Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 52
Give, giv, verb. geven, schenken, verleenen, overhandigen, mededeelen, veroorloven, blootstellen, meegeven, zakken, wijken; subst. het meegeven: The kindly give of the trigger = het zacht meegeven van den trekker; Give and take is the only possible rule in marriage = geven en nemen; That is a give and take (exchange) = dat is een billijke ruil; A fight of a give-and-take character = waarin beide partijen veeren laten; The weather (frost) gives = verandert, het begint te dooien; I felt the bar give a little = voelde, dat de stang boog; I’ll give it you = ik zal je wel! To give battle = slag leveren; To give a call = een bezoek brengen; To give chase = nazetten; To give the cold shoulder = met den nek aanzien; To give ear to = het oor leenen aan; To give good day = goeden dag wenschen; To give ground = wijken; To give a guess at = raden naar; To give in charge = in (verzekerde) bewaring geven; I give you joy = ik feliciteer u; To give judgment = uitspraak doen; To give the lie = logenstraffen, heeten liegen; To give a lift = een handje helpen, laten meerijden; To give place to = wijken voor; To give sentence = vonnis vellen; To give the slip = laten zitten, uitknijpen; You ought to give me something = iets vóór geven (bilj.); To give a start = opschrikken; To give suck = zoogen; To give tongue = aanslaan (van honden); To give warning = den dienst opzeggen; To give way to = wijken voor; Here the crew began to give way = begonnen met alle kracht te roeien; To give a yawn = gapen, geeuwen; The bride was given away by her brother = de bruid werd door haar broeder aan den bruidegom overgegeven; His ears give him away = aan zijn ooren kun je wel zien, wat een ezel hij is; Don’t give yourself away = gooi jezelf niet weg, verklap jezelf niet; I hope you didn’t give me away = mij niet hebt verklapt; That is a dead give-away = dat is enkel geld weggooien; The enemy gave back pell-mell = week in verwarring; It was given forth by everybody = het werd door iedereen verteld; You must give in to me that you were wrong = mij toegeven; To give on = uitkomen op (tuin of straat); To give out = uitdeelen, aankondigen; uitgeput zijn of raken; To give out a text = voor- of oplezen; He gives himself out for something bigger than he is = zich voordoen als, uitgeven voor; It was given out publicly = publiek aangekondigd, bekend gemaakt; The lamp gave out a flickering light; To give out lessons = opgeven; The ammunition gave out = raakte op; I had given it over = het opgegeven; He gave himself over to drinking = hij verslaafde zich aan den drank; He was given up by the doctors = de geneesheeren hadden hem opgegeven; He gave himself up to the police = hij leverde zichzelf in handen der politie; To give up an establishment = eene zaak opheffen, likwideeren; He gave himself up to that delight = gaf zich over aan ...; Quebec gave itself up = gaf zich over; He preferred to give up work before work gave him up; He is given to study = hij wijdt zich aan, houdt veel van studie; He is not much given to talk = houdt niet van veel praten; A given-name = doopnaam (Amerika).
Gizzard, gizəd, krop: He frets his gizzard = hij ergert zich.
Glabrate, gleibrit, glad, kaal, onbehaard = Glabrous, gleibrəs.
Glacial, gleišəl, bevroren, ijs..., gletscher...; Glaciate, gleišieit, bevriezen, tot ijs worden; subst. Glaciation; Glacier, glasiə, gleišə, gletscher.
Glacis, gleisis, schuinte, glooiing.
Glad, glad, adj. blij, verheugd, vroolijk; schitterend; Glad verb. blij maken of worden: I am glad of it = ik ben er blij om; I shall be glad to do it = het zal mij aangenaam zijn; He was glad at finding us = dat hij ons vond; Gladden = verblijden; subst. Gladness adj. Glad-some.
Glade, gleid, open ruimte in een bosch; wak in ’t ijs (Amer.).
Gladiate, gladiit, zwaardvormig; Gladiator, gladieitə, zwaardvechter, strijder; adj. Gladiatorial; Gladiole, gladioul, zwaardlelie = Gladiolus, gladaiəlɐs, gladiouləs.
Gladstone, gladst’n, Gladstone; soort rijtuig; valies = Gladstone bag; Gladstonian = aanhanger van G.; ook adj.
Glair, glêə, subst. eiwit, eiwitachtige stof; Glair verb. vernissen, bestrijken met; adj. Glairy.
Glaive, gleiv, zwaard.
Glamis, glâms, glamis.
