Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 20

Chapter 202,992 wordsPublic domain

Cement, siment, subst. cement, verband; Cement verb. cementeeren, samenbinden of -voegen; Cementation, cementeering; Cementer = bindmiddel.

Cemetery, semət’ri, begraafplaats.

Cenobite, sînəbait, kloosterling, ordebroeder.

Cenotaph, senətaf, cenotaphium.

Censer, sensə, wierookvat, bewierooker.

Censor, sensə, censor, zedemeester, kunstrechter; Censorship = ambt van censor; censuur; Censorial, Censorious = berispend; Censoriousness = vitzucht; Censurable = berispelijk, laakbaar; Censure, subst. berisping, censuur, veroordeeling; Censure verb. berispen, bedillen, aanmerkingen maken: Motion of censure = motie van afkeuring.

Census, sensəs, volkstelling: Census-paper; Census-taker = teller.

Cent, sent, honderd, cent, 1⁄100 dollar: Per cent = percent; They do not count for a red cent = zijn geen rooden duit waard; Cent-shop = goedkoope bazaar.

Cental, sentəl, 100 pond avoirdupois.

Centaur, sentö. Centaur, sterrenbeeld.

Centenarian, sentənêrj’n, honderdjarige.

Centenary, sentənəri, Centennial, subst. honderd jaar, eeuwfeest; adj. honderdjarig.

Centesimal, s’ntesim’l, subst. en adj. honderdste (gedeelte).

Centigrade, sentigreid, van honderd graden: Twelve degrees centigrade = 12° Celsius.

Centimetre, sentimîtə, centimeter.

Centiped, sentiped, Centipede, sentipîd, duizendpoot.

Centner, sentnə, centenaar; 100-deelig gewicht.

Cento, sentou, compilatie.

Central, sentr’l, centraal; Centralization = centralisatie; Centralize = centraliseeren.

Centre, sentə, subst. middelpunt, centrum; Centre verb. in een middelpunt vereenigen (rusten), concentreeren: Centre-bit = centerboor; Centre-board = schip met kielzwaard; Centre-party = het Centrum; Centre of gravity = zwaartepunt; Centric = middelpuntig; Centricity = centrale ligging.

Centrifugal, sentrifjug’l, middelpuntvliedend: Centrifugal force; Centrifugal machine = centrifuge.

Centripetal, sentripət’l, middelpuntzoekend: Centripetal force.

Centuple, sentjup’l, subst. honderdvoud; Centuple verb. verhonderdvoudigen.

Centurion, sentjûriən, centurio.

Century, sentjəri, eeuw: End-of-the-century product = fin de siècle, hypermodern product.

Cephalic, səfalik, sefəlik, hoofd - -: Cephalic medicine, middel tegen hoofdpijn.

Cephalitis, sefəlaitis, hersenontsteking.

Cephalonia, sefəlounjə, Cephalonië.

Cephalopod, sefələpod, sefaləpod, koppootig dier.

Cerago, sireigou, bijenbrood.

Ceramic, siramik: Ceramics = ceramiek.

Cerate, sîrit, waszalf.

Cere, sîə, was(huid), verb. wassen, verzegelen: Cerecloth = wasdoek; in was gedrenkt lijkkleed = Cerement(s).

Cereal, sîrj’l, graan...: Cereals = graanvruchten; Non cereal crops = aardappelen, knollen, etc.

Cerebellum, serəbel’m, kleine hersenen; Cerebral, serəbr’l, hersen...; Cerebrum, serəbrɐm, groote hersenen.

Ceremonial, serəmounj’l, ceremonieel, ritueel, plechtig, vormelijk; subst. ceremonieel; Ceremonious = plechtstatig, vormelijk: subst. Ceremoniousness; Ceremony, ceremonie, vormelijkheid, hoffelijkheid: No Ceremonies! = geen complimenten! Master of Ceremonies = ceremoniemeester.

Ceroon, sərûn, theebaal, van huiden gemaakt; korf thee (rozijnen).

Cerris, Cerrus, serəs, Turksche eik.

Certain, sɐ̂tin, zeker, verzekerd, onfeilbaar, zekere, eenige: I will not be certain = ik durf het niet zeker zeggen; Certainty = zekerheid: For (of, to) a certainty, (To a live certainty) = zéér zeker.

