Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 72
Lick, lik, subst. lik, dunne laag; inspanning, poging; Lick verb. likken, belikken, afranselen, overwinnen, overtreffen, slaan: To give a lick = belikken; To give a lick and a promise (of better) = iets half doen, om het later over te doen; Lend me a lick = laat me’s likken; That artist licks creation = overtreft ver de natuur (plat); To lick the dust = in ’t stof bijten, sterven, kruipen; The work was licked into shape by the present editor = de tegenwoordige bewerker heeft het werk vorm en methode gegeven; They licked it up = ze verslonden het; Lick-platter = smulpaap, likker = Lick-spittle; Licker = likker: That’s a licker to me = dat gaat mijn verstand te boven; Lickerish = lekkerbekkig, fel op, geil; Licking = pak slaag.
Licorice, likəris. Zie Liquorice.
Lictor, liktə, bijldrager (bij de Romeinen).
Lid, lid, deksel, klep, ooglid; Lidless = zonder leden, slapeloos, rusteloos.
Lie, lai, subst. leugen; Lie verb. liegen: A big (black) lie = grove leugen; A white lie = “mennisten” leugentje, leugen om bestwil; Lies have no legs = al is de leugen nog zoo snel, de waarheid achterhaalt haar wel; To give the lie = heeten liegen, logenstraffen; To tell a lie = liegen; To lie in one’s teeth (throat) = liegen, dat men zwart ziet; To lie like truth = liegen of het gedrukt staat.
Lie, lai, ligging; Lie verb. liggen, rusten, leunen, blijven, logeeren: Life lies heavy (hard) on my hands = is mij tot last; To lie low = ziek, dood liggen; zich verbergen, zich koest houden; To lie open to = bloot staan aan; To lie waste = braak liggen; It lies at your door = wordt u toegerekend; It lies at my heart = ligt mij aan ’t hart, is een voorwerp van mijne zorg of begeerte; I lie at your mercy = hang af van uwe genade; That place lies in your gift = hebt gij te vergeven; To lie in wait for = op de loer liggen; It lies in my way = in den weg; Many articles are lying on hand still = zijn nog onverkocht; That guilt lies on his head = hij wordt er van beschuldigd; They were lying under difficulties = hadden te kampen met; The occasion lies under our hands = biedt zich aan, is er; Lie about = in ’t rond liggen; Lie along = languit liggen; To lie by = rusten, ongebruikt liggen; That lies by (with) you = staat aan u; The sum lay by at compound interest = stond uit tegen; To lie down = gaan liggen; The woman is lying in = is in ’t kraambed; I can lie out of that sum for some days yet = kan het nog buiten die som stellen; To lie out in the open air = slapen; Many advertisements must lie over till next week = moeten tot de volgende week blijven liggen; The ship lay to = lag bijgedraaid; To lie under a mistake = in dwaling verkeeren; To lie under the necessity = in de noodzakelijkheid verkeeren; To lie under an obligation = de verplichting hebben; To lie up = (uit)rusten; Let the little boy lie with me = maar bij mij slapen; The future lies with the young = de jeugd heeft de toekomst in handen; He is a lie-a-bed = luilak.
Lief, lîf, geliefd, lief, gaarne: I had as lief not go there = ik zou er even graag niet heen gaan.
Liege, lîdž, subst. leenman, leenheer; adj. leenplichtig; Liege lord = leenheer; Liegeman = vasal.
Liège, lîdz, Luik.
Lien, lîən, lîn, laiən, pandrecht, retentierecht: These bonds are prior lien and take precedence of all others = eerste verband en gaan vóór; Lien-holder.
Lientery, laiənteri, spijsloop.
Lieu, l(i)û: In lieu of = in plaats van.
Lieutenancy, leften’nsi, levten’nsi; l(j)uten’nsi (Amer.), stadhouderschap, luitenantsrang; Lieutenant, leften’nt, levten’nt; l(j)uten’nt (Amer.), luitenant: Lieutenant-colonel; Lieutenant-general; Lieutenant-governor = plaatsvervangend gouverneur.
