Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 37
Drear, drîə, verlaten, woest, somber; akelig, treurig; vervelend; subst. Dreariness; Dreary = Drear.
Dredge, dredž, subst. dreg, sleepnet, baggermachine; mengsel van haver en gerst; Dredge verb. met eene dreg of een sleepnet ophalen, uitbaggeren; meel strooien op; Dredger = dregger, oestervisscher, baggermachine; strooibus; Dredging: Dredgebox = strooibus; Dredge-machine = baggermolen.
Dree, drî, dulden: To dree one’s weird = zich schikken in zijn lot.
Dregginess, dreginəs, troebelheid, droesem; Dreggish = troebel, onrein; Dregs, dregz, grondsel, droesem, uitschot, janhagel, schuim: To the dregs = ten bodem toe.
Drench, drenš, doorweeken, doornat maken, verzadigen (met drank of vocht), een drank toedienen; drenken; subst. drank (v. dieren): Christ was drenched with vinegar; Drencher = plasregen.
Dresden, drezd’n, dreizd’n: Dresden china, Dresden-ware = Meisz(e)ner porselein.
Dress, dres, subst. kleed, kleeding, kleederen, japon; Dress verb. kleeden, richten, klaar maken, bereiden, verbinden, in orde brengen, appreteeren, besnoeien, braken, garneeren, opstrijken, bekappen, roskammen, kappen, versieren (out), africhten, mores leeren, zich kleeden: Full dress = groot tenu, officieel kleed; High (Low) dress = hooge (laag uitgesneden) japon; Halt, dress! = Sectie halt! Richt u!; The ships were dressed = met vlaggen getooid; The shops were beautifully dressed = waren mooi uitgestald; Dressed to death = vreeselijk opgeschikt; To dress up = uitdossen, kostumeeren; Dress-ball = galabal; Dress-box = loge avant-scène; Dress-circle = die rangen van den schouwburg waar het publiek in rok, of gedecolleteerd is; Dress-coat = rok; Dress-improver = tournure; Dress-jacket = ‘smoking’; Dressmaker = naaister; Dress-shield = sousbras; Dress-stand = costuumpop; Dress-suit = rok, enz.; Dress-sword = galadegen; Dress-vest = ‘smoking’ (Amer.); Dresser = aanrechtbank of -tafel, dressoir, kast; aankleeder; Dressing = kleeding, verband, mest, opvulsel (van vogels, enz.), appretuur, enz.; Dressing-case = toilet- of kapdoos, verbandkistje; Dressing-gown = kamerjapon, morgenjapon (voor dames), peignoir; Dressing-room = kleedkamer; Dressing-station = plaats om gewonden te verbinden; Dressing-table = toilettafel; Dressy = pronkziek; fraai gekleed, chic.
Drew, drû, P. Imp. v. To draw.
Dribble, drib’l, druppelen, kwijlen, beuzelen, laten druppelen, bekwijlen, zachtjes vooruit schoppen: Driblet = brokje, brokstukje, kleine som, klein troepje.
Drift, drift, wat gedreven (of bijeengedreven) wordt door wind, water, ijs, enz.; hoop (sneeuw, b.v.), drijfkracht, loop, gang, doel, beteekenis, voornemen, strekking, drift (zeeterm), ruimnaald, horizontale mijngang, doorwaadbare plaats; Drift verb. drijven (uit den koers), saamgedreven of (voort)gedreven worden, zich ophoopen, een doorgang in een mijn maken: The drift of a current = richting en snelheid van een stroom; He drifted about = zwierf rond; He drifted into practice = kreeg zachtjes aan praktijk; Drift-ice = drijfijs; Drift-sand = stuifzand; Drift-wood = drijf- of wrakhout; Driftage, driftidž, afdrijving (van een schip); Driftless = doelloos.
Drill, dril, subst. (dril)boor, een soort zaaimachine, exercitie, dril (= Drillling): Drill verb. doorboren, boren, drillen, exerceeren, graan in rijen zaaien: To be at drill = aan het exerceeren: Drill-bow = drilboog; Drill-ground exercitieveld; Drill-harrow = fijne egge; Drill-master = drilmeester, gymnastiekleeraar; Drill-sergeant = sergeant-instructeur.