Certes, sɐ̂tis, zekerlijk = Cert.

Certificate, sɐ̂tifikit, subst. getuigschrift, diploma, akte; Certificate verb. sɐ̂tifikeit, een certificaat (attest) verleenen, diplomeeren: Do you hold certificates? = ben je gediplomeerd? Nautical certificate = stuurmansdiploma; Certification = attest; Certifier = verklaarder; Certify, sɐ̂tifai, attesteeren, betuigen, berichten, verklaren: This is to certify = hiermede verklaar ik; Certified copy = gewaarmerkt afschrift; This act certified him the knave he was = toonde; Certitude, sɐ̂titjûd, zekerheid, verzekering.

Cerulean, sərûlj’n, hemelsblauw.

Ceruse, sîrûs, sirûs, loodwit.

Cervical, sɐ̂vik’l, nek-, hals ...

Cesar = Caesar.

Cess, ses, subst. belasting; Cess verb. belasten.

Cessation, seseiš’n, ophouding, stilstand: Cessation of (from) arms = wapenstilstand.

Cessio bonorum, sešoubənôr’m, afstand door een insolvent verklaarde van al wat hij bezit aan zijne schuldeischers.

Cession, seš’n, afstand, cessie; Cessionary = afstand doende; cessionaris.

Cesspool, sespûl, riool, zinkput.

Cestus, sestəs, cestus.

Cetacea, siteišə, walvisschen; Cetacean, walvisch; Cetaceous = walvischachtig.

Cevennes, səven, (De) Cevennen.

Ceylon, silon, siloun, sîlən, Ceylon; Ceylonese, sîlənîz, Ceylonees(ch).

Chab(o)uk, tšâbuk, tšəbuk, zweep.

Chafe, tšeif, warm wrijven, schuren, breken tegen; afslijten, sarren, boos maken, in toorn ontsteken: The horse chafed upon the rein (bit) = schuimde in het gebit; Chafer = komfoor = Chafing-dish = komfoor.

Chafer, tšeifə, kever, meikever.

Chaff, tšäf, subst. kaf, haksel, kleinigheid; plagerij, scherts; Chaff verb. gekheid maken, in ’t ootje nemen: To divide the wheat from the chaff; Take your chaff to the goslings. No gammon with me = Doe jij zoo met kleine kinderen. Ik laat niet met me spelen; Chaffy = vol kaf; onbeduidend.

Chaffer, tšafə, handelen, marchandeeren, dingen; Chafferer.

Chaffinch, tšafinš, boekvink.

Chagrin, šəgrîn, subst. kwelling, verdriet, slechte luim; Chagrin verb. verdrieten, plagen.

Chain, tšein, subst. keten, ketting, reeks; Chains = gevangenschap; Chain verb. ketenen; aan een ketting leggen: To do the ladies’ chain = een dansfiguur; Chain-bolt = deurketting; Chain-bridge = kettingbrug; Chain-gang = afdeeling kettinggangers; Chain-mail = maliënkolder; Chain-shot, kettingkogel; Chain-stitch = kettingsteek; Chainlet = kettinkje.

Chair, tšêə, subst. stoel, zetel, voorzittersstoel, leerstoel, voorzitterschap, draagstoel; Chair verb. in een stoel in triomf ronddragen: To be in the (Vice-) chair; This alderman has passed the chair = is Lord Mayor van de City geweest; He took the (was called to the) chair = presideerde, werd tot president verkozen; Chair-bottom = zitting; Chair-bottomer = stoelenmatter; Chairman = voorzitter; drager van een draagstoel; Chairmanship = presidium.

Chaise, šeiz, sjees, rijtuig.

Chalcedony, kalsedəni, kalsədoni, chalcedoon.

Chalcograph, kalkəgraf, kopergravure. Chalcographer = graveur; Chalcography = graveerkunst.

Chaldaic(al), kaldeiik(’l), Chaldeeuwsch; Chaldea(n), kaldîə(n), Chaldea (Chaldeeuwsch, Chaldeeër).

Chaldron, tšôldr’n, koren- en kolenmaat (1163,157 L. koren; 2888,9752 L. kolen).