Life, laif, leven, levenswijze, levensbeschrijving; Life-and-death = op leven en dood, vertwijfeld, kritiek; He had been the life (and soul) of the Hague = de ziel van den Haag geweest; For life = levenslang; Studies from life = naar het leven; I cannot for the life of me understand = met den besten wil ter wereld; My life long; Long life to him! = lang zal hij leven! Whole in life and limb = gezond van lijf en leden; At his time of life = leeftijd; As large as life = levensgroot; Such officers carry their lives in their hands = zulke ambtenaren zijn hun leven geen oogenblik zeker; He departed this life on the 20th = overleed; We had not enough to keep life (body) and soul together = om ons te voeden; They ran for their lives = zij zochten veiligheid in de vlucht; liepen zoo hard ze konden; To draw (To paint) from (the) life = naar de natuur; Taken from the life = naar het leven genomen; Taken from life = uit het leven gegrepen; To bring to life = bijbrengen; To come to life = ter wereld komen; To come to life again = weer opleven; Life-annuity, lijfrente; Life-assurance = levensverzekering; Life-belt = zwemgordel; Life-blood = hartebloed, het wezenlijke; Life-boat = reddingboot; Life-buoy = reddingboei; Life-giving = bezielend, krachtgevend; Life-guard = lijfwacht; Life-insurance = levensverzekering; Life-interest = lijfrente, vruchtgebruik: A life-interest in a sum of 5000 £ = vruchtgebruik van; Life-long = levenslang; Life-office = levensverzekeringsbureau; Life-peer = peer, wiens titel niet erfelijk is; Life-preserver = reddingstoestel, zwemgordel, etc.; “ploertendooder”; Liferent = lijfrente, levenslang vruchtgebruik; Liferenter = iemand in het bezit van lijfrente of vruchtgebruik; Life-table = sterftetafel; Lifetime = levensduur; Life-tired (-weary) = levensmoede; Lifeless = levenloos, krachteloos; subst. Lifelessness; Life-like = alsof het leeft, levensgetrouw; Lifer = gevangene voor zijn leven.
Lift, lift, subst. opheffen, optillen, verheffing, last, hulp, hijschtoestel, “ascenseur”; Lift verb. opheffen, optillen, verheffen, verhoogen, stelen, optrekken (van mist, etc.); I’ll give you a lift in coming back = ik zal u op mijn terugweg laten meerijden; Give us a lift = help een handje; The woman was a dead lift (weight) = de vrouw gaf niets mee (bij het tillen of dragen); The darkness would not lift = bleef hangen; He lifted his eye-brows in remonstrance = trok op; When the fog of admiration lifts from the biography, we see that the hero had his faults = optrekt; We lift up our eyes to Thee, O Lord = heffen de oogen op; Lift up your face, and look like a man = het hoofd omhoog; Lift up your hand(s) = hef uwe hand(en) op; He lifted up his hand against me = verzette zich; Lift up your head = het hoofd omhoog! They lifted up their heels against the measure = zij hieven hunne verzenen op tegen (Joh. XIII, 18); Lift up your voices = verheft uwe stemmen; Lifter = lichter, opheffer; gauwdief (in samenst. als: Shoplift = ladelichter); Lift-bridge = ophaalbrug; Lift-lock = soort sluis; Lift-van = meubelwagen, die per trein wordt verzonden; The lifting of potatoes = rooien.
Ligament, ligəment, band, verbinding, ligament; adj. Ligamentous.
Ligan, laig’n, in zee geworpen goederen aan een boei vastgemaakt om ze zoo terug te kunnen vinden.
Ligate, laigeit, verbinden, afbinden; subst. Ligation; Ligature, ligətjuə, verband, band, draad (tot afbinden van aderen), ligament.