Drily, draili, droogjes, leuk.
Drink, driŋk, subst. teug, drank, borrel; Drink verb. drinken, zich goed laten drinken, begeerig in zich opnemen: To be in drink (= The worse for drink) = dronken; That brute of a fellow is always on the drink and gamble = aan ’t zuipen en dobbelen; To drink deep = sterk drinken; To drink like a fish = als een tempelier; He took to drink(ing) = raakte aan den drank; You cannot drink him down = onder de tafel drinken; Drink off your glass = drink eens uit; The guinea was drunk out = verdronken; I drink to the bride and bridegroom = drink op; I’ll drink (to) your health = (op) uwe gezondheid; Drink-money = drinkgeld, fooi; Drinkoffering = plengoffer; Drinkable, drinkbaar; drank; Drinker = Hard drinker = drinkebroer; Drinking-bout = slemp- of zuippartij: Drinking-fountain = drinkfontein; Drinking-house = kroeg, bierhuis; Drinking-song = drinklied.
Drip, drip, subst. neervallen in druppels, dakkant, goot; Drip verb. druppelen, laten druppelen: The dripping air of the twilight = de met waterdeelen bezwangerde avondlucht; The dripping(s) of the meat = het van aan ’t spit gebraden vleesch afdruppelend vet (dit wordt opgevangen in de dripping-pan); Dripping-caves = benedenste dakrand.
Drive, draiv, ritje, oprijlaan, rijweg, drift (vee), opdrijven (v. wild), krachtige slag: (The Drive Zie Rotten Row); Drive verb. drijven, voortdrijven, voortstormen, jagen, doelen op, slaan naar, ijverig werken, rijden, mennen, inslaan, aandrijven tot: Let drive, boys! = slaat er duchtig op, jongens! To drive a good bargain = een voordeeligen koop sluiten; You are driving a hard bargain = gij laat ook niets vallen; To drive a trade in = handeldrijven in; They drove the river = zij stuurden het vlot, etc. de rivier af; To drive away = wegrijden, verdrijven, er op los gaan; I did not know what he was driving at = waar hij heen wou (fig.); The enemies were driven in = genoodzaakt te retireeren; They were driven off = teruggedreven; The carriages drove off = reden weg; Drive-way = drijfpad voor vee, rijweg; Driver = koetsier, voerman, veedrijver, machinist, rijder, de play-club bij het golf-spel; blankofficier, uitzuiger, drijfrad; Driving: Driving-band = drijfriem; Driving-box = bok; Driving-gear = drijfwerk; Driving-glove; Driving-park = renbaan (Am.); Driving-wheel = drijfrad, voorrad van een fiets; Driving-whip = zweep.
Drivel, driv’l, subst. speeksel, kwijl, gewauwel; Drivel verb. wauwelen, suffen; kwijlen; Driveller = kwijler, suffer, dwaas, halfwijze.
Driven, driv’n, part. perf. van to drive.
Drizzle, driz’l, subst. stof- of motregen; Drizzle verb. mot- of stofregenen, in fijne deeltjes neervallen; Drizzly = stof- - -.
Drogheda, drogidə; Droitwich, drôitidž.
Droll, droul, subst. grappenmaker, snaak; adj. snaaksch, grappig; Droll verb, grappig zijn, grappen maken; Drollery = snakerij; Drolly = grappig.
Dromedary, drɐməd’ri, dromedaris.
Dromio, droumiou.
Drone, droun, subst. hommel, luiaard; gebrom, gegons, geneurie, baspijp (v. een doedelzak); Drone verb, gonzen, brommen, opdreunen, luieren: The monotonous drone of the wheel = gesnor; He droned out a little song = hij neuriede een liedje; Drone-bee = mannetjesbij; luilak; Drone-fly = bromvlieg; Drone-pipe = baspijp; Dronish = lui; subst. Dronishness.
Drool, drûl, kwijlen; druipen.
Droop, drûp, neerhangen, versmachten, kwijnen, zinken, dalen, laten hangen; Drooping-willow = treurwilg.
