Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 74
Look, luk, subst. blik, gelaat, uitdrukking; Look verb. zien, kijken, zoeken, toezien, zorgen, er uit zien, ’t uitzicht hebben, verwachten, etc.: I don’t like the look of him = ik mag zijn oogopslag niet; He does not belie his looks = hij is zooals hij er uit ziet; No one can help his looks = kan het helpen, dat hij niet mooi is; Judging from his looks = te oordeelen naar zijn uiterlijk; It looks like you = dat is net wat voor u, ’k had niet anders van u verwacht; het lijkt sprekend; Look alive! = vlug wat; Look at home = bemoei je met je eigen zaken; To look one’s best = op zijn voordeeligst; He looked black as thunder = zeer dreigend; Things looked black against her = het zag er donker voor haar uit; You look pale = ziet er bleek uit; Look sharp = maak wat voort; He looked daggers at me = doorboorde mij met zijne blikken; He looked his wish = men kon op zijn gezicht lezen wat hij wou; To look all wonder = een en al verbazing zijn; You must look about you = gij moet goed om u heen zien, uw oogen den kost geven; Will you look after the children = letten op, zorgen voor; I look at it in that light = beschouw het als zoodanig; To look back = terugzien, omzien; To look beyond = verder zien (dan), overheen zien; To look down = naar beneden kijken, de oogen neerslaan; To look down on a person = neerzien op; He looked me down = hij deed mij door zijn blik de oogen neerslaan; To look downwards = achteruitgaan in prijs; To look for = wachten op, verwachten; zoeken naar: Not looked for = onverwacht; I look forward to a pleasant evening = ik verwacht (hoop op) een prettig avondje; To look in at = even gaan kijken; To look in upon a person = even bezoeken, aanloopen bij; I looked him in the face = flink onder de oogen; To have a look-in = kans hebben; Let me look into it = eens onderzoeken; I look on him with a kind eye = zie hem met gunstig oog aan; I merely looked on = ik heb niets gedaan dan toekijken; To look out = uitkijken; To look out at (of) the window; My rooms look out upon a beautiful landscape = zien uit op; You may look out for a thorough scolding = kunt verwachten; I have looked it out = ontdekt, gevonden, uitgezocht; Is that your look-out = zoo! dat is jou plan? That’s your look-out = dat moet jij weten, is jou zaak, belang; He was on the look-out = stond op den uitkijk; On the look-out for a job = uitziende naar; He established a sharp look-out all round the bed = met scherpen blik keek hij om het geheele bed heen; Look out there = pas op! voorzichtig! I will just look over it = doorloopen, nagaan; We will look over (= overlook) your neglect = uw verzuim over het hoofd zien; My room looks over a pretty meadow = geeft uitzicht op; He looked over my book = hij keek bij mij in; To look round = To take a look-round; He seems to look through things = geheel te doorzien, grondig te kennen; I look to you for support = reken op uw steun; I look to your prudence = vertrouw op; You should look to a rich woman = uitzien naar; I have not been able to look it up = het niet kunnen vinden; The weather is looking up = knapt op; Things are looking up = beginnen er beter uit te zien; I will look you up to-morrow = ik kom morgen eens aan, ik kom eens zien waar je woont; Eggs have looked up 3 d. per dozen = zijn in prijs gerezen; I was a mere looker-on = slechts toeschouwer; Looking: Good-looking = knap; Looking-glass = spiegel; nachtspiegel.
Loom, lûm, subst. weefgetouw; gedeelte van een roeiriem binnen de dollen, handvat; roodhalzige zeeduiker, groote zeekoet; Loomery = broedplaats van looms.
Loom, lûm, schijnen, zichtbaar worden, boven den horizon of de oppervlakte verschijnen, opdoemen (als in een mist): It loomed upon my mind = doemde op voor mijn geest; Looming = zichtbaar worden, luchtspiegeling.
Loon, lûn, lummel, domkop, vent, kerel, deugniet; ijsduiker, fuut, dodaars: He is a lazy loon = luie vlegel; As crazy as a loon, As wild as a loon = zoo gek als eene windvaan, zoo wild als een springhaas; Loony = dwaas, krankzinnig.
