest(verschijning) van iemand vóór zijn dood of even na zijn dood, schim, spook: His friendship for me was henceforth a hollow wraith = niets dan eene schim, eene holle klank.
Wrangle, raŋg’l, subst. gekijf, ruzie; Wrangle verb. kijven, rumoerig twisten: The birds were wrangling for the seed = vochten om; Wrangler = twister, ruziemaker; aan de universiteit te Cambridge een van hen, die in het Honours examen voor B.A. in de wiskunde hooge punten hebben behaald; de beste heette Senior Wrangler (afgeschaft in 1909); Wranglership; Wrangling = twist, ruzie.
Wrap, rap, subst. omhulsel, overtrek, omslagdoek, sjaal, mantel, morgenjapon; Wrap verb. samenwikkelen, bedekken, inwikkelen, oprollen, hullen, opgaan in: The world was wrapped in silence, darkness = in stilte duisternis gehuld; I don’t understand why you are so wrapped up in your country = hoe gij zoo geheel in uw land opgaat, er zoo mee zijt ingenomen; Wrappage = omhulsel; Wrapper = emballage, sjaal, morgenjapon, doek, dekblad, kruisband: Sumatra wrappers = sigaren met S. dekblad; Wrapping-paper = pakpapier; Wrapt = P. Imp. en P.P. v. To wrap.
Wrasse, ras, lipvisch.
Wrath, rôth, râth, woede, gramschap; Wrathful = vol toorn en gramschap; subst. Wrathfulness; Wrathy = toornig, gramstorig.
Wreak, rîk, subst. wraak, woede; Wreak verb. wreken, koelen: To wreak one’s anger (rage) upon = zijn toorn (woede) koelen aan; I’ll wreak my vengeance on you = zal mijne wraak aan u koelen.
Wreath, rîth, krans, ring, winding, kring: Wreaths of smoke; Wreath(e), ridh, omkransen, bekransen, kronkelen, strengelen; Wreathy, rîthi, gewonden, etc.
Wreck, rek, subst. wrak, wrakhout, vergaan, verval, ondergang, vernietiging; Wreck verb. vernietigen, te gronde richten, stranden, schipbreuk (doen) lijden, te gronde gaan: Wrecks = overblijfselen, wrakhout: Receiver of wrecks = strandvonder; Everything went to wreck and ruin = ging te gronde; The ship was wrecked off Kijkduin = verging; To wreck a train = een spoorwegongeluk veroorzaken; The rebels wrecked the bakers’ shops = vernielden en plunderden; Wreck-commissioner = strandvonder (Amer.); Wreck-free = niet onderworpen aan het strandrecht, zooals b.v. de Cinque Ports; Wreck-master = strandvonder (Engl.); Wreckage, rekidž, schipbreuk, wrakhout, overblijfselen; Wrecker = stranddief, strandjutter, strandwacht, bergingsschip; Wrecking-car = spoorwagen met materiaal om na een spoorwegongeluk den weg vrij te maken (Amer.).
Wren, ren, tuinkoning: A wren in the hand is better than a crane to be caught = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht; Wrenning = jacht op wrens; de 26e Dec. heet in ’t Z. van Ierland wrenning-day, omdat oudtijds de wrens op dien dag gevangen, en in triomf van huis tot huis gedragen werden om geld voor een pretje op te halen; de deelnemers aan de jacht heetten wren-boys.
Wrench, renš, subst. ruk, verdraaiing, draaiing, verstuiking, schroefsleutel; Wrench verb. draaien, wringen, verdraaien, verrekken, verstuiken: It was a hard (shocking) wrench to part with her = het was een zeer hard gelag; Students have a fancy for wrenching off knockers = mogen graag kloppers (bellen) “moeren”; To wrench open = openbreken.
Wrest, rest, subst. draaiing, winding, list, verrekking; stemhamer; Wrest verb. verdraaien, verwringen, ontrukken.
Wrestle, res’l, subst. worsteling, worstelwedstrijd; Wrestle verb. worstelen, strijden; Wrestler = worstelaar, athleet; Wrestling-place = worstelplaats.