Glamour, glamə, subst. betoovering, oogenbegoocheling, tooverspreuk; Glamour verb. begoochelen, betooverend schilderen: He glamoured the mountains with a fascination that none could resist = hij schilderde de bergen onweerstaanbaar betooverend.
Glance, glâns, subst. lichtstraal, flikkering, blik, oogopslag, lichte aanraking, lonk, wenk; Glance verb. stralen schieten, schieten langs; vluchtig aanzien, kortelijk vermelden, aanblikken: To glance an eye on = een blik werpen op; To Glance off = afschampen; To Glance over = vluchtig doorzien; He hardly glanced upon it = roerde het haast niet aan; Glance-coal = glanskool, anthraciet.
Gland, gland, klier, cel; Glanders, glandəz, droes (paardenziekte); Glandered = behept met kwaden droes; Glandiferous, glandifərɐs, eikels voortbrengend; Glandiform, glandiföm, eikelvormig; Glandula, glandjul(ə), kliertje; Glandular, glandjulə, klierachtig, klier ...; Glandule = Glandula.
Glans, glanz, eikel, nootvormige vrucht.
Glare, glêə, subst. schitterende glans, valsche gloed, schittering, doordringende blik; Glare verb. met schitterend en verblindend licht schijnen, woest staren, vlammende blikken werpen (at); Glaring = fonkelend, verblindend, openbaar, onbeschaamd, schandelijk, schreeuwend; Glary = fonkelend, schitterend.
Glasgow, glasgou.
Glass, glâs, subst. glas, drinkglas, lens, spiegel, kijker, zandlooper, barometer, thermometer, (sterke) drank; adj. van glas; Glass verb. (af)spiegelen, met glas omhullen, verglazen: Glasses = bril; A pair of glasses = lorgnet; Glass-blower = glasblazer: Glass-blower’s lamp; Glasscoach = staatsiekoets, glazen koets; Glass-house = glasblazerij; Glass jar = klok, inmaakflesch; Glass-metal = gesmolten glas; Glass-painting = het schilderen of schilderwerk op glas; Glass-paper = glas-(schuur-)papier; Glass shade = stolp, glazen lampekap; Glass-staining = het kleuren van en schilderen op glas; Glass-ware, Glass-work = glaswerk; Glass-works = glasblazerij; Glassful; Glasslike; Glassy = van glas, als glas, glad, spiegelglad: Glassy eyes = doffe, glazige oogen.
Glastonbury, glâst’nbəri: Glastonbury chair = een soort leuningstoel; Glastonbury thorn = tweestijlige meidoorn.
Glaucescence, glôses’ns, zeegroene kleur; Glaucescent, glôses’nt, Glaucous, glôkəs, zeegroen.
Glaucoma, glôkoumə, grauwe staar; adj. Glaucomatous.
Glaucus, glôkəs.
Glaze, gleiz, van glazen, vensters of spiegels voorzien, met glas bedekken, in glas zetten, verglazen, satineeren, glaceeren; subst. glazuur: Glaze-kiln = verglaasoven; Glaze-board = soort van pap, waartusschen het papier glanzend gemaakt wordt; gladhout; Glazed book-cases = van glas voorziene; (Cf. Glazed windows); With glazed eyes = glazige; Glazed frost = ijzel; Glazed hat = met geolied linnen overtrokken; Glazed tiles = verglaasde pannen; Glazer = verglazer, polijster; poleerschijf; My coat is glazy at the seams = glimmend aan de naden.
Glazier, gleižə, glazenmaker; Glazier’s-diamond.
Gleam, glîm, subst. straal, schittering; Gleam verb. stralen, stralen schieten, schitteren; Gleamy = stralend, fonkelend.
Glean, glîn, subst. nasprokkeling; Glean verb. nalezen, opzamelen, verzamelen, aren lezen. gappen; Gleaner = sprokkelaar; To go a-gleaning = nalezen.
Glebe, glîb, pastorie-landen, bouwland, aarde; Glebe-house = pastorie; Glebe-land = pastorie-landen.
Glede, glîd, wouw of zwaluwstaart.
Glee, glî, vroolijkheid, muziek, zang, lied (soort v. canon): In high glee = zeer vroolijk; Glee-club = (mannen)zangvereeniging; Glee-maiden = rondreizende liedjeszangster; Gleeman = minstreel; Gleewood = een ouderwetsch muziekinstrument.
Gleet, glît, etter; Gleet verb. etteren; Gleety = dun, etterig.
