Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 56
Hand, hand, subst. hand, handvol, handvat, wijzer, handeling, bekwaamheid, acte; deel, zijde, kant, werkman, fabrieksarbeider, matroos, ingewijde; schrift, spel kaarten, een der spelers, vijf (van een artikel dat verkocht wordt), pak tabak; Hand verb. overhandigen, aangeven, vastmaken, geleiden, helpen, overleveren: To be a clever hand at = knap zijn in; An old hand = een ervaren, gewikst persoon; His hand was against everybody = hij was in opstand tegen ieder; My hands are clean = ik ben onschuldig; I have come out of this business with clean hands = ik ben eerlijk gebleven; Hands across! = handen over elkaar; He won the race hands down = op zijn doode gemak; Hands off! = handen thuis! niet aankomen; Hands up! = geeft u over! It was a hand-to-hand-fight = gevecht van man tegen man; They are hand-and-glove (= hand in glove) with = koek en ei, op intiemen voet; My brother is on the mending hand = aan de betere hand; My sword was at hand = bij de hand, dicht bij; I have received many kindnesses at your hand(s) = van u; The time was at hand = op handen; The horse is hot at hand (heavy on hand) = moeielijk te regeeren; I bought it at first (second) hand = uit de eerste (tweede) hand; She came out at the right hand = kwam er goed af; The child was brought up by hand = met kunstmatig voedsel; He sent his reply by hand = met een bode; Take him by the hand = aan uwe hand, onder uwe hoede; To go from hand to hand = van den een tot den ander; Hand to mouth = armelijk, pover; From hand to mouth = voor onmiddellijke behoefte; To live from hand to mouth = van de hand in den tand; Hand over fist = Hand over hand = hand over hand, langzamerhand; snel; They go hand in hand = zij houden het samen, helpen elkander; Our men are in good heart and thoroughly in hand = en onder volkomen discipline; We have the matter in hand = hebben ... onder handen; Payment in hand = contante betaling; This horse is light in hand = gemakkelijk te regeeren; The matter was taken in hand by him = aangepakt, ondernomen; He was taken in hand by the judge = onder handen genomen; They carried their lives in their hands = stelden hun leven bloot; Each found the life of his hand deed het werk, dat zijne hand vond om te doen; We have no stock on hand = geen voorraad voorhanden; Case on hand; waiting instructions = collie aanwezig; verzoeke verzendingsinstructies; He did it out of hand = dadelijk, onmiddellijk; Out of hand = klaar, af; He has got out of hand = is buiten den band geraakt; He went up the ladder hand over hand = door telkens de eene hand boven de andere te brengen; You will find everything to your hand here = alles klaar, in gereedheid; Your favour (note) came duly to hand = uwe geëerde letteren heb ik in orde ontvangen; I saw an instrument under the minister’s hand = een door den minister geteekend stuk; He asked (gave) the hand of his cousin = vroeg om (schonk) de hand van zijne nicht; Bear a hand there = help eens een handje; This house has changed hands five times in three years; They forced the hands of the government = zij zetten ... naar hun hand; He wanted to get his hand in = aan slag (aan den gang) komen, zich inwerken; To give a hand with = een handje helpen met; I have a free hand now = de handen vrij; He had a hand in the game = hij had er de hand in; You must have your hands full = volop werk hebben; de handen vol hebben met; He holds hands with the best authors = kan wedijveren met; Let us join hands, Join hands in hand = eendrachtig samenwerken; To join hands with = de hand reiken aan; The two armies joined hands = vereenigden zich; One must keep one’s hand in = men moet het onderhouden, zich blijven oefenen; The police have laid hands on him = heeft hem te pakken; Lend a (helping) hand, old boy = zeg