Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 96
Pot, pot, pot, bloempot, kan die een quart inhoudt, formaat papier (31 × 37½ cM.), groote som (inzet); Pot verb. in potten zetten of planten, inmaken of inleggen, parodieeren, (neer)schieten, zuipen: The pot calls the kettle black = de pot verwijt den ketel dat hij zwart is; The iron pot breaks all the cloam pipkins that float on the same water = met groote heeren is het slecht kersen eten; Little pots are soon hot = jongelui stuiven gauw op; To go to pot = op de flesch, te gronde gaan; To keep the pot boiling = den boel (het gesprek) aan den gang houden; To put the pot on = te veel vragen, overdrijven; To put on the pot = hoog wedden; To pot a ball = stoppen (bilj.); We were potted at till we were all hit = er werd op ons geschoten; He was potted out there = werd daar geplaatst; Pot-bellied = met uitstekenden, ronden buik; Pot-boiler = kunstwerk alléén om het geld gemaakt: Is it a novel with a purpose, or only a pot-boiler? Pot-boilery portraits; Pot-boy = helper in eene kroeg of een bierhuis; Pot-butter; Pot-companion = drinkgezel; Pot-crane, Pot-hanger, Pot-hangle = pot- of schoorsteenhaak; Pot-hat = hooge hoed; stijve vilthoed met ronden bol; Pot-herb = moesgroente; Pot-hook = S-vormige haak om een pot of ketel aan te hangen; hanepoot of “puthaak”: Pot-hooks and hangers; Pot-house = kroeg; Pot-hunter = jager, die op alles schiet; broodjager, mededinger in een wedstrijd, wien het alleen om de prijzen te doen is; Pot-hunting; Pot-ladle; Pot-lid = potdeksel; To take Potluck = eten wat de pot schaft; Pot-man = zuiplap; Pot-metal = legeering van koper en lood; soort v. beschilderd glas; Pot-pourri = allegaartje, mengelmoes (ook fig.); Pot-sherd = potscherf; Pot-shop = kroeg; Pot-shot = schot uit een hinderlaag, welgemikt schot, schot van een Pot-hunter; Pot-valiant = met jenevermoed bezield; Pot-waller (Potwolə) = Pot-walloper = iemand die (tot 1832) op grond van een eigen kookgelegenheid en een verblijf van 6 maanden in een kiesdistrict het stemrecht bezat; Potted meat = geconserveerd vleesch; Potted plays = parodieën; Potter = pottenbakker: Potter’s-clay = pottenbakkersaarde; Potter’s field = begraafplaats voor armen, onbekenden, etc. (Matth. XXVII, 7); Potter’s-ore = pottenbakkersverglaassel; Pottery = pottenbakkersgoed, pottenbakkerij.
Potable, poutəb’l, drinkbaar; subst. Potableness.
Potash, potaš, potasch = Potass(a), pətas(ə); Potassium, pətasiəm = kalium; Whisky and potass = Whisky and soda.
Potation, pəteiš’n, drank, drinkgelag, het drinken.
Potato, pəteitou, aardappel: We ate the potatoes in the skin. Zie Jacket; Baked, Boiled, Fried potatoes; Mighty small potatoes = niet veel zaaks (bijzonders); Potato-disease (Potato-rot) = aardappelziekte; Potato-trap = mond.
Pot(h)een, pot(h)în, (geheim gestookte) whisky (Ierl.).
Potence, pout’ns, krukvormig kruis (T); ook = Potency, pout’nsi, macht, invloed; Potent, pout’nt, machtig, invloedrijk, sterk; Potentate, pout’ntit, vorst, monarch; Potential, potentieel, mogelijk; subst. potentiaal; subst. Potentiality.
Pother, podhə, subst. rumoer, verwarring; Pother verb. razen, rumoer maken, plagen, hinderen.
Potion, pouš’n, drankje.
Potomac, pətoumək.
Potter, potə, zich met nietigheden ophouden of druk maken, strompelen, zeuren, Úmhangen, treuzelen: He pottered about among various sciences = liefhebberde zoo’n beetje in; They are potteringly European = bekrompen Europeesch; The old potterer = de oude zeur of zanikkous.