Light, lait, subst. licht, helderheid, lichtschepping, opheldering, belichting, lucifer; adj. licht, blond; licht van gewicht, licht te verteren, los, ledig, lichtgewapend, onbeduidend, gering, zwak, gemakkelijk, luchthartig, duizelig, vluchtig, lichtzinnig; Light verb. aansteken, verlichten, bijlichten, licht zijn of worden, schitteren, ontvlammen; opheffen, oplichten; aantreffen, toevallig vinden, neerstrijken (on): He’s no great light = geen groot licht; The lights of our days = de groote mannen; He was honest according to his lights, so far as his lights extended = voor zoover zijn inzicht ging; Lights = longen; Between the lights = in de schemering; Lights out = taptoe; The Northern Light(s) = het Noorderlicht; Light of the countenance (Bijb.) Light het lichten of de vriendelijkheid van het aanschijn; The deed was brought to light = werd aan ’t licht gebracht; To come to light = aan ’t licht komen; To lay on lights = licht en schaduw aanbrengen (in een schilderij); He let in light upon his business = gaf eenig licht omtrent; To see the light = het licht zien; He stood in his own light = hij stond zichzelf in het licht, in den weg; He stood to me in the light of a father = was voor mij een vader; His eyes lighted pleasantly = schitterden; May no harm light on you = u treffen; To light out = er uit snijden (Amer.); To light (up) = aansteken; Lighting-up time for cyclists = tijd waarop de fietslantaarn opgestoken moet worden; Light-ball = lichtkogel; Light-bearer = fakkeldrager; Light-dues = rechten geheven ten behoeve der kustverlichting; Light-house = vuurtoren; Light-(house-)keeper = vuurtorenwachter; Light-ship = vuurschip; Light in hand = gemakkelijk te regeeren; He made light of my warnings = sloeg in den wind; He sets light by this circumstance = onderschat, veracht; Lightly said, lightly answered = zoo vraag, zoo antwoord; Lightly come, lightly go = zoo gewonnen, zoo geronnen; Light-armed; Light blue = lichtblauw, kleur van de Stud. v. Cambridge in de boat-race; jenever; Light-bob = lichte infanterist; Light cavalry, (Light horse) = lichte cavalerie; Light-fingered = met vlugge en lange vingers; The light-fingered gentry (folk) = de heeren gauwdieven, zakkenrollers, etc.; Light-footed = vlug van voet; I am rather light-handed at present = ik heb gebrek aan werkvolk; Light-headed = luchthartig; Light-hearted = luchthartig; Light horsemen = lichte cavalerie; bestelers van op stroom liggende schepen; Light infantry = licht voetvolk; A light-legged person = rap van voet; Light-minded = vluchtig, onbezonnen; subst. Light-mindedness; Light-spirited fellow = opgewekte; Light-timbered = zwak gebouwd, ziekelijk; Light-weight = bokser met weinig gewicht of jockey (niet meer dan 69,85 K.G.); paard voor zoo’n jockey, onbeduidend mensch; Light-winged = met snelle wieken, vluchtig; Lighten en Lighter, Zie afzond. artik.; Lightless = donker; subst. Lightlessness; Lightness = helderheid; lichtheid, luchtigheid, vlugheid; Lightsome = helder, klaar; onbezorgd; subst. Lightsomeness.
Lighten, lait’n, verlichten, verhelderen, opklaren, weerlichten, flikkeren; in gewicht afnemen, verlichten, opbeuren, lichten: To lighten the ship; A light(e)ning sense of relief = verlicht gevoel.
Lighter, laitə, verlichter, opsteker; lichter (boot of schuit): Lighterage, laitəridž, het overladen in lichters, lichtergeld; The heavier part of the cargo was lightered over the sand = met lichters gebracht; Lighterman = schuitenvoerder.