Chalet, šale, Zwitsersch landhuisje.

Chalice, tšalis, kelk, avondmaalsbeker; Chaliced = kelkachtig.

Chalk, tšôk, subst. krijt, krijtstreep; Chalk verb. met krijt mengen (schrijven, teekenen), aankalken, schetsen: French chalk = kleermakerskrijt; He is better than you by a long chalk, by long chalks = oneindig beter; Not by a long chalk = op verre na niet; These things are as different as chalk from cheese, as chalk and cheese = verschillen hemelsbreed; I found my way chalked out for me = aangewezen; I will chalk it down = aankalken; To chalk down a scheme = schetsen; Chalk-stone = jichtknobbels; Chalk-Sunday = de eerste Zondag van den Vastentijd (Ierland), waarop de meisjes de vrijgezellen krijt op hun jas smeerden; Chalkiness = krijtachtigheid; Chalky = krijtachtig; jichtknobbelachtig.

Challenge, tšal’nž, subst. uitdaging, aanroeping (van een schildwacht), wraken (van een lid der jury of een getuige), aanslaan der jachthonden; Challenge verb. uitdagen, bestrijden, inroepen, eischen, wraken: I challenge contradiction = ik tart iedereen mij tegen te spreken; Challenger = uitdager, etc.

Chalybeate, kəlibi-it, adj. ijzerhoudend: Chalybeate spring.

Chamade, šəmeid, chamade.

Chamber, tšeimbə, subst. vertrek, kamer (in verschillende beteekenissen); Chamber verb. sluiten in (voorzien van) een kamer: Chambers = een reeks deftig gemeubileerde kamers, zittingzaal, privaat-bureau van een barrister in een Inn: He had been toiling at chambers all day = op zijn bureau; Chamber of Commerce = Kamer van Koophandel; Chamber of a lock = schutkolk; Chamber-council = Chamber-counsel = advocaat, die slechts Chamber-practice uitoefent; diens advies; geheim advies (gedachte); Chamber-maid = kamermeisje; Chamber-master = schoenmaker, die thuis voor magazijnen werkt; Chamber-music; Chamber-pot; Chamber-stool = nachtstoel; Chambered: A six-chambered revolver.

Chamberlain, tšeimbəlin, kamerheer: Lord Chamberlain = een der 14 dignitarissen van His Majesty’s Household.

Chambers, tšeimbəz.

Chameleon, kəmîl’n, chameleon.

Chamfer, tšamfə, subst. groef; Chamfer verb. canneleeren.

Chamois, šami, šamwô, gems, gemsleder; adj. geelbruin.

Chamomile, kaməmail, kamille.

Champ, tšamp, bijten (van een paard op zijn gebit), kauwen, stuk bijten: To champ the bit = mokken (fig.).

Champagne, šampein, champagne.

Champaign, tšampein, (t)šsampein, subst. open, vlak land; adj. open, vlak.

Champerty, tšampəti, afspraak van den solicitor met zijn client om de eventueele voordeelen van het proces te deelen.

Champignon, (t)šəmpinjən, eetbare paddestoel.

Champion, tšampj’n, subst. kampioen; adj. kampioen..., uitstekend; Champion verb. verdedigen; Championship, kampioenschap.

Champop = Champagne = ‘panje’, ‘sjampie’.

Chance, tšâns, subst. toeval, kans, uitzicht, mogelijkheid; Chance verb. wagen, gebeuren: By chance = toevallig; Main chance = persoonlijk voordeel; On the off chance = met ’t oog op de mogelijkheid; To stand a chance = kans hebben; To take one’s chance = het er op wagen; I chanced to meet him = ik ontmoette hem toevallig; To chance it = het er op aan laten komen; Chance-comer = een toevallig binnenkomende; Chance-games; Chance-medley = manslag uit noodweer.

Chancel, tšâns’l, koor (waar het altaar is, gewoonlijk met een hek afgesloten).

Chancellor, tšâns’lə, kanselier: Lord (High) Chancellor = Lord keeper = Minister van Justitie, Groot Zegelbewaarder, President van het House of Lords en voorzitter van de Chancery Division van het Hooggerechtshof; Chancellor of the Exchequer = hoofdambtenaar van de Treasury aan ’t hoofd waarvan The First Lord staat; Chancellorship = kanselierschap.