Drop, drop, subst. droppel, kleine hoeveelheid, oorknopje, bonbon, daling, valluik, valdeur, tooneelscherm of gordijn (ook het vallen daarvan), drupsje; Drop verb, druppelen, druipen, vallen, ophouden met, zich laten vallen, verliezen, (jongen) werpen, uitlaten, ter zijde leggen, opgeven, enz.: Kendal Black Drop = laudanum; A library drop = het stel schermen, dat een bibliotheek voorstelt; It was a great drop, a fall from the stars to the mire = een diepe val; To get the drop on = den vinger tijdig (eerder dan een tegenstander) aan den trekker hebben (Amer.); He likes a drop = houdt van een borrel; Drops = droppels, borreltje, prisma’s aan een luchter; bonbons: He is fond of his drops = houdt van een borrel; The bear fell down some ten feet of drop = viel zoowat tien voet naar beneden; To drop anchor; To drop a bill = een wetsontwerp terugnemen; Drop me a line = schrijf me een lettertje; Let us drop the official = het officieele laten varen; He dropped me a post-card = zond mij eene briefkaart; We shall drop Sicily, and return by Marseilles = niet aandoen; He dropped his voice to a whisper = liet dalen: I never dropped a word on the subject = ik heb er nooit over gesproken; The conversation halted, then dropped = stokte, en hield toen op; To drop asleep = in slaap vallen; The steamer dropped astern = zakte, bleef achter; We dropped past a steamer = dreven langzaam langs; We dropped down the river = zakten de rivier af; Where did you drop from = waar ben je zoo ineens vandaan gekomen; I will drop in one of these days = wel eens aanloopen; He dropped into his place = nam zijne plaats in; After dinner I dropped off (to sleep) = viel ik ongemerkt in slaap; To drop on = uitvaren tegen, afsnauwen; Drop-curtain (= Dropscene), Zie Act-drop; Dropletter = brief, geadresseerd aan iemand in dezelfde wijk (Amer.); Drop-shutter = schuif met veer voor phot. instant.; Dropstone = druipsteen; The Dropping of doors = zakken; A dropping fire = ongeregeld aanhoudend geweervuur; Some dropping cases of typhoid = alleenstaande en onverwachte; Dropping-bottle (-tube) = druppel-fleschje; Droppings = excrementen, mest.
Dropsical, dropsik’l, waterzuchtig, gezwollen = Dropsied; Dropsy, dropsi, waterzucht.
Dros(h)ky, droski, vierwielig rijtuig (Rusl.).
Dross, dros, droesem, slakken of schuim (van metalen), afval: Dross of iron = hamerslag; Drossiness = onreinheid, vuil; Drossy = vol droesem of slakken, waardeloos.
Drought, draut, droogte, dorheid; adj. Droughty; Drouth, drauth = Drought.
Drove, drouv, P. Imp. van to drive; subst. kudde (groot of klein vee); drom, hoop, drijfpad (voor vee, etc.), buis of nauwe greppel voor besproeiing; Drover = veedrijver, veekooper.
Drown, draun, (doen) verdrinken (= To be drowned), onder water zetten, uitdooven, onderdrukken, overschreeuwen, overstelpen, smoren: While intending to drown his dog, he himself was drowned = verdronk hij zelf; We were in danger of drowning = gevaar te verdrinken.
Drowse, drauz, subst. dutje; Drowse verb. dommelen, slaperig zijn; Drowsiness = slaperigheid; A drowsy-headed fellow = slaapkop, sufkop.
Drub, drɐb, subst. slag, stoot; Drub verb. slaan, trommelen (met de vingers op), ranselen: You have brought me many drubbings = veel ransel bezorgd.
Drudge, drɐdž, subst. werkezel, slaaf, duivelstoejager, groote hark; Drudge verb. slaven, zich afsloven, hard werken, zwoegen; Drudgery = zware arbeid, verachtelijk werk.
Drug, drɐg, subst. drogerij, kruid, narcotisch middel, onverkoopbaar artikel; Drug verb. vermengen met kruiden, bedwelmen, (te veel) medicijnen voorschrijven of gebruiken: Such things are a drug in the labour market = zijn niets waard, en brengen dus niets op; Druggist, drogist; apotheker (Amer.).
Drugget, drɐgət, droget; morskleed, stofkleed (laken), tafelkleed.
Druid, drûid, druïde; vr. Druidess; adj. Druidic(al); Druidism = dienst of leer der druïden.