vriend, help eens een handje; I will not put my hand to that deed = mijn hand niet zetten onder; He could set his hand to every kind of work = hij kon met allerlei werk terecht; Let us shake hands = elkander de hand drukken (= shake each other by the hand); You don’t show me your hand for nothing = je laat me niet voor niemendal in je spel kijken; To hand a sail = vastmaken; To hand about = rondgeven; To hand down = aangeven, overleveren: This story was handed down from my ancestors = is van mijne voorouders afkomstig; To hand in = helpen (in een rijtuig), inleveren; He handed it over to me = overhandigde het mij; She was handed over to her old enemies = overgeleverd aan; Hand-bag = valies; Hand-barrow = (draag)berrie; kruiwagen; Hand-ball = gummibal aan spuit; Hand-bell = tafelbel; Hand-bill = snoeimes; affiche, schuldbewijs; Handbook = handboek; Hand-brace = drilboor; Handbreadth = handbreedte; Hand-cart = handkar; Hand-clasp = handdruk; Hand-cuff, subst. handboei; Hand-cuff verb. de handboeien aanleggen; Hand-dog = Andiron; Hand-drop = handverlamming; Hand-gallop = korte galop; Hand-glass = handspiegel, glas over planten; Handgrasp = handdruk; Handgrenade = handgranaat; Handgrip = greep: To come to handgrips = handgemeen worden; Handkerchief = zakdoek, doek: To drop the handkerchief = het teeken geven (oorspronkelijk door den persoon, die gehangen werd); To throw the hand to = uitnoodigen; Hand-language = vingertaal; Hand-lead = klein peillood; Hand-loom = weefgetouw; Hand-maid(en) = vrouwelijke bediende, dienares; Hand-mill = handmolen; Hand-organ = draaiorgel; Hand-paper = papier (met eene hand als watermerk); Hand-painted = uit de hand geschilderd; Hand-press = handpers; Hand-promise = plechtige verloving, die slechts met toestemming van beide partijen ophoudt; Hand-rail(ing) = leuning; Hand-sail = klein zeil; Hand-saw = handzaag: He knows a hawk from a hand-saw = hij heeft zijn weetje; Hand-screw = dommekracht; Hand-shake = handdruk; Handspike = handspaak, koevoet; Handspring = sprong, soort salto mortale: To chuck (throw, turn) handsprings; Handstrap = riem (in een tramwagen); In a hand-turn = in een ommezientje; Hand’s turn = hulp; Hand-writing = schrift; handschrift; Hander, handə, aanreiker, overbrenger, klap: No handers was the motto of the schoolboys on strike = “geen lichamelijke straf” was het motto v. de werkstakende schooljongens; Handful = handvol; Handless = zonder handen; onhandig.
Handfast, handfâst, subst. greep, handvat, houvast, handslag, contract, verbintenis; hechtenis; Handfast verb. verbinden, verloven, vereenigen, vasthouden.
Handicap, handikap, subst. vóórgift (in tijd, afstand of gewicht) bij een wedstrijd; (fig.) nadeel; Handicap verb. vóórgeven, (fig.) belemmeren, benadeelen, bezwaren: It is a handicap to a popular author to have made a great book = het is een nadeel (nl. met het oog op zijne volgende boeken); A handicap race = wedstrijd met vóórgift; Heavy taxation handicaps a country = drukken een land (belemmeren het in zijne vrije ontwikkeling); In this way we handicap our own producers as compared with the foreigner = bezwaren we onze eigen producenten.
Handicraft, handikrâft, handenarbeid, werk van de handen; Handicraft(s-man) = handwerksman.
Handiness, handinəs, handigheid, gemakkelijkheid, doelmatigheid.
Handiwork, handiwɐ̂k, handarbeid, kunstwerk, schepping.
Handle, hand’l, subst. handvatsel, “vat”, oor, gevest, enz.; Handle verb. betasten, bevoelen, hanteeren, behandelen, gebruiken, leiden: He has a handle to his name = hij heeft een titel, is van adel; I will give you a handle = ik zal u de gelegenheid verschaffen; He flew off (at) the handle = hij werd driftig; He knows how to handle the matter = weet de zaak aan te pakken; The guns were well handled = goed bediend; Handling = hanteering, behandeling.