Chancery, tšânsəri, kanselarij: Chancery Division = afdeeling van het hoogste gerechtshof; To be in chancery = failliet zijn; in de klem zitten.

Chandelier, šandəlîə, kroonluchter; blindeeringsfascine.

Chandler, tšândlə, kaarsenmaker (verkooper): Corn chandler = factor; Ship chandler = winkelier in victualiën; Chandlery = kleinhandel, winkel.

Change, tšeinž, subst. verandering, wijziging, overgang, afwisseling, nieuwigheid, variatie, modulatie, klein geld, pasmunt, geld dat men terugkrijgt, verschooning, de Beurs; Change verb. veranderen, verwisselen, verruilen, (geld) wisselen, overstappen, zuur worden: To get (give) one his change = geld terug geven; iemand dienen (fig.); He won’t get much change out of me = hij zal van mij niet veel halen, krijgt bij mij den wind van voren; To have no change; They won’t have any change = behoeven niet over te stappen; To ring the changes = op allerlei manieren herhalen; valsch geld uitgeven, een winkelier in de war brengen zoodat hij te veel terug geeft; A complete change of linen = verschooning; The wind changed; To change trams; Change here for Velp = Velp overstappen; He changed his dress (linen) = trok andere kleeren aan, verschoonde zich; To change to a steamer = overstappen op; He changed to the diplomatic service = ging over in; Changeability = veranderlijkheid; Changeable, veranderlijk; subst. Changeableness; Changeful = veranderlijk; Changeless = onveranderlijk; Changeling = wisselkind; weifelaar, wankelmoedige.

Channel, tšan’l, subst. kanaal, bedding, vaarwater, groef, voor; Channel verb. groeven maken: The (British) Channel = Het Kanaal.

Chant, tšânt, subst. lied, melodie, kerkgezang; Chant verb. zingen, bezingen, opdreunen: To chant a horse = bedriegelijk verkoopen (door gebreken te verbergen); To chant the praises of = (iemands) lof zingen; Chanter, zanger; melodiepijp; paardekooper; Chanticleer, tšantiklîə, kraaiende haan; Chantry = kapel, waar dagelijks eene mis voor afgestorvenen gezongen wordt.

Chaos, keios, chaos; adj. Chaotic.

Chap, tšap, tšop, subst. kloof, spleet, reet; Chap verb. splijten, scheuren, doen barsten; Chapped = opengesprongen, gebarsten; Chappy = gebarsten, open.

Chap, tšap, kerel, vent, klant; Chappie = kereltje.

Chap, tšop, kaak; Chaps, snuit, muil; Chap-fallen = ontmoedigd.

Chap-book, tšap-buk, volksboekje waarmee vroeger gevent werd door Chap-men.

Chape, tšeip, knip, haak, schoen eener sabelscheede.

Chapel, tšap’l, kapel, godshuis (der van de Staatskerk afgescheidenen); Chapel verb. een uil vangen (zeeterm): Chapel of ease = hulp- of bijkerk.

Chapelet, tšapəlet, stijgbeugelriemen.

Chapelry, tšapəlri, kerkelijke gemeente tot ééne kapel behoorende.

Chaperon, šapəron, šapəroun, baret; oudere dame, die eene jongere vergezelt in het publiek; Chaperon verb. vergezellen, beschermen.

Chaplain, tšaplin, geestelijke op een schip, (bij het leger, in een gevangenis); huiskapelaan; Chaplaincy = Chaplainship, waardigheid van een chaplain.

Chaplet, tšaplət, subst. krans, rozenkrans, eierstaaf (-lijst); kuif.

Chapter, tšaptə, subst. hoofdstuk, kapittel; Chapter verb. in hoofdstukken verdeelen: Chapter and verse = tekst en uitleg (fig.); You will be persecuted to the end of the chapter = altijd door, ten einde toe; The chapter of accidents = het toeval; Chapter-house = kerkeraadskamer; vertrek waar het kapittel samenkomt.

Char, tšâ subst. appelforel.

Char, tšâ, verkolen.

