Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 85
Obolus, obəlɐs, obolus (⅙ Drachma); penninkske.
Obreption, obrepš’n, insluiping, verschalking; Obreptitiously, obreptišəsli, tersluiks, op slinksche wijze.
O’Brien, əbraiən.
Obscene, obsîn, vuil, onkiesch, ontuchtig; subst. Obsceneness = Obscenity, əbseniti, vuile woorden of daden, ontucht, onkieschheid.
Obscurant, əbskjûr’nt, duisterling, domper; Obscurantism = domperzucht; Obscurantist, dompersch; subst. domper.
Obscuration, obskjureiš’n, verduistering, etc; Obscure, əbskjûə, adj. duister, somber, nachtelijk, onbekend; nederig, onduidelijk; Obscure verb. verduisteren, bewolken, verkleinen, verbergen, verlagen: He lives very obscurely = teruggetrokken; Obscureness = Obscurity = duisternis, donkerheid, onduidelijkheid, onleesbaarheid, onbekendheid: To retire into obscurity = zich uit het openbare leven terugtrekken; Obscurities = onbekende personen.
Obsecrate, obsikreit, smeeken, bidden; Obsecration = smeeking.
Obsequial, əbsîkwiəl, lijk...; Obsequies, obsikwiz, lijkstaatsie, plechtige begrafenis.
Obsequious, əbsîkwiəs, kruipend, onderdanig; subst. Obsequiousness.
Observable, əbzɐ̂vəb’l, waarneembaar, opmerkenswaardig; subst. Observableness; Observance, əbzɐ̂vəns, waarneming, viering, inachtneming; regel, voorschrift, gebruik; Observant, əbzɐ̂v’nt, oplettend, gehoorzaam: He was observant of his mother’s slightest wishes = lette op; To be observant of forms = gesteld op vormen; Observation, obzəveiš’n, waarneming, opmerking, ervaring: To fall under a person’s observation = onder iemands aandacht vallen; adj. Observational; Observatory, əbzɐ̂vətəri, sterrenwacht; Observe, əbzɐ̂v, waarnemen, gadeslaan, opmerken, vieren, letten op, opnemen: They observed the sun’s altitude = zij waren bezig de zon te schieten; Observer = waarnemer, etc.
Obsess, əbses, bezoeken, kwellen, drukken; Obsession, obseš’n, het bezeten (bezocht, gekweld) zijn, obsessie.
Obsolescence, obsəles’ns, veroudering, atropie; Obsolescent = verouderend, in onbruik gerakend, rudimentair; Obsolete, obsəlît, verouderd, onontwikkeld; subst. Obsoleteness.
Obstacle, obstək’l, hindernis, beletsel: To put obstacles in the way.
Obstetric(al), əbstetrik(’l), verloskundig; Obstetrician, obstitriš’n, verloskundige, vroedvrouw; Obstetrics, əbstetriks, verloskunde.
Obstinacy, obstinəsi, koppigheid, hardnekkigheid; Obstinate, obstinit, hardnekkig, stijfhoofdig; subst. Obstinateness.
Obstipation, obstipeiš’n, verstopping.
Obstreperous, obstrepərɐs, luidruchtig, woelig, rumoerig; subst. Obstreperousness.
Obstruct, əbstrɐkt, versperren, verstoppen, belemmeren, verhinderen; Obstructer; Obstruction = belemmering, beletsel, verstopping; taktiek eener Parlementaire minderheid om door lange discussies of tallooze amendementen, etc. de behandeling van een wetsontwerp te vertragen; Obstructionist = iemand, die den voortgang op die wijze belemmert; Obstructive, adj. belemmerend, hinderlijk, verstoppend; ook subst. Obstructiveness = streven om te belemmeren, enz.; Obstructor; Obstruent = hinderend, stoppend (middel).
Obtain, əbtein, verkrijgen, verwerven, behalen, nemen; bestaan, voortduren, heerschen, algemeen in gebruik (regel) zijn, behelzen: This custom obtains in some of our cities = heerscht; In complexion, as the common reports obtain, she surpassed the lily and rose = naar luid van de algemeene berichten; This obtains with most people = geldt voor; Obtainable = verkrijgbaar, enz.; Obtainer; Obtainment = verkrijging.
Obtrude, əbtrûd, (zich) opdringen, indringen, opdringerig zijn: He obtruded himself upon the company = drong zich op aan; Obtruder; Obtrusion, əbtrûž’n, opdringing; Obtrusive, əbtrûsiv, opdringend, hinderlijk, opvallend; subst. Obtrusiveness.
Obtund, əbtɐnd, stomp maken, verdooven; Obtundent = verdoovend middel.
Obtuse, əbtjûs, stomp, dom, dof: Obtuse angle = stompe hoek; subst. Obtuseness; Obtusion, əbtjûž’n, verstomping, dof- of sufheid.
Obverse, obvɐ̂s, əbvɐ̂s, toegekeerd, de andere zijde betreffend; obvɐ̂s, subst. vóórzijde, keerzijde: The obverse and the reverse of a medal; There is an obverse to the coin = de penning heeft zijn keerzijde (fig.); Obversion = omkeering; Obvert = omkeeren.
Obviate, obvieit, voorkómen, verhoeden, uit den weg ruimen: The difficulty was obviated = weggenomen; subst. Obviation.
Obvious, obviəs, duidelijk, klaarblijkelijk, in ’t oog springend: To be obvious (to the eye); To be obvious to all the world = voor iedereen duidelijk; subst. Obviousness.
O’Callaghan, əkaləh’n.
Occasion, okeiž’n, subst. gelegenheid, gunstig oogenblik, aanleiding, reden, behoefte, noodzakelijkheid; Occasion verb. veroorzaken, aanleiding geven: By, Upon occasion = bij gelegenheid; On that occasion = bij die gelegenheid; On occasion = van tijd tot tijd, desnoods; To have occasion for = noodig hebben; You have no occasion! = geen dank! He has no occasion to be told such a thing = zoo iets behoeft men hem niet te zeggen; I had occasion to look the passage up = het was noodig, dat; There is no occasion for you = geen aanleiding; To give occasion = aanleiding geven; He improved the occasion = maakte zich de gelegenheid ten nutte; sprak een stichtelijk woord; He rode the occasion to death = hij maakte misbruik van; He rose to the occasion = hij bleek berekend voor zijn taak, hield zich flink = He was equal to the occasion; He took (the) occasion by the forelock = hij greep de gelegenheid aan; Occasional = toevallig, als de gelegenheid zich voordoet, gelegenheids..; subst. los arbeider: Occasional chair (Occasional table) = fantasie stoeltje (tafeltje); I see him occasionally = zoo nu en dan ontmoet ik hem wel eens.
Occident, oksident, Westen; Occidental, oksident’l, westersch, westelijk; van mindere voortreffelijkheid (van edelgesteenten).
Occipital, oksipit’l, achterhoofds...; Occiput, oksipɐt, achterhoofd.
Occlude, oklûd, sluiten, stoppen, absorbeeren; subst. Occlusion, oklûž’n.
Occult, okɐlt, verborgen, geheim; Occult verb. verbergen, verduisteren; Occultism = occultisme; Occultness = verborgenheid.
Occupancy, okjupənsi, bezitneming, bezit; Occupant = bezitnemer, bezitter, bewoner, aanwezige; inzittende; Occupation, okjupeiš’n, bezetting, bezigheid, beroep, ambacht: By occupancy = van beroep; Army of occupancy = bezettingsleger; Occupancy-bridge = verbindingsbrug tusschen 2 door een spoorlijn gescheiden stukken land; Occupancy-road = particuliere weg; Occupier, okjupaiə = Occupant; Occupy, okjupai, bezetten, bezitten, innemen, vullen, bezighouden, aanstellen, gebruiken, bewonen, handelen.
Occur, okɐ̂, voorkomen, gebeuren, aantreffen, invallen, opkomen: It occurs to me that more might have been done = het wil mij voorkomen; It didn’t occur to me until it was too late = kwam eerst bij mij op; Occurrence, okɐr’ns, gebeurtenis, voorval.
Ocean, ouš’n, Oceaan; Oceanic, oušianik, oceaan.., buitengewoon groot; Oceania, ousianiə, ousieiniə = de eil. v. de Stille Zuidzee; Oceanides, oušianidîz, Oceaniden; Oceanus, ousîənɐs, Oceanus.
Ocellated, əselətid, osəleitid, met oogvormige punten of vlekken.
Ochlocracy, oklokrəsi, bestuur door het gepeupel; adj. Ochlocratic, okləkratik.
Ochre, oukə, oker, geeltje (gouden munt); Ochre verb. met oker verven; Ochreous, oukriəs, okerachtig, oker bevattend = Ochrey, oukri.
O’clock, əklok: Five o’clock = vijf uur; He knows what’s o’clock = hij weet hoe laat het is, hij weet bescheid, is op de hoogte; The thing went off like one o’clock = het ging van een leien dakje.
Octagon, oktəgon, achthoek; Octagonal = achthoekig.
Octahedral, oktəhîdr’l, oktəhedr’l, achtvlakkig.
Octangular, oktaŋgjulə, achthoekig.
Octant, okt’nt, octant; cirkelboog van 45o.
Octave, okteiv, oktəv, octaaf.
Octavia, okteiviə; Octavius, okteiviəs.
Octavo, okteivou, octavo: Large octavo.
October, oktoubə, October; soort sterk bier.
Octodecimo, oktoudesimou, 18o (18 bladen of 36 bladzijden in een vel).
Octogenarian, oktədžənêrj’n, subst. en adj. 80-jarig(e).
Octopod, oktəpod, achtpootig, ook subst. = Octopodan.
Octopus, oktoupəs, oktəpɐs, poliep met 8 armen.
Octosyllabic, oktəsilabik, achtlettergrepig; Octosyllable, oktəsiləb’l, oktəsiləb’l, woord van acht lettergrepen.
Octroi, oktrôi, octrooi, octrooibureau.
Octuple, oktjup’l, achtvoudig.
Ocular, okjulə, oog..., zichtbaar; subst. oculair: Ocular witness = ooggetuige; Oculist, okjulist, oogarts.
Odalisk, Odalisque, oudəlisk, odalisk.
Odd, od, oneven, overblijvend, ongeveer, waaraan de (het) tweede ontbreekt, eenzaam, afgelegen, vreemd, raar: Odd boy = jongmaatje; The Independent Order of Odd-fellows = een genootschap tot aankweeking van onderlinge vriendschap en het verschaffen v. onderlinge hulp, opgericht in de 18de eeuw; Odd gloves = linker en rechter handschoen, die geen paar vormen; Odd hand = los werkman; Odd job = (los) karweitje; An odd lot = rommeltje, zootje; Odd man = los werkman, invaller; An odd kind of man = vreemde snuiter; The odd man of the family = de eenige ongetrouwde; At odd times = zoo nu en dan eens; The odd trick (bij het whistspel) = trek boven de zes; I have an odd volume of Chambers’ Cyclopaedia = ik heb een enkel deel (v. het geheele werk); A fortnight and odd days = een dikke veertien dagen; Fifty odd guilders = zoowat vijftig gulden; Odd or even = even of oneven; Odds = ongelijkheid, verschil, ongelijke weddenschap of partij, voorgift, waarschijnlijkheid, voordeel, meerdere bekwaamheid, twist, strijd: Odds and ends = afval, lappen, stukken en brokken; What is the odds? = wat zou het? It’s no odds = het heeft niets te beduiden; They are at odds = zij zijn het niet eens, hebben standjes; It is within the odds = er is kans op; The odds are that he will come = er bestaat veel kans; The odds are on his side (for him, in his favour) = het voordeel is aan zijn kant; It was long odds in point of strength = de krachten stonden lang niet gelijk; To face fearful odds = het hoofd bieden aan een groote overmacht; To give a person odds = iemand iets voorgeven; I have the odds of you = ik ben je de baas; They had all the odds of number and time on their side = alle voordeel van getal en tijd; To lay the long odds = een ongelijke weddenschap aangaan; To set at odds = tegen elkaar opstoken; To take the odds = de ongelijke weddenschap aannemen; Odd-conceited = grillig, fantastisch; Odd-looking = zonderling uitziend; Oddity = zonderlingheid, grappigheid, vreemde sijs; Oddments = overgebleven stukken en brokken; Oddness = zonderlingheid.
Ode, oud, ode.
Odeon, Odeum, ədîon, ədîəm, Odeon, schouwburg-, of concertzaal.
Odious, oudjəs, hatelijk, afschuwelijk, leelijk; subst. Odiousness; Odium, oudj’m, haat, blaam, verdenking.
Odoacer, odəeisə.
Odometer, ədomətə, afstandsmeter (aan een rijtuig).
O’Donoghue, ədonəgjû.
Odontalgia, oudontaldžiə, tandpijn; Odontalgic = tandpijn - -; tandpijnmiddel; Odontic = tand...; tandmiddel; Odontology, oudontolədži, tandkunde.
Odoriferous, oudərifərɐs, geurig, welriekend; subst. Odoriferousness; Odorous, oudərɐs, geurig; subst. Odorousness; Odour, oudə, geur, reuk, roep, naam: In bad odour = te slechter naam bekend; Odourless.
Odysseus, ədisiəs, ədisiûz; Odyssey, odisî, Odyssee; Oedipus, îdipɐs, edipɐs.
O’er, Zie Over.
Oesophageal, îsəfadžiəl, slokdarm...; Oesophagus, isofəgɐs, slokdarm.
Of, ov, van: He is of age = meerderjarig; Ten years of age = tien jaar oud; Of an afternoon = op zekeren namiddag; Be of good cheer = wees vroolijk en hoopvol; He worked at this paper within a fortnight of his death = nog veertien dagen voor zijn dood; He went of himself = ging uit zich zelf; I have not seen much of you of late = je den laatsten tijd niet veel ontmoet; A time of all others = bovenal een tijd; He went there of a Sunday = op een Zondag; I like it of all things = ben er dol op; A man of ten thousand = uit duizenden; Blind of an eye = blind aan ’t ééne oog; Beware of the dog = wacht u voor; All of a heap = alles te zamen, op één hoop.
Off, of, adj., adv. en prep. weg, vandaan, ver, rechtsch; Off verb. er uit snijden: Hands off! = afblijven! Off with your hat! = je hoed af! Off his bedroom = naast; Off Dover = op de hoogte van; Off duty = vrij van dienst; Off the latch = niet in de klink; Off the road = van den weg af; Off the stage = achter de coulissen; How far is it off? = hoe ver is het? Off-and-on = af en aan, op en neer; Neither off nor on = besluiteloos; I am off, gentlemen = Heeren, ik ga weg; To be badly (well) off = het slecht (goed) hebben; To be off one’s head = krankzinnig zijn; To be off one’s legs = vermoeid, slecht ter been zijn, van de been zijn; He came off with a slight wound = ontkwam met; When will the concert come off? = plaatshebben; To dine off the joint = een eenvoudig maal gebruiken met een stuk vleesch waar men zelf afsnijdt; To go off = weggaan, zich in beweging zetten, verdwijnen, sterven: My ball went in off the red = verliep op (Bilj.); He would not let me off sixpence = geen schelling minder geven; I’ll let you off if it’s Van Houten’s Cocoa = je krijgt geen straf als het is; To put off = uitstellen, uittrekken, afzetten; To take off = wegnemen, afzetten (amputeeren), uittrekken (van kleeren): You have taken off his features admirably = merkwaardig goed uitgedrukt; He has a talent for taking off a person’s peculiarities = iemands eigenaardigheden na te bootsen; He took himself off = ging er vandoor; Off with you! = maak dat je weg komt; We have a day off, an off-day to-morrow = een vrijen dag; The governor allowed me four days off = vrije dagen; Off-chance = kans, uitzicht; Off-colour = verbleekt, niet in orde: The diamonds were a little yellow, off-coloured as they say at Kimberley = met gele tint; I do not like his off-hand manner = korte, hooghartige manier; An off-hand shot = een schot uit de vrije hand; To sell off-hand = uit de hand; I killed the animal off-hand = op slag; He recited the poem off-hand = voor de vuist weg; Off-handed = Off-hand; Off-horse = vandehandsche paard; Off-licence = “vergunning”, mits de drank niet in het lokaal gedronken wordt; Off-load = afladen; Off-print = overdrukje; Off-reckoning = op het traktement (van militairen) gekort geld; We journeyed for several hours without off-saddling = zonder uit den zadel te komen; Off-scouring = afschraapsel, uitvaagsel; Off-scum = schuim of uitvaagsel, droesem; London in the off-Season = als het Season over is (Zie Season); Off-set, subst. tegenrekening; uitlooper (van bergen), spruit (uit den wortel); Off-set verb. met een tegenrekening voldoen, voorzien in, opwegen tegen: The decrease was off-set by such means; Off-shoot = tak (uit den stam); Off-spring = kroost, kinderen, spruit, voortbrengsel; Off-street = zijstraat; Off-time = vrije tijd; Off-white = met gelige tint; Offing = deel der zee meer dan halfweg van kust tot horizon; We gained (took) the offing = wij kwamen in (kozen) volle zee; The steamer stood to the offing = hield zeewaarts aan; Offish = op een afstand (fig.): On and offish = nu eens wat beter, dan weer minder; Offward = van de kust afhoudend.
Offal, ofəl, afval, uitschot; adj. waardeloos.
Offence, əfens, beleediging, ergernis, aanval, overtreding: No offence = neem me niet kwalijk; You gave offence last night = gij gaaft aanstoot, waart beleedigend; To take offence at = aanstoot nemen, kwalijk nemen; He takes offence very easily = is zeer licht geraakt; Offend, əfend, beleedigen, aanstoot geven, overtreden, schenden, zondigen: He has offenceed against the laws of the country = heeft geschonden; He was offenceed at it = hij was er over geraakt; Offenceer = beleediger, overtreder, zondaar; Offensive, əfensiv, aanvallend, beleedigend, aanstootelijk, onaangenaam, walgelijk: Offensive and defensive alliance = offensief en defensief verbond; An offensive smell = walgelijke lucht; He stood on the offensive = ging aanvallend te werk; subst. Offensiveness.
Offer, ofə, subst. aanbod, aanbieding, voorstel, bod, poging; Offer verb. aanbieden, offeren, opofferen, bieden, bereid zijn, toevoegen, aandoen, opperen, beproeven, trachten: On offer = verkrijgbaar; He made no offer to break prison = deed geene poging om uit te breken; To offer a stubborn resistance to = hardnekkig weerstand bieden; To offer violence = aanvallen; I’ll offer to do it if you go me halves = ik ben bereid het te doen als gij half meebetaalt; He never offered to pay = maakte volstrekt geen aanstalten, mine; He did not offer to run away from us = trachtte niet; Many of the prisoners were offered up by the savages = als offers gedood; Offerer; Offering = aanbieding, offer(ande); Offertory, ofətəri, offertorium (deel der Mis); offerbus = Offer-box (Offer-plate).
Office, ofis, subst. ambt, dienst, bezigheid, functie, plicht, eeredienst, kantoor, bureau, dienstbodenkamer; Offices = bijgebouwen; liefdediensten, voorgeschreven gebeden; To be in office = aan het bestuur zijn; To come (get) into an office = een ambt aanvaarden; He gave (tipped) me the office = gaf me een heimelijken wenk, gaf me een tip (sport); To fulfil (perform) the last mournful office = den laatsten droevigen plicht; To leave (retire from) office = aftreden; To take office = een portefeuille, een hoog staatsambt aanvaarden; The Colonial Office = het Min. van Koloniën; Holy Office = Inquisitie; The Home Office = Min. van Binnenl. Zaken; Office-badge = insigne; Office-bearer = bedienaar van een ambt; Office-boy = loopjongen; Office-clerk = bediende; Office-hour = kantooruur; Office-hunter = baantjesjager = Office-seeker.
Officer, ofisə, subst. officier (= Military officer); dienaar, ambtenaar, beambte, politieagent; Officer verb. van officieren voorzien, aanvoeren: The officers of the court = griffier en klerken; Custom-house officers = kommiezen; A commissioned officer = officier door den koning by Commission (= officierspatent) aangesteld; Non-Commissioned officer = onderofficier; Superior officer = vlagofficier; Warrant officer = uit het korps onderofficieren by Warrant aangestelde officier, als kapelmeester, etc. ongeveer overeenkomend met onze Indische onderluitenants; The army was well officered = werd goed aangevoerd.
Official, əfiš’l, subst. ambtenaar; adj. ambtelijk, officiëel, ambts...; Official duties = ambtsbezigheden; Official Gazette = staatscourant; Official receiver = curator in een faillissement; The officials = beambten; officiëele berichten; Officialdom = bureaucratie: The Language of officialdom; Officiate, əfišeit, een ambt bekleeden; de godsdienstoefening leiden, officiëeren; Officious, əfišəs, officieus; gedienstig, Úvergedienstig, bemoeiziek; subst.; Officiousness.
Officinal, əfisin’l, ofisain’l: Officinal plants = geneeskrachtige planten.
Oft, oft, dikwijls: Many a time and oft = herhaaldelijk; Often, of’n, vaak, oftən, dikwijls; Oftness = herhaaldelijkheid; Ofttimes = dikwijls = Ofttimes.
Ogee, ədžî, ojief.
Ogilvie, oug’lvi.
Ogive, oudžaiv, ədžaiv, oudživ, spitsboog.
Ogle, oug’l, subst. wenk, lonk; Ogle verb. toelonken; Ogler.
Ogre, ougə, weerwolf, boeman; Ogr(e)ish, oug(ə)riš, boemanachtig; vr. Ogress, ougrəs.
Oh, ou, Och! Ach!
Ohio, əhaiou; Ohioan = (bewoner) van O.
Ohm, oum, Ohm (electr.).
Oil, ôil, subst. olie; Oil verb. olieën, smeren, olieachtig worden: Boiled oil = lijnolie; Salad (Table) oil; Sweet oil = olijfolie; Oil of roses; To burn the midnight oil = tot laat in den nacht studeeren; To go to oil = smelten; To pour oil on troubled waters = olie op de golven gieten (fig.); To strike oil = eene petroleumbron ontdekken; een gelukje hebben; That is like throwing oil into the fire = dat is olie in het vuur (fig.); Oil-bag = vetklier; Oil-cake = lijnkoek, raapkoek; Oil-cloth = wasdoek; zeil; Oil-colour = olieverf (dikwijls Oil-colours of Oils: A good portrait in oils = een goed portret in olieverf); Oil-cooking (Oil-heating) stove = petroleumstel (kachel); Oil-crusher = olieslager; Oil-lamp; He is in the oil and colour line = hij doet in olieën en verfwaren; Oilman = oliehandelaar = Oil-merchant; Oil-mill = oliemolen; Oil-painting = het schilderen (of eene schilderij) in olieverf; Oil-press; Oil-seed; Oil shale = laag; Oil-skin = gewaste taf; oliejas; Oilstone = oliesteen; Oil-well = olie- of petroleumbron; To oil (the hand of) a person = de handen smeren (fig.); She has a well oiled tongue = een gladde tong; Oiler = smeerder, oliekan; oliejas; Oiliness, subst. v. Oily = als olie, goed gesmeerd, zalvend, glad.
Oillet(te), ôilət, oog (plantk.); schietgat.
Ointment, ôintm’nt, zalf.
O.K., oukei, in orde, klaar, flink: He is O.K. and you had better give him no sauce = een flinke vent (verkorting van Ol Krekt, verbasterd uit all correct), en je moet maar niet brutaal tegen hem wezen.
Okapi, oukâpi, okapi.
Old, ould, oud, vroeger, gewoon, glad, slim: From old = van ouds; From old time = van oudsher; As in days of old = als in vroeger dagen; We have had a gay old time of it = ouderwets plezier gehad; Let’s talk over Boniface and old times = de dagen van weleer; Old age = oude dag, hooge leeftijd; The Old Country = Engeland; Old file = gierigaard; Old gentleman (Old gooseberry, Old Harry, Old Nick) = de duivel; He is an Old hand = slimme rot; ex-boef; Old maid = oude vrijster; Old man = ouwe heer, oude jongen, oudje; “den Ouwe” = kapitein; Old rye = whiskey; Old salt = bevaren matroos; Old Tom = sterke jenever; Old-beaten = beproefd; Old-clothes-man = oudskleer; Old-established = oud; Old-fangled, Old-fashioned = ouderwetsch; subst. Old-fashionedness; Old-maid = maagdepalm; His Old-world ideas = zijne ouderwetsche denkbeelden; Olden, adj. voormalig; Olden verb. verouderen, oud maken; In olden time = in vroeger dagen; Oldish = oudachtig; Oldness = oudheid; Oldster = bejaard heer, ouder lid, midshipman van ’t vierde jaar.
Oldham, ould’m; Oldys, ouldis, ouldz.
Oleaginous, ouliadžinɐs, olieachtig; zalvend.
Oleander, ouliandə, oleander.
Oleograph, ouliəgraf, oleographie.
Oleomargarine, ouliəmâgərîn, kunstboter.
Oleraceous, oləreišəs: Oleraceous plants = groenten.
Olfactory, olfaktəri, reuk...: Olfactory nerves = reukzenuwen; Olfactories = reukorganen, neus.
Oligarch, oligâk, lid van eene oligarchie; Oligarchic(al), oligâkik(’l), oligarchisch; Oligarchy = oligarchie.
Olio, ouliou, ouljou, mengelmoes, potpourri, soort haché.
Oliphant, olif’nt.
Olivaceous, oliveišəs, olijfkleurig; Olivary, oliv’ri, olijfvormig; Olive, oliv, subst. olijf, olijfgroen; adj. olijf...: The Mount of Olives = De Olijfberg; Olive-branch = olijftak (ook fig.), kind (Ps. CXXVIII, 3); Olive-oil = olijfolie; Olive-tree; Olive-yard = olijfberg.
Oliver, olivə: To give a Ro(w)land for an Oliver = met gelijke munt betalen; Olivia, əlivjə.
Olivet, olivət, oliviënkorrel.
Olla, olə, aarden kruik, poreuze kruik: Olla podrida, pədrîdə, Spaansche schotel (fijn gehakt vleesch in groenten gestoofd). Zie Olio.
Olmsted, omstəd, ɐmstəd.
Olympia, əlimpiə; Olympiad = Olympiade; Olympian = Olympisch, hemelsch; Olympiër; Olympic = Olympisch: Olympic games = O. spelen = Olympics.
Omasum, əmeis’m, boekpens, bladmaag.
Omber, Ombre, ombə, omberspel.
Ombrometer, ombromətə, regenmeter.
Omega, əmegə, əmîgə, ouməgə, omega, einde.
Omelet(te), oməlet, eierstruif: One cannot make omelets without breaking eggs = zonder moeite (opoffering) heeft men niets.
Omen, oum’n, subst. voorteeken; Omen verb. vóórbeteekenen, aankondigen; Ominous, ominɐs, onheilspellend; subst. Ominousness.
Omissible, əmisib’l, weglaatbaar; Omission, əmiš’n, weglating, verzuim: This is a fault of omission rather than of commission = de fout bestaat meer in de weglating dan in een bepaalde onjuistheid; Omissive = verzuimend, weglatend; Omit = nalaten, weglaten, verzuimen; Omittance: Omittance is no quittance = uitstel is geen afstel.
Omnibus, omnibɐs, omnibus; hulpkellner; Omnibus-bill = wetsvoorstel omtrent allerlei verschillende zaken (Am.); Omnibus-box = loge avant-scène; Omnibus-conductor; Omnibus-driver.
Omnipotence, omnipətens, almacht; adj. Omnipotent.
Omniprescence, omniprez’ns, alomtegenwoordigheid; adj. Omnipresent.
Omniscience, omnišəns; alwetendheid; adj. Omniscient.
Omnium-gatherum, omniəmgadhərɐm, allegaartje.