Handsel, hands’l, subst. handpenning, handgift, eerste verkoop, geschenk, etc.; Handsel verb. een handpenning geven, handgeld geven.
Handsome, han(d)s’m, mooi, knap, goedgevormd, edel, mild, royaal, ruim: Handsome is, what handsome does = aan de vruchten kent men den boom; To come down handsomely = over de brug komen, zich royaal betoonen.
Handy, handi, handig, vlug, bij de hand, nabij: The book has found a place on the handiest shelf of every student = staat voor het grijpen bij; The children were playing at handy-dandy = de kinderen speelden: “Ra, ra, in welke hand?”; Handyman = helper, handlanger.
Hang, haŋ, subst. helling, verbindingswijze, neiging, richting; Hang verb. hangen, ophangen, behangen: He has got the hang of it (Amer.) = hij is er volkomen mede vertrouwd, heeft er den slag van beet; The general hang of the work is disappointing = gang, richting; He hangs about her = maakt veel werk van haar, is altijd om en bij haar; Many boys were hanging about the stables = hielden zich op bij de stallen; Do not hang back = krabbel niet terug, doe het niet met tegenzin; He hung down his head = liet hangen; All the hearers hang on his lips = hangen aan; The thing was hung on by the eyelids = was er slechts even of onvoldoende mee verbonden; He hangs on his party as faithfully as may be expected = hij kleeft zijne partij aan; Where do you hang out = waar woont gij, hangt gij uit?; All the flags were hung out = uitgestoken; I hang over to that opinion = hel naar die meening over; They hang together like burs = hangen als klissen aan elkander; The matter was hung up = bleef onbeslist; Be hanged to ’em = laten ze naar den duivel loopen; The suit hung = het proces werd gerekt, uitgesteld; To hang fire = niet dadelijk afgaan, besluiteloos zijn, op zich laten wachten, niet willen gelukken; Time hangs heavy on my hands, hangs heavy to-day = valt mij lang; We have been hanging in doubt = in onzekerheid verkeerd; Men have hanged for less than this = kregen den strop; Hang-dog = galgebrok, schurk: A hang-dog look = een armezondaarsgezicht, -blik; Hangman = beul; Hang-nail = nijdnagel; Hang-nest = hangend nest; Hang-net = hangnet; Hanger = hangstuk, haak, ophanger, hartsvanger, korte sabel; woud of boschje (langs eene heuvelhelling); Hanger-on = aanhanger, afhangeling, klaplooper; Hanging, subst. het hangen of ophangen, vertoon; behang, wandtapijt, adj. steil, den dood verdienend, strafbaar met den dood: That is a hanging-affair = eene halszaak; Hanging-clause = bepaling, met wier niet-nakoming het leven gemoeid is; Hanging-garden = hangende tuin; Hanging-guard = verdedigende houding met een sabel; Hanging judge = rechter, die het doodvonnis uitspreekt; Hanging-shelf = boekenhanger.
Hangar, haŋgâ, hangar.
Hank, haŋk, subst. streng (garen, zijde, etc.); neiging, lust; greep, macht; Hank verb. tot strengen vormen, krachtig aanhalen: His tales are excellent; the first in the hank is the best = het eerste in de verzameling is het beste.
Hanker, haŋkə, hunkeren, verlangen: I felt a hankering after her = een onweerstaanbaar verlangen naar haar bekroop mij.
Hank(e)y-Pank(e)y, haŋkipaŋki, subst. hocus-pocus: Hank(e)y-Pank(e)y bloke = goochelaar.
Hanley, hanli.
Hanover, hanəvə; Hanoverian, hanəvîriən, subst. en adj. Hannoveraan(sch).
Hansard, hansəd, koopman uit eene hanzestad; officiëel verslag van de handelingen van het Parlement.
Hanse, hans, verbond, vereeniging: Hanse towns = hanzesteden en hun verbond; Hanseatic, hansiatik, van de Hanzesteden: Hanseatic league = hanzeverbond.
