Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 104

Chapter 1042,890 wordsPublic domain

Recrudesce, rîkrudes, weer zeer worden, verergeren, weer uitbreken, weer opleven; subst. Recrudescence; adj. Recrudescent.

Recruit, rikrût, subst. rekruut, nieuweling; aanvulling; Recruit verb. recruteeren, versterken, herstellen, met nieuwe kracht bezielen, weer op krachten komen: Will you recruit the fire? = wat bij het vuur doen; To recruit the inner man = den inwendigen mensch versterken; He recruited his strength (flesh) on the Riviera = herwon zijne krachten; We must recruit him and set him on his legs again = hem versterken; A recruiting officer (sergeant) = werfofficier; Recruiting-money = handgeld; Recruiting-office = werfbureau; Recruiting-sergeant; Recruitment = recruteering, herstel, versterking.

Rectal, rektəl: Rectal douche = lavement.

Rectangle, rektaŋg’l, rechthoek; Rectangled, Rectangular, rektaŋgjulə, rechthoekig; Rectangularity = rechthoekigheid.

Rectifiable, rektifaiəb’l, wat verbeterd kan worden; Rectification = verbetering, rectificatie; Rectifier; Rectify, rektifai, herstellen, verbeteren; overhalen (door distillatie).

Rectilineal, rektilinj’l, rechtlijnig = Rectilinear.

Rectitude, rektitjûd, oprechtheid, eerlijkheid, juistheid: Unctious rectitude = huichelachtigheid.

Rector, rektə, bestuurder, rector, Anglikaansch geestelijke, die al de tithes (vroeger de great tithes, those in corn) van de Living ontvangt, doch geen dienst behoeft te doen; Rectorate, rektərit, rectoraat; rektəial, rəktôriəl, rectoraal, rector - -; Rectorship = betrekking of ambt van een rector; Rectory = pastorie, ambt van een rector.

Rectrix, rektriks, staartveer; mv. Rectrices, rektraisîz.

Rectum, rekt’m, endeldarm.

Recumb, rikɐmb, leunen, rusten; Recumbence, Recumbency = rust, leunende of liggende houding; Recumbent = leunend, rustend, lui.

Recuperate, rikjûpəreit, herstellen: She recuperated her health = herkreeg; Recuperation = herstel, herkrijging; Recuperative = herstellings - -: Recuperative power.

Recur, rikɐ̂, terugkeeren tot, terugkomen op, invallen, zijn toevlucht nemen tot: He recurred to it again and again = kwam er telkens op terug; It does not recur to me = valt me niet in; It recurred to my (mind) memory = schoot mij weer te binnen; Recurrence, Recurrency, rikɐr’ns(i), terugkeer, toevlucht: The word is of frequent recurrence in this book = komt herhaaldelijk voor; Recurrent, rikɐr’nt, telkens voorkomend; Recurring (rikɐ̂riŋ) decimal = repeteerende breuk.

Recurvation, rîkɐ̂veiš’n, subst. v. Recurve, rikɐ̂v, achterwaarts buigen of gebogen.

Recusance, Recusancy, rekjuz’ns(i), rikjûz’ns(i), hardnekkige weigering (van den godsdiensteed, van de geestelijke suprematie des konings); Recusant, rekjuz’nt, rikjûz’nt, weigerend; subst. weigeraar.

Recusation, rekjuzeiš’n, weigering, verwerping of wraking (van een rechter).