Pottle, pot’l, maat van ± 2,272 L.; vruchtenmandje of bakje.
Pouch, pautš, zak, tasch, krop, balg, patroontasch, buidel (van het buideldier); Pouch verb. in den zak steken (ook fig.), schenken.
Pouchong, pušoŋ, soort v. zwarte thee.
Poughkeepsie, poukîpsi; Poulett, pôlət.
Poulterer, poultərə, poelier.
Poultice, poultis, subst. pap; Poultice verb. pappen.
Poultry, poultri, pluimgedierte: Rearing of poultry = hoenderteelt; Poultry-house = hoenderhok; Poultry-yard = hoenderhof.
Pounce, pauns, een fijn poeder, vroeger gebruikt in plaats van vloeipapier; klauw (van roofvogels); Pounce verb. met radeerpoeder bestrooien; aanvallen, neerschieten op: He is on the pounce = gereed om aan te vallen; He fell pounce among them = pardoes; The policeman pounced on a little innocent = greep een kleinen jongen, die niets gedaan had; Pounce-box = strooier, reukdoosje.
Pound, paund, Engelsch pond (12 ounces Troy-weight = ± 373 gr., en 16 ounces Avoirdupois = ± 453,6 gr.); pond sterling; schuthok (voor vee); Pound verb. in het schuthok zetten, slaan, stampen, tot poeder maken, ploeteren, zwoegen, schieten (met zwaar geschut): The bankrupt paid two shillings in the pound = betaalde 10%; The pounded earthen floor = gestampte leemen; He pounded steadily at his great historical work = werkte ijverig en geregeld aan; They kept pounding away = schoten maar door; This pounding with the big guns at long range is not to my taste = dat schieten met de kanonnen op grooten afstand; Pound-cake = een soort gebak waarin de bestanddeelen pondsgewijs, of in gelijke deelen voorkomen; Pound-foolish, Zie Penny; Pound-keeper = bewaker van den schutstal; Poundage = belasting v. 1 sh. per £; schutten; staangeld; Pounder = stamper; ... ponder: Ten pounder = tienponder, banknoot van 10 £.
Pour, pö, gieten, storten, stroomen, vloeien: It never rains but it pours = een (on)geluk komt zelden alleen; He poured forth his heart to me = stortte zijn hart voor mij uit; To pour in a volley = een salvo geven; Shall I pour you out another glass? = zal ik u nog eens inschenken?
Poussette, puset, subst. figuur v. d. country-dance, waarbij de 2 paren elkaar kruiselings de hand geven en ronddraaien; Poussette verb. in paren ronddraaien.
Pout, paut, subst. hoentje; meisje, liefje; het vooruitsteken der lippen, het pruilen; Pout verb. de lippen vooruitsteken (om gemelijkheid, landerigheid of verachting uit te drukken), pruilen, uitsteken; Pouter = pruiler; kropduif.
Poverty, povəti, armoede, behoefte, gebrek, onvruchtbaarheid: To bring a person to poverty, To reduce to poverty = tot armoede brengen.
Powder, paudə, subst. poeder, buskruit; Powder verb. tot poeder maken, bestrooien of bepoederen, zouten, poeieren: To lie in powder = in duigen liggen; You waste your powder and shot = verschiet vergeefs je kruit; I am in good health and Powdering away at my novel = schrijf hard aan mijn roman; Powder-box = poederdoos; kruitkist; Powder-cart = caisson of kruitwagen; Powder-chest = kruitkist; springmijn; Powder-flask = kruithoorn = Powder-horn; Powder-magazine = kruithuis; Powder-mill = kruitfabriek; Powder-mine = kruitmijn; Powder-puff = poederkwast; Powder-room = kruitkamer (in een schip); Powder-sugar; Powdery = gelijkende op kruit of poeder (poeier), kruimelig, stoffig, gepoederd.
Powell, pauəl, pouəl.