Gleig, gleg.
Glen, glen, nauw dal, bergengte.
Glencoe, glenkou; Glendower, glendauə, glendûə.
Glene, glîn, oogappel, oog; ondiepe gewrichtsvlakte of pan.
Glenlevit, glenlîvit.
Glib, glib, glibberig, vloeiend (van spraak), welbespraakt: A glib tongue; subst. Glibness.
Glide, glaid, subst. het glijden, overgang (van de eene letter op de andere); Glide verb. zacht glijden of voortbewegen, zweven; Glider.
Gliff, glif, korte tijd, schrik; Gliff verb. schrikken.
Glim, glim, licht, kaars: Douse the glim = doe het licht uit; Glimmer = glimmen, schemeren, zwak, schemerachtig licht verspreiden; subst. zwak, onzeker licht; mica; Glimmering = schijnsel, zwakke glans, zwakke opflikkering (van bewustheid, kennis enz.), schijntje, flauw begrip.
Glimpse, glimps, subst. zwak licht, glimp, spoor, voorbijgaand genot, kort bestaan, tint; Glimpse verb. blikken, voor een oogenblik verschijnen, vluchtig zien of toonen: I caught a glimpse of him = ik zag hem met een glimp.
Glint, glint, subst. lichtstraal, vluchtige blik; Glint verb. schitteren, flikkeren: I knew him at the first glint = dadelijk; The train rushed on over the glinting rails = de glinsterende rails.
Glissade, gliseid, subst. glijpad voor het afdalen van gletschers, de afdaling zelve; een danspas; Glissade verb. naar beneden glijden; glissen.
Glisten, glis’n, flikkeren, schijnen, glanzen; subst. flikkering = Glister, glistə, verb. en subst. glanzen.
Glitter, glitə, flonkeren, flikkeren, schitteren, glansen, blinken; ook subst.: All is not gold that glitters = ’t is al geen goud wat er blinkt.
Gloam, gloum, schemeren; terneergeslagen of somber zijn; Gloaming, subst. avondschemering: Gloaming of life = levensavond.
Gloat, glout (on), aanstaren vol begeerte of duivelsche vreugde, met een waar tijgergenoegen neerzien op; zich verkneuteren in de pijn van.
Globate, gloubit, bolvormig.
Globe, gloub, subst. bol, bal, aarde, wereld, globe (terrestrial globe = aard ... en celestial globe = hemel ...), ballon (van de lamp); Globe verb. (zich) tot een bal vormen; Globe-daisy = kogelbloem = Globe-flower; Globe-trotter = iemand, die de geheele wereld afreist; Globe-trotting = het afreizen van de wereld; Globe-valve = balklep; Globose, gləbous, gloubous, Globular, globjulə, bolvormig: Globular sailing (Zie Circular); Globule, globjûl, bolletje, kleine homoeopatische pil; celletje.
Globulin(e), globjulin, globuline, eiwitachtige stof in de bloed bolletjes.
Glomerate, glomereit, tot een bal of kluwen vormen = Glomerous, glomərɐs.
Gloom, glûm, subst. donkerheid, zware schaduw, somberheid, dofheid, droefgeestigheid, moedeloosheid; Gloom verb. somber of donker worden of schijnen, schemeren, betrekken (met wolken), fronsen, bedroeven; Gloomy = duister, somber, zwaarmoedig, neerslachtig.
Gloria, glôriə, lof, heerlijkheid: Gloria Patri = lof zij den Vader; Gloria in excelcis Deo = lof zij den Heer in den hoogen; Gloried, glôrid, doorluchtig, roemrijk; Glorification = verheerlijking; Glorify = verheffen, verheerlijken; Gloriole, glôrioul, stralenkrans, nimbus.
Glorious, glôriəs, doorluchtig, roemrijk, heerlijk, prachtig; lachwekkend; Glory, glôri, subst. roem, lof, bewondering, heerlijkheid, (hemelsche) zaligheid, roemzucht, trots, snorkerij, nimbus; Glory verb. roem dragen op: He was the glory of his age = de roem van zijn tijd; He glories in his ignorance = draagt roem op.
Glose, glous; Zie Gloze.
Gloss, glos, subst. glans, luister; Gloss verb. glanzend en schitterend maken, verfraaien, verbloemen: To remove the gloss = ontglanzen; I will gloss over your shortcomings = vergoelijken, door de vingers zien; Glossiness = glans, glanzigheid; Glossy = glanzig.