Red, red, rood; subst. rood, roode, roode wijn; (Reds = roodhuiden); Bright red = helder-rood; Deep red = donkerrood; He is red on it = hij is er op verzot; To go red in the face = blozen; Red-backed shrike = grauwe klauwier; Red-book = staatsalmanak, adelsboek; Redbreast = roodborstje; Red cabbage; Redcap = goudvink; Red-chalk = rood krijt; Red-coat = soldaat; Redcock crowing = brandstichting, den rooden haan laten kraaien (Schotl.); Red-cross banner = banier met het roode kruis v. St. George; Red-cross societies; Red currant = roode (aal)bes; Red deer = edelhert; Red grouse = sneeuwhoen; Red-gum = huiduitslag (bij kinderen); roest (in koren); Red-hand(ed) = op heeter daad: He was caught red-handed = op heeter daad betrapt; red-herring = bokking; Red-hot = gloeiend heet; Red-lattice = roode jalouzieën van kroegen en bordeelen: Red-lattice phrases = gemeene taal; Red lead = roode menie; Red-letter day = gelukkige dag (omdat de heiligendagen rood gemerkt waren in de almanakken); All red-line = route geheel over Engelsch gebied; Redpoll = roodharig rund zonder horens; Red ribbon = ordelint van de Bathorde; brandy; Red Sea = Roode zee; Red-shanks = tureluur; Bergschot; Red-short = roodbreukig (v. ijzer); Redskin = Roodhuid, Indiaan; Redstart = roodstaartje; Red-tape = rood lint voor het binden van akten; adj. bureaucratisch; Red-tapism = bureaucratie; Red-tapist = bureaucraat; Redwing = koperwiek; Redwood = roodhout; Redden = rood worden, blozen; Reddish = roodachtig; Reddle = rood krijt.

Redact, ridakt, redigeeren; Redaction = het redigeeren of geredigeerde.

Redan, ridan, schans met uit- en inspringende hoeken; trap (Archit.).

Redeem, ridîm, terugkoopen, verlossen, loskoopen, vervullen (van woord of belofte), boeten voor, goedmaken, benuttigen, verlossen: He has redeemed his wicked deeds = goedgemaakt; To redeem a promise = vervullen; Jesus has redeemed mankind = Jezus heeft het menschdom verlost; Redeemable = (af)losbaar; subst. Redeemableness; Redeemer = Verlosser; The one redeeming feature = de eenige goede trek.

Redeliver, rîdilivə, weder afleveren, nogmaals bevrijden, rapporteeren; subst. Redeliverance = Redelivery.

Redemand, rîdimând, terugvorderen.

Redemption, ridemš’n, loskooping, verlossing, vrijkooping, lossing: Power of redemption = recht tot terugkoop; Past redemption = reddeloos verloren; Redemptionist = Redemptorist, lid van de orde van den Heiligen Verlosser; Redemptive = verlossend; Redemptorist, redemptorist, ligurist; Redemptory price (sum) = losgeld, losprijs.

Redingote, rediŋgout, jas.

Redintegrate, ridintəgreit, verb. vernieuwen, weer volkomen maken; adj. vernieuwd; Redintegration = vernieuwing.

Redirect, rîdirekt, opzenden (van brieven door ze van een nieuw adres te voorzien).

Redistribute, ridistribjût, opnieuw uitdeelen; subst. Redistribution; adj. Redistributive, Redistributory.

Redivivus, ridivaivɐs, herleefd.

Redolence, Redolency, redəlens(i), geur, welriekendheid; adj. Redolent, redəlent: The air in the room was redolent of attar of roses = was bezwangerd met.

Redouble, ridɐb’l, verdubbelen.

Redou(b)t, ridaut, reduit (vestingbouw).

Redoubtable, ridautəb’l, geducht, gevreesd = Redoubted.

Redound, ridaund, weer neerkomen, terugvallen, strekken: No small profit redounds from this business to you = vloeit voort; All this redounds on you = valt op u terug; That will redound to the credit and advantage of our cause = strekken tot.

Redowa, redəwa, Boheemsche dans; muziek daarbij.

Redraft, rîdrâft, subst. tweede afschrift of afdruk; herwissel; Redraft verb. opnieuw opstellen (ontwerpen, teekenen).

Redraw, rîdrô, opnieuw (een wissel)trekken.

Redress, ridres, subst. herstel (van grieven, b.v.), vergoeding; Redress verb. verhelpen, herstellen, vergoeden: To obtain redress; Redressable = wat verholpen kan worden; Redressment = herstel.