Character, karəktə, subst. merk- of kenteeken, letter, karakter, gedrag, aard; getuigschrift, reputatie, origineel, persoon, naam, rol; Character verb., kəraktə, inprenten, graveeren; kenschetsen: To act out of character = uit zijn rol vallen; To be in (out of) character = in, uit de rol; I gave him a good character = ik heb goede getuigen van hem gegeven; To go by the character of = doorgaan onder den naam; He has a character for hospitality = staat bekend als gastvrij; He took away my character = goeden naam; Characteristic = kenschetsend, eigenaardig; subst. kenmerk: To be characteristic of = karakteriseeren; Characterization, karəktər(a)izeiš’n, kenschetsing; Characterize = kenmerken, stempelen, karakteriseeren.

Charade, šərâd, šəreid, charade.

Charcoal, tšâkoul, houtskool; Charcoal verb. met houtskool zwart maken, door kolendamp bedwelmen.

Chare, tšêə, tšâ, uit werken gaan, huiswerk verrichten; subst. huiswerk.

Charge, tšâdž, subst. zorg, bewaking, opzicht, bevel, plicht, opdracht, ambt, pupil, toevertrouwd persoon (zaak), toespraak, aanval(signaal), last, beschuldiging, lading, prijs, kosten (Charges), vergoeding: Charge verb. aanvallen, een charge doen, (be)laden, belasten, opdragen, bevelen, debiteeren, vermanend toespreken, beschuldigen, toevertrouwen, aanwijzen: A first charge = preferente schuld; No charge for delivery = franco huis; To be at (To bear) the charge of = de kosten dragen; To sound the charge = het signaal tot den aanval blazen; To give in charge = toevertrouwen; laten arresteeren; The officer in charge = dienstdoend; This minister is in charge of the bill = zal het wetsontwerp verdedigen; To go into the charges = aanklacht erkennen; He laid it to my charge = legde het mij ten laste; He grew up under my charge = onder mijne hoede; Charge your glasses = vult; The judge charged the jury at great length = sprak breedvoerig toe; What do you charge for these cigars? = hoeveel kosten? To charge to one’s account (debit) = iemand debiteeren; To be chargeed with a crime = beschuldigd; Charge-room = verhoorkamer (in een politiebureau); Charge-sheet = rol der arrestanten; Chargeability = toerekenbaarheid, belastbaarheid; Chargeable = te belasten, verantwoordelijk: That was chargeable to me = dat kwam mij ten laste; Charger = strijdros; groote schotel.

Chariot, tšariət, rijtuig, triomfwagen; Charioteer = wagenmenner, voerman.

Charitable, tšaritəb’l, liefdadig, barmhartig; Charitableness = liefdadigheid.

Charity, tšariti, menschenmin, naastenliefde, barmhartigheid, zachtheid, milddadigheid, gave, aalmoes, liefdadigheidsstichting: Sister of charity = liefdezuster; In charity = barmhartigheidshalve, voor niets; Charity begins at home = het hemd is nader dan de rok; To ask (beg) charity = bedelen; To dispense charity = gaven uitdeelen; It would be a charity to help her = een goed werk; We parted in charity = scheidden in vriendschap; Charity-boy (Charity-child) = kind uit een gesticht; Charity-school = armenschool, kostelooze school.

Charivari, šarivari, ketelmuziek, charivari.

Charlatan, šâlətan, kwakzalver, charlatan; Charlatanism = marktgeschreeuw.

Charlemagne, šâl(i)mein.

Charles, tšâlz, (Charley, tšâli,) Karel; King Charles(’s) dog = Bologneesch hondje; Charles(’s) Wain = Wagen, Groote Beer.

Charlock, tšâlok, krodde, wilde mosterd.

Charlotte, šâlot

Charm, tšâm, subst. toovermiddel(-woord, -formule), amulet, bekoring; Charm verb. betooveren, verrukken, bekoren: A pig-charm = gelukzwijntje aan een horlogeketting; Three is the charm = alle goede dingen bestaan in drieën; To bear a charmed life = onkwetsbaar zijn; Charmer = charmeur, betooverend schepsel: To listen to the voice of the charmer = naar het gefluit van den vogelaar; Charming = bekoorlijk; subst. Charmingness; Charmless = zonder bekoring.

