Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 82

Chapter 823,228 wordsPublic domain

Mutability, mjutəbiliti, subst. v. Mutable, mjûtəb’l, veranderlijk, ongedurig, wispelturig, wankelmoedig: Mutable sands = drijfzand; Mutableness = veranderlijkheid, wankelmoedigheid; Mutate = veranderen; Mutation = verandering, mutatie, stemwisseling.

Mutchkin, mɐtškin, ¼ (Schot.) pint.

Mute, mjût, stom, sprakeloos, zwijgend; subst. stomme, stomme letter, stemlooze medeklinker, bidder, figurant, demper (muz.); meute; kooi, vogeldrek; Mute verb. ruien; subst. Muteness.

Mutilate, mjûtileit, verminken; subst. Mutilation; Mutilator.

Mutineer, mjûtinîə, muiter, oproermaker; Mutinous, mjûtinɐs, muitziek, oproerig; subst. Mutinousness; Mutiny = opstand, oproer, muiterij; Mutiny verb. aan het muiten slaan: To foment mutiny = tot muiterij aanzetten; Mutiny Act = (van 1689 tot 1879) een krijgswet, die jaarlijks verlengd werd om den koning te machtigen een staand leger te houden.

Mutter, mɐtə, mompelen, brommen, rommelen; Mutterer.

Mutton, mɐt’n, schapenvleesch, schaap, vrouwspersoon, lichtekooi: We must return to our muttons = weer op ons onderwerp terugkomen; As dead as mutton = zoo dood als een pier; Mutton-chop = schaapscotelette: Whiskers of the mutton-chop formation; Mutton-head = schaapskop.

Mutual, mjûtjuəl, onderling, wederkeerig, wederzijdsch: Our mutual friend = gemeenschappelijke; On mutual terms = op gelijke voorwaarden van weerszijden; Mutuality = wederkeerigheid.

Muzzle, mɐz’l, subst. muil, bek, snuit, muilband, prop, mond of tromp (van vuurwapenen); Muzzle verb. muilbanden, knevelen: To put the muzzle on = niet eten; Muzzle-loader = voorlaadgeweer(-kanon) = Muzzle-loading gun; Muzzle-velocity = aanvangssnelheid.

Muzzy, mɐzi, verstrooid, beneveld.

My, mai, mijn (pron. poss.): (Oh) my = goeie genade = (Oh) my eye; My word! There’s pluck in you = waarachtig, je durft!

Myelitis, maiilaitis, ruggemergsontsteking.

Mynheer, minhîə, mainhêə, Hollander (schertsend).

Myography, maiogrəfi, spierbeschrijving.

Myology, maiolədži, leer der spieren.

Myope, maioup, bijziend persoon; Myopia, maioupjə, bijziendheid = Myopy, maiəpi.

Myosotis, maiəsoutis, vergeetmenietje.

Myotomy, maiotəmi, anatomie der spieren, spierdoorsnijding.

Myriad, miriad, tienduizend(tal), zeer groot aantal; ook adj. ontelbaar: Those myriad interests.

Myriapod, miriəpod, miriapod, duizendpoot.

Myrmidon, mɐ̂midon, subst. (slaafsch) volgeling, handlanger: Myrmidon of the law = gerechtsdienaar, beulsknecht.

Myrrh, mɐ̂, mirre; Myrrhic = uit m. getrokken.

Myrrha, mɐ̂rə.

Myrtle, mɐ̂t’l, mirt; Myrtle-berry = mirtbes.

Myself, maiself, zelf, ikzelf: I am not exactly myself = niet recht lekker; I was by myself the whole evening = was alléén.

Mysore, maisö.

Mystagogue, mistəgog, verklaarder van goddelijke geheimenissen; Mystagogy, mistəgoudži, verklaring van mystieke leerstellingen; sacramenten.

Mysterious, mistîriəs, geheimzinnig, verborgen; subst. Mysteriousness; Mystery, mistəri, mysteriespel (= Mystery play), geheim, raadsel, sacrament; Mystic, subst. mysticus; adj. geheim, mystisch, raadselachtig, zinnebeeldig = Mystical; subst. Mysticalness; Mysticism = mysticisme; Mystification, mystificatie, opzettelijke misleiding; Mystify, mistifai, misleiden, bedriegen.