Hansom (cab), hans’m (kab), tweewielig huurrijtuig (de koetsier zit achterop en de leidsels gaan over de kap heen).
Ha’n’t, Han’t, hânt, (Amer.) heint = Have not, Has not.
Hants, hants = Hampshire.
Hap, hap, subst. toeval, toevallige gebeurtenis; mantel, hulsel; Hap verb. toevallig gebeuren; inwikkelen; Haphazard = kans, gelukje, toeval: I did it at haphazard = op den bof, op goed geluk af; Hapless = ongelukkig, rampzalig; Haply = bij toeval, misschien.
Happen, hap’n, gebeuren: I happened to meet him = ik ontmoette hem toevallig; As it happened I found him = toevallig vond ik hem; Just happen in at my office to-morrow (Amer.) = wip morgen even aan; I happened on it yesterday = trof (vond) toevallig; I have not seen the happenings with my own eyes (Amer.) = ik heb zelf niet gezien wat er voorgevallen is.
Happiness, hapinəs, subst. v. Happy, hapi, gelukkig, voorspoedig, verheugd, blij, handig, bekwaam: Happy man be his dole = moge het hem goed gaan! Happy family = vreedzaam samenlevende menschen of kleine dieren v. verschillenden aard (zooals honden en katten, etc.); Happy-mean, subst. het ware midden: The happy-mean man = de man van ’t ware midden; Happy-go-lucky = onbezorgd, zorgeloos.
Harakiri, hârəkîri. Zie Harikiri.
Harangue. həraŋ, subst. redevoering, toespraak; Harangue verb. toespreken, eene rede houden; Haranguer.
Harass, harəs, kwellen, vermoeien, uitputten, onophoudelijk verontrusten; subst. Harassment.
Harbinger, hâbinžə, subst. voorlooper, voorbode, kwartiermaker, fourier; Harbinger verb. voorafgaan als bode, aankondigen.
Harbour, hâbə, subst. schuilplaats, haven, herberg, woning; Harbour verb. herbergen, een schuilplaats verleenen, voeden, koesteren; Harbour-dues = havengeld; Harbour-light; Harbour-master = havenmeester; Harbour-watch = ankerwacht; Harbourage = toevlucht, onderkomen; Harbourless.
Harcourt, hâköt.
Hard, hâd, adj. hard, vast, moeilijk, vermoeiend, streng, wreed, verhard, onbuigzaam, grof, onsmakelijk, wrang, hevig; subst. steiger; meer conserv. democraat (Amer.): No hard and fast line can be drawn in this matter = geene scherpe, bepaalde grens kan in deze zaak worden getrokken; As hard as the nether millstone = buitengewoon hard; They live hard by = zij wonen kort bij, in de buurt; These people were hard up = hadden groot geldgebrek; It is hard upon seven = dicht bij; Move the rudder hard a-starboard = leg het roer zoover mogelijk naar stuurboord; Hard of hearing = hardhoorig; He died hard = hij verdedigde zich tot het laatst toe, stierf onbekeerd; zijn doodstrijd was moeilijk; It will go hard with him = het zal hem slecht vergaan; This reward was hard won = deze belooning werd met moeite verkregen; Hard-bake = soort van kokinje; Hard-believing = ongeloovig; Hard-beset = eng ingesloten, in ’t nauw gebracht; Hard-bitted = hard in den bek; Hard-bound = verstopt, hardlijvig, traag; Hard-cash = baar geld; Hard-coal = anthraciet; Hard-drinker = zuiplap; Hard-earned = zuur verdiend; Hard-fish = gedroogde kabeljauw, schelvisch of leng; Hard-fisted = met harde handen; gierig; Hard-fought = hardnekkig gestreden; Hard-grained = grofkorrelig; grof (ook fig.); Hard-got(ten) = zuur verdiend; Hard-handed = hardhandig, ruw, streng; Hard-head = zwart knoopkruid; knorhaan; soort keisteen; Hard-headed = sluw, helder van hoofd; Hard-hearted = hardvochtig; subst. Hard-heartedness; Hard-labour = dwangarbeid; Hard-luck = tegenspoed; Hard-mouthed = hard in den bek (van paarden), ruw, grof (van taal); Hard-pressed = in moeielijke omstandigheden; Hard rubber = caoutchouc; Hard-set = krachtig vervolgd, in het nauw; streng, onbuigzaam; Hardshell = met harde schaal; streng orthodox of conservatief (Amer.); Hard-tack = scheepsbeschuit; Hard-water = hard (wasch)water; Hardworking = zeer arbeidzaam; Hard-ware = ijzerwaren, vooral potten en pannen, enz.; Harden = harden, verharden, hard of gevoelloos maken (worden); Hardihood, hâdihud, koenheid, onversaagdheid, onbeschaamdheid; Hardiness = gehardheid; Hardly = nauwelijks, bijna niet, waarschijnlijk niet; hard, moeilijk, streng: Hardly .... when = nauwelijks .... of; Hardness = hardheid (ook fig.), moeielijkheid; Hardship = ontbering; Hardy = gehard, sterk, stoutmoedig.
Hardicanute, hâdikənjût.
Hare, hêə, haas: As mad as a March hare = zoo gek als wat; To hold with the hare and run with the hounds = een dubbel spel spelen; He wanted to make a hare of me = trachtte mij belachelijk te maken, te foppen, beet te nemen; Jugged hare = hazepeper; Hare-bell = grasklokje, knikkende vogelmelk; Hare-brained = nietig, onbesuisd, dwaas; Hare-hound = hazewind; Hare-lip = hazenlip; Hare’s-foot = hazepoot (door acteurs gebruikt).
Harem, hêr’m, hâr’m, harem.
Haricot, harikou, harikot, ragout van vleesch met groenten, snijboon.
Harikiri, hârikîri, zelfmoord, door den buik dwars open te snijden (Jap.).
Hark, hâk, luisteren: Hark ye = luister eens; Hark away, Hark forward = vooruit! Hark back = hier! een uitroep, waarmede de jager de het spoor voorbij hollende honden terugroept; terugloopen als het spoor verloren is: She always harks back to her old grievances = komt altijd terug op.
Harl, hâl, vezels van vlas, haar of wol; koppel van 3 honden, vrij groote hoeveelheid.
Harleian, hâliən, hâlîən, van Harley, naar wien de door hem gevormde, thans in het British Museum aanwezige bibliotheek genoemd is.
Harlem, hâləm.
Harlequin, hâlək(w)in, subst. harlekijn, potsenmaker, grappige vent; Harlequin verb. voor harlekijn spelen; Harlequinade, hâlək(w)ineid, harlekinade (dat deel in eene Christmas-pantomime, dat op de transformation-scene volgt).
Harlot, hâlət, hoer; adj. ontuchtig; subst. Harlotry.
Harm, hâm, subst. nadeel, schade, kwaad; Harm verb. kwaad doen, schade aanbrengen: Harm watch harm catch = wie een ander een kuil graaft, valt er zelf in; Harm-doing = het kwaaddoen; Harmful = nadeelig, schadelijk; subst. Harmfulness; Harmless = onbeschadigd, onschadelijk, argeloos; subst. Harmlessness.
Harmattan, hâmat’n, harmattan, droge en heete wind, die van December tot Maart v. Midden-Afrika naar het Noorden waait.