Loop, lûp, subst. lus, lis, strop, bocht, hengsel, kijkgat; Loop verb. eene lus maken, met lussen vastmaken, opnemen, opschorten, bochten: To form an ‘h’ without a loop; The curtains were looped back = met een embrasse opgenomen; Loophole = kijkgat, sluipgat, uitvlucht; Loop-line = zij- of verbindingslijn (bij spoorwegen); Loopy = vol bochten.
Loose, lûs, los, vrij, wijd, ruim, onsamenhangend, slordig, loszinnig, dartel, loslijvig; ook subst.; Loose verb. losmaken, loslaten, ’t anker lichten, wegzeilen, losdrukken, afgaan, enz.: Loose cash (change, money) = kleingeld; Loose definition = onvolledige; Every loose farthing = losse cent; Loose fish = pierewaaier; Loose gown = peignoir; At loose ends, At a loose end = verwaarloosd, zonder regelmatige bezigheid; To be on the loose = aan den rol; To be on the loose for a job = werk zoeken; To break loose; To come loose = losgaan; To give a loose to = den teugel vieren; To let loose = loslaten; He was set loose = in vrijheid gesteld; Afternoon church was just loosing = ging juist uit; Loose-box = stalafdeeling, waarin het paard zich vrij bewegen kan; Loosen = losmaken, loslaten, loslijvig maken; losgaan, los worden; Looseness = losheid, slapheid, liederlijkheid; loslijvigheid (= Looseness of the bowels); Loosely = losjes: A loosely-hung boy of sixteen = lange slappe lijs van een jongen; A loosish mouth = slap, flabberig.
Loot, lût, subst. buit, roof; Loot verb. rooven, buitmaken, plunderen: The waggon had been looted of its provisions.
Lop, lop, subst. afgesnoeide takken of hout; Lop verb. snoeien, afsnijden, knotten; laten vallen, neerhangen, rondboemelen (about); A lop-eared dog = met hangende ooren; Lop-sided = scheef, eenzijdig; The lop-sidedness of such societies = de éénzijdigheid van zulke genootschappen; Lopping-shears = snoeischaar.
Lope, loup, subst. sukkeldraf, lange stap; Lope verb. lange stappen maken, draven.
Loquacious, ləkweišəs, babbelziek, druk; subst. Loquaciousness = Loquacity, ləkwasiti.
Lor, lö, heerejé.
Lord, löd, heer, meester, hoogste Wezen, echtgenoot, pair van het rijk, zoon van hertog of markies, oudste zoon van een earl, eeretitel (als in Lord Mayor); Lord verb. met macht bekleeden; heerschen over, bestrijken: The Lord = de Heere, Jezus Christus; The Day of the Lord = dag des oordeels; Lord’s = Lord’s Cricket Ground in Londen; The Lord’s Day = dag des Heeren; The Lord’s Prayer = het Onze Vader; The Lord’s Supper = het Avondmaal; The Lord Harry = de duivel; The House of Lords = het Hoogerhuis (der Lords) in Engeland; Lord-Advocate = Advocaat-Generaal (Schotl.); Lord-lieutenant = Commissaris der Koningin (des Konings), Onderkoning (Ierland); Lord Mayor = titel van sommige burgemeesters, bijv. v. Londen, Dublin en York (de andere heeten eenvoudig Mayor); Lord of Misrule = leider der Kerstmispret in vroegere dagen; Lords spiritual = de geestelijke leden (aartsbisschoppen en bisschoppen) van het House of Lords (tegenover de wereldlijke leden, die Lords temporal heeten); Lords of (the) creation = heeren der schepping, de mannen; First Lord of the Treasury, Lord High Treasurer = hoofd van den Board of Treasury, bestaande uit dien First Lord (doorgaans de premier), den Chancellor of the Exchequer en 3 Lords Commissioners of Junior Lords; I won’t allow him to lord it over me = om mij te commandeeren; The hill lords it over the surrounding landscape = steekt hoog uit boven; Lordlike = Lordly; Lordliness = hooge rang, trots, aanmatiging; Lordling = jonge lord, pseudo lord; Lordly = voornaam, heerschzuchtig, hoogmoedig; Lordolatry = lordvereering; Lordship = heerschappij, macht, heerschap, grondgebied van een lord, titel: His (your) Lordship.