Drum, drɐm, trom, trommelvlies, mat (vijgen), trommelvisch; zuilsteen, groote avondpartij; Drum verb. trommelen, hard kloppen (van het hart), bijeentrommelen, werven; Drum of the ear = trommelvlies; The soldier was drummed out = werd voor het front der troepen weggejaagd; A drum and trumpet spirit = oorlogzuchtige geest; Drum-head = trommelvel; top van een kaapstander; soort v. kool: At a drum-head = op staanden voet; Drum-major = tamboermajoor; Drum-stick = trommelstok; boutje van een kip of eend; Drummer = trommelslager, handelsreiziger.
Drumble, drɐmb’l, luilakken, luilak.
Drunk, drɐŋk, dronken: Ever drunk, ever dry = hoe meer je drinkt, hoe dorstiger je wordt; To be drunk; To get drunk = dronken worden; Drunkard = dronkaard; Drunken = dronken, drankzuchtig, dronkemans - -; subst. Drunkenness.
Drupacious, drupeišəs, adj. v. Drupe, drûp, steenvrucht.
Drury, drûri: Drury Lane.
Druse, drûs, een korst van kristallen in een grot; een grot waarin dat voorkomt.
Druses, drûziz, volk en secte in Syrië.
Dry, drai, adj. droog, dor (ook fig.), droog, niet zoet, dorstig, sarcastisch; Dry verb. drogen, (laten) verdrogen, verdorren, van dorst versmachten: A dry blow = een flinke opstopper; A dry old file = droog komiek; Dry-wine = belegen (niet zoet); Madera dry = belegen, niet zoet meer; The conversation dried up = hield op (door gebrek aan stof); He had dried up their souls by his story = opgevroolijkt (Amer.); He dried up again = verviel weer tot stilzwijgen; Dry-as-dust = droog, saai; droog kamergeleerde; Dry-beaten = flink afgeranseld; He is a dry-bob = jongen te Eton, die niet aan roeien doet maar wel aan andere sport, tegenover wet-bob; Dry-boned = knokig; Dry-dock = droogdok; Dry-eyed = met droge oogen; Dry-foot = droogvoets; het wild opsporen door de ‘lucht’ van de pooten (vergl. To draw dry-foot); hond hierbij gebruikt; Dry-goods = manufacturen; Dry-measure = maat voor droge waren; Dry-nurse = baker, min; inferieur die een superieur officier terecht helpt; Dry-nurse verb. met de flesch grootbrengen, voor dry-nurse spelen; Dry-point = punteerijzer; Dry-rot = vermolmde toestand van hout; de zwam, die dit veroorzaakt: He talks a lot of Dry-rot = hij kletst heel wat af; Dry-rub = droogschuren; Drysalt = zouten en drogen; Drysalter = koopman in drogerijen en verfwaren, soms in comestibles; Dry-shod = droogvoets; Dry-stove = broeikas (Drying-stove = droogoven); Drying-lines = drooglijnen; Dryly = droog(jes) = Drily.
Dryad, draiad, dryade.
Dual, djûəl, uit twee bestaande; dualis: The dual alliance = het tweevoudig verbond; Dualism = dualisme; Dualist = dualist; adj. Dualistic; Duality = tweevoudigheid.
Duan, djûən, zang (van een gedicht).
Dub, dɐb, subst. tik, trommelslag; Dub verb. tot ridder slaan, titel of naam geven; zachtmaken, bereiden, beknippen, besnoeien, een kort en dof geluid maken: Dub a dub = rataplan; We dubbed him Charlie = noemden; The cock was dubbed = de kam en de lellen afgesneden, d.i. voor ’t (hanen)gevecht klaar gemaakt; To dub cloth = appreteeren; Dubbing = mengsel van traan en talk om leer zacht te maken.
Dubash, dûbaš, Indische tolk.
Dubiety, djubaiiti, onzekerheid; Dubious, djûbjəs, twijfelachtig, onzeker, weifelend, dubbelzinnig; subst. Dubiousness; Dubitable = twijfelachtig, onzeker.
Dublin, dɐblin.
Ducal, djûk’l, hertogelijk, hertogs—.
Ducat, dɐkət, dukaat (gouden ± ƒ 5,70; zilveren ± ƒ 2,20); Ducatoon, dɐkətûn, dukaton (ongeveer ƒ 3,20).