Power, pauə, macht, kracht, vermogen, geest, bekwaamheid, invloed, gezag, mogendheid, menigte, hoop: Power of attorney = volmacht, procuratie; It does not lie in my power = ik heb het niet in mijne macht; Powers = gaven of vermogen: The powers that be = de gestelde machten, de overheid; The Powers be thanked for it = dank zij den Goden; Merciful Powers = goeie Goden! The Great European Powers = Groote Europeesche mogendheden; Power-house (Power-station) = electr. centrale; Power-loom = stoomweefgetouw; Power-press = stoomdrukpers; Powerful = machtig, krachtig, vermogend; subst. Powerfulness; Powerless(ness) = machteloos(heid).
Powwow, pauwau, subst. Indiaansche toovenaar, tooverformulier of plechtigheden voor het genezen v. zieken, krijgsdans; rumoerige politieke bijeenkomst (Amer.); Powwow verb. bezweren, beraadslagen, woelige vergaderingen houden (Amer.).
Pox, poks, pokken: Chicken-pox = waterpokken; Smallpox = kinderpokken; A pox on that fellow = de duivel hale dien vent!
Praam, prâm, praam.
Practicability, praktikəbiliti, subst. v. Practicable, praktikəb’l, uitvoerbaar, doenlijk; subst. Practicableness; Practical, praktik’l, practisch, werkdadig: A practical joke = handtastelijkheid, ruwe grap; They are, practically, on a par = feitelijk staan ze gelijk.
Practice, praktis, practijk, uitoefening, gewoonte, gebruik: A doctor in any (large) practice = met eenige (groote) praktijk; My private practice; That is in practice, out of practice = in gebruik, in onbruik; He had been out of practice for many years = hij had er jaren lang niet aan gedaan; It was put (in), reduced to practice = in practijk gebracht; Practice-butt = kogelvanger; Practice-ground = schietbaan; Practice-target = schijf.
Practise, praktis, oefenen, zich oefenen, uitoefenen, in toepassing brengen, een beroep of vak uitoefenen: If you wish to learn to play the piano, you must practise every day = moet ge u alle dagen oefenen; Young men practised at the glass to catch the curl of Byron’s lip = oefenden zich voor den spiegel; The doctor does not practise in the town = praktiseert niet in de stad; They practised on my good faith = maakten misbruik van mijn vertrouwen, goedgeloovigheid; A practised teacher = ervaren; Practising-ground = exercitieveld.
Practitioner, praktišənə, praktiseerend geneesheer, praktizijn.
Praed, preid.
Praemunire, prîmjunairî, premjunairî, overschrijding van het kerkelijk recht: Statute of Praemunire = wet omtrent schending van ’s konings prerogatief, rechtsingang daartegen, straf daarvoor; ook verb.
Praetor, prîtə, Romeinsch overheidspersoon; Praetorial, Praetorian, pritôriəl, pritôriən, praetoriaansch, rechterlijk: Praetorian bands (guards) = lijfgarde der Romeinsche keizers; Praetorium.
Pragmatic, pragmatik, pragmatisch, pragmatiek: Pragmatic sanction = onherroepelijk vorstelijk besluit (vooral dat v. Karel VI, waarbij hij de erfopvolging in zijne Staten regelde); Pragmatical = druk, ijverig, bemoeiziek, peuterig; subst. Pragmaticalness.
Prague, preig.
Prairie, prêri, prairie: Prairie-chicken (Prairie-hen) = hazelhoen; Prairie-dog = prairiehond; Prairie-oyster = gezouten en gepeperd ei met spiritualiën of azijn geklutst; Prairie value = geringe waarde van grond (als weiland alleen); Prairie-wolf.
Praise, preiz, subst. lof, lofspraak, dank; Praise verb. prijzen, toejuichen, hoog verheffen: He got more praise than pudding = werd met mooie woorden afgescheept; Be it said in his praise = het zij te zijner eer gezegd; He sounded his friend’s praises = verkondigde den lof; I praise you for it = ik prijs je er om; Don’t praise the day till it is over; Praiseworthiness, subst. v. Praiseworthy = loffelijk, lofwaardig.