Gloss, glos, glos, glosse, verklarende kantteekening; Gloss verb. glosseeren, glossen maken; Glossarial, glosêriəl, glossen betreffend; Glossarist = verklaarder; Glossary = glossarium.
Glossic, glosik, stelsel v. phonetische spelling (v. Ellis).
Glossitis, glosaitis, tongontsteking.
Glossography, glosogrəfi, het maken van een glossarium; verhandeling over de tong.
Glossolalia, glosəleiliə, Glossolaly, glosoləli, het spreken in vreemde talen (Bijb.).
Glossology, glosolədži, uitlegging van woorden; vergelijkende taalwetenschap.
Gloster, glostə, Gloucester (kaas).
Glottal, glot’l, stemspleet...; Glottis, glotis, stemspleet.
Glottology, glotolədži. Zie Glossology.
Gloucester, glostə, Gl. (kaas); Gloucestershire, glostəšə.
Glove, glɐv, subst. handschoen, bokshandschoen; Glove verb. (als) met een handschoen bedekken: Berlin glove = wollen handschoen; They are hand and (in) glove = koek en ei; He threw down the glove and I took it up = hij wierp mij den handschoen toe en ik nam hem op; Glove-fight = vuistgevecht, bokspartij; Glove-shop = handschoenenwinkel; Glove-stretcher = handschoenrekker; Glover = handschoenmaker: He got it with the aid of a glover = door kruiwagens (fig.).
Glow, glou, subst. gloed, gloeihitte, helderheid, vuur, hitte, roodheid; Glow verb. gloeien, fonkelen, schitteren, rood zijn, vol vuur en opgewektheid zijn: He is glowing with patriotic feeling = gloeit van; Glow-lamp = electr. gloeilamp; Glow-worm = glimworm.
Glower, glauə, nijdig en dreigend staren (at).
Gloze, glouz, vleitaal, schijn; Gloze verb. een vernisje geven, vergoelijken (over).
Glucic, glûsik: Glucic acid = glucinzuur; Glucose, glûkous, druivensuiker.
Glue, glû, subst. lijm; Glue verb. lijmen, vasthechten: To move at the rate of a fly in a Glue-pot; Gluey = kleverig.
Glum, glɐm, adj. norsch, somber: There is no Sabbath glumness at these meetings = geen uitgestreken gezichten.
Glume, glûm, dop, kaf, bolster.
Glut, glɐt, subst. overkroptheid, groote overvloed, al te groote voorraad; Glut verb. schrokken, kroppen, overladen, overvoeren, voldoen, verzadigen: He glutted his eyes = hij weidde zijne oogen; To glut one’s revenge = zijn wraak koelen; Glutman = nood- of extra hulp bij veel werk.
Gluten, glût’n, gluten.
Glutin, glûtin, eiwitachtig bestanddeel van gluten.
Glutinous, glûtinɐs, lijmachtig, kleverig; subst. Glutinousness.
Glutton, glɐt’n, subst. gulzigaard; veelvraat (dier); Gluttonous = gulzig; Gluttony = vraatzucht, gulzigheid.
Glycerin(e), glisərin, glycerine.
Glyph, glif, loodrechte holte of gleuf (in zuilen, b.v.); Glyphic, glifik. Zie Hieroglyphic.
Glyptics, gliptiks, glyptiek, graveerkunst in steen; Glyptograph, gliptəgraf, graveering op edelsteen; Glyptographer.
Gnar, nâ, knorren, brommen.
Gnarl, nâl, subst. knoest; snauw, grauw; Gnarl verb. snauwen, grauwen; Gnarled, nâld, vol knoesten; korzelig, grommig = Gnarly.
Gnash, naš, knarsen: To gnash one’s teeth.
Gnat, nat, mug: To strain at (beter: out) a gnat and swallow a camel = eene mug uitzijgen en een kameel doorzwelgen; Gnat-strainer = muggenzifter; Gnat-worm = larve van eene mug.
Gnaw, nô, wegknagen, knabbelen, knagen, voortdurende pijn lijden; Gnawer.
Gneiss, nais, gneis, zeker gesteente; Gneissic.
Gnome, noum, aardmannetje, kabouter; maxime, zinspreuk; Gnomic(al), noumik(’l), nomik(’l), leerend, vol maximen.
Gnomon, noumon, gnomon, een soort van zonnewijzer; adj. Gnomonic, nəmonik.