Charnel, tšân’l, lijken..., knekel...: Charnel-house = knekelhuis.

Charon, kêr’n, Charon, veerman.

Charpie, šâpi, pluksel.

Charpoy, tšâpôi, veldbed (Brit. Ind.).

Chart, tšât, zeekaart, kaart, tabel, kompaskaart; Chart verb. (op een kaart aan)teekenen.

Charter, tšâtə, subst. charter, privilege, patent, (voor)recht; Charter verb. bevrachten, charteren, huren: Charter-house = Karthuizerklooster; een school en gasthuis in Londen; Charter-land = cijnsvrije bezitting; Charter-party = chertepartij, scheepsvrachtbrief.

Chartism, tšâtizm, de leer van F. O’Connor’s Radic. arbeiderspartij, geformuleerd in hun People’s Charter i.e. algemeen stemrecht, jaarlijksche parlementen, geheime stemming, kiesdistricten, en de betaling van de afgevaardigden der natie (1838–1848); Chartist = aanhanger van die leer.

Chartographer, kâtogrəfə, cartograaf; Chartography = cartographie.

Charwoman, tšêəwum’n, tšâwum’n, werkster; Charwork = huiswerk.

Chary, tšêri, zorgvuldig, karig, zuinig: Chary of praise = karig met lof.

Chase, tšeis, subst. jachtveld, vervolging, jachtstoet, het gejaagde wild, vervolgd schip; groef, voor; Chase verb. jagen, jacht maken op, nazetten, drijven: To send on a wild-goose chase = voor den gek houden, van Pontius naar Pilatus zenden; To be in chase (of), To give chase = vervolgen; To chase away (off) = wegjagen; Chased work = gedreven metaal; Chaser = jager, drijver, springpaard, soort kanon, ciseleur.

Chasm, kazm, kloof, afgrond; Chasmed = Chasmy = met kloven.

Chasse, šas: A cup of coffee and a chasse = ‘pousse’.

Chasseur, šasɐ̂, jager, chasseur.

Chassis, šasî, šasis, chassis, (inleg)raam, onderstel.

Chaste, tšeist, kuisch, rein; Chasten, tšeis’n, straffen, reinigen, zuiveren, matigen, verootmoedigen.

Chastise, tšəstaiz, kastijden, straffen, beteugelen, zuiveren; Chastiser = kastijder; Chastisement = kastijding; Chastity, tšastiti, kuischheid, reinheid.

Chasuble, tšažub’l, kazuifel.

Chat, tšat, subst. gekeuvel; katje, rijsje, aar; naam voor verschillende vogels; aardappel (voor veevoer); Chat verb. keuvelen: To have a chat together = keuvelen; Chatty = praatziek.

Chatelaine, šatəlein, chatelaine.

Chatham, tšat’m.

Chatoyant, šətôj’nt, katoog; adj. glinsterend met verschillende kleuren; Chatoyment = kleurenspel.

Chatta(h), tšatə, tšâtə, parasol (Brit. Ind.).

Chattel, tšat’l: Goods and chattels = have en goed.

Chatter, tšatə, subst. gesnap, gesnater; Chatter verb. snappen, kakelen, klappertanden: Chatter-box, Chatter-basket = babbelkous; Chatter-pie = klapekster (ook fig.); Chatterer = babbelaar.

Chattiness, tšatinəs, babbelzucht; Chatty, Zie Chat.

Chaucer, tšôsə; adj. Chaucerian.

Chauffer, tšôfə, klein draagbaar fornuis.

Chauvinism, šouvinizm, chauvinisme.

Chaw, tšô, kauwen; (Chaw up) afwijzen, zijn vet geven (Amer.).

Chaw-bacon, tšôbeik’n, pummel.

Chaworth, tšôwəth.

Cheap, tšîp, goedkoop, van weinig waarde; onlekker: Dog-(Dirt-)cheap = As cheap as dirt = spotgoedkoop; A man feels cheap in such a case = ellendig, nietswaardig; To get (come) off cheap(ly) = er blauw afkomen; To hold cheap = geringschatten; To make (render) oneself cheap = zich weggooien; Cheapjack = marktschreeuwer; Cheap-trippers = reizigers met pleiziertreinen; Cheapen = afdingen, goedkoop worden, bekladden.