Myth, mith, mythe, fabel; Mythic(al) = fabelachtig, mythisch; Mythographer, mithogrəfə, schrijver van mythen, fabelen en legenden; Mythologic(al) = mythologisch; Mythology, mitholədži, mythologie, godenleer.

Mytilene, mitilînə.

N.

N, en; N(orth) A(merica); Nap(oleon); Nat(ural) Hist(ory); Nat(ural) Phil(osophy); Naut(ical); N(ota) B(ene); N(ew) E(ngland); N(orth) E(ast); Neg(ative); Nem(ine) Con(tradicente) = éénparig, éénstemmig = Nem(ine) Diss(entiente); Neth(erlands); Neut(er); N(ew) J(ersey); N(orth) N(orth) E(ast); Nom(inative); Non con(tent) = tegen (bij eene stemming in het House of Lords); Non seq(uitur) = daaruit volgt niet; Norm(an); Norw(ay); Norw(egian); Nos. = nummers = Num(bers); N(orth) W(est); N(ew) Y(ork); N(ew) Z(ealand).

Nab, nab, snappen, gappen; subst. kop, bergspits, haan, fat (Amer.).

Nabob, neibob, Nabob; vr. Nabobess.

Nacarat, nakərat, helderroode kleur; stof van die kleur.

Naches River, nâtšəs rivə.

Nacre, neikə, paarlemoer; Nacreous, neikriəs, paarlemoerachtig: Nacreous shells = schelpen met eene laag paarlemoer.

Nadir, neidə, nadir, voetpunt.

Nag, nag, subst. knol, hit; Nag verb. plagen, zeuren, kwellen, vitten, aanmerkingen maken: I can’t bear to be nagged at = ik kan dat geplaag en geneger niet velen; Nagger; Naggy = vitterig, plagerig.

Naga, nâgə, de heilige slang in Ind. Myth.; een lid van de Nagastammen, lid van een klasse Hindoebedelaars; ook adj.

Nagpur, nâgpûə.

Naiad, naiəd, neiəd, waternimf; nymphkruid.

Nail, neil, subst. nagel, klauw, spijker, maat van 0,057 M.; Nail verb. vastspijkeren: Hard as nails = gezond en sterk, geslepen, ongevoelig; Your comments are more down on the nail than his = meer raak; To bite one’s nails = bijten op; To cut (pare, trim) one’s nails = knippen; To drive (knock) in a nail = inslaan; One nail drives (out) another = het eene verdringt het andere, den een zijn dood is den ander zijn brood; Drive a nail where it will go = wees practisch; It would mean the last nail driven into the coffin of domestic life = zou de genadeslag zijn voor; You have hit the nail on the head = den spijker op den kop geslagen; I have laboured tooth and nail = met alle macht; I’ll pare your nails = ik zal je kortwieken (fig.); Goods brought to the hammer must be paid on the nail = contant betaald worden; He was never nailed at being drunk = betrapt op; To nail down = vastspijkeren; To nail up = dichtspijkeren; To nail to the counter = valsch geld tegen de toonbank spijkeren; de waarheid van een bewering aantoonen; Jesus was nailed to the cross = genageld aan; To nail one’s colours to the mast = hardnekkig weigeren zich over te geven; Nail-brush = nagelborstel; Nail-file = nagelvijltje; Nail-head = kop; Nail-headed characters = spijkerschrift; Nail-trimmer = nagelschaartje; Nailer = spijkermaker; kraan, goed renpaard.

Naïve, nâîv, nâiv, ongekunsteld, oprecht; Naïveté, Naïvety.

Naked, neikid, naakt, bloot, openlijk, ontbloot, kaal, eenvoudig, oprecht, weerloos: With the naked eye = met het bloote oog; The naked truth; Stark naked = spiernaakt; He was stripped naked = geheel uitgekleed, uitgeschud, van alles beroofd; subst. Nakedness.

Namaycush, namikɐš, soort zalm (der Amer. meren).