Harmonic, hâmonik, harmonisch; Harmonica, hâmonikə, mondharmonica, glasharmonica, collectie verschillend gestemde en met de vingers bespeelde glazen; Harmonical: Harmonical proportion = harmonische verhouding (tusschen vier grootheden): Harmonicon, hâmonik’n, orchestrion; Harmonics, hâmoniks, harmonieleer: Grave harmonics = bijtonen van twee overeenstemmende klanken; Harmonious, hâmouniəs, harmonisch, eensgezind: subst. Harmonicness; Harmoniphon, hâmonifoun, klavierhobo; Harmonist, hâmənist, componist, iemand, die de overeenkomstige plaatsen van verschillende schrijvers, vooral der Evangelisten, opspoort; Harmonists = communistische secte van Gebr. Rapp, in 1803 uit Wurtemburg naar de Vereen. Staten getrokken; Harmonium, hâmounj’m, harmonica, harmonium; Harmonize, hâmənaiz, overeenstemmen, in overeenstemming brengen, in vrede leven, congrueeren; Harmony, hâməni, harmonie, eensgezindheid, overeenstemming: Artificial harmony = oplossing van dissonanten tot harmonie; Harmony of the spheres = de leer van Pythagoras omtrent de harmonie der tonen, door de planeten in hunne beweging en al naar hare grootte, snelheid en afstand voortgebracht.
Harness, hânəs, subst. harnas, wapenen, paardetuig, gareel; Harness verb. het tuig aandoen, de wapenrusting aantrekken: He died in harness = midden in zijn werk; The thing is well in harness = goed bewerkt; Harness-cask, (Harness-tub) = vat met pekel vleesch op dek vastgesjord; Harness-maker = zadelmaker; Harness-room = tuigkamer.
Harold, harəld, Harold.
Harp, hâp, subst. harp; Harp verb. op de harp spelen, steeds hetzelfde onderwerp aanroeren: He is still harping on his first love = hij heeft het nog steeds over; To harp on the same string; Harper = Harpist = harpspeler.
Harpoon, hâpûn, subst. harpoen; Harpoon verb. harpoeneeren; Harpoon-gun = kanon voor het afschieten van een harpoen; Harpoon-rocket = harpoen, die als een raket wordt afgeschoten; Harpooner = harpoenier.
Harpsichord, hâpsiköd, spinet.
Harpy, hâpi, harpij (ook fig.).
Harquebus(s), hâkwəbɐs, haakbus; Harquebusier (Harquebusîə) = haakbusschutter.
Harr, hâ, grommen.
Harridan, harid’n, oude feeks, oud wijf.
Harrier, hariə, brak; kuikendief; plunderaar.
Harrow, harou, subst. Harrow; egge; Harrow verb. eggen, kwellen, verontrusten.
Harry, hari, plunderen, verwoesten, kwellen, strooptochten doen.
Harry, hari, subst. andere vorm v. Henry; verpersoonl. v. den echten Londenaar uit de volksklasse = ’Arry: To box Harry = geen eten krijgen (schooljongens slang); To play Old Harry with a person = iemand leelijk te pakken nemen.
Harsh, hâš, zuur, wrang, scherp, wreed, streng, ruw; subst. Harshness.
Hart, hât, mannetjes hert (na het vijfde jaar): Hart of ten = hert met een gewei van tien takken; Hart’s-tongue = hertstong, tongvaren; Hart(e)beest, hât(ə)bîst, soort van antilope (Z.-Afrika); Hart-shorn, hâtshön, (geest van) hertshoorn.
Harum-scarum, hêr’mskêr’m, lichtzinnig, roekeloos, wild, slordig; subst. Hartness.
Harvard, hâvəd.
Harvest, hâvəst, subst. najaar, oogsttijd, oogst, opbrengst; Harvest verb. inzamelen, oogsten; Harvest-bug = soort van boktor; Harvest-feast = oogstfeest; Harvest-festival = dankdag voor het gewas; Harvest-home = oogsttijd, oogstfeest, oogstlied; Harvest-lady = de tweede maaier van eene rij; Harvest-lord = voormaaier, eerste maaier; Harvest-man = oogster, maaier; Harvest-month = September; Harvest-moon = (bijna) volle maan ten tijde der dag- en nachtevening in den herst; Harvest-mouse = dwergmuis; Harvest-queen = oogstkoningin (pop, Ceres voorstellende, rondgedragen op den laatsten oogstdag); Harvest-spider = hooiwagen (spin); Harvester = oogster.