Cheat, tšît, bedriegen, beetnemen; subst. bedrieger, valsche speler: To cheat fatigue = verdrijven; To cheat one into the belief = wijsmaken; To cheat one out of = afzetten; To cheat at cards = valsch spelen.

Check, tšek, subst. schaak, belemmering, beteugeling, échec, cheque (Amer.), fiche (Amer.), berisping, verwijt, teleurstelling; controle, contremarque; geruite stof; schaak; Check verb. schaakmat zetten (fig.), tegenhouden, beteugelen, berispen, afstempelen, inschrijven (Amer.), laten schrikken (scheepst.); collationneeren, controleeren: He was dressed in a summer check = geruit pak; He handed in his checks = stierf; To keep a check upon = in toom houden; To put a check upon = beteugelen, intoomen; Check to the queen = schaak koningin; The king is checked (is in check) = is schaak; He checked himself = hield zich in; Check-book = controleboek, chequeboekje; Checkmate = subst. schaakmat, nederlaag; Checkmate verb. schaakmat zetten = To give checkmate; check-rail = rail, waardoor een trein op een ander spoor wordt gebracht; Check-rein = trens; Check-string = trekriem; Check-taker = controleur; Checked = geruit; Checker, subst. damsteen (Checkers = damspel), geruit uithangbord, herberg, controleur; Check verb. = Chequer; Checker-board = schaak(dam)bord; Checky = in kleine vierkantjes verdeeld.

Cheechee, tšîtšî = Eurasian.

Cheek, tšîk, subst. wang, kaak; brutaliteit; driestheid; Cheek verb. brutaliseeren: With the coolest cheek = zoo brutaal mogelijk; He has plenty of cheek = hij is zoo brutaal als de beul; Cheek by jowl (jole) = wang aan wang, zij aan zij, gemeenzaam; Cheek-bone = kaakbeen; Cheeky = brutaal.

Cheela, tšîla, Hindoesch leerling.

Cheep, tšîp, tsjilpen, piepen: Cheeper = jonge patrijs (veldhoen).

Cheer, tšîə, subst. stemming, blijdschap, onthaal, spijs, troost, gejuich, bijval; Cheer verb. aanmoedigen, opmonteren, (toe)juichen, moed vatten, opfleuren: The table was filled with good cheer = lekkere spijzen; Be of good cheer = wees goedsmoeds; What cheer? = hoe gaat het? To receive with cheers = met gejuich ontvangen; Three cheers for = driemaal “hoera” voor; The speech was cheered to the echo = werd daverend toegejuicht; Cheer up = schep moed; Cheerful = vroolijk; Cheerfulness = vroolijkheid; Cheeriness = opgeruimdheid; Cheerless = droevig, somber; Cheery = opgeruimd.

Cheese, tšîz, kaas; overdreven diepe buiging: She dropped him a cheese; Making cheeses = een meisjesspel; He would make me believe that the moon is made of green cheese = hij wilde mij knollen voor citroenen verkoopen; That is the cheese = dat is je ware; Nip cheeses = krenterige lui; Cheese-hopper, Cheese-mite = kaasmijt; Cheese-monger = kaaskooper; Cheese-paring = kaaskorst: Financial cheese-paring = krenterigheid; Cheese-press = kaaspers; Cheese-rennet = Lieve-vrouwe-bedstroo; Cheesy = kaasachtig; schoon, mooi.

Cheeta(h). tšîta, jachtluipaard (Brit. Ind.).

Cheetal, tšîtəl, gevlekt hert (Brit. Ind.).

Chela, kîlə, schaar van krabben of kreeften; Cheliferous, kilifərɐs, van scharen voorzien; Cheliform, kîliföm, schaarvormig.

Chelmsford, tše(l)mzfəd; Chelsea, tšelsî.

Cheltenham, tšeltən’m.

Chemical, kemik’l, scheikundig: Chemicals = chemicaliën; Chemico = scheikundig - -.

Chemise, šəmîz, (vrouwen)hemd; Chemisette, šemizet, chemiset.