Namby-pamby, nambipambi, subst. sentimentaliteit, zoetelijkheid; ook adj.: There is nothing namby-pamby in him.

Name, neim, subst. naam, benaming, roem, aanzien, naamwoord; Name verb. noemen, benoemen, vaststellen, tot de orde roepen: As in name so in aim = de naam is een voorteeken; A nice name to go to bed with = ’t is me ook ’n naampje! He called me all kinds of names = schold me voor alles uit; As good be hanged as have an ill name = wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat; Give my name = dien mij aan; To go (pass) by the name of X. = doorgaan onder; They left their names = gaven hunne kaartjes af; To appear below one’s name = onder iemands naam verschijnen; To print over one’s name = drukken onder; I know him, but I cannot put a name to him = kan hem niet thuis brengen; Do not take the name of God in vain = gebruik Gods naam niet ijdellijk; Take up my name = dien mij aan; To write under a name; Christian name = doopnaam, voornaam; Family name = geslachtsnaam; Maiden name = eigen naam van getrouwde vrouwen; Proper name = eigennaam; A man, Williams by name, of the name of W. = genaamd W.; In name of = in plaats van; In the name of = namens; Name the child! = spreek op! laat hooren! To name the day = den dag van het huwelijk bepalen; He was named after me = naar mij genoemd; Name-board = naambord; Station name-boards = de borden met namen op de perrons; Name-day = naamdag; Name-part = titelrol; Name-plate = naamplaatje; Namesake = naamgenoot; Nameless = nameloos, onbekend, onnoemelijk, anoniem; Namely = namelijk.

Namur, neimə, Namen.

Nancy, nansi, Nancy: Sweet Nancy = witte narcis.

Nankeen, Nankin, nankîn, nankîn, Nanking, nanking (gele katoenen stof): Nankins = nanking broek.

Nanny, nani: Nanny goat = geit.

Nantucket, nantɐkət.

Nap, nap, subst. slaapje, dutje; nop, zijden vezel voor hoeden; soort kaartspel; Nap verb. dutten; noppen, snappen: His hat was not nap but felt; To go nap = alles wagen (er op of er onder), grof speculeeren; To take a nap = een uiltje knappen; You have been napping = je hebt gesoesd; I caught him napping = ik heb hem op heeterdaad betrapt, gesnapt; Napless = kaal, zonder haar of noppen; Nappy = met noppen, wollig, kroes; koppig (van dranken), schuimend.

Nape, neip, nek = Nape of the neck.

Naphtha, naftə, nap-thə, naphtha: Naphtha launch = petroleum-motorboot; Naphthalene of Naphthaline = naphtaline.

Napier, neipjə.

Napiform, neipiföm, knol- of raapvormig.

Napkin, napkin, servet, handdoek, vaatdoek: Don’t hide your gifts in a napkin = zet uw licht niet onder de korenmaat; Napkin-ring.

Naples, neip’lz, Napels: Naples yellow = Napelsch geel.

Napoleon, nəpoulj’n, Napoleon, gouden 20-frankstuk, soort kaartspel; The Napoleonic period; Napoleonite = soort veldspaath.

Narciss(us), nâsis(əs), narcis.

Narcosis, nâkousis, narcose; Narcotic, nâkotik, verdoovend, slaapwekkend (middel); Narcotine, nâkətin, narcotine; Narcotism, nâkətizm, narcose, slaapzucht; Narcotization, subst. v. Narcotize = narcotiseeren.

Nard, nâd, nardus (olie); Nardine = nardus...

Nardoo, nâdû, nâdû, watervaren.

Narghile, nâgilei, Nargile, nâgil, Narghileh, nâgilei, nargileh.

Narrate, nəreit, nareit, verhalen, beschrijven; subst. Narration; Narrative, narətiv, subst. verhaal, verslag; adj. verhalend; spraakzaam; Narrator, nəreitə, verhaler; adj. Narratory, narətəri = Narrative.