Harvey, hâvi; Harwich, haridž.
Hash, haš, subst. gehakt vleesch met groenten; mengsel, poespas; Hash verb. hakken, fijnmaken, bederven: Trust him for making a hash of it = je kunt er op aan, dat hij de boel in de war stuurt, verknoeit; I have settled his hash = ik heb een appeltje met hem geschild, hem zijn vet gegeven, afgeranseld, geruïneerd; I have hashed my goose altogether = ik heb mijne zaak totaal bedorven.
Hashish, hašiš, Hasheesh, hašîš, gedroogde bladeren van de hennepplant, die gekauwd worden en waaruit een bedwelmende drank wordt bereid.
Haslemere, heiz’lmîə.
Haslet, hazlət, omloop (v. een varken), lever, hart, ingewanden (v. schapen of kalveren).
Hasp, hâsp, subst. grendel, beugel; Hasp verb. met een klamp of grendel vastmaken.
Hassock, hasək, pluim, een soort van rietgras; dikke mat, dik voetkussen om op te knielen.
Hastate, hastit, speervormig.
Haste, heist, haast, spoed, drift, overhaasting, ijver: Why do you not make haste = waarom maakt gij niet voort? In haste = haastig, vlug; Hasten, heis’n, haast maken, zich haasten; Hastiness = haast.
Hastings, heistiŋz.
Hasty, heisti, haastig, snel, vlug, driftig, hartstochtelijk; Hasty-pudding = pap (meel in kokende melk geroerd en gekookt).
Hat, hat, hoed, kardinaalshoed, waardigheid v. kardinaal: To do up a hat = opmaken; He has hung up his hat in my house = hij heeft zijn anker bij mij neergelegd, zijne tenten bij mij opgeslagen; To raise one’s hat to a person = afnemen; They have sent (passed) the hat round = hebben eene collecte gehouden; To take one’s hat off (to) = afnemen (voor); Hat-band = rouwband (om den hoed); Hat-maker = hoedenfabrikant; Hat-rack = hoedenrek, kleerenstander; Hat-work = werk waar niets in zit; Hat-writer, die Hat-work maakt; Hatter, hatə, hoedenkoopman of -maker: He is as mad as a hatter = hij is stapelgek; tureluursch.
Hatch, hatš, subst. halve deur, poortje, schuif, traliewerk op een luik, luik; broedsel, gebroed, samenzwering, fijne streep; Hatch verb. met bouten vastmaken, met een deksel sluiten; broeden, uitbroeden, beramen, voortbrengen, arceeren: Under hatches = onder de luiken geconsigneerd, beneden opgesloten, zeer verdrukt, er slecht aan toe; welbewaard, gestorven; Hatch-boat = soort van visscherspink met een half dek; Hatchway = luik; muil; Hatcher = uitbroeder; incubator; Hatchery = inrichting voor kunstmatige vischteelt.
Hatchel, hatš’l; Hatcheller. Zie Hackle.
Hatchet, hatšət, bijl, bijltje; fooi om de kommiezen om te koopen (Amer.): Let us bury the hatchet = laten we vrede sluiten; To sling the hatchet = er uit snijden; They took up the hatchet = zij vatten de wapens op; Do not throw the hatchet = vertel geen leugens; Hatchet-face = scherp geteekend gezicht.
Hatchment, hatšm’nt, ruitvormig rouwschild, symbool.
Hate, heit, subst. haat; Hate verb. haten, verafschuwen; Hateful = hatelijk, boosaardig; subst. Hatefulness; Hater; Hatred, heitrəd, haat, kwaadaardigheid, kwaadwilligheid.
Hathaway, hathəwei.
Hatti-sheriff, hatišerîf, door den sultan van Turkije uitgevaardigd onherroepelijk bevel.
Hauberk, hôbɐ̂k, maliënkolder.
Haugh, hô, laag gelegen, vruchtbaar oeverland.