Wretch, retš, ellendeling, schelm: ongelukkige: Poor wretch = arme stakker: That young Wretch of a girl = dat nest; Wretched, retšid, ellendig, ongelukkig, betreurenswaardig, armzalig; subst. Wretchedness.
Wrexham, reks’m.
Wriggle, rig’l, subst. wriemelende beweging, draaiing; Wriggle verb. wriemelen, zich kronkelend bewegen, draaien, wrikken (v. een boot): To wriggle oneself into a person’s favour = zich vleierig indringen; Wriggler = draaier, knoeier.
Wright, rait, bijna alléén in samenstellingen, als Cartwright = wagenmaker; Shipwright = scheepstimmerman.
Wring, riŋ, wringen, draaien, persen, afpersen, uitknijpen, omdraaien, buigen, martelen, pijnigen: He wrung the confession from me = perste mij de bekentenis af; To wring out clothes; These shrieks wring my heart = knijpen mij het hart toe; We listened with wrung hearts; Wring-bolt = ringbout; Wringer = wringmachine; Wringing: Wringings of conscience = gewetenswroeging; Wringing of the guts = krampen (plat); Wringing-machine = wringmachine; Wringing-wet = zóó nat dat men het kan wringen.
Wrinkle, riŋk’l, subst. rimpel, plooi, vouw, oneffenheid, gelukkige gedachte of inval, wenk; Wrinkle verb. rimpelen, plooien, vouwen; liegen, opsnijden: I’ll put you up to a wrinkle (or two) = ik zal je eens op de hoogte brengen; Shopping wrinkles = kneepjes bij ’t koopen in acht te nemen; He wrinkled up his face, nose; Wrinkled = Wrinkly.
Wriothesley, rot(ə)sli.
Wrist, rist, handgewricht; Wristband = vaste manchet, boord van de (over)hemdsmouw; Wrist-drop = verlamming der hand; Wristlet = soort polsmof, armband, handboei.
Writ, rit, geschrift, bevelschrift, oproeping, dagvaarding, aanklacht: Holy Writ = de H. Schrift; Writs were issued = bevelschriften werden uitgevaardigd; A writ was served upon him = er werd hem eene dagvaarding beteekend.
Write, rait, schrijven, beschrijven, zich schrijven (teekenen): I have written him word = hem geschreven, schriftelijk kennis gegeven; Will you write this fair? = dit in ’t net schrijven; They wrote down what I dictated = zij schreven op; She writes down too much in her books for children = zij schrijft al te kinderachtig; The critic’s objections were written down = werden afdoende weerlegd; The debt was written off = werd doorgehaald, afgeschreven; The ship was written off as wrecked = als vergaan van de lijst gevoerd; Will you write it out? = het copieeren; He has written himself out = zijn schrijversvermogen uitgeput; To write up = bijschrijven, bijhouden: The novel was written up = werd gunstig gerecenseerd, in de hoogte gestoken (afgemaakt) door de critiek; He has written to say that = heeft geschreven, dat; Writer = schrijver, klerk: Writer’s cramp = schrijfkramp; Writer to the Signet = een Schotsch solicitor; Writership = schrijversambt.
Writhe, raidh, verwringen, verdraaien, ineenkrimpen: He writhed his features as in pain = verwrong zijne gelaatstrekken.
Writing, raitiŋ, geschrift, handschrift, tekst, oorkonde: To commit one’s thoughts to writing = op schrift brengen = To draw up (put down, take down in) writing = op schrift zetten; In his own writing = eigenhandig geschreven; Writing-book = schrijfboek; Writing-case = map; Writing-desk = schrijflessenaar, schrijf map; Writing-master = schrijfmeester; Writing-pad = sous-main; Writing-paper = schrijfpapier; Writing-part = schriftelijk gedeelte van een examen; Writing-school = schrijfschool; Writing-table = schrijftafel; Written = geschreven: It is written = er staat geschreven (in de H. Schrift); Written examination; Written Law = geschreven wet = Statute Law.