Narrow, narou, nauw, eng, klein, bekrompen, gierig, vrekkig, nauwkeurig, precies; subst. (meest mv.) engte, zeeëngte; Narrow verb. vernauwen, verengen, beperken, begrenzen, minderen (bij het breien), nauwer worden: Narrow circumstances = bekrompen; A narrow compass = beknopte omvang, ruimte; We made (had) a narrow escape = ontkwamen ternauwernood; A narrow majority = kleine; Narrow means = bekrompen middelen; He has a Narrow mind, is narrow-minded = bekrompen van geest; Narrow-brimmed = met smallen rand; Narrow-chested = met smalle borst; Narrow-cloth = laken minder dan 80 c.M. breed; Narrow-gauge = spoorwijdte tusschen de rails van minder dan 1,44 M. (tegenover de vroegere algemeene Broad-gauge van 2,13 M.); Narrow-minded = kleingeestig, bekrompen; Narrow-mindedness; To look Narrowly into = nauwkeurig onderzoeken; Narrowness = nauwheid, etc.

Narw(h)al, nâ(h)wəl, narwal.

Nasal, neiz’l, nasaal, neus...; subst. neusklank, neusbeen; Nasalis, nəzeilis, neusaap; Nasality, nəzaliti, neizaliti, eigenschap van door den neus te worden gesproken; Nasalization = nasaleering; Nasalize = tot een neusklank maken.

Nascency, nas’nsi, ontstaan, oorsprong; Nascent, nas’nt, ontstaande: Nascent state.

Naseby, neizbi; Nasmyth, neismith.

Nasturtium, nastɐ̂šəm, O.I. kers; waterkers.

Nastiness, nâstinəs, subst. v. Nasty, nɐ̂sti, vuil, vies, akelig, onaardig; leelijk: A nasty attack of hay-fever = een leelijke aanval van hooikoorts.

Natal, neit’l, geboorte...: Natal day (hour); Natality = geboortecijfer.

Natal, natâl, Natal.

Natant, neit’nt, drijvend, zwemmend; Natation = zwemkunst, het zwemmen; Natatores, neitətôrîs, zwemvogels = Natatorial birds; Natatory = zwem...: Natatory bladder = zwemblaas.

Natchez, natšiz; Nathan, neith’n; Nathaniel, nəthaniəl.

Natheless, neithləs, niettemin; Nathemore, neidhəmö, niet te meer.

Nation, neiš’n, subst. natie, volk, gemeenschap, hoop; adj. en adv. (verkorting v. Damnation) kolossaal, verduiveld.

National, našən’l, nationaal: National air (anthem) = volkslied; National debt = staatsschuld; National Ledger = Grootboek; National school = Church of England school, uitgaande van de National Society, opgericht in 1811 (in Ierland = volkschool); Nationalism = vaderlandsliefde; program der Iersche nationale partij; Nationalist, aanhanger van die partij; Nationality = volkskarakter, volkseenheid, vaderlandsliefde; Nationalize = nationaliseeren, naturaliseeren, onteigenen door den staat.

Native, neitiv, subst. inboorling, inlander, inheemsch(e) dier (plant); pummel; adj. geboorte - -, aangeboren, inheemsch, natuurlijk: A native of Germany, of Rotterdam = een geboren Duitscher, Rotterdammer; Eminent, Famous natives = beroemde mannen in een stad of streek geboren; He is native to the soil = daar geboren; Native is a disparaging word for rustic; Native country (land) = vaderland; Native forest = oerwoud; Native heat = natuurlijke warmte; Native language = moedertaal; Native oyster = gekweekte oester; Native wit = natuurlijke gevatheid; Nativism, neitivizm, polit. program der Nativists, die de geboren Amerikanen boven de emigranten wenschen te begunstigen; Nativity, nətiviti, nativiteit (ook in de Astrologie); (schilderij van de) geboorte van Christus: He had his nativity cast = hij liet zijn horoscoop trekken.

Natolia, nətouljə, Anatolië.

Natron, neitr’n, natr’n, natron.

Nattiness, natinəs, subst. v. Natty, nati, keurig, netjes, chique: Everything belonging to Nancy was of delicate nattiness = alles om en aan haar was even fijn en keurig.