Reduce, ridjûs, terugleiden, terugbrengen tot een vroegeren toestand, verlagen, dégradeeren, ten onder brengen, verminderen, verkleinen, reduceeren, intoomen, rangschikken: To reduce to ashes = tot asch verbranden; His family was reduced to beggary (poverty) = tot den bedelstaf gebracht; The account was reduced to half its amount = werd tot op het halve bedrag teruggebracht; This startling order reduced us all to powder = we stonden ‘paf’ van; To reduce to submission = tot onderwerping brengen; The sergeant was reduced to the ranks = werd tot soldaat gedegradeerd; In reduced circumstances = armoedige; A reduced copy = verkleinde copie; A reduced family = verarmde; Reducer; Reducible, ridjûsib’l: To be reducible to = herleidbaar tot; Reduction, ridɐkš’n, reductie, terugbrenging, overwinning, onderwerping, vermindering, rabat, verkleining, herleiding: Reduction of fractions to a common denominator = gelijknamig maken van breuken; Reductive = verminderend, reduceerend; ook subst.

Redundance, Redundancy, ridɐnd’ns(i), overtolligheid, overdaad; This word is redundant = overtollig, te veel.

Reduplicate, ridjûplikit, herhaald; subst. verdubbeling; Reduplicate verb. ridjûplikeit, verdubbelen, herhalen; subst. Reduplication; adj. Reduplicative.

Ree, rî, reis, Portugeesche of Braziliaansche muntéénheid. Zie Reis.

Re-echo, rî-ekou, weergalmen, weerklinken.

Reed, rîd, riet, herdersfluit, tongetje, mondstuk, weverskam; Reed-bird = rijstvogeltje (Amer.); Reed-fence = rietscherm; Reed-grass = riet; Reedy = vol riet, rieten, rietachtig; brouwend.

Reef, rîf, subst. rif; reef; Reef verb. reven; Reef-earing = steekbout (scheepst.); Reefer = een soort jekker = Reefing-jacket; Reefy = vol riffen.

Reek, rîk, subst. damp, rook; Reek verb. dampen, rooken: The battle-field was reeking with blood; The floor reeked with recent scrubbing; Reeky = vuil, zwart, rookerig.

Reel, rîl, subst. haspel, klos; waggelende gang, Schotsche dans; Reel verb. op een haspel of klos winden, draaien; waggelen, dansen: He knows it off the reel = op zijn duimpje; I am for settling matters off the reel = ik maak de zaken graag zonder talmen en gezeur in orde; His head reels = zijn hoofd draait met hem in het rond; He reeled from the pothouse = kwam waggelend uit; To reel off a story = aframmelen.

Re-elect, rî-ilekt, nogmaals kiezen, herkiezen; Re-election = herkiezing; Re-eligibility, subst. v. Re-eligible, ri-elədžib’l, herkiesbaar.

Re-embark, rî-əmbâk, (zich) opnieuw inschepen; subst. Re-embarkation.

Re-embody, rî-əmbodi, nogmaals belichamen of inlijven.

Re-emerge, rî-imɐ̂dž, weder bovenkomen; subst. Re-emergence.

Re-enact, rî-ənakt, nogmaals bepalen of voorschrijven of opvoeren; subst. Re-enaction = Re-enactment.

Re-enforce, rî-ənfös. Zie Reinforce.

Re-enter, rî-entə, opnieuw binnentreden; subst. Re-entrance; Re-entrant = inspringend.

Re-establish, rîəstabliš, opnieuw vestigen, herstellen; subst. Re-establishment.

Reeve, rîv, subst. baljuw; kemphaan (het wijfje); Reeve verb. inscheren (scheepst.).

Re-examination, rîəgzamineiš’n, subst. v. Re-examine, rîəgzamin, nogmaals ondervragen.

Re-exchange, rîəkstšeinž, omwisseling, herwissel; ook verb.