Lightning, laitniŋ, bliksem: ook adj. bliksemsnel: A flash of lightning = bliksemschicht, -straal; Lightning cartoon = teekening met een paar krassen of streken; Lightning-conductor = bliksemafleider; Lightning-proof = beveiligd tegen: Lightning-rod = bliksemafleider; subst. Lightning-swiftness; Lightning-train = bliksemtrein.
Ligneous, ligniəs, van hout, houtachtig;
Lignite, lignait, bruinkool; Lignitiferous = bruinkoolhoudend; bruinkool...; Lignum vitae, lign’mvaitî = guajakboom; pokhout.
Ligulate(d), ligjulit, ligjuleitid, band of riemvormig.
Liguria, ligjûriə, Ligurië; Ligurian = Ligurisch.
Like, laik, subst. gelijke, wedergade; voorliefde; adj. en adv. gelijksoortig, geneigd, waarschijnlijk, bijna; verb. houden van, behagen scheppen in, gaarne willen: Every like is not the same = er is meer gelijk dan eigen; Like may, indeed, draw to like = soort zoekt soort; Like produces like = gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen; The elder son was his father’s favourite and like = evenbeeld; It is good enough for the likes of them = voor lui van hun slag; I never saw the like = zoo iets; Likes and dislikes = sympathieën en antipathieën; And the like = en dergelijke: Do it like a good boy = dan ben je een beste jongen; Like master, like man = zoo heer zoo knecht; Those evils are nothing like as injurious in other cases = het lijkt er niet op, dat de nadeelen zoo schadelijk zijn in andere gevallen; He did not feel like seeing any friends that day = hij was niet gestemd om, had geen lust; What is it like? = hoe ziet het er uit; Of a like character = denzelfden aard; That photo is like you = dat portret lijkt goed: That action is like you = die daad kon men van u verwachten; How like a man to make such a fuss = net wat voor een man; He had like to have lost the wager = had bijna verloren; As like(ly) as not = hoogstwaarschijnlijk; It is like enough = het is heel waarschijnlijk; He was swearing away like blazes = vloekte dat het een aard had; He seemed disappointed like = eenigszins, wel wat; Just as you like my dear = zoo je verkiest, lieve; The sort that likes him = hem past, lijkt; Likeable = aangenaam, beminnenswaardig; subst. Likeableness; Likelihood, Likeliness = waarschijnlijkheid; Likely = waarschijnlijk: He is not likely to go there = gaat er waarschijnlijk niet heen; A likely man = knap van uiterlijk; A likely customer = goed, aardig; Liken = vergelijken: To whom shall we liken him? Likeness = gelijkenis: To take a person’s likeness = afbeelden, photographeeren; I had my likeness taken; Likewise = eveneens, evenzoo; Liking, welgevallen, lust: She has no liking for him = geen zin in hem; It is not to my liking = niet naar mijn zin; To take a liking to = lust krijgen in, ingenomen zijn met.
Lilac, lailək, subst. sering; adj. lila.
Liliaceous, lilieišəs, tot de leliën behoorende.
Lilliput, lilipɐt, Lilliput; Lilliputian, lilipjûš’n, Lilliputter; adj. lilliputachtig, klein.
Lille, lîl, Rijssel.
Lilt, lilt, subst. vroolijk wijsje of dans; rhythmische beweging; Lilt verb. lustig zingen; huppelen: A lilting tune = een vlug wijsje.
Lily, lilî, lelie: Lily of the valley = lelietje van dalen; Lily-livered = laf; Lily-pad = blad van de waterroos (Amer.).
Lima, lîmə, Lima, vijl (schelp); Lima-wood = fernambuk-hout.
Limaceous, laimeišəs, slakachtig.
Limb, lim, lid, been, tak, arm, uitlooper; rand, graadboog: Limb of the devil (of Satan) = satanskind; Limb of the law = advokaat (iron.); Limbless = zonder ledematen.
Limber, limbə, buigzaam, meegaand; Limber verb. buigzaam maken; subst. Limberness.
Limber, limbə, dissel- of affuitboom; voorwagen; Limber verb. voorwagen en affuit verbinden; Limber-axle = affuitboom; Limber-chest = affuitkist.
Limbo, limbou, vagevuur, hel, gevangenis = Limbus = Limbus fatuorum = het gekkenparadijs.
Lime, laim, subst. vogellijm; kalk; lindeboom (Lime-tree); citroen(boom); Lime verb. met vogellijm bestrijken, lijmen, beetnemen; met kalk mesten of verbinden: Quick lime = ongebluschte kalk; Slaked lime = gebluschte; Lime-burner = kalkbrander; Lime-flower = lindebloesem: Lime-juice = citroensap; Lime-kiln = kalkoven; Limelight = kalklicht; Lime-pit = kalkput; Lime-slaking = blusschen; Limestone = kalksteen; Lime-twig = lijmstang, lijmtak, lijmroede; Lime-wash = witkalk; Lime-wash verb. witten; Lime-water = kalkwater.
Limerick, limərik, Limerick; rijmelarijtje; een prijsrijmpje voor reclame doeleinden, waarvan 4 regels zijn gegeven en waaraan een vijfde moet worden toegevoegd. De inzender, die hierin ’t best slaagt, ontvangt een prijs van uitgever of firma.
Limit, limit, subst. grens, uiterste punt, beperking; Limit verb. begrenzen, vaststellen: There is a limit to everything = alles heeft zijn grenzen; To (Within) the limit of = hoogstens tot; To give more limit = meer speelruimte; To set a limit to = een grens bepalen; Limitable = begrensbaar, beperkbaar; Limitarian = begrenzend, beperkend; Limitary = grens..; Limitation = beperking, begrenzing, verjaring(stermijn); Limited = begrensd, beperkt: London Omnibus Company, lim. = Londensche Omnibus Maatschappij met limited liability; Limited train = sneltrein met beperkt aantal wagons (Amer.); Limitedness = begrensdheid; beperktheid; Limiter = beperker, grens; Limitless = grenzenloos, onbegrensd.
Limmer, limə, bastaardhond; deugniet; lichtekooi, brutale meid; oud wijf.
Limn, lim, schilderen, teekenen, illustreeren, afschilderen; Limner, limnə, schilder, artiest (veroud.).
Limoges, limouž, stad: Limoges enamel = Limoges porcelain-ware = geemailleerd aardewerk van Limoges.
Limp, limp, slap, buigzaam; subst. Limpness.
Limp, limp, kreupel loopen; ook subst.: He has a limp in his walk = hij loopt kreupel; Limper = kreupele; Limping = kreupel, mank (ook fig.).
Limpet, limpət, napslak: He stuck on like a limpet = hij hing aan als een klis (klit).
Limpid, limpid, helder, klaar, doorschijnend; subst. Limpidity = Limpidness.
Limpsy, lim(p)si, slap, onbeduidend (Am.).
Limy, laimi, kleverig, kalkachtig, kalk - -.
Lin, lin, bron, plas, waterval, afgrond.
Linch-pin, linšpin, lunspen.
Lincoln, link’n, stad en graafschap; Lincoln-green = groen laken, vroeger vooral door boogschutters gedragen; Lincolnshire = Lincs.
Linden, lind’n, linde.
Line, lain, subst. lijn, snoer, richtsnoer, spoorlijn, linie, tak, geslacht, stuurreep, streep, rij, reeks, regel, vak, briefje of lettertje, waren of goederen, streep = 1⁄12 van een inch; Line verb. linieeren, door lijnen verdeelen, doorhalen, teekenen, schetsen, in een lijn opstellen, loopen langs, grenzen aan; voeren, bekleeden, beschieten, vullen, spekken: Ascending (Descending line) = opgaande (neergaande) linie; Collateral (Female, Male) line = zijdelingsche (vrouwelijke, mannelijke) linie; Line of battle = slagorde; Line of business = branche; Line of conduct = gedragslijn; Line of kings = dynastie; Line of mountains = bergketen; Line of print = regel druks; All along the line = langs de geheele linie; He was irreconcilable all along the line = onverzoenlijk op alle punten, in alle opzichten; Ships of the line = linieschepen; The picture was on the line = hing ter hoogte van het oog; On this line = op deze wijze, volgens dit beginsel; You will be the biggest line in the whole show = gij zult op de tentoonstelling het grootste succes zijn; A shop in the general line = waar van alles te krijgen is, koomenijswinkel; My friend is in the railway line = bij het spoor; White line = regel wit, enz.; To bring a person (a thing) into line = iemand (iets) weer laten meedoen, naast de anderen plaatsen; The country was brought into line with the other countries = kreeg hetzelfde stelsel; To cross the line = de linie passeeren; To draw the line = een grens trekken; The line must be drawn somewhere = alles heeft zijn grenzen; To drop a line = een lettertje schrijven; He follows the line his father initiated = treedt in de voetstappen; It is rather hard lines on them = nog al hard voor hen; To read between the lines = tusschen de regels lezen; To stand in line = queue maken; To stick to the old lines = blijven bij het oude; Marlborough turned the celebrated lines of Villars = brak door de liniën; A soft lined face = met zachte trekken; The street was lined with bayonets = afgezet (in de lengte); His purse was well lined with money = was goed gespekt; The room was lined with books = langs alle wanden stonden boeken; Line-about dialogue = tweegesprek, waarbij om de andere regel de andere persoon spreekt; Liner = linieschip, stoomboot (van eene bepaalde lijn), linieerder, broodschrijver; pakking: A Transatlantic liner = stoomschip; His picture got a place among the liners = kreeg eene plaats onder de aangenomen werken op de tentoonstelling.
Lineage, liniidž, geslacht, afstamming, stamboom.
Lineal, liniəl, lijnrecht, direct; lengte...: Lineal measure; My lineal race = direkte afstammelingen.
Lineament, liniəment, gelaatstrek; Lineaments = uiterlijk.
Linear, liniə, lengte..., draadvormig, lijnrecht: Linear perspective = lijnperspektief; Lineate = gelijnd, overlangs geribd; Lineation = linieering.
Linen, linən, subst. linnen, ondergoed; ook adj.: To change one’s linen = zich verschoonen; Soiled linen should be washed at home (fig.); Linen-draper = koopman in witte goederen; Linen-drapery; Linen-merchant = groothandelaar in linnen; Linen-press = linnenkast; Linen-weaver = linnenwever.
Ling, liŋ, leng; struikheide, Chineesche waterkastanje; Lingy = met heidekruid begroeid.
Linger, liŋgə, talmen, dralen, toeven, weifelen, voortkwijnen; Lingerer; Lingering = langzaam, wijdloopig, sleepend; ook subst.
Linget, liŋgət. Zie Ingot.
Lin(g)hay, liŋhei, linhei, afdak, open schuur.
Lingo, liŋgou, bargoensch.
Lingot, liŋgət, Zie Linget.
Lingual, liŋgwəl, subst. tongletter; adj. tong...; Lingualize = als tongletter uitspreken; Linguist, liŋgwist, taalkenner, taalkundige; Linguister = tolk (Amer.); adj. Linguistic(al); Linguistics = taalwetenschap; Lingulate = tongvormig.
Liniment, linim’nt, smeersel.
Lining, lainiŋ, voering, bekleeding: The darkest cloud has a silver lining = geen ongeluk zoo groot, of er is een geluk bij.
Link, liŋk, subst. schakel, bocht (in eene rivier); schakel van ± 20 cM.; toorts; Link verb. verbinden, schakelen; verbonden zijn; Links = vlakke zandige bodem aan de zeekust, “golf”-baan; manchetknoopen met kettinkjes (= Link-buttons); Link-boy, Link-man = toorts- of fakkeldrager (bij avond of zwaren mist); With linked arms = arm in arm.
Linlithgow, linlithgou.
Linn, lin, waterval, vijver, steile rotsspleet.
Linnaean, linîən, van Linnaeus (1707–1778): Linnaean system.
Linnet, linət, vlasvink.
Linoleum, linoulj’m, linoleum.
Linotype, lainətaip, soort v. zetmachine.
Linseed, linsîd, lijnzaad; Linseed-cake manufacturer = fabrikant van lijnkoeken; Linseed-meal = lijnmeel; Linseed-oil = lijnolie; Linseed-tea = aftreksel van lijnzaad.
Linsey-woolsey, linziwulzi, subst. halfwollen stof; goedkoope stof, gebrabbel; adj. halfwollen, slecht.
Linstock, linstok, lontstok.
Lint, lint, pluksel.
Lintel, lint’l, kalf of bovendrempel van deur of venster.
Lintwhite, lint(h)wait. Zie Linnet.
Lion, laiən, leeuw, ‘lion’, modeheld, beroemdheid: There is a lion in the street = “de wolf komt”; To show the lions (and tombs) = een vreemdeling de bezienswaardigheden rondleiden; Lion-dog = leeuwtje (hond); Lion-heart = moedig man; Lion-hearted = manmoedig: Richard the Lion-hearted; Lion-hunter = leeuwenjager, iemand, die de beroemdheden van den dag dolgraag op zijne partijen ziet: The modern sport of lion-hunting; Lion’s-den = leeuwenkuil; Lion’s-provider = jakhals; lage vleier; Lion’s-share = leeuwendeel; Lion’s-tooth = leeuwentand; Lionize = als een beroemdheid behandelen of vereeren; de merkw. van eene plaats bezien of rondleiden; den “Lion” spelen: I hate being lionized = ik houd niet van die belangstelling in mij, en dat geloop achter mij aan; Lioness = leeuwin.
Lip, lip, subst. lip, rand, mond, taal; Lip verb. kussen, uiten: He bit his lip(s) = beet zich op de lippen; To cross one’s lips = over de lippen komen; Don’t give me any of your lip = geen praatjes; He gave me a lot of lip = gaf me een grooten mond; To hang the lip (To make a lip) = de lip laten hangen; Prattle from the lips outwards = maar wat zeggen waar men niets van meent; Lip-deep = onoprecht; Lip-devotion = schijnvroomheid; Lip-labour = ijdele woorden; Lipreading = van de lippen lezen (van doofstommen); Lipsalve = lippenpommade, vleierij; Lipless; Liplet = lipje; Lipped = lipvormig.
Liquate, laikweit, smelten, verloopen; Liquation, laikweiš’n, smelting, smeltbaarheid; Liquefacient, likwifeiš’nt, middel om te smelten of tot vermeerdering van afscheiding; Liquefaction, likwifakš’n, smelten, gesmolten zijn; Liquefiable = smeltbaar; Liquefier = smeltmiddel; Liquefy, likwifai, smelten oplossen; vloeibaar worden, zich oplossen.
Liqueur, likɐ̂, likjûə, likeurtje.
Liquid, likwid, subst. vloeistof, vloeiletter; adj. vloeiend, vloeibaar, zacht, los, beschikbaar, waterig, helder, doorzichtig.
Liquidate, likwideit, liquideeren, vereffenen, verzachten, afrekenen; subst. Liquidation; Liquidator.
Liquidity, likwiditi, vloeibare toestand, vloeiendheid; Liquidize = vloeibaar maken.
Liquor, likə, subst. vocht, drank, alcoholische drank, bouillon, braadvet; Liquor verb. bevochtigen, besmeren, dronken maken, zich bedrinken (up): Addicted to liquor = aan den drank; In liquor = dronken.