Prakrit, prâkrit, volksdialect v. h. Sanskrit.
Praline, prâlîn, praline.
Pram, pram, praam; ook verk. van Perambulator.
Prance, prâns, steigeren, met veel vertoon rijden, trotsch en statig stappen.
Prandial, prandiəl, betrekking hebbend op den maaltijd.
Prank, praŋk, subst. grap of poets, scherts; Prank verb. veel vertoon maken, optooien: Don’t play your pranks upon me = bak mij je poetsen niet.
Prate, preit, wauwelen, babbelen, klappeien; ook subst.; Prater.
Pratique, pratik, handelsverkeer, verlof aan een schip om binnen te vallen na de quarantaine of na eene verklaring, dat het niet in besmette havens is geweest: The vessel was admitted to pratique = de quarantaine werd opgeheven.
Prattle, prat’l, subst. (kinder)gesnap; Prattle verb. snappen, kakelen; Prattler.
Prawn, prôn, steurgarnaal.
Praxis, praksis, uitoefening, gebruik, (verzameling van) voorbeeld(en).
Praxiteles, praksitəlîz.
Pray, prei, verb. bidden, smeeken, aanroepen; interj. eilieve!: I pray to God to bless you; Pray be quiet = wees als ’t u belieft rustig; Prayer, prêə, gebed, smeekbede; preijə, bidder: The Book of Common Prayer = de liturgie der Engelsche staatskerk; The Lord’s Prayer = het “Onze Vader”; The child said its prayers, and Heaven heard them = het kind zei zijne gebeden op, en de hemel verhoorde ze; Prayers = godsdienstoefening (b.v. bijbellezen, etc.) in huis; Prayer-book = gebedenboek; Prayer-meeting = bidstond; Prayerful = godsdienstig, vroom; Prayerless = het gebed veronachtzamend, ongodsdienstig; Praying-desk = bidstoel.
Preach, prîtš, prediken, eene leerrede houden: To Preach at = preeken tegen; She preached down her daughter’s heart with her worldly maxims = zij ontnam hare dochter alle idealen door hare wereldsche gezindheid; To preach to deaf ears; They preached up those principles = prezen luide aan; The Preacher = Prediker; Preachership = predikambt; Preachment = preek (in verachtelijken zin): A preachment in a novel is contraband in art = dat gepreek in een roman is uit den booze in de kunst; Preachy tone = preekerig.
Preacquaintance, prîəkweint’ns, vroegere kennis(making); adj. Preacquainted.
Pre-Adamic, prîadamik, vóór Adams tijd; Pre-Adamite, prîadəmait, subst. bewoner der aarde vóór Adam; adj. vóór Adam bestaande = Pre-Adamitic, prîadəmitik.
Preadmonish, prîadmoniš, vooraf vermanen; subst. Preadmonition.
Preamble, prîamb’l, voorrede, inleiding; Preamble verb. van eene inleiding voorzien; adj. Preambulary.
Preappoint, prîəpôint, vooraf bepalen of aanstellen; subst. Preappointment.
Preaudience, prîôdj’ns, rangorde (voorrang) bij de rechterlijke macht.
Prebend, preb’nd, prebende, bezoldiging v. een domheer; Prebendal, pribend’l, prebənd’l, tot eene prebende behoorende; Prebendary, preb’ndəri, dienstdoend domheer (tegenover Canon, titulair domheer); Prebendaryship.
Precarious, prikêriəs, in hooge mate onzeker, van den wil van een ander afhangend; opzegbaar; subst. Precariousness.
Precaution, prikôš’n, subst. voorzorg, voorbehoedmiddel; Precaution verb. vooraf waarschuwen: To take Precautions; Precautionary = uit voorzorg: Precautionary measures = voorzorgsmaatregelen; Precautious, prikôšəs, omzichtig, behoedzaam.
Precede, prisîd, voorgaan, voorafgaan; Precedence, prisîd’ns, voorrang, voortreffelijkheid: The French ambassador took (had) precedence of all the court = had den voorrang boven allen aan het hof; Precedent, prisîd’nt, voorafgaand; Precedent, president, antecedent: To be without a precedent.