Re-export, rîekspöt, wederuitvoer = Re-exportation.

Re-export, rîəkspöt, weder uitvoeren.

Refection, rifekš’n, verversching, kleine maaltijd; Refective, lavend; subst. lafenis.

Refectory, rifektəri, eetzaal, refectorium (in kloosters); lokaal voor ververschingen.

Refer, rifɐ̂, verwijzen, terugvoeren, in handen stellen (voor consideratie en afdoening), nasporen, toewijzen, een beroep doen op, zich wenden tot, betrekking hebben op, raadplegen: The matter was referred to his decision = hem ter beslissing voorgelegd; I refer to the very words you spoke = ik beroep mij op (verwijs naar); He referred to a passage unknown to me = had het oog op; Referable, refərəb’l, verwijsbaar, betrekkelijk, toe te schrijven; Referee, refərî, scheidsrechter, deskundige; Referee verb. toezien op; Reference, refərens, verwijzing, betrekking, beslissing, iemand tot wien, of iets waartoe men zich om inlichtingen kan wenden: In reference to what you said just now = met betrekking tot; For references apply to editor = men wende zich tot den redacteur om inlichtingen; This adverb has no reference to the principal verb = slaat niet op; To look up references = plaatsen waarnaar verwezen wordt opzoeken; References required with application = reflectanten gelieven hunne referentiën op te geven; Many books (works) of reference are at the reader’s disposal = vele encyclopedieën, woordenboeken, enz.; Referential, refərenš’l, betrekking hebbende op; Referrible = Referable: That is referable to what he asserted = kan in verband worden gebracht.

Refine, rifain, zuiveren, louteren, raffineeren, beschaven: Refined manners, language, morals = beschaafde manieren en taal, verfijnde zeden; Refined sugar = geraffineerde; Refinement = zuivering, loutering, beschaving, vorming, gemaaktheid, spitsvondigheid; Refiner = beschaver, zuiveraar, raffinadeur; haarkloover, uitpluizer; Refinery = Refining-works = raffinaderij.

Refit, rîfit, subst. het herstellen of kalfaten; Refit verb. herstellen, opnieuw uitrusten, kalfaten; subst. Refitment.

Reflect, riflekt, terugkaatsen, terugwerpen, weerspiegelen, weerkaatsen; overdenken, overpeinzen, zich ongunstig uitlaten over, hatelijke opmerkingen maken (on); een ongunstig licht werpen op: He wanted me to reflect on his proposal = na te denken over; That reflects on the memory of my deceased friend = dat werpt een smet op; Reflection, riflekš’n, terugkaatsing, weerspiegeling, overdenking, berisping, verwijt, kritiek: Do not say so, lest it seem a reflection on your benefactor = het mocht eens een verwijt aan uw weldoener schijnen; Reflective = terugkaatsend, overwegend; Reflector = reflector.

Reflex, rîfleks, subst. weerkaatst beeld of licht, reflexbeweging; Reflexibility = weerkaatsbaarheid; adj. Reflexible; Reflexive = wederkeerend, weerkaatsbaar, terugslaand (op iets verledens): Reflexive verb.

Reflourish, rîflɐriš, opnieuw bloeien.

Reflow, riflou, terugvloeien, ebben.

Refluence, Refluency, refluens(i), terugvloeiing; adj. Refluent; Reflux, rîflɐks = ebbe: Flux and reflow = vloed en ebbe.

Reform, riföm, subst. verbetering, hervorming; Reform verb. hervormen, (zich) verbeteren: I reformed him of his negligence = heb hem afgeleerd; Reform Act (Reform Bill) = wet tot betere regeling van het Engelsche kiesrecht (van 1832; uitgebreid in 1867 en 1884/85); Reform-school = tuchtschool (Amer.); Reformation, refəmeiš’n, hervorming, verbetering: House of reformation; Reformative = hervormend, verbeterend; Reformatory, subst. verbeteringsgesticht (= Reform school); adj. verbeterend; The Reformed Church = Hervormde Kerk; Reformer = hervormer; Reformist = hervormingsgezinde.