Natural, natšər’l, natuurlijk, inheemsch, aangeboren, wildgroeiend, natuurgetrouw, onecht (v. geboorte); subst. idioot; naturel (muz.): Why was not he natural in his life-time? = waarom was hij bij zijn leven niet als andere menschen? Natural death = natuurlijke dood; Natural history; Natural philosophy, Natural science = natuurkunde, natuurwetenschappen; Natural son; Natural selection = natuurlijke teeltkeus; Naturalism = natuurstaat, naturalisme (in godsdienst en kunst); Naturalist = natuurphilosoof, naturalist; Naturalistic = naturalistisch, realistisch, natuurwetenschappelijk; Naturalization, subst. v. Naturalize = natuurlijk maken, naturaliseeren, inburgeren, acclimatiseeren, zich laten naturaliseeren, inburgeren; Naturally = natuurlijk, van nature; Naturalness = natuurlijkheid; Nature, neitšə, natuur, (natuurlijke) aard, karakter: By nature = van nature; From nature = naar de natuur; In a state of nature = in den natuurtoestand, naakt, zondig; In the nature of = krachtens; In nature’s garb = in Adamscostuum; He has gone the way of nature, paid the debt of nature = hij is den weg van alle vleesch gegaan; Good nature = goedigheid; Ill nature = boosaardigheid; Nature-worship = natuuraanbidding.

Naught, nôt, subst. niets, nul: To call to naught = geducht uitschelden; To come to naught = mislukken; To set at naught = in den wind slaan.

Naughtiness, nôtinəs, ondeugendheid; adj. Naughty, nôti.

Nausea, nôšə, walging, misselijkheid (ook fig.): To create nausea = misselijkheid teweeg brengen; Nauseate, nôšeit, misselijk zijn, worden of maken, walgen; Nauseous, nôšəs, walgelijk; subst. Nauseousness.

Nautch, nôtš, Indische dans; Nautch-girl = bajadère.

Nautic(al), nôtik(’l), zee..., scheeps...: Nautical almanac = zeemansalmanak; Nautical chart = zeekaart.

Nautilus, nôtilɐs, nautilus.

Naval, neiv’l, zee..., scheeps..., marine...: Naval affairs; Naval architect = scheepsbouwmeester; Naval architecture; Naval battle (combat) = zeeslag; Naval cadet = adelborst (voor hij na 4 jaar en 8 maanden tot Midshipman wordt bevorderd); Naval college = marine instituut; Naval officers; Naval service; Naval station = marinestation; Naval term = scheepsterm.

Nave, neiv, naaf (v. wiel); schip (v. kerk).

Navel, neiv’l, navel; Navel-string = navelstreng; Navel-wort = waternavel.

Navicular, nəvikjulə, bootvormig: Navicular bone = scheepvormig beentje uit den hand- of voetwortel.

Navigability, navigəbiliti, subst. v. Navigable, navigəb’l, bevaarbaar; subst. Navigableness; Navigate, navigeit, varen, bevaren, besturen; Navigation, navigeiš’n, het varen, scheepvaart, stuurmanskunst: Aerial navigation = luchtscheepvaart; Inland navigation = binnenvaart; Navigator, navigeitə, zeevaarder.

Navvy, navi; polderjongen, grondwerker.

Navy, neivi, scheepsmacht, marine, zeemacht: Navy League = de Eng. vereeniging “Onze Vloot”, opgericht in 1895; His son is in the navy = bij de marine; Navy-blue = marineblauw; Navy-yard = marinewerf; arsenaal (Amer.).

Nawab, nəwôb, Ind. onderkoning, nabob.

Nay, nei, subst. weigering; adv. neen, ja, jazelfs, wat meer is: Not only the navy, nay the army was discouraged = ja zelfs; To say nay = ontkennen, afslaan: If you invite me, I will not say you nay = niet bedanken; If I invite you I will have no nay = mag je niet bedanken.

Nazarenean, nazərîniən, Nazareensch; Nazarene, nazərîn, Nazarener, de Heiland; Nazareth, nazəreth; Nazarite, nazərait, Nazarener (Num. IV).

