Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 120

Chapter 1203,269 wordsPublic domain

Snig, snig, kleine aal; Sniggle, aalvangen met het aas op een naald, die vastgemaakt is aan een lijn, en die met een kort stokje in de gaten gestoken wordt, waar men aal denkt te vinden; verstrikken, vangen; Sniggler.

Snigger, snigə, subst. gegichel; Snigger verb. gichelen; Z. Snicker.

Snip, snip, subst. snipper, stukje; kleermaker; Snip verb. afknippen: You’ve only to say “snip” and my girl will say “snap” = zegt, “kip ik heb je”; Snip-snap = scherpe woordenstrijd; Snipper = kleermaker; Snipper-snapper = kwast, sukkel.

Snipe, snaip, subst. snip; beunhaas (Amer.); Snipe verb. op snippen schieten.

Snippet, snipət, deel, stuk: Knowledge in snippets = bij stukjes en beetjes; A short story, a mere snippet; Snippety = kort afgebroken: His style, though too snippety, is clear and forcible = schoon wat hakkelig.

Snivel, sniv’l, subst. snot; huichelarij; Snivel verb. snuiven, snotteren; grienen, temen; Sniveller.

Snob, snob, poen, parvenu, onderkruiper; ploert (studententaal); Snobbery = naäperij der groote lui, poenigheid; adj. Snobbish; subst. Snobbishness = Snobbism; Snobocracy, snobokrəsi, de would-be groote lui.

Snood, snûd, haarlint, dun lijntje waardoor de haak aan het hengelsnoer wordt bevestigd; ook verb.

Snoodle, snûd’l, gezellig of vertrouwelijk samen zitten: The old couple sat snoodled together, beaming with happiness.

Snook, snuk, op den loer liggen: Never again will I cut a snook, Sir = ik zal nooit weer iets in ’t geniep doen.

Snoop, snûp, (Amer.) snuffelen; subst. snuffelaar, bemoeial: He went about snooping (Amer.) = hij bemoeide zich met alles en nog wat.

Snooze, snûz, subst. dutje, slaapje, bed; Snooze verb. dutten: To take a snooze; Snoozer.

Snore, snö, subst. gesnork; Snore verb. snorken; Snorer.

Snort, snöt, subst. het snuiven (paard); Snort verb. krachtig uitsnuiven; Snorter.

Snot, snot, snot, snotneus; Snottiness, subst. v. Snotty = snotterig, vuil, smerig.

Snout, snaut, subst. snuit, neus, mondstuk; Snout verb. van een mondstuk voorzien.

Snow, snou, subst. sneeuw, snauw (soort vaartuig); Snow verb. sneeuwen, als sneeuw neervallen; Snowed in = ingesneeuwd; Snowed under = ondergesneeuwd, gevallen (v. een kandidaat bij verkiezingen, Amer.); Snowed up = ingesneeuwd; Snowball, subst. sneeuwbal (ook: Geldersche roos); neger (ironisch); Snowball verb. met sneeuwballen gooien = To play at (pitch, throw) snowballs; Snow-blind = sneeuwblind; Snow-bound = ingesneeuwd; Snow-broth = sneeuwwater, zeer koude drank; Snow-bunting = sneeuwvink; Snow-capt = met sneeuw op den top = Snow-crowned; Snow-drift = sneeuwbank, hoop samengejaagde sneeuw; Snow-drop = sneeuwklokje; Snowflake = sneeuwvlok; Snow-limit = Snow-line = sneeuwgrens; Snow-plough = sneeuwploeg, sneeuwopruimer; Snow-shed = reeks van afdaken om eene spoorbaan voor sneeuwstormen te vrijwaren; Snow-shoe = sneeuwschoen; Snow-slip = sneeuwstorting, lawine; Snow-storm = sneeuwjacht met harden wind; Snow-white = sneeuwwit; Snowlike = sneeuwachtig, sneeuwwit = Snowy.

Snowdon, snoud’n.

Snub, snɐb, subst. knoest; berisping, afwijzing; stompneus; Snub verb. afsnauwen, bits antwoorden, afwijzen, knotten: The cable was snubbed = de lijn werd plotseling onder het afloopen ingehouden; Snub-nose = stompneus, platneus; adj. Snub-nosed.

Snuff, snɐf, subst. opsnuiving, snuif, snuitsel (van eene kaars); Snuff verb. snuiven, opsnuiven, besnuffelen, kwalijk nemen: A candle with a long snuff = verkoolde pit; A pinch of snuff = snuifje; He is up to snuff = glad, laat zich niet beetnemen; To take snuff = snuiven; To take snuff at = kwalijk nemen; Snuff-box = snuifdoos, neus (ironisch); Snuff-taker = snuiver; Snuffers = (kaars)snuiter; Snuffiness, subst. v. Snuffy; Snuffle, snuiven, door den neus spreken; Snuffles = verkoudheid: He has got the snuffles = hij haalt moeilijk adem en spreekt alsof hij zwaar verkouden is; Snuffy = als snuif, met snuif bemorst, verkouden, verdrietig, dronken.

Snug, snɐg, adj. gezellig, dicht opeengepakt, verscholen, sluw; Snug verb. zich vlijen tegen: We kept it (nice and) snug = hielden het geheim; To lie snug = zich verdekt opstellen; Snuggery = gezellig warm vertrek, gelagkamer: This room is the most comfortable snug in the house = het aangenaamste vertrek v. het huis; Snuggish = behagelijk; Snuggle = zich vlijen tegen: The child snuggled close to its mother = vlijde zich tegen zijne moeder aan; Snugness = behagelijkheid, etc.

Snur, snɐ̂, snorken: The sleeping lions made a snurring sound.

So, sou, zoo, dat, zulks, zoodanig, dus, mits: Mr. So-and-so = Meneer “Dinges”; The Baron Thus and so; Do it so as to please your parents = zóó dat gij; Your so-called friends = zoogenaamde; So help me God = zoo waarlijk helpe mij God Almachtig; So far so good (right) = tot hiertoe is ’t in orde, gaat het goed; And so forth (on) = enzoovoort; So long = adieu, tot ziens! So many dinners for so many persons = een zeker aantal; He did not so much as thank me = niet eens; That is so much the better = zooveel te beter; It is but so-so, don’t you think so too? = het is maar zoozoo (lalà) vindt gij dat ook niet? To be so-so = niet lekker, niet dàt; An hour or so afterwards; It’s raining so = het regent zoo; As the master so the man = zoo heer zoo knecht; If it were so = als het zoo ware; So to say = als het ware, om zoo te zeggen; I don’t care why you laugh, so that (so as) you laugh = als ge maar lacht; I told him to go there, and so he went = en daarom (dus) ging hij.

Soak, souk, weeken, in de week zetten (= To put in soak), inzuigen, met vocht doortrekken, opslorpen, zuipen: The children soaked their bread in milk = weekten; To soak off = losweeken; I am soaked with the rain = doornat; Soaker = plasregen, zuiplap; It was a soaking rain = het was een tot op de huid doordringende regen; They got a soaking = werden druipnat.

Soap, soup, subst. zeep; vleierij, steekpenning; Soap verb. zeepen, met zeep wasschen, vleien: Brown, Green soap = groene zeep; A cake, tablet of soap; They soaped the old man into leaving them his property = met mooie praatjes kregen ze hem er toe; Soap-boiler = zeepzieder; To blow soap-bubbles = bellen blazen; Soap-dish = zeepbakje; Soap-maker; Soap-pan = zeepketel; Soap-suds = zeepsop; Soap-work(s) = zeepziederij; Soapiness, subst. v. Soapy = zeepachtig, glad, zacht, met zeep besmeerd; vleierig, lievig.

Soar, sö, subst. hooge vlucht; Soar verb. omhoog vliegen, hoog vliegen, zich hoog verheffen: He soared above all his contemporaries = stond ver boven.

Sob, sob, subst. snik; verb. snikken.

Sober, soubə, matig, nuchter, verstandig, ernstig, bescheiden, eerbaar; Sober verb. ontnuchteren, kalm, ernstig worden: The departure of all my friends made me feel sober = stemde me ernstig; He has slept himself sober = heeft zijn roes uitgeslapen; In sober earnest = kalm en ernstig; In sober reason = naar de nuchtere rede, het gezond verstand; He sobered down into a sensible man