Precentor, prisentə, koorleider, voorzanger; Precentorship.
Precept, prîsept, voorschrift, bevel, grondregel, mandaat; Preceptor, priseptə, onderwijzer, opvoeder: College of Preceptors = een onderwijzersvereeniging, waaraan door den staat het recht van opleiding en examineeren is toegekend; Preceptorship; Preceptory, priseptəri, prîseptəri, subst. godsdiensthuis der tempeliers; seminarium; adj. voorschriften bevattende.
Precession, priseš’n, precessie; adj. Precessional.
Precinct, prîsiŋkt, grens, gebied.
Precious, prešəs, kostbaar, dierbaar: A precious fellow = een mooie vent (ironisch); Your precious things = je prullengoed; Precious metals, stones = edele metalen, edelgesteenten; subst. Preciousness.
Precipice, presipis, afgrond, steilte, groot gevaar: He was rescued from the precipice = van den afgrond gered; To walk on a precipice = aan den rand des afgronds staan.
Precipitance, Precipitancy, prisipit’ns(i), overhaasting, voorbarigheid; Precipitant, adj. overhaast, voorbarig, neerstortend; subst. praecipitaat; Precipitate, prisipiteit, verb. neerstorten, bezinken, aandrijven met groote haast of met geweld, blindelings voorthollen, verhaasten (v. schreden of loop); subst. (prisipitit) bezinksel, praecipitaat; adj. overhaast, overijld, onbezonnen, nederstortend; Precipitation, presipiteiš’n, overhaasting, overijling, praecipitaat of neerslag; Precipitator = overhaaster, overijler; Precipitous, prisipitɐs, steil, overhaastig; subst. Precipitousness.
Precis, preisî, preisî, korte inhoud, excerpt: He was appointed as a precis-writer in the Foreign Office = hij werd bij Buitenlandsche Zaken als excerptenmaker aangesteld.
Precise, prisais, juist, nauwkeurig, overdreven correct, sekuur; subst. Preciseness; Precisian, prisiž’n, Jantje sekuur, zemelknooper; Precisianism = femelarij, vormelijkheid; Precision, prisiž’n, nauwkeurigheid, stiptheid.
Preclude, priklûd, uitsluiten, beletten: This precludes ambiguity = voorkomt; Space precludes us from quoting the passage = door gebrek aan ruimte kunnen wij de passage niet aanhalen; Preclusion, priklûž’n, ùitsluiting, voorkóming; Preclusive, priklûsiv, uitsluitend, voorkómend.
Precocious, prikoušəs, vroegrijp, brutaal; subst. Precociousness = Precocity, prikositi.
Precognition, prîkogniš’n, voorkennis; voor-onderzoek (Schotl.).
Preconceive, prîk’nsîv, vooraf opvatten of eene meening vormen: Preconceived opinion = vooroordeel.
Preconcert, prîk’nsɐ̂t, vooraf overleggen of beramen; subst. Preconcert.
Precondemn, prîk’ndem, reeds vooraf (zonder onderzoek) veroordeelen; subst. Precondemnation.
Preconization, prîkon(a)izeiš’n, benoeming tot een kerkelijk ambt; Preconization verb. To preconize.
Precontract, prîk’ntrakt, vooraf overeenkomen, door een vooraf gemaakte overeenkomst verbinden; subst. Precontract.
Precursor, prikɐ̂sə, voorlooper, voorteeken; Precursory = voorloopig, inleidend, voorafgaand.
Predaceous, prideišəs, roof...
Predatory, predətəri, plunderend, roovend; roof...: Predatory raids = strooptochten.
Predecease, prîdisîs, subst. vroegere dood; Predecease verb. vroeger sterven: The doctors have frequently predeceased him = hem vaak “doodgezegd”.
Predecessor, prîdisesə, predisesə, voorganger, voorouder.
Predestinarian, prîdestinêriən, subst. geloover in voorbeschikking; adj. wat tot de voorbeschikking behoort; Predestinate = voorbeschikken, vooraf bestemmen, vooraf bepalen; adj. pridestinit, voorbeschikt; Predestination = voorbeschikking.