Duchess, dɐtšəs, hertogin; Duchy, dɐtši, hertogdom.
Duck, dɐk, subst. eend, grof linnen, dun zeildoek, tentdoek, knik, buiging; lieveling; Duck verb. duiken, onderduiken, (zich) bukken, buigen, kruipen: A lame duck = iemand, die niet aan zijn financieele verplichtingen kan voldoen; Duck’s egg = 0 (Cricket); The boys were making (playing) ducks and drakes = keilden steentjes over het water; He makes ducks and drakes of his money = gooit zijn geld weg; Ducks = grof linnen matrozenbroek of kleeding; A duck-billed bird = vogel met eendenbek; Duck-meat (Duck’s-meat, Duck-weed) = eendenkroos; Duck-pond = eendenvijver, (schertsend) de Atlantische Oceaan (Amer.); Ducker = kruiper; zeeduiker, waterspreeuw; Ducking = onderdanig; eendenjacht, nat pak: Ducking-gun = eendenroer; Ducking-stool = stoel ter onderdompeling als strafoefening; Duckling = jonge eend; Ducky = snoes.
Duct, dɐkt, leiding, buis; Ductile, dɐkt(a)il, leidzaam, handelbaar, toegevend, rekbaar; subst. Ductility.
Dudder, dɐdə, trillen, beven, verdooven, verwarren.
Dude, d(j)ûd, fat, “gigerle” (Amer.).
Dudeen, djudîn, Iersch neuswarmertje (pijp).
Dudgeon, dɐdž’n, korte dolk, dolkgevest; verontwaardiging, toorn: She left in (high) dudgeon = ging (zéér) boos weg; She broiled my bacon into dudgeon = verknoeide.
Duds, dɐdz, oude kleeren, vodden, spulletjes.
Due, djû, subst. schuld, plicht, recht, eisch, aanspraak, rechten en leges (de laatste twee steeds Dues); adj. en adv. schuldig, verschuldigd, vervallen, behoorlijk, gepast, vlak: That is my due = dat komt mij toe; Give every man his due = geef ieder het zijne; I had been due at my office for an hour = had al een uur op het kantoor moeten zijn; The train is due at 7 = moet aankomen; The debt (becomes, falls) due on the twentieth = vervalt op; The post is due out = de post vertrekt; In due course = op zijn tijd; He came in due time = juist op tijd; Due east = vlak oost; Due-bill = promesse; Dueness = gepastheid.
Duel, djû’l, subst. duel; Duel verb. duelleeren; Duellist = duellant.
Duen(n)a, djuenə, oudere dame, die eene jonge begeleidt (Spanje); Duenaship = het ambt van D.
Duet, djuet, Duetto, djuetou, duet: To play duets = quatre-mains; Duet(t)ino, djûətînou, kort duet.
Duff, dɐf, zakkoek.
Duffadar, dɐfadâ, politieagent, onderofficier (Br. Ind.).
Duffel, dɐf’l, duffel.
Duffer, dɐfə, marskramer, bedrieger, sufkop, brekebeen, domoor; valsch geldstuk: He is but a flat duffer = een echte sufkous.
Duffle, dɐf’l = Duffel.
Dug, dɐg, P. Imp. v. To Dig: Dug-out = boomkano, uitgegraven woning (Amer.).
Dug, dɐg, tepel of uier.
Duke, djûk, hertog; Dukedom = hertogdom.
Dulcamara, dɐlkəmârə, bitterzoet.
Dulcet, dɐlsit, zoet, liefelijk; Dulcification = zoetmaking; Dulcifluous = zoetvloeiend; Dulcify, dɐlsifai, zoet maken.
Dulcimer, dɐlsimə, ouderwetsch snaarinstrument, met roedjes bespeeld.
Dulcine, dɐlsin, Dulcose, dɐlkous, gekristall. zoete zelfstand. uit de Dulcit-manna van Madagascar.