Naze, neiz, landtong, voorgebergte.

Nead-end, nîdend, toonstuk (van eene rol goed).

Neagh, nei: Loch Neagh; Neale, nîl.

Neap, nîp, laag, vallend; ook subst. = Dead neap = doodtij; Neap-tide = laag water; Neaped = bij eb aan den grond zittend (van schepen): The tides are neaped = het is doodtij.

Neapolitan, nîəpolit’n, subst. en adj. Napolitaan(sch), Napelsch.

Near, nîə, adj. en adv. nabij, nauw verwant, dierbaar, letterlijk, getrouw, kort, recht, aan de linkerhand, uiterst zuinig; nabij, dicht aan; Near verb. naderen: Near at hand = op handen; Far and near = wijd en zijd; Near is my coat, but nearer is my skin = het hemd is nader dan de rok; I had a near chance of not seeing him again = ’t was er bij af, of ik...; Near escape = hachelijke ontsnapping; The near horse = het bijdehandsche of linksche paard; You are near the mark = gij zijt er haast, hebt ’t bijna geraden; It was a near thing = het spande er om, ’t kon maar net; It will go near to ruin him = het zal bijna zijn ondergang zijn; It won’t seem near so hard = niet half zoo moeielijk; Near-sighted(ness) = bijziend(heid); Nearly = bijna, na, innig: Not nearly (so) = op verre na niet; Nearness = nabijheid, schraapzucht, etc.

Neat, nît, netjes, zuiver, rein, smakelijk, keurig, onvermengd, handig: Brandy neat = klare cognac; A little neat = een kleintje cognac pur; To put neat = opredderen; Neat-handed = handig; subst. Neatness = netheid, etc.

Neat, nît, rund: Neat’s hide; Neat’s leather.

Neb, neb, snavel, snoet, spits, tuit.

Nebula, nebjulə, nevelvlek; vlekje op het hoornvlies; Nebular = nevelvlek - -, troebel; Nebulosity, nebjulositi, nevelachtigheid (ook fig.); Nebulous = nevelachtig, schemerig: subst. Nebulousness; Nebuly = golvend; golvende lijn (Herald.).

Necessary, nesəs’ri, noodzakelijk, noodig, onvermijdelijk, gedwongen; subst. het noodzakelijke; privaat: Necessaries of life = levensbehoeften; Necessitate, nəsesiteit, noodzakelijk maken, noodzaken; Necessitous, nisesitɐs, behoeftig, nooddruftig; subst. Necessitousness; Necessity, nisesiti, noodzakelijkheid, nood, nooddruft, noodstand: From sheer necessity = enkel uit nood; Of necessity = noodwendig; There is no necessity for = het is niet noodig; Necessity is the mother of invention = de nood maakt vindingrijk; Necessity has no law = nood breekt wet; To consult with (To make a virtue of) necessity = van den nood eene deugd maken; This will put me under a necessity of doing it myself = mij noodzaken.

Neck, nek, hals, nek, halslengte, nauwste punt van pas of kanaal, landengte (= Neck of land): That has broken the neck of him = dat heeft hem vernietigd, geknakt; To break the neck of an affair = het moeilijkste van een werk afdoen; iets verijdelen; This came in the neck of your tidings = kwam onmiddellijk na; He narrowly escaped with his neck = bracht er net het leven af; I have got my neck out of it = ik ben er van af, bevrijd; He has a stiff neck = is een stijfkop; He has laid the guilt on my neck = heeft mij de schuld op den hals geschoven; One misfortune rides on the neck of another = een ongeluk komt zelden alleen; To tread on the neck of a person = iemand den voet op den nek zetten; He won by a neck = met eene halslengte; It was a neck-and-neck race = zeer harde strijd, was kamp; The horses ran neck-and-neck = bleven elkander prachtig bij; Neck-and-crop = volslagen, geheel: He chucked him, neck-and-crop, out of the room = hij gooide hem vierkant de kamer uit; He tumbled down neck-and-heels = halsoverkop; Away they went, neck or nothing (naught) = in dolle vaart; Neck-band = hemd- of halsboord; Neck-beef = halsstuk; Neck-chain = halsketting; Neckcloth = halsdoek; Neckerchief = halsdoek; Necklace = halssnoer, halsband, strop; Neck-tie = dasje, colletje; Neck-verse = aanvangswoorden van Psalm 51, door het oplezen waarvan een misdadiger het Benefit of Clergy deelachtig kon worden; Neck-wear = das, dasje, colletje; Necked = met een nek (in samenst. zooals: Stiff-necked); Necklet = halssnoer.