Refortification, rîfötifikeiš’n, subst. v. Refortify, rîfötifai, opnieuw versterken.

Refract, rifrakt, breken (van stralen): Refracted rays = gebroken lichtstralen; Refraction = straalbreking: Angle of refraction = brekingshoek; Refractive = brekend (van stralen), brekings - -; Refractor = refractor; Refractoriness, subst. v. Refractory = weerspannig, weerbarstig; moeilijk smeltbaar: Refractory to cholera = immuun tegen.

Refrain, rifrein, subst. refrein.

Refrain, rifrein, (zich) weerhouden of inhouden, bedwingen, nalaten: He refrained from saying this = onthield zich; He could not refrain from weeping = kon niet inhouden.

Refrangibility, rifranžibiliti, subst. v. Refrangible, rifranžib’l, breekbaar; subst. Refrangibleness.

Refresh, rifreš, verfrisschen, ververschen, opwekken, verkwikken, proviand innemen: Refreshing news = opwekkend nieuws, prettige tijding; Refresher = opfrissching; extra honorarium aan een barrister ter bespoediging van eene zaak die lang duurt; Refreshment = verversching, opwekking: To take refreshment; Refreshment-bar = “bar”; Refreshment-room = restauratiezaal; Refreshment-Sunday = vierde Zondag in de vasten.

Refrigerant, rifridžər’nt, verkoelend of afkoelend (middel); Refrigerate = afkoelen, koel houden: Refrigerating-chamber = koelkamer, ijskast; Refrigeration = afkoeling, ijsbereiding; Refrigerator = koelkan, koelvat, koelkamer = Refrigeratory; adj. verkoelend.

Refuge, refjûdž, schuilplaats, toevlucht, asyl, hulp- of redmiddel, uitvlucht, vluchtheuvel: He was obliged to take refuge with his enemies = eene schuilplaats te zoeken bij; He took refuge to the wood = nam de wijk; A loud cry was raised for the fire-escapes, but these refuges had been removed = deze hulpmiddelen had men verwijderd; The cities of refuge = de zes vrijsteden (Jos. XX); House of refuge = asyl voor dakloozen; Refugee, refjudžî, vluchteling, uitgewekene.

Refulgence, rifɐldž’ns; glans, schittering; adj. Refulgent.

Refund, rifɐnd, terugbetalen, vergoeden; subst. Refundment.

Refurbish, rîfɐ̂biš, opnieuw bruineeren, polijsten.

Refusal, rifjûz’l, weigering, keus, optie: If this gentleman leaves, you can have the refusal of his room = kunt u zijn kamer krijgen zoo u verkiest; My proposal met with a flat refusal = werd kortweg afgeslagen; Refuse, rifjûz, weigeren, afslaan: The horse refused the hedge = wou niet over de heg springen; He refused himself all the comforts of life for the sake of his children = ontzegde zich alle levensgenot.

Refuse, refjûs, refjûz, subst. afval, uitschot; adj. waardeloos: Refuse consumer = verbrandingsoven; Refuse iron = oud ijzer; Refuse milk = afgeroomde; Refuse parts = afval.

Refutable, rifjûtəb’l, refjutəb’l, weerlegbaar; Refutation, refjuteiš’n, weerlegging; Refutatory, rifjûtətəri, weerleggend; Refute, rifjût, weerleggen; Refuter.

Regain, rigein, herwinnen, weder bereiken: We couldn’t regain home in time = op tijd thuis zijn.

Regal, rîg’l, koninklijk.

Regale, rigeil, onthalen (op = with), vergasten, zich te goed doen; subst. feestmaal, lekkernij; Regalement = verversching, onthaal.

Regalia, rigeiljə, teekenen der koninklijke waardigheid, onderscheidingsteekenen der vrijmetselaars; privileges aan de Eng. Staatskerk verleend; (merk)sigaar: I am in regalia = in groot tenu, piekfijn.