Dull, dɐl, adj. dom, suf, bot, slaperig, loom, zeurig, vervelend, stil, saai, dof, stomp, stroef, ongevoelig, bewolkt; Dull verb. dof (bot, stom, traag, donker, blind) maken, versuffen, stil worden, afstompen, mat worden, bewolken, verdooven: A dull market = slappe; Dull of hearing = hardhoorig; Dull of sale = traag (van de hand); Dull-brained = stomp, traag (van hersens); Dull-browed = somber uitziend; Dull-disposed = somber gestemd; Dull-eyed = zwak van gezicht, suf kijkend; Dull-sighted = slecht van gezicht; Dull-tempered steel = dof staal; Dull-witted = dom, sufferig; Dullard, dɐləd = domkop, botterik; Dullish = sufferig; Dul(l)ness = sufheid, enz., slapte in zaken.
Dulse, dɐls, roodwier.
Dulwich, dɐlidž.
Duly, djûli, behoorlijk, regelrecht, stipt.
Dumb, dɐm, adj. stom, sprakeloos: It has struck me dumb = het heeft mij de spraak benomen; Dumb-bells = halters (bij de gymnastiek); Dumb-cake, gebak, door meisjes zwijgend gebakken (24 April), om haar toekomstigen man te ontdekken; Dumb-show = pantomime; Dumb-waiter = dientafeltje, stommeknecht.
Dumbarton, dɐmbât’n.
Dumbledore, dɐmb’ldö, hommel, meikever.
Dumbfound, dɐmfound, den mond snoeren, verplet doen staan.
Dumfries, dɐmfrîz.
Dumdum, dɐmdɐm, stad met munitiefabriek bij Calcutta: Dumdum bullets.
Dummy, dɐmi, subst. stomme, iets nagemaakts (pop, leege kist of flesch), patroon (bij exercitie), blinde (bij het kaartspel), figurant; persijzer; adj. nagemaakt: Most of these doors are dummies = blinde deuren; He is not a man, he is a dummy = pop; Double dummy = whist met twee personen.
Dump, dɐmp, plof, smak, somberheid, slechtgeluimdheid (meest dumps: I am in the dumps = somber gestemd); Dump verb. neergooien, ledigen, hydraulisch persen, neerploffen (Amer.); Dumping-cart = stortkar; Dumping-ground = vuilnisbelt (ook fig.); Dumpish = verdrietig; subst. Dumpishness; Dump(t)y = kort en dik, verdrietig.
Dumpling, dɐmpliŋ, appelbol, knoedel.
Dun, dɐn, subst. lastige schuldeischer, dringende maanbrief, aardwerk; adj. dofbruin, somber; Dun verb. onophoudelijk manen; visch inzouten op een bijzondere manier zoodat ze een bruine kleur krijgt; Dun-fish = bruine gezouten kabeljauw; Dun-fly = kunstvlieg om mede te hengelen.
Dunbar, dɐnbâ; Duncan, dɐŋk’n.
Dunce, dɐns, ezel, domkop.
Dundalk, dɐndôk; Dundas, dɐndas; Dundee, dɐndî.
Dunderhead(ed), dɐndəhed(id), Dunderpate, dɐndəpeit, subst. domkop; adj. dom.
Dundonald, dɐndonəld; Dundreary, dɐndrîri, banjer; Dunedin, dɐned’n.
Dune, djûn, duin.
Dunfermline, dɐnf(ɐ̂m)lin.
Dung, dɐŋ, subst. mest, drek; Dung verb. bemesten; Dung-beetle = mestkever; Dunghill, subst. mesthoop, vuil hok; adj. laag, gemeen.
Dungaree, dɐngərî, grove (blauwe) katoenen stof.
Dungarvan, dɐngâv’n; Dungeness, dɐnžənes.
Dungeon, dɐnž’n, subst. kerker; Dungeon verb. inkerkeren.
Dungy, dɐŋgi, drekkig, vuil.
Dunkeld, dɐnkeld; Dunkirk, dɐnkɐ̂k, Duinkerken.
Dunlop, dɐnləp, Dunlop; Dunlop-tyre = fietsband (naar den uitvinder genoemd); vette kaas (Schotl.).
Dunmow, dɐnmou: Dunmow flitch = zijde spek vroeger te D. vereerd aan paren, die bezwoeren een jaar en een dag na het huwelijk geen ruzie te hebben gehad.
Dunnage, dɐnidž, stuwhout; bagage, kleeren; Dunnage verb. stuwen.