Necrological, nekrəlodžik’l, tot eene necrologie behoorende; Necrologist = schrijver van eene necrologie; Necrology, nekrolədži, sterftelijst; levensbeschrijving van een overledene.

Necromancer, nekrəmansə, toovenaar; Necromancy = zwarte- of tooverkunst; Necromantic of Necromantic = toover - -.

Necropolis, nikropəlis, doodenstad, begraafplaats; Necroscopic = de lijkschouwing betreffend; Necroscopy = lijkschouwing.

Necrose, nekrous, nekrous, door beeneter of koudvuur aangetast worden of zijn; Necrosis, nikrousis = beeneter, koudvuur.

Nectar, nektə, nectar; honigsap; Nectareal, Nectarean, nəktêriəl, nəktêriən, Nectareous, nəktêriəs, nectarachtig, heerlijk als nectar; Nectariferous = honigsaphoudend; Nectarine, nektərin, soort v. West-Ind. pruim; Nectarous, nektərəs = Nectareous; Nectary, nektəri, honigkelk (v. eene bloem).

Ned(dy), ned(i) = Edward.

Neddy, nedi, ezel; ploertendooder.

Need, nîd, subst. nood, behoefte, ellende, nooddruft; Need verb. behoeven, noodig hebben, noodig zijn: At the hour of need; In time of need; A friend in need is a friend in deed; He has need (stands in need) of a good scolding = moet eens hebben; There is no need for crying = ge behoeft niet; About as gay a thing as need be = als mogelijk is; If need be = zoo het noodig is; You need not do it = gij behoeft het niet te doen; He needed to go there = moest er noodzakelijk naar toe; Needful = noodig, vereischt; ook subst.; We do the needful with these bills to your credit; = wij brengen deze wissels op uw credit; Needfulness = noodzakelijkheid; Neediness = nooddruft, ellende; Needless(ness) = noodeloos(heid); It is Needless to discuss the point; Needs = noodzakelijk, noodwendig, onvermijdelijk: He must needs go whom the devil drives = wie den duivel aan boord heeft moet met hem varen; Needy = behoeftig, armoedig.

Needle, nîd’l, subst. naald, magneetnaald, wijzer, spits, obelisk; ergernis, zenuwachtigheid; Needle verb. doorboren; prikkelen, ergeren; naaldvormige kristallen schieten: As sharp as a needle = zeer slim; zoo scherp als een vlijm; Dip of the needle = helling van de magneetnaald; To get, have the needle = geprikkeld, zenuwachtig worden (zijn); Needle-book = naaldenboekje; Needle-case = naaldenkoker; Needle-furze = kattendoorn; Needle-gun = naaldgeweer; Needle-leaved trees = naaldboomen; Needle-point = punt, prik (fig.); Needle-woman = naaister; Needle-work = naaldwerk, naaiwerk, handwerken, borduurwerk (Fancy needle-work = fraaie handwerken); Needleful = een draad naaigaren.

Ne’er, nêə, verk. v. never: He is a ne’er-do-good (ne’erwell) = hij is een onverbeterlijke deugniet.

Nefarious, nifêriəs, afschuwelijk, schandelijk: Nefarious practices, means; subst. Nefariousness.

Negation, nigeiš’n, ontkenning; leegte; Negative, negətiv, ontkennend, negatief; subst. ontkenning, weigering, negatief (photogr.), negatieve pool; Negation verb. ontkennen, verwerpen, weerleggen: Negative-electricity; He answered in the negative = ontkennend; I negatived his arguments = ik bewees de onjuistheid van; To negative a motion = verwerpen; Negatory = ontkennend.