Gnosis, nousis, kennis, wetenschap; Gnostic, nostik, gnostisch; sluw, wereldwijs; ook subst.; Gnosticism, nostisizm, gnosticisme.
Gnu, nû, njû, kleine antilope.
Go, gou, gaan, loopen, zich begeven, trekken, reizen, varen, vloeien, in gang zijn, in omloop zijn, beschouwd worden als, leiden tot, zich uitstrekken tot, zich bevinden, gelukken, van plan zijn, op het punt zijn, zijn toevlucht nemen tot, handelen, zich schikken, verkocht worden, waard zijn, voorhanden zijn, verloopen, ten einde loopen, enz.; subst. gang, omstandigheid, zaak, mode, vuur, moed, poging, rondje, dronk, glas, enz.: Goes of whisky = rondjes; I had a second go = werd voor de tweede maal bediend; We had a go at the sherry = dronken eens; I had a go at it = probeerde het eens; He has plenty of go in him = veel energie, “fut”; Here’s a jolly go = dit is een mooie boel; That is no go = dat is mis, gaat niet, geeft niets; That is the extreme of no-goism = dat kan heelemaal niet; Such hats are all the go now = draagt nu iedereen, zijn erg algemeen; I have given him the go-by = hem gedaan gegeven, hem afgedankt; We gave the fortress the go-by = lieten liggen, trokken haar voorbij; He was our go-between = hij was onze bemiddelaar; Great go = het examen voor den B.A. graad (na 3 jar. studie); Little go (= Responsions, Smalls) = een vóórexamen (na 2 jar. studie); The book will go = zal bijval vinden, “gaan”; She went that fatal voyage = ondernam; Pay as you go = betaal wat ge noodig hebt; She let herself go after marriage = toonde haar waren aard; I made my money go as far as I could = besteedde zoo nuttig mogelijk; It is rather fair, as things go = het is naar omstandigheden nogal gunstig; She is a good child as children go = vergelijkenderwijs is ze een goed kind; I am gone = verloren, “er bij”; Far gone in liquor = erg dronken; Be gone = maak, dat je weg komt, ruk uit; He is gone = weg; Get you gone = ruk uit; go about your business = maak dat je weg komt; We have gone about a long way = een heel eind omgeloopen; Everything goes against me = alles loopt mij tegen; It goes against the stomach (grain) with me (against my st., gr.) = stuit mij tegen de borst; Go along with you = och loop; You will understand it as you go along = als gij maar volgt, voortgaat; I have gone between them = ben als bemiddelaar tusschen hen opgetreden; You have gone beyond me = mij bedrogen, mij overtroffen; You went by me = zijt mij voorbijgegaan, hebt mij genegeerd; I go by my own feelings = volg; The ship has gone down = is vergaan; The manoeuvre which in the language of the prize-ring is known as going down to avoid punishment = de manœuvre, die in sporttaal bekend staat als op de knieën vallen om de slagen te ontduiken; That won’t go down with us = dat wil er bij ons niet in, gaat bij ons niet op, dat slikken wij niet; He went down with the public = viel in den smaak bij; The bread has gone down (gone up) = het brood is afgeslagen (opgeslagen); Such things go for nothing with me = tellen bij mij niet; I’ll go for him for slander = zal hem wegens laster aanklagen; We went forth at 12 = wij vertrokken om 12 uur; To go in = binnengaan, er op los gaan, binnenkomen, aanheffen, smaak vinden in, weer aan ’t werk gaan, aanpakken, beginnen met, opgaan voor (een examen), veel werk maken van; I must go in for a new coat = ik moet aan eene nieuwe jas gelooven; I will go in for it = ik zal er aan meedoen; He went in for a quiet country-place = hij vestigde zich in (nam); This door goes into the garden = komt op den tuin uit; The merchant went into the Gazette = ging failliet; To go into particulars = in bijzonderheden afdalen; We did not go into those matters = roerden niet aan; To go off one’s head = verliezen; To go off the rails = derailleeren; He has gone off = hij is heengegaan, gestorven; Things went off at high prices = de artikelen werden voor hoogen prijs opgekocht; It has gone off very well = het is heel goed gegaan; She is going off (in her looks) = zij wordt er niet mooier op; The gun went off = geweer ging af; He succeeded at his first go-off = eerste poging, eersten slag; He went on = ging door, voort, “ging aan”, trad op (tooneel); Gone on a girl = verliefd op; Comparisons never go on all fours = vergelijkingen gaan altijd mank; She is going on for middle-age = komt al op middelb. leeftijd; Ministers have gone out of office = hebben hunne portefeuilles neergelegd; With her something seems to have gone out from my life = door haar (vertrek, etc.) schijnt er iets aan mijn leven te ontbreken; Her thoughts went out to tea (to him) = hare zinnen zetten zich op thee (op hem); To go over = gaan over, dóórloopen, bezichtigen, overgaan (kathol. worden); We have gone over this book together = dit boek doorgewerkt, nagegaan; To be gone over a thing = zich ergens heel druk over maken; We went through the accounts = rekenden af; We have gone through much suffering = veel leeds geleden; Now that you have begun you must go through with it = moet gij het ook doorzetten; Go to = och loop! begin! ga door; He went to law = ging procedeeren; Two things go to this = twee zaken zijn hiervoor noodig; He goes under that title = is bekend onder; We will not go upon such principles = niet volgens die beginselen handelen; What went with her is not known = wat met haar gebeurde; This colour does not go with her bonnet = past niet bij haar hoed; You will have to go without your dinner to-day = het zonder middageten moeten stellen; To go abroad = naar het buitenland gaan; To go ahead = vooruit gaan; To go aloft = naar boven (in het tuig) gaan; To go astray = verdwalen, zondigen, den verkeerden weg opgaan; To go bad = bederven; That does not go far enough = is niet toereikend; To go the whole figure (the whole hog) = consequent doorzetten, volhouden; To go halves = voor de helft staan; It will go hard with you = je zult het hard te verduren hebben: het zal je veel moeite kosten; Go it, old boy = raak hem, toe maar; They have been going it = zij zijn er van door geweest; I will not go that length = zoover ga ik niet; He went greater lengths than any of you = hij ging verder, durfde meer; To go mad (crazy, white) = gek; Going strong? = gaat het goed; Go-between = tusschenpersoon, bemiddelaar; Go-by: To give the go-by = uitsnijden; ignoreeren; negeeren; The child is taught to walk by means of a go-cart = loopwagentje (raamwerk zonder bodem op rolletjes); Go-down = pakhuis, stapelplaats; Goer: This watch is a good goer = loopt goed; All comers and goers = de gaande en komende man; Going = gaande, aan den gang, goed loopend, voorhanden, in de mode; gang, weggaan: All the mothers going = alle bestaande moeders; Going, going, gone! = eenmaal, andermaal, ten derden male! Going-away dress = reistoilet van de bruid; Goings = handelingen, levenswandel; Goings-on: You never saw such goings-on = zoo iets heb je nooit gezien; To be going = op ’t punt staan; I’m not going to tell him = ik zal wel oppassen; It is going on for twelve = het loopt tegen; To keep going = aan den gang houden; To set going = aan den gang brengen; Gone, gon, gôn, part, perf. van to go: It is six gone = over zes; He is a gone man, A gone beaver, coon, gander, goose, It’s a gone case (goose) with him = ’t staat er hopeloos met hem voor, hij is er bij; Goneness = gevoel van zwakheid of gedruktheid (Amer.).
Goad, goud, subst. prikkel (van ossendrijvers); Goad verb. prikkelen, aanzetten, tot prikkel dienen: He was goaded into savageness = hij werd geprikkeld tot hij een woesteling geleek; Goadsman, Goadster = ossendrijver.
Goal, goul, begin- of eindpaal, doel, einde: To get a goal = een goal maken.
Goat, gout, geit; Goat-foot = bokspoot, satyr; Goat-herd = geitenhoeder; Goat’s beard = moerasspiraea; Goat’s marjoram = marjolein; Goat-carriage = bokkewagen; Goatskin, subst. en adj. geitenvel, geitenleder; Goat-sucker = nachtzwaluw, geitenmelker; Goatee, goutî, sik; Goatish = bok- of geitachtig, vuil riekend, ontuchtig.
Gob, gob, mond(vol), beet, portie; Gobbet, gobət, subst. mondvol, brok, stuk; Gobbet verb. met groote slokken of brokken verzwelgen.
Gobbing, gobiŋ, kolen- en steengruis.
Gobble, gob’l, subst. geklok; Gobble verb. gulzig slikken, klokken, kakelen: Such excellent housekeepers are eagerly gobbled up by bachelors = worden dadelijk ingepikt door; Gobbler = gulzigaard, smulpaap, kalkoen.
Gobelin, gobəlin, gobelin; ook adj.
Goblet, goblət, drinkbeker.
Goblin, goblin, kabouter, spook, booze fee.