Lore, lö, kennis, wetenschap, leer.
Lorenzo, lərentsou.
Lorgnette, lönjet, tooneelkijker, lorgnon.
Lorica, ləraikə, pantserhemd; schild.
Lorikeet, lorikît, soort papegaai.
Loriot, loriot, wielewaal (vogel).
Lorn, lön, verlaten, ongelukkig.
Lorraine, lorein: Lorrainer = bewoner van L.
Lorrie, Lorry, lori, lorrie (dienstwagentje).
Lory, lôri, soort van papegaai.
Lose, lûz, verliezen, verbeuren, verspelen, verkwisten, doen verliezen, achterloopen; verdwalen (oneself): I lose my debts = men betaalt mij niet; You have lost flesh since = zijt mager geworden; You seem to have lost your head = het hoofd verloren te hebben, schijnt de kluts kwijt te zijn; I frequently lost heart in those days = verloor dikwijls den moed; To lose one’s heart = verliefd worden; I lost my legs = raakte van de been; To lose sight of = uit het oog verliezen; They had lost their soundings = zij konden geen grond meer peilen; To lose one’s way = verdwalen; He was lost to all sense of honour = alle eergevoel was er uit; Good words are lost upon him = hebben geen vat op hem; Loser: You always were a bad loser = je hebt nooit tegen verlies gekund; He shall be no loser by it = zal er geen schade bij hebben; To come off a loser = aan ’t kortste eindje trekken; We are fighting a losing battle, playing a losing game = vergeefs, zonder hoop.
Loss, los, verlies, het verlorene, nadeel: He bears his loss well = kan goed tegen; This world with its losses and crosses = moeiten en bezwaren; I was at a loss how to do it = verlegen hoe ik het zou aanpakken; At a loss for money = in geldverlegenheid.
Lost, lost, imperf. en part. perf. van to lose.
Lot, lot, lot, aandeel, post, partij, portie, stuk lands, bouwterrein, hoop, boel; Lot verb. in porties of stukken verdeelen: He bought about a hundred lots = honderd nummers (uit den catalogus); Let us cast lots = er om opgooien of loten; I have cast (thrown) (in) my lot with yours = heb mijn lot aan het uwe verbonden; To come quite a lot = druk komen; They have drawn lots = geloot; It fell to my lot = mij ten deel; To like quite a lot = een “boel” houden van; They made a lot of him = ze haalden hem erg aan, fêteerden hem zeer; He has lots of money = een ‘schep’ geld; Let us have lots of room here = zorg, dat we hier veel ruimte krijgen; He thinks a lot of himself = hij denkt dat hij heel wat is; Can you walk a lot? = een heel eind?
Loth, louth. Zie Loath.
Lothario, ləthêriou, verleider (naar een rol in Rowe’s The Fair Penitent): A gay Lothario = een Don Juan.
Lotion, louš’n, wassching, waschmiddeltje, schoonheidswatertje; sterke drank.
Lottery, lotəri, loterij, het loten: To hold a lottery; Lottery-ticket.
Lotos, loutəs, lotus(boom), lotusvrucht, Indische waterlelie, rolklaver; Lotos-eater = lotuseter, iemand, die zich aan droomerige gemakzucht overgeeft.
Lotto, lotou, Lotto- of kienspel.
Loud, laud, luid, luidruchtig; sterk, onwelriekend; opvallend, opzichtig: Those that laugh last, laugh loudest = die het laatst lacht, lacht het best; A loud dress = opzichtige, drukke japon; She dresses loud = opzichtig; He said it out loud = luide; Loud-voiced = met luider stem; subst. Loudness.
Lough, lok, meer; Loughborough, lɐfbərou; Louis, lûis, St. Louis; Louisa, luîzə; Louisiana, lûižânɐ; Louisville, lûisvil.