Dunnish, dɐniš, dof bruinachtig.
Dunnock, dɐnək, bastaard nachtegaal.
Dunsinane, dɐnsinən, dɐnsinein; Dunwich, dɐnidž.
Duodecimo, djûoudesimou, subst. een boek in duodecimo (formaat); adj. duodecimo (twaalf bladen of 24 bladzijden in een vel).
Duologue, djûəlog, tooneelstukje met zang voor eene dame en een heer.
Dupable, djûpəb’l, lichtgeloovig; Dupe, djûp, subst. bedrogene, iemand die gemakkelijk bedrogen wordt; Dupe verb. bedriegen; Dupery = bedriegerij.
Duplicate, djûplikit, subst. afschrift, duplicaat; adj. dubbel, tweevoudig; Duplicate verb. (djûplikeit) verdubbelen, een afschrift maken; subst. Duplication; Duplicature = vouw; Duplicity, djuplisiti, bedrog, huichelarij.
Durability, djurəbiliti, duurzaamheid; Durable, djûrəb’l, duurzaam.
Dura mater, dûrəmeitə, buitenste harde hersenvlies.
Duramen, djureim’n, kernhout.
Durance, djûrəns, gevangenschap, ontbering = Durance vile.
Duration, djureiš’n, duur.
Durban, dɐ̂ban, dɐ̂b’n.
Durbar, dâbâ, audientie-zaal of receptie van een Brit. Ind. vorst; gala-receptie van den Viceroy.
Duress, djures, djûrəs, subst. dwang, gevangenschap, vrijheidsbeneming: To be under duress.
Durga, dɐ̂gə, godin (der Hindoes), vrouw van Siva.
Durham, dɐr’m.
Durian, djûriən, durîən, doerian (vruchtenboom).
During, djûriŋ, gedurende.
Durst, dɐ̂st, imperf. van to dare.
Dusk, dɐsk, subst. schemering, duisterheid: At (In) the dusk of the evening; Duskiness = donkere kleur; droefheid; Duskish = ietwat donker; Dusky = somber, donker, droevig.
Dust, dɐst, subst. stof, aarde, vuilnis, verwarring, beroering, geld; Dust verb. afstoffen, bestuiven: In dust and ashes = in zak en assche; The enemies bit the dust = beten in ’t stof; To kick up (make, raise) a dust spektakel maken; The rain has laid the dust = het stof neergeslagen; To throw dust in (into) a person’s eyes = zand in de oogen strooien; It was turned to dust and ashes = werd waardeloos; I will dust your jacket = je een pak ransel geven; Dust-bin = aschvat; Dust-cloak = stofjas, stofmantel; Dust-contractor = aannemer van het straatvuilnis; Dust-hole = aschhok; Dustman = vuilnisman, aschman: The Dustman = Klaas Vaak; Dust-pan = blik; Dust-sheet = stoflaken; Dust-speck = stofje; Duster = stofdoek, borstel; Dustiness = stoffigheid; Dusty = stoffig, stormig: Well it’s not so dusty = kom, zoo erg is het niet.
Dutch, dɐtš, Hollandsch, Nederlandsch: The Dutch = de Nederlanders; Double Dutch = koeterwaalsch; That beats the Dutch = dat is ongelooflijk (Amer.); Dutch auction = verkooping bij afslag; Dutch blue = lakmoes; Dutch cheese = Edammer kaas; Dutch clinkers = gele klinkersteenen; Dutch clock = Schwarzwalder klok; Dutch concert = waarbij allen tegelijk een verschillend lied zingen; kikkergekwaak; Dutch courage = jenevermoed; Dutch disease = scheurbuik; Dutch drops = terpentijnbalsem; Dutch gold (metal) = klatergoud, bladgoud; Dutchman = Nederlander: If it is not true, I’m a Dutchman = laat ik me hangen; Dutch oven = kleine oven; Dutch stairs = huistrap; Dutch tiles = haardsteentjes; Dutch toys = Neurenberger speelgoed; Dutch treat = partijtje (uitstapje) waarbij ieder voor zich zelf betaalt; Dutch uncle: To talk like a Dutch uncle = een strafpredikatie houden.
Dutiable, djûtiəb’l, aan invoerrechten onderhevig.