Predeterminable, prîditɐ̂minəb’l, vooraf bepaalbaar; Predeterminate, prîditɐ̂minit, vooraf bepaald; Predetermination = vooraf gemaakte bepaling; Predetermine = vooraf bepalen.
Predial, prîdj’l, behoorende tot (voortkomende uit) grondbezit: Predial slave = lijfeigene.
Predicability, predikəbiliti, bevestigbaarheid; Predicable, predikəb’l, subst. eigenschap-aanduidend woord; adj. wat gezegd of bevestigd kan worden van iets.
Predicament, pridikəment, geval, toestand, kritiek geval, categorie, klasse: To be in a pretty predicament = er leelijk aan toe zijn; Predicamental, predikəment’l, categorisch, tot eene klasse behoorend.
Predicate, predikit, subst. gezegde, praedicaat; Predicate verb. (predikeit) bevestigen; gronden of steunen op (Amer.); Predication = bewering, bevestiging; Predicative = bevestigend = Predicatory.
Predict, pridikt, voorzeggen, voorspellen; Prediction = voorspelling, profetie; Predictive = voorspellend; Predictor = voorspeller.
Predilection, prîdilekš’n, vooringenomenheid, voorliefde.
Predispose, prîdispouz, voorbereiden, neiging of geschiktheid hebben of geven voor; Predisposition, prîdispəzišn, neiging tot, vatbaarheid voor; voorbereiding.
Predominance, Predominancy, pridomin’ns(i), overhand, gezag, heerschappij; Predominant = overheerschend; Predominate, pridomineit, de overhand hebben, heerschen; subst. Predomination.
Predoom, prîdûm, vooraf veroordeelen of bestemmen.
Pre-elect, prî-ilekt, vooraf kiezen; subst. Pre-election.
Pre-eminence, prî-emin’ns, voorrang, meerdere voortreffelijkheid; adj. Pre-eminent.
Pre-empt, prî-em(p)t, het (of door) vóórkoopsrecht verkrijgen (Amer.); Pre-emption(-right), pri-em(p)š’n, recht van vóórkoop.
Preen, prîn, subst. gevorkte naald; Preen verb. met den bek (de veeren) gladstrijken.
Pre-engage, prî-əngeidž, vooraf verbinden; subst. Pre-engagement.
Pre-establish, prî-əstabliš, vooraf vestigen of vaststellen; subst. Pre-establishment.
Pre-examination, prî-əgzamineiš’n, voorafgaand onderzoek; Pre-examination verb. Pre-examine, prî-əgzamin.
Pre-exist, prî-əgzist, vooraf bestaan; subst. Pre-existence; adj. Pre-existent.
Preface, prefis, subst. voorrede, inleidend woord; Preface verb. van eene voorrede voorzien, inleiden; Prefatory, prefətəri, inleidend, voorafgaand.
Prefect, prîfekt, gouverneur, magistraat, prefect; Prefectship; The prefectual system = het monitor-stelsel (in de school); Prefecture = prefectuur.
Prefer, prifɐ̂, voordragen, aanhangig maken, aanbieden, verkiezen: To prefer a bill = klacht indienen; To prefer a request = een verzoek doen, voordragen; To prefer to (above, before) = verkiezen boven; Preferred debts = preferente schulden; Preferred stock = pref. aandeelen; Preferable, prefərəb’l, verkieslijk (before, to); subst. Preferableness; Preference, prefərens, voorkeur: In preference to = liever dan; Preference Bonds = prioriteitsobligaties; Preference Shares = preferente aandeelen (wier houders een extra-dividend krijgen); Preferment = voorrang, bevordering, hoogere betrekking (vooral kerkelijke).
Prefix, prîfiks, voorvoegsel; Prefix, prifiks, voorplaatsen, aanhechten aan het begin (to).
Preform, prîföm, vooraf vormen; subst. Preformation; adj. Preformative.