Lounge, launž, subst. slentergang, soort sofa; zaal of veranda in een hotel; Lounge verb. lummelen, rondslenteren, lui liggen, lanterfanten; Lounger.
Louse, laus, luis; Lousiness, subst. v. Lousy, lauzi, vol luizen, gemeen.
Lout, laut, subst. lummel, pummel, kinkel; Lout verb. buigen, bukken, (zich) vernederen; Loutish = lummelachtig, onhandig; subst. Loutishness.
Louth, laudh, lauth; Louvain, luvein.
Louver, Louvre, lûvə, lantaren (archit.); Louvre-window = klankgat.
Lovable, beminnenswaardig; subst. Lovableness.
Love, lɐv, subst. liefde, genegenheid, vriendschap, teederheid, lieverd; Love verb. beminnen, liefhebben, aanhalen, behagen scheppen in: Love God = Amor; Love-all! = beide partijen niets; Yes, my love = ja, lieve; First love never lasts = is niet bestendig van duur; Love laughs at blacksmiths = liefde zoekt list; Love in a cottage, Love in a hut with water and a crust = in een hutje op de heide, huwelijk zonder geld; To be in love with = verliefd zijn op; To be out of love with = iets moede (zat) zijn; I did it out of love for you = uit liefde voor; To fall in love with = verliefd worden op; Give my love to your sister = groet ... hartelijk; It cannot be got for love or money = voor geen geld of goede woorden; There is no love lost between them = zij mogen elkaar niet; To make love to = het hof maken; I made love to the gardener to let me gather the flowers myself = coquetteerde met; We play for love = spelen om ’s keizers baard; To send one’s love = zijn complimenten doen; That work is a labour of love = uit liefde tot stand gekomen; A love of a book = een allerliefst boek; Loves of girls = snoezige meisjes; I love to go there = ik ga er graag heen; Love me, love my little dog = wie mij lief heeft, moet alles van mij lief hebben; Love-affair = liefdezaak; Love-apple = tomaat; Love-charm = liefdesdrank; Love-child = onecht kind; Love-crossed = ongelukkig in de liefde; Love-feast = liefdemaal; Love-in-idleness = driekleurig viooltje; Love-in-a-mist = juffertje in ’t groen; Love-knot = liefdeknoop; Love-letter = minnebrief; Love-lies-a-bleeding = kattestaart; Love-lights: The love-lights were shining in her blue eyes = hare blauwe oogen straalden van liefde; Love-lock = haarlok of krul bij het oor (oudtijds in de mode); Love-lorn = verlaten door de(n) geliefde, doodelijk verliefd; Love-making, hofmakerij, vrijerij; Love-match = huwelijk uit liefde; Love-potion = liefdesdrank; Love-shaft = minnepijl; Love-sick = sentimenteel (smachtend) verliefd; subst. Love-sickness; Love-song = minnelied; Love-token = minnepand, liefdegeschenk; Loveable = Lovable; Loveless = liefdeloos; Loveliness = lief(elijk)heid; Lovely = lief, beminnelijk, mooi, snoeperig; Lover = minnaar: A pair of lovers = een paar geliefden; Loveworthiness = beminnenswaardigheid; adj. Loveworthy; Loving: Love-cup = vriendschapsbeker (moest om zijne grootte met twee handen worden aangevat); Love-kindness = goedertierenheid (Bijb.), liefde, toewijding; Loveness = liefde, teederheid.
Low, lou, laag, klein, diep, goedkoop, karig, somber, droefgeestig, zwak, gering, nederig, ordinair, gemeen, verachtelijk, plat; Low Church = de meer Puriteinsche of Evangelische richting in de Angl. Kerk; The Low Countries = de Nederlanden; Low dress = laag uitgesneden japon; Low fever = binnenkoorts; Low German = Nederduitsch; Low Latin = Middeleeuwsch Latijn; Low life = leven der lagere standen; Low mass = stille Mis; Low Sunday = eerste Zondag na Paschen; Low tide = laag tij; To be low = laag staan (van koersen), terneergeslagen zijn, er slecht aan toe zijn; I feel very low to-day = ben niet monter; He lies low = is dood; houdt zich schuil; My story is running low = raakt op; To speak low = zacht; Low-born = van lage afkomst; Low-bred = van lage komaf; onbeschaafd; Low-caste = van een lage kaste, stand of ras; Low-class = van mindere kwaliteit; Low-crowned = met lagen bol; Low-laid = begraven; Lowland = laag gelegen (land); Lowlands = de lagere landen van Schotland; de Nederlanden; Low-minded = van verachtelijke beginselen; Low-necked = (japon) met laag uitgesneden hals; Low-pitched roof = laag dak; Low-pressure = lage drukking, laagdruk; Low-priced = goedkoop; Low-rated = geminacht; goedkoop; Low-spirited = somber, neerslachtig; subst. Low-spiritedness; An easy, low-tread staircase = met lage treden; Low-voiced = met zachte, vriendelijke stem; Lower = lager, onder - -; Lower verb. laten zakken, verlagen, lager draaien, vernederen, strijken: To lower the colours = de vlag strijken (ook fig.); To lower the gas; Prices were lowered = de prijzen werden verminderd; I will lower his pride = ik zal zijn trotsch wel breken; Lowermost = laagst; At lowest = op z’n laagst, minst; Lowliness = subst. v. Lowly = laag, nederig, bescheiden; deemoedig; Lowness = laagheid, diepte, ontoereikendheid, gemeenheid, enz.
Low, lou, subst. geloei; Low verb. loeien, bulken; Low-bell = bel aan den hals van vee; een bel gebruikt bij het bat-fowling.
Lowe, lou; Lowell, louəl; Lowestoft, loustoft.
Lower, lauə, dreigend, somber en norsch zien: Lowering thunder-clouds = dreigende onweerswolken.
Lowndes, laundz; Lowth, lauth.
Loyal, lôiəl, trouw, oprecht, eerlijk; Loyalist; Loyalty = trouw.
Lozenge, loz’nž, ruit (Herald.); ruitvormige tablet of pastille; ruitvormige vensterruit; Lozenge-moulding = versiering met ruitvormige paneelen; Lozenge-shaped = ruitvormig = Lozenged.
Lubber, lɐbə, lomperd, lummel; onbevaren matroos.
Lubricant, l(j)ûbrik’nt, glad of smeuig makend; subst. smeersel; Lubricate, l(j)ûbrikeit, smeren, olieën; subst. Lubrication; Lubricator = smeertoestel.
Lucan, l(j)ûk’n, Lucanus.
Luce, l(j)ûs, volwassen snoek.
Lucernal, lusɐ̂n’l, lamp ...: Lucernal microscope = lampmicroscoop.
Lucern(e), l(j)usɐ̂n, l(j)ûsən, honigklaver.
Lucern, l(j)usɐ̂n, l(j)ûsən, Lucia, l(j)ûšə; Lucian, l(j)ûš’n.
Lucid, l(j)ûsid, schitterend, stralend, helder, duidelijk, begrijpelijk: Lucid interval = helder oogenblik; subst. Lucidity = Lucidness.
Lucifer, l(j)ûsifə, de Satan; Venus (ster); lucifer = Lucifer match; Luciferian, l(j)ûsifîriən, satansch.
Lucilius, l(j)usiliəs; Lucina, l(j)usainə.
Luck, lɐk, toeval, geluk, fortuin: Good luck, Ill luck = geluk, ongeluk; Worse luck = jammer genoeg! He was down on his luck = er slecht aan toe, in geldverlegenheid; You are in luck = gij boft; He has a run of good luck = het loopt hem voortdurend mee; Luck for the fools, and chance for the ugly = gekken krijgen de kaart; Luck-penny = gelukspenning, kleine som, die de verkooper aan den kooper teruggeeft als gelukspenning; Luckiness = geluk; Lucky = gelukkig: He is a lucky dog; Unlucky in love, Lucky at play = gelukkig in het spel, ongelukkig in de liefde; A lucky hit = treffer, gelukje; Luckless = ongelukkig, zonder resultaat, ongunstig: It was a luckless boast = onzalige blufferij.
Lucknow, lɐknau.
Lucrative, l(j)ûkrətiv, winstgevend, voordeelig; Lucre, l(j)ûkə, winst, voordeel, hebzucht.
Lucrece, l(j)ûkrîs = Lucretia.
Lucubrate, l(j)ûkjubreit, bij nacht werken, ernstig bepeinzen, in nachtelijke studie bewerken; subst. Lucubration; Lucubrator.
Lucy, l(j)ûsi.
Ludicrous, l(j)ûdikrəs, grappig, koddig, lachwekkend, belachelijk; subst. Ludicrousness.
Lues, l(j)ûîz, pest: Lues venerea = syphilis.
Luff, lɐf, subst. loefzijde; Luff verb. loeven: Keep and luff! = loeven! The ship was luffing up to the wind = was aan het oploeven.
Lug, lɐg, subst. oor; breefok; Lug verb. trekken, sleepen; betalen (out): In two shakes of a cat’s lug = in een ommezientje; He lugged off his hat with a bend = rukte af; Lug-mark = merk in het oor v. varken of schaap, enz.; Lug-sail = breefok; Lug-worm = soort van regenworm (als aas gebruikt).
Luggage, lɐgidž, bagage, passagiersgoed, pakkage; Luggage-office = bagagebureau; Luggage-porter = witkiel; Luggage-ticket = bagagereçu; Luggage-train = goederentrein; Luggage-van, Luggage-waggon = goederenwagen.
Lugger, lɐgə, logger.
Lugubrious, l(j)ugjûbriəs, treurig, somber; subst. Lugubriousness.
Luke, l(j)ûk, Lucas.
Lukewarm, l(j)ûkwöm, lauw, onverschillig, koel; subst. Lukewarmness.
Lull, lɐl, subst. tijdelijke stilte of kalmte; Lull verb. in slaap maken, kalmeeren, gaan liggen: A sudden lull in the conversation = plotselinge stilstand; The lull before the storm; The lull of August = de Augustusstilte (wanneer de vogels gedurende een tijd zich niet laten hooren).
Lullaby, lɐləbi, wiegeliedje; Lullaby verb. in slaap zingen.
Lumbaginous, lɐmbadžinɐs, spit - -; Lumbago, lɐmbeigou, lendepijn, spit in den rug.
Lumbar, lɐmbə, lende - -: Lumbar region = lendestreek.
Lumber, lɐmbə, subst. rommel, prullen, afval, ruw bekapt timmerhout (Amer.); Lumber verb. verward opstapelen, met rommel vullen; boomen vellen en ruw bekappen (Am.), zich lomp (zwaar) bewegen, rammelen: A lumbering carriage; The deck was lumbered up = het dek stond vol rommel; Lumberman = houthakker, houthandelaar (Amer.); Lumber-room = rommelkamer, pakkamer; Lumberer = Lumberman.
Lumbrical, lɐmbrik’l, wormachtig, wormvormig.
Luminary, l(j)ûminəri, lichtgevend (hemel)lichaam; lichtende ster op eenig gebied (fig.): Luminary of the criminal law; Luminiferous = lichtgevend; Luminosity = glans, helderheid; Luminous = stralend, schitterend, licht - -, helder; subst. Luminousness.
Lummy, lɐmi, uitstekend; sluw.
Lump, lɐmp, subst. klomp, (vormelooze) massa, hoop, buil; plomp persoon; Lump verb. in één massa vereenigen, bij elkaar gooien: I knocked my head against the wall, and had a lump above my eye = buil; I felt a lump in my throat = een prop; I bought them in the lump = zooals ze daar waren, den geheelen hoop; I sold them by the lump = in massa, bij den roes; His lump of benevolence = welwillendheidsknobbel; A lump of fuel = brok; A lump of sugar = klontje; Whether you like or lump him, he is your master = of ge hem moogt of niet; Lump-sugar = suiker in blokjes of klontjes; A lump sum = ronde; Lumper = dokwerker; Lumpiness = bulterigheid; A lumping lot = kolossaal stuk; Lumpish = lomp, dom; subst. Lumpishness; Lumpy = vol dikten of knobbels, onstuimig, dronken: Who has made my bed? It is awfully lumpy.
Lunacy, l(j)ûnəsi, krankzinnigheid.
Lunar, l(j)ûnə, van de maan, maans...: Lunar cycle = maancirkel; Lunar eclipse = maansverduistering; Lunar month = 29½ dag; Lunar year = maanjaar; Lunate(d) = sikkelvormig.
Lunatic, l(j)ûnətik, krankzinnig; subst. krankzinnige: Lunatic asylum (əsail’m) = krankzinnigengesticht.
Lunch, lɐnš, subst. tweede ontbijt, noenmaal; Lunch verb. het tweede ontbijt gebruiken; Lunch-bar = lunch-room; ook: Luncheon.
Lunette, l(j)unet, lunette; concaaf-convex glas, patentglas, oogklep.
Lung, lɐŋ, long: Those of feeble lungs; There was no disease of the lungs; Lung-chill = bekleuming; Lung-sick = longziek; subst. Lung-sickness.
Lunge, lɐnž, subst. stoot, uitval bij ’t schermen, ruk, plotselinge beweging; Lunge verb. een uitval doen, zich met een ruk bewegen: He made a lunge at my uncle, on his heart.
Lunt, lɐnt, subst. lont; rook en vlam (Schotl.); Lunt verb. vlammen, rook uitwerpen.
Lunular, l(j)ûnulə, sikkelvormig; Lunulate(d) = met sikkelvormige vlekken.
Lupercal, l(j)ûpək’l, l(j)ûpɐ̂k’l (Mv. Lupercalia, l(j)ûpəkeiljə), het feest van Lupercus; Lupercalian = daartoe behoorende.
Lupine, l(j)ûp(a)in, lupine, wolfsboon.
Lupulin, l(j)ûpjulin, lupuline, hopbitter.
Lupus, l(j)ûpəs, lupus.
Lurch, lɐ̂tš, subst. een plotselinge zijwaartsche beweging, overhalen (scheepst.); Lurch verb. gieren, overhalen, slingeren; op de loer liggen; ontfutselen: The coach gave a sudden lurch to = helde plotseling over naar; He left me in the lurch = in den steek; We lay on the lurch = lagen op de loer; Lurcher = strooper; soort van jachthond (uit wolfshond en hazewind).
Lure, l(j)ûə, subst. lokaas; Lure verb. lokken, verlokken, roepen.
Lurid, l(j)ûrid, vuilbruin, duister; spookachtig, doodsbleek, somber; schril.
Lurk, lɐ̂k, op de loer liggen, loeren, schuilen, zich schuil houden, verscholen zijn; Lurker; Lurking-hole, Lurking-place = schuilplaats; Lurking rocks = blinde klippen.
Lurry, lɐri, Zie Lorry.
Luscious, lɐšəs, zeer zoet, heerlijk, lekker; overdreven; subst. Lusciousness.
Lush, lɐš, weelderig, sappig.
Lush, lɐš, drank, bier; Lush verb. drinken, zuipen: To lush and feed = volop (laten) eten en drinken; Lushy = aangeschoten, dronken.
Lusiad, l(j)ûsiad, Lusiade.
Lusitania, l(j)ûsiteinjə.
Luskish, lɐskiš, vadsig; subst. Luskishness.
Lust, lɐst, subst. zucht, begeerte, zinnelijke lust, wellust; Lust verb. begeerte voeden, haken (met after): The lust of the chase = begeerte naar jagen; The lust of conquest; Lustful = onkuisch, zinnelijk; krachtig; subst. Lustfulness; Lustihood = Lustiness, subst. v. Lusty = krachtig, flink, kloek.
Lustral, lɐstr’l, reinigings - -, wij - -; Lustrate, door offers reinigen; Lustration = reiniging, wijoffer.
Lustre, lɐstə, glans, luister, schittering, lichtkroon met hangers van geslepen glas; lustre (stof); lustrum; Lustreless = glansloos, mat; Lustrous = vol glans, schitterend.
Lustring, lɐstriŋ. Zie Lute-string.