Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 30

Chapter 303,209 wordsPublic domain

Curb, kɐ̂b, subst. trens (aan een paardetoom), kinketting (= Curb-chain); trottoirband (= Curbstone); spat (bij paarden); beperking, dwang; Curb verb. beperken, bedwingen, leiden, een trens aandoen: To put a sharp curb upon = streng in toom houden; Curb-roof = mansarde (dak).

Curd, kɐ̂d, subst. wrongel, geklonterde melk (gew. Meerv.); Curd verb, klonteren, (doen) stremmen; Curdle = (doen) stremmen, stollen, klonteren: This novel is a regular curdler = een echte sensatieroman; Curdy = geklonterd.

Cure, kjûə, subst. genezing, herstel; zielzorg, geneesmiddel; Cure verb, herstellen, genezen, inmaken, zouten, pekelen, rooken, drogen: He has a cure of souls = is de zielverzorger van..; This hamlet is in his cure = de zielzorg... is hem toevertrouwd; I will cure him of his cheek(iness) = zijne brutaliteit afleeren; My mother cured the servant of followers = leerde af er vrijers op na te houden; What cannot be cured must be endured = men moet zich in het onvermijdelijke schikken; Cure-guest = badgast; Curer = genezer, geneesmiddel; inzouter, rooker; Cureless = ongeneeslijk.

Curfew, kɐ̂fjû, poortklok; vieravond; avondklok = Curfew-bell.

Curialistic, kjûriəlistik, tot de curie behoorend.

Curing-house, kjûriŋhaus, suikerraffinaderij; zouterij.

Curio, kjûrjou, rariteit; Curiosity, kjûriositi, nieuwsgierigheid, zonderlingheid, rariteit: Curio-monger = nieuwtjeslooper; Curio-shop = winkel met antiquiteiten; Curious, kjûriəs, zonderling, zeldzaam, keurig, nieuwsgierig, moeilijk te voldoen; subst. Curiousness; Curioso, kjûriousou, verzamelaar v. curiosos; zonderling.

Curl, kɐ̂l, subst. krul, golving, kronkeling; aardappelziekte; Curl verb. krullen, kronkelen, golven, kabbelen; Curler = Curling speler; Curliness = krulligheid; Curling = een spel op het ijs waarbij groote gladde steenen met handvat naar een doel, de tee, worden geslingerd (Schotl.); Curling-tongs (Curl-irons) = frizeerijzer; Curly = gekruld, krullig, golvend.

Curlew, kɐ̂ljû, wulp.

Curmudgeon, kɐ̂mɐdž’n, vrek, onaangenaam mensch, vlegel; Curmudgeonly = vrekachtig.

Currant, kɐr’nt, krent, aalbes (= Red currant), zwarte aalbes (= Black currant), kruisbes (= Rough currant); Currant-cake.

Currency, kɐr’nsi, stroom, loop, omloop, circulatie, gangbaarheid, waarde, koers, gangbare munt, schatting; Current, kɐr’nt, subst. stroom, loop; adj. stroomend, gangbaar, algemeen verspreid of aangenomen, loopende, tegenwoordige: To pass current = gangbaar zijn; Atmospheric currents = luchtstroomen, winden; The current month = loopende; Of this current = dezer (maand) = instant; He reported it currently = vertelde het overal.

Curricle, kɐrik’l, subst. een licht 2-wielig rijtuig gewoonlijk met twee paarden; Curriculum, kərikjəlɐm, cursus (aan Schotsche universiteit, etc.).

Currier, kɐriə, leertouwer; Curriery = ambacht of werkplaats van een currier.

Curry, kɐri, subst. kerrie; Curry verb. met kerrie (Curry-powder) kruiden; leer touwen (opmaken na het looien); roskammen, afranselen: He curried favour with the Royalists = hij trachtte bij de R. in de gunst te komen; Curry-comb, kɐrikoum, roskam.

Curse, kɐ̂s, subst. vloek, vervloeking, verdoeming; Curse verb. vloeken, vervloeken, bezoeken, teisteren: I do not care a curse = ik geef er geen lor om; A cursed calumniator = vervloekte lasteraar.

Cursitor, kɐ̂sitə, vroegere griffier in het Court of Chancery.

Cursive, kɐ̂siv, subst. en adj. loopend (schrift); Cursores, kɐ̂sôrîz, loopvogels; Cursoriness = vluchtigheid; Cursory, kɐ̂səri, haastig, vluchtig.

Curt, kɐ̂t, kortaf, barsch; subst. Curtness.

Curtail, kɐ̂teil, verkorten, verminderen, beperken; afsnijden, kortstaarten; subst. Curtailment = verkorting, enz.

Curtain, kɐ̂tin, subst. gordijn (van bed, enz.). schuifgordijn of overgordijn (voor het raam), scherm (tooneel); tusschenwal, die twee bastions verbindt; Curtain verb. met gordijnen omsluiten, omhullen: Nothing could curtain in the tender light of her eyes = verdonkeren; Curtain-lecture = bedsermoen; Curtain-raiser = vóórstukje; Curtain-rings.

Curtal, kɐ̂t’l, subst. hond met korten staart (= Curtal-dog); adj. m. korten staart, beknopt.

Curtilage, kɐ̂tilidž, erf.

Curtle-axe, kɐ̂t’laks = Cutlass.

Curts(e)y, kɐ̂tsi, subst. dienaresse, buiging; Curtilage verb. eene buiging maken = To drop (make) a curtilage.

Curule, kjûrûl, adj. curulisch: Curule seat = curulische stoel, ambtelijke zetel; Curule triumph = zegetocht.

Curvation, kɐ̂veiš’n, kromming = Curvature, kɐ̂vətšə; Curvate(d), kɐ̂veit(id), gekromd, gebogen; Curve, kɐ̂v, subst. kromme lijn, bocht; adj. gebogen (Curving); Curve verb. regelmatig buigen of krommen.

Curvet, kɐ̂vet, kɐ̂vət, subst. korte boogsprong; bokkesprong; Curvet verb, springen, dartelen.

Curviform, kɐ̂viföm, boogvormig; Curvilineal, kɐ̂vilinj’l, kromlijnig.

Cushat, kɐšət, kušət, ring- of woudduif.

Cushion, kuš’n, subst. kussen, buffer, samengeperste stoom (lucht), biljartband; Cushion verb, op een kussen plaatsen, van kussens voorzien; een bal bij den band brengen; over de band spelen (Amer.), smoren; Cushionet = kussentje; Cushiony = week; dik en vet.

Cusp, kɐsp, hoorn (van de maan), uitstekende punt, oneffenheid (in het ijs; ook purl genoemd); Cuspidate(d), spits uitloopend.

Cuss, kɐs (= Curse), (baloorige) vent (Amer.); Cussedness = boosaardigheid, dwarsheid (Am.).

Custard, kɐstəd, vlade; Custard-cup = vladeglaasje of -kopje.

Custodian, kɐstoudj’n, custos, conservator, voogd; adj. Custodial; Custody, kɐstədi, bewaring, hoede, hechtenis.

Custom, kɐst’m, subst. gewoonte, gebruik, klandizie, nering; inkomend recht; jaarlijksche offerande van menschen (bij de Ashantijnen): He lost her custom = klandizie; It was the (a) custom with them = was gebruikelijk bij hen; Customs = in- en uitgaande rechten en accijnzen (ook Duties); Custom-free = onbelast; Custom-house = douanenkantoor; Custom-house officer = tolbeambte; Custom-law = tariefwet; Customable = belastbaar; Customariness = gebruikelijkheid; Customary = gewoonlijk, gebruikelijk: Customary law = gewoonterecht; Customer = klant, kwant: I know my customers = ik ken mijn volkje; A queer customer = rare klant.

Custos, kɐstos, bewaarder: Custos brevium = griffier (bij het vroegere Court of Common Pleas. Zie Court); Custos rotulorum = vrederechter van een graafschap, en bewaarder der akten van de Quarter Sessions.

Cut, kɐt, subst. snede, hak, gapende wonde; houw, zweepslag, schok; kanaal, kortere weg; afgesneden stuk, coupon, prent, plaat, het coupeeren (bij kaartspel); vorm, fatsoen, snit; Cut verb. snijden, slijpen, afsnijden, verdeelen, hakken, kappen, maaien, diep treffen of aandoen, bijten, grieven, coupeeren (van kaarten), drukken; zich snijden, uitsnijden, een kuitenflikker slaan: Let us draw cuts = laten we er om trekken (wie het langste stuk papier, etc. krijgt); He gave me the cut = negeerde me; He took a short cut = nam den kortsten weg; A cut-and-come-again = groot stuk vleesch, overvloed, zoodat de gasten zich naar hartelust kunnen bedienen; A cut and dried theory = pasklaar gemaakte; The cut-and-thrust hero in a melodrama = de vechtersbaas; He is of the same cut with the rest = van het zelfde slag; That was an unkind cut indeed = dat was al heel onhartelijk; That’s where it cuts = dat is het pijnlijke ervan; Let us cut = uitsnijden, er van door gaan; To cut an acquaintance = negeeren, niet willen kennen; Cut your scientific cackle = schei uit met je wetenschappelijk gewauwel; He cut a caper = hij maakte een bokkesprong; Cut your coat according to your cloth = zet de tering naar de nering; He cuts a dash = maakt veel vertoon; He cut a noble figure = speelde een mooie rol, gedroeg zich kranig; I will cut the lecture = ga niet naar ’t college; To cut to pieces = in stukken snijden, hakken; To cut somersaults = buitelingen maken; He cut his stick = schuurde zijn piek; To cut one’s wisdom-tooth = zijn verstandskies krijgen; Let us cut across here = laten we hier dwars oversteken; To cut asunder = scheiden; Cut away = ga je gang; To cut both ways = voor tweeërlei uitlegging vatbaar; To cut dead = volkomen negeeren; To cut it fat = opsnijden; To cut up rough = grof worden; To cut short = in de rede vallen en den mond snoeren; The premier was cutting down trees = was bezig met boomen omhakken; Cut down = afbikken, afhakken, verkleinen, besnoeien; Here the old woman cut in = viel in de rede; I tried to cut in, but my samples did not please him = trachtte mijn artikel er in te werken; He was cut off in the midst of his work = afgeroepen (door den dood); He was cut off with a shilling = onterfd = Cut out of the will; I shall try to cut him out = ik zal trachten, hem een beentje te lichten; He cut me out with a woman = hij drong zich in mijne plaats bij; He is cut out for a teacher = voor onderwijzer geknipt; He could not cut out a coat = geen jas knippen; The piece of cloth was cut up = doorgesneden; He was cut up by his friend’s death = kapot van; The book was cut up by all the critics = werd doorgehaald; He has cut up well = veel geld nagelaten; Don’t cut up rusty about it = word er maar niet boos om; That merchant cut under = verkocht de goederen onder de waarde; A cut-glass water-bottle = waterkaraf van geslepen glas; A cut-away coat = jas met rondgesneden panden; Cut-grass = galigaan; Cutpurse, kɐtpɐ̂s, gauwdief, zakkenroller; Cut-throat = moordenaar; adj. moorddadig; Cutwater = bruggehoofd, golfbreker, scheepsneb; Cutworm = larve van een uiltje; Cutter = hakker, snijder, coupeur, mes; kotter, boot (bij oorlogschepen), lichte slede (Amer.); Cuts = steenen, gebruikt om de bogen van vensters enz. te maken: To play cuts = een pandspel (“Alle vogels vliegen”); Cutting = subst. scheiding, verdeeling, reepje, uitgraving (v. een heuvel, om kanaal of weg te maken); adj. scherp, grievend: He sent me several cuts from the London papers = courantenreepjes, uit de bladen geknipt; Cut sorrow = schrijnende smart.

Cutaneous, kjuteinjəs, tot de huid behoorend, huid...

Cutch, kɐtš = Catechu.

Cute, kjût. Zie Acute.

Cuticle, kjûtik’l, opperhuid, vlies (op dranken); Cuticular = huid..; Cutis, kjûtis, huid.

Cutlass, kɐtləs, breede kromme sabel, hartsvanger.

Cutler, kɐtlə, messenmaker; Cutlery = messenmakerszaak, scherpe werktuigen.

Cutlet, kɐtlət, cotelette.

Cuttle(-fish), kɐt’l(fiš), inktvisch.

Cutty, kɐti: Cuttypipe = neuswarmertje; Cutty-sark = vrouwenhemd; Cutty-stool, kɐtistûl, vrouwelijk zondaarsbankje in Schotsche kerken in vroeger tijd.

Cuvette, kjuvet, lepelvormig chirurgisch instrument; steenen smeltkroes.

Cwt, 112 Eng. ponden (Verkorting van Centum + weight) ± 50,8 K.G. Zie Hundred-weight.

Cyanogen, saianədžen, cyaan; Cyanosis, saiənousis, blauwziekte.

Cybele, sibəli; Cyclades, siklədîz.

Cyclamen, sikləmen, alpenviooltje.

Cycle, saik’l, subst. kringloop, tijdkring, cyclus (van legenden), rijwiel; Cycle verb. ronddraaien, fietsen: Cycle of indiction = tijdperk van 15 jaar; Cycle of the moon, of Metonic cycle = guldengetal = tijdperk van 19 jaar, waarna nieuwe en volle maan op dezelfde dagen der maand terugkeeren: Cycle of the sun = zonnecirkel (28 jaar); To cycle over from X.; Cycling-costume (Cycling-tour) = fietskostuum (-tocht); Cyclist = Cycler.

Cyclic(al), siklik(’l), tot een cyclus behoorend: Cyclic poets = navolgers van Homerus, die allen den Trojaanschen oorlog tot onderwerp hunner epische poëzie kozen; Cyclic chorus = het koor te Athene dat, zingende, om het altaar van Bacchus danste.

Cyclone, saikloun, cycloon, wervelstorm; adj. Cyclonic.

Cyclopaedia, saikləpîdjə, encyclopaedie; adj. Cyclopaedic of Cyclopaedic.

Cyclopean, saikləpîən, tot de Cyclopen behoorend; reusachtig; Cyclops, saiklops; meerv. Cyclopes, saikloupîz.

Cyclorama, saiklərâmə, cyclorama.

Cyclostyle, saikloustail, cyclostile.

Cygnet, signət, jonge zwaan.

Cylinder, silində, cylinder, wals, rol, ziel, kaliber: A green tin cylinder = botaniseerbus; adj. Cylindric(al); Cylindriform.

Cymar, saimə, simâ, licht opperkleed, sjerp.

Cymbal, simb’l, bekken.

Cymbiform, simbiföm, bootvormig.

Cymric, kimrik, Kimbrisch; Cymry, kimri, Kimbren; An old Cymro.

Cynic, sinik, subst. cynisch persoon; adj. hondsch, cynisch; Cynics = de school der cynische wijsgeeren (door Antisthenes gesticht); adj. Cynical; Cynicism = cynisme.

Cynosure, sinəšə, sainəšə, middelpunt v. aantrekking; de kleine Beer; poolster, leidster.

Cynthia, sinthiə.

Cypher, Zie Cipher.

Cypress, saipres, cypres; soort krip; adj. gestreept.

Cyprian, sipriən, van Cyprus; Cypriote, sipriout, bewoner van C.; Cyprus, saiprəs; Cyprus; krip.

Cyrus, sairəs.

Cyst, sist, blaas, beursgezwel; Cystic worm = lintworm; Cystitis, sistaitis, ontsteking van de blaas.

Cytherea, sithərîə; adj. Cytherean.

Czar, zâ, keizer, czaar; Czarevna, zârevnə, vrouw van den czarewitz; Czarina, zârînə, keizerin, vrouw van den czaar; Czarowitz, zârəvitš, oudste zoon van den czaar.

Czech, tšek, Czech; Czechisch(e taal).

D.

D. di, D.; 500 (D̄ 5000); doctor; date, day; died; denarius (= penny); damn; (ook verb.): The big D = groote vloek (D. = Damn); ’d = had, would; D.D. = Divinitatis Doctor; M.D. = Medicinae doctor; D.C.L. = Civilis Legis Doctor; L.L.D. = Legum Doctor; Dec(ember); De(l) = Delaware; Deut(eronomy); Div. = Divide, Dividend, Division, Divisor; D.Lit(t) = Litterarum Doctor; D(ead) L(etter) O(ffice); Do. = Ditto; Doz(en); On the D(ead) Q(uiet) = in strikt vertrouwen; D.T. = Delirium Tremens; Du(t). = Dutch; D(eo) V(olente); Dwt. = Pennyweight; D.W.T. = D(eclined) W(ith) T(hanks) = beleefd afgewezen (van een bijdrage).

Dab, dab, subst. klompje, vlak, klad; tik, pik; schar (ook allerlei platvisch); meester, kraan; Dab verb. zacht kloppen (met een vochtig of zacht werktuig); pikken; bevuilen; clicheeren; adj. knap: He is a dab at cricket = knap in; She dabbed at her hair with a brush = ging hier en daar even over; Dabber = hij die clicheert; tampon; Dabster = meester, kraan.

Dabble, dab’l, besprenkelen, bevochtigen, plassen; knoeien, liefhebberen: He dabbled at his forehead with a pocket-handkerchief; He dabbles in politics = liefhebbert in; Dabbler = knoeier, stumper.

Dabchick, dabtšik, pas uitgekomen kuiken; kuifduiker = Dipchick.

Da Capo, dâkâpou, Da Capo.

Dace, deis, serpeling of witvisch.

Dacia, deišə, Dacië; Dacian, Dacisch.

Dacoit, dakôit, bandiet, roover (Brit. Ind.); Dacoitage, Dacoity = rooverij door dacoits.

Dactyl, daktil, dactylus (– ⏑ ⏑); vinger, teen (anatom.); Dactylar, Dactylic, daktilik, uit dactylen bestaande; een dactylische versregel; Dactylioglyph, daktiljəglif, ringgraveur, inschrift; Dactylology, daktilolədži, vingerspraak.

Daddle, dad’l, waggelen.

Dad(dy), dad(i), paatje; Daddy-long-legs, dadiloŋlegz, langpoot mug; hooiwagen; langbeenig mensch.

Dado, deidou, dâdou, vlakke voorzijde van een voetstuk, soort van lambrizeering.

Daedalus, dedəlɐs.

Daffodil, dafədil, affodil. Zie Asphodel.

Daft, daft, subst. bot van geest, dwaas, gek; subst. Daftness.

Dagger, dagə, subst. dolk, kort zwaard, leesteeken (†); Dagger verb. doorsteken: At daggers drawn = klaar om te vechten; op hoogst gespannen voet; To look daggers at a person = iemand met zijn blikken doorboren; To speak daggers to a person = vlijmscherp toespreken; Dagger-plant = Jucca.

Daggle, dag’l, door het slijk sleepen, door den modder loopen; Daggle-tail = slordevos, = Daggle-tailed = slordig, bevuild.

Dago, deigou, scheldnaam voor elk Spaansch of Portugeesch sprekend matroos.

Dagonet, dagənet.

Daguerreotype, dəgerətaip, subst. daguerreotype; Daguerreotype verb. daguerreotypeeren.

Dahabeeyah, Dahabieh, dâhâbîə, Egyptisch vaartuig, voornamelijk voor den Nijl.

Dahlia, dâljə, deiljə, dahlia.

Dahomey, dəhoumi.

Daily, deili, subst. dagblad; adj. dagelijksch: Daily News = naam van een Eng. dagblad.

Daimio, daimiou, groote leenheer, vazal van den Mikado (Japan).

Daintiness, deintinəs, fijnheid, verweekelijking, kieskeurigheid, lekkerheid; Dainty, deinti, subst. lekkernij; adj. lekker, kieskeurig, sierlijk, fijngevoelig: My dainty = lieve; ’Don’t be dainty’ = (opschrift op een) slabbetje; Dainty-mouthed = kieskeurig.

Dairy, dêri, subst. melkhuis, melkwinkel; Dairy-farm = melkboerderij; Dairy-house = melkhuis; Dairymaid = melkmeid; Dairyman = melkboer.

Dais, dei-is, estrade, met een troonhemel overdekte troon.

Daisy, deizi, subst. madeliefje; adj. keurig, prima: Daisied meadow = vol madeliefjes; Daisy-cutter = dravend paard, dat zijne pooten niet hoog oplicht; Cricket-bal, die laag over ’t veld vliegt; Daisy-picker; Zie Gooseberry-picker.

Dak, dak, brievenpost in Brit. Indië.

Daker, deikə, Dakir, tien stuk of paar; Daker-hen, wachtelkoning.

Dakoit, dakôit = Dacoit.

Dakota, dakoutə; adj. Dakotan.

Dalai Lama, dəlailâmə, opperpriester.

Dale, deil, dal; Dalesman = dalbewoner, vooral op de grens tusschen Engeland en Schotland.

Dalhousie, dalhûzi; Dalkeith, dalkîth.

Dalliance, daliəns, het dartelen, stoeien; Dally = dartelen, beuzelen, treuzelen, talmen.

Dallop, daləp, bosje (gras).

Dalmatia, dalmeišə, Dalmatië; Dalmatian = Dalmatiër, Dalmatisch.

Dalmatic(a), dalmatik(ə), dalmatica.

Dalrymple, dalrimp’l, dalrimp’l; Dalston, dôlst’n.

Daltonian, dôltounj’n, kleurenblinde; Daltonism, dôltənizm, kleurenblindheid.

Dalzel(l), dalzel, deiel; Dalziel, deiel, diel.

Dam, dam, subst. moer, wijfje; dam; sloot (Austr.); Dam verb. stuiten, afdammen.

Dam, dam. Zie Dawm.

Damage, damidž, subst. schade, nadeel, kosten, averij; Damage verb. beschadigen, schade lijden, toetakelen: What’s the damage? = hoe groot zijn de onkosten, wat ben ik schuldig? Damages = schadevergoeding; Damageable = beschadigbaar; Damaged = beschadigd, bedorven.

Damascene, daməsîn, damasceeren; subst. damastpruim (ook Damask-plum); adj. v. Damascus; Damascus blade = Damascener zwaard.

Damask, daməsk, subst. damast; adj. lichtrood; Damask verb. bloemen in stoffen werken (damast weven), staal met goud of zilver inleggen, damasceeren; Damask-steel = Damascus-staal; Damaskeen, daməskîn, daməskîn, damasceeren; Damassin, daməsin, damast, met bloemen van goud- en zilverdraad doorweven.

Damboard, damböd, dambord.

Dame, deim, deftige dame, vrouwe, matrone; dorpsschoolmaitres; ouderwetsche bewaarschoolhouderes; de Dame, thans de Assistant-Master, by wie(n) de externe leerlingen (The Oppidans) van Eton College in den kost zijn; Dame’s-violet, Dame-wort, nachtviooltje.

Damietta, damietə, Damiette.

Damn, dam, verdoemen, veroordeelen, vloeken: It is not worth a damn = het is geen lor waard; Damnable = verdoemelijk, vervloekt, kolossaal; Damnation, damneiš’n, subst. verdoeming, verdoemenis; interj. vervloekt; Damnatory = verdoemend, verdoemings...; Damnific = schadelijk; Damnify = schade veroorzaken, beschadigen (Jur.); Damning = verpletterend (bewijs).

Damoclean, daməklîən, van D.: Damoclean sword; Damocles, daməklîz, Damocles.

Damon, deim’n.

Damosel, daməzel. Zie Damsel.

Damp, damp, subst. vochtigheid, nevel, uitwaseming, neerslachtigheid; adj. vochtig, saai, neerslachtig, kil; Damp verb. vochtig maken, verkillen, verzwakken, ontmoedigen, smoren, dempen, dof maken: His presence threw a damp on our joy = was als een emmer koud water; Dampen = bevochtigen; ontmoedigen; Damper = demper, sleutel (in een kachelpijp), toondemper; ongezuurd brood (Austr.); teleurstelling, ontmoediging: He puts a damper on every thing I do or say = hij beneemt me den moed bij; Dampish = eenigszins vochtig; subst. Dampishness; Dampness = vochtigheid.

Dampier, dampî.

Damsel, damz’l, jonge deern, jonkvrouw; Damsel-fly = waterjuffer.

Damson, damz’n, damastpruim: Damson cheese = conserf van deze pruimen.

Dan, dan, Heer: Dan Cupid; Daniel, Dan; From Dan to Beer-sheba (biəšîbə, biɐ̂šibə) = overal, op alle punten.

Danaid, danəid; Danaidean, deinəidiən, danəidiən.

Dance, dâns, subst. dans, bal; Dance verb. dansen, rondspringen; laten dansen: He danced attendance on (to) the powerful = liep de groote lui na; Dance of death = doodendans; He led me a jolly dance = hield me leelijk aan het lijntje; Dancer = danser; Dancing: Dancing-girl = Indische danseres; Dancing-master; Dancing-mistress = balletmeesteres; Dancing-room = danszaal; Dancing-school.

Dandelion, dandelaiən, leeuwetand.

Dander, dandə, subst. toorn; roos (= Dandruff); Dander verb. treuzelen, zeuren, stotteren: He got (had) his dander (dandriff) raised = hij werd woedend.

Dandify, dandifai, zich adoniseeren.

Dandiprat, dandiprat, dreumes.

Dandle, dand’l, liefkoozen, spelen met, laten dansen (op de knie): The mother dandled him to rest.

Dandriff, dandrif, Dandruff, dandrəf, roos.

Dandy, dandi, fat, pronker; soort vaartuig, jolleman op den Ganges; soort palankijn; iets keurigs; adj. fatterig; Dandy-cock (Dandy-hen) = Bantamsche haan (hen); Dandy-horse = ouderwetsche tweewieler; Dandy-rigged = met Dandy tuig; Dandyish = fatterig.

Dane, dein, Deen: Great Dane = Deensche dog; Danegeld, deingeld, jaarlijksche belasting, in vroeger tijd opgelegd ter verdediging tegen de Denen; Danelagh, deinlôg, Dane law = Deensch recht (9e eeuw), het gebied hiervan.

Dane-wort, deinwɐ̂t, lage vlier, paarsche anemoon.

Danger, deinžə, gevaar; Danger-signal = onveilig sein (bij spoorwegen); Dangerous = gevaarlijk; subst. Dangerousness.

Dangle, daŋg’l, slingeren, bengelen; achterna loopen; Dangler = vrouwengek; sleepsabel.

Dan(iel), dan(j’l).

Danish, deiniš, Deensch(e taal).

Dank, daŋk, subst. vochtigheid; adj. vochtig.

Dantesque, dantesk, in den stijl van Dante, somber, verheven.

Danube, danjûb, Donau; Danubian, dənjûbj’n, Donau - -.

Dap, dap, het aas voorzichtig in ’t water neerlaten.

Daphne, dafni, Daphne; peperboompje.

Dapper, dapə, netjes, wakker, kregel.

Dapple, dap’l, subst. spikkel; adj. gevlekt; Dapple verb. bespikkelen; Dapple-grey = appelgrauw (paard).

Darby, dâbi: Darby and Joan = de Eng. Philemon en Baucis.

Darbies, dâbiz, handboeien.

D’Arblay, dâblei.

Darbyites, dâbiaits, godsdienstige sekte, ook Plymouth Brethren genoemd.

Dardanelles (The), dâdənelz, de Dardanellen.

Dardania, dâdeinjə, Dardanië; Dardanian.

Dare, dêə, durven, wagen; tarten, uitdagen; leeuweriken onder schot of in ’t net brengen, door ze met behulp van een houten bord met spiegeltjes (a dare) te verblinden: I dare say = ik durf wedden; I daresay, dêəsei, voorwaar; I dare you to do it = tart u; Dare-devil = waaghals; roekeloos; Daring, subst. vermetelheid; adj. onverschrokken, moedig; Darenet, slagnet.

Darg, dâg, subst. dagwerk, dagtaak; Darg verb. een dagtaak verrichten (Schotl.).

Darius, dəraiəs; Darjeeling, dâdžîliŋ.

Dark, dâk, subst. duisterheid, onwetendheid; adj. duister, donker, somber, heimelijk, ontmoedigend, slecht, blind, onzeker, donker uitziend: Dark Ages = Middeleeuwen; Darkblue = de kleur van de studenten van Oxford (Sport); Darkchamber, Darkroom (phot.); Dark lantern = dievenlantaarn; After dark = na donker; He rides a dark horse = hij voert wat in het schild; Then I had my dark hour = droevig uur; I fear I shall go dark = blind worden; I have kept it dark = geheim; He has kept me in the dark = hij heeft mij onwetend gehouden; Darken = verduisteren, verdonkeren, zwart maken, bezoedelen, blind maken, duister worden: You shall darken my doors no more = komt me nooit weer over den drempel; Darkish = vrij duister; Darkle = duister worden; Darkling, adj. somber, droevig; adv. in het donker, blindelings; Darkly = in ’t geheim, geheimzinnig; Darkness = duisternis, verborgenheid, blindheid, onwetendheid; Darksome, dâks’m, somber, duister; Darky = zwartje, neger; dievenlantaarn.

Darling, dâliŋ, subst. lieveling: My darling = lieverd; adj. geliefd.

Darn, dân, subst. stop; adj. vervloekt (Amer.); Darn verb. stoppen, mazen: The darnest fool I ever saw = grootste gek; Darner = stopnaald, stopper of stopster; Darning-needle; Darning-yarn.

Darnel, dân’l, dolik.

Dart, dât, subst. pijl, schicht, werpspies; sprong; Dart verb. (een pijl) schieten, (eene lans) werpen, schieten (v. stralen), wegsnellen, losstormen op (at, on): To dart rays.

Darwin, dâwin; adj. Darwinian; Darwinism = Darwinianism.