Pregnancy, pregn’nsi, zwangerschap; vruchtbaarheid, gewichtigheid: To be far advanced in pregnancy; About the 7th month of her pregnancy; On her 9th pregnancy; Pregnant = zwanger, vruchtbaar, vol beteekenis, scherpzinnig, overtuigend, duidelijk: The times are pregnant with important events = de tijden zijn zwanger van belangrijke gebeurtenissen; It is pregnant = het is duidelijk.
Pregustation, prîgɐsteiš’n, voorproef, voorsmaak.
Prehensible, prihensib’l, grijpbaar; Prehensile, prihens(a)il, grijpend, geschikt om mede te grijpen: Some animals have Prehensile toes and tails = grijpteenen en grijpstaarten; Prehension, prihenš’n, het pakken of grijpen.
Prehistoric(al), prîhistorik(’l), vóórhistorisch: A prehistorically-minded person = zeer ouderwetsch mensch.
Prejudge, prîdžɐdž, vooraf oordeelen, zonder behoorlijk onderzoek (ver)oordeelen: It was a prejudged case = het geval was al beslist of uitgemaakt vóór onderzoek; subst. Prejudg(e)ment.
Prejudice, predžədis, subst. vooroordeel; nadeel, afbreuk, schade; Prejudice verb. vóórinnemen, afbreuk doen, schaden: Last night’s events had prejudiced me in his eyes = hadden mij bij hem kwaad gedaan; I am not in the least prejudiced by what I heard about you = ik ben in het minst niet geïnfluenceerd; Prejudicial, predžudiš’l, nadeelig, schadelijk: To be prejudicial to = afbreuk doen aan.
Preknowledge, prînolədž, voorkennis.
Prelacy, preləsi, ambt van prelaat, alle prelaten, bisschoppelijke regeering; Prelate, prelit, prelaat; Prelateship = prelaatschap; Prelatic(al) = van een prelaat of prelaten; Prelatism = bisschoppelijke kerkregeering; Prelatist = voorstander van bisschoppelijke kerkregeering.
Prelect, prilekt, openbare redevoering of voorlezing houden; Prelection = redevoering, voorlezing; Prelector = voorlezer, redenaar; lector.
Preliminary, priliminəri, inleidend, voorafgaand; Preliminary articles = preliminairen = Preliminaries.
Prelude, preljûd, prîl(j)ûd, subst. voorspel, inleiding; Prelude verb. (pril(j)ûd), inleiden, voorbereiden, een voorspel geven; Prelusive, pril(j)ûsiv, inleidend, bij wijze van voorspel = Prelusory, pril(j)ûsəri.
Premature, prîmətjuə, premətjuə, vroegrijp, ontijdig; subst. Prematureness, Prematurity, prîmətjûriti, premətjûriti, vroegrijpheid, voorbarigheid.
Premeditate, primediteit, bepeinzen, beramen, vooraf overleggen: The murder was premeditated; subst. Premeditation.
Premier, premjə, prîmjə, eerste, voornaamste; subst. premier; Premiership = waardigheid van eersten minister.
Premise, premis, premisse (ook Premiss gespeld); Premises, premisiz, gebouw met alles wat er bij hoort, huis en erf.
Premise, primaiz, vooropstellen.
Premium, prîmj’m, belooning, prijs, premie, opgeld, agio, waarde boven pari, hooge prijs: The Russian railway-shares are at a premium now = staan nu boven pari; Pews in the centre aisle are at a premium = zijn zeer gezocht.
Premonish, primoniš, vooraf waarschuwen; subst. Premonition, prîməniš’n; Premonitive = Premonitory = vooraf waarschuwend.
Premunire; Zie Praemunire.
Prenatal, prîneit’l, vóór de geboorte.
Prentice, prentis, verk. van Apprentice; Prenticeship.
Preoccupancy, prîokjupənsi, (het recht op) vroegere inbezitneming; Preoccupant; Preoccupation = vroegere inbezitneming; vooringenomenheid, vooroordeel; Preoccupied = in gedachten verzonken; Preoccupy = vooraf bezetten; geheel innemen, vóórinnemen.