Regality, rigaliti, koninklijke waardigheid.

Regan, rîgən.

Regard, rigâd, subst. blik, aandacht, overweging, achting, eerbied, opzicht, betrekking; Regard verb. waarnemen, letten op, aanschouwen, beschouwen, achten, hoogschatten, geven om, aangaan: In regard of; In, With regard to = in of met betrekking tot; I am, with kindest regards, yours faithfully = na vriendelijke groeten; Give my best (kindest) regards to = groet hartelijk van me; We still had a regard for him = hadden nog genegenheid voor hem; Having no regard to the surrounding dangers = niets gevende om; We must leave that out of regard altogether = heelemaal buiten beschouwing laten; Will you pay him my regards? = hem mijne complimenten doen; To send one’s kind regards to = laten groeten; As regards the labour-question, it demands an early solution = wat de arbeidskwestie aangaat; Regardant = omziende (herald.); Regarder; Regardful = oplettend, eerbiedig: He is regardful of his interests = houdt goed in het oog; Regarding = betreffende, met betrekking tot; Regardless of his duties = onverschillig voor.

Regather, rîgadhə, opnieuw verzamelen.

Regatta, rigatə, roei-, zeilwedstrijd.

Regelation, rîdžəleiš’n, aaneenvriezing van twee stukken ijs.

Regency, rîdž’nsi, regentschap.

Regeneracy, ridženərəsi, wedergeboorte, herleving; Regenerate, ridženərit, wedergeboren; Regenerate verb. (ridženəreit), opnieuw voortbrengen, nieuw vormen, wedergeboren worden; Regeneration, rîdženəreiš’n, herleving; wedergeboorte: Baptismal regeneration = wedergeboorte door den doop; Regenerative = vernieuwend, herlevend = Regeneratory; Re-genesis, ridženisis = vernieuwing, nieuwe wording.

Regent, rîdž’nt, subst. regent, bestuurder; adj. regeerend: Prince Regent; Queen Regent = Koningin-Regentes; Regentship = regentschap.

Reggy, redži.

Regicidal, redžisaid’l, tot een regicide behoorende; Regicide, redžisaid, koningsmoord(enaar).

Regimen, redžim’n, regeering; dieet, leefregel: I am under a regimen = ik leef op dieet.

Regiment, redžiment, regiment; Regimental, redžiment’l, regiments...: The regimental band = de regimentsmuziek; Regimentals = uniform.

Regina, ridžainə, Regina; Reginald, redžin’ld.

Region, rîdž’n, streek, gewest: I feel a pain in the region of the stomach = maagstreek.

Register, redžistə, subst. register, protocol, meetbrief, jaarboek (Registers), kiezerslijst, verslag, gedenkschrift, sleutel of schuif (van kachelpijp); Register verb. registreeren, inschrijven, op de kiezerslijst plaatsen, aanteekenen: Hotel register = vreemdelingenboek; The parish register = de registers van den burgelijken stand; Register-office = registratiekantoor, bureau van den burgerl. stand, verhuurkantoor voor dienstboden; Register-thermometer = zelfregistreerende thermometer; Register-ton = ruimtemaat voor schepen (= 2,8316 M.3); His name was entered in the register = werd ingeschreven op de lijst; To make register = registeren (boekdruk.); I wish to have this letter registered = te laten aanteekenen; I had my luggage registered = liet mijne bagage inschrijven; To register a vow = zichzelf plechtig beloven; Registered bonds = obligaties op naam; Registered holders = houders van obligatiën op naam; Registrar, redžistrâ, redžistrə, bewaarder der registers, ambtenaar van den burgerlijken stand: Register-General = hoofdambtenaar bij de registers van den burgerlijken stand; Register’s Statistics, Returns = bevolkingsstatistieken; Registration, redžistreiš’n = inschrijving van geboorte, sterfgevallen, kiezers (= Registration of voters): Registration-fee = kosten van inschrijving; Registration-list = kiezerslijst; Registration-office = bureau van den burgerl. stand; verhuurkantoor; Registry, redžistri, inschrijving, registratie-bureau.

Regius, rîdžiəs, koninklijk: Regius professor = bekleeder van een der leerstoelen, door Hendrik VIII aan de Engelsche hoogescholen gesticht.

Reglet, reglət, zetlijn; plat lijstje.

Regnal, regn’l, regeerings...: Regnal years = regeeringsjaren; Regnancy, regn’nsi, regeering, heerschappij; Regnant = regeerend.

Regorge, rîgödž, weer uitbraken.

Regrant, rîgrânt, subst. hernieuwde vergunning; Regrant verb. opnieuw verleenen.

Regress, rigres, teruggaan; subst. rîgres = Regression = teruggang, terugkeer; Regressive = teruggaand.

Regret, rigret, subst. spijt, berouw: Regret verb. treuren om, bejammeren: To feel regret at; I regret your having done this = het spijt mij; It is to be regretted = het is te betreuren; Regretful = vol spijt of berouw; Regrettable = betreurenswaardig.

Regular, regjulə, regelmatig, geregeld, normaal, stipt, periodiek, echt, flink, tot eene kloosterorde behoorende; subst. ordebroeder, vaste klant, stamgast (Regulars = Regular troops = de geregelde troepen): He is a regular fool = hij is een echte gek; I am as regular as clockwork = een man van de klok; Regularity, regjulariti, regelmatigheid, gelijkmatigheid, methode: Regulate, regjuleit, regelen, ordenen; Regulation, regjuleiš’n, subst. regeling, schikking, voorschrift, statuut, reglement; adj. overeenkomstig het bevel of reglement: Regulation chargers = dienstpaarden; Regulation boot (dress, sword) = model - - -; A regulation joke = vaste ui of aardigheid; The regulation of the Rhine = normaliseering; Regulative = regelend; Regulator = regelaar, gangkruk (locomot.), regulateurklok, regulateur; Regulatory = Regulative.

Regulus, regjulɐs, Regulus (een vaste ster in het beeld “Leeuw”); goudhaantje.

Regurgitate, rigɐ̂džiteit, terug (laten) stroomen; subst. Regurgitation.

Rehabilitate, rîhəbiliteit, herstellen (in vroegere rechten of positie), rehabiliteeren; subst. Rehabilitation.

Rehear, rîhîə, nogmaals hooren of onderzoeken; Rehearing = tweede onderzoek, revisie.

Rehearsal, rihɐ̂s’l, herhaling, repetitie (van tooneelstukken, etc.), verhaal: The rehearsal of his experiences made us shudder = het verhaal van zijne ervaringen; Rehearse, rihɐ̂s, repeteeren, opzeggen; Rehearsalr.

Reid, rîd; Reigate, raigit.

Reign, rein, subst. regeering, macht, overwicht, invloed; Reign verb. heerschen, regeeren: It happened in the reign of Queen Victoria = onder de regeering van: The king reigns, his ministers govern = de koning regeert, zijne ministers besturen; A reigning disease = eene algemeen heerschende ziekte.

Reillume, rîil(j)ûm, Reilluminate, rîil(j)ûmineit, Reillumine, rîil(j)ûmin, opnieuw verlichten; Reillumination.

Reim, rîm, riem (Zuid-Afrika).

Reimbark, rîimbâk, (zich) weer inschepen.

Reimbody, rîimbodi, opnieuw inlijven.

Reimburse, rîimbɐ̂s, terug betalen, dekken, schadeloos stellen: He was reimbursed for the costs of his trial = de proceskosten werden hem vergoed; Reimbursing yourself for your charges = na aftrek der door u gemaakte kosten; subst. Reimbursement = rembours, etc.; Reimburser.

Reimport, rîimpöt, opnieuw invoeren; subst. Reimportation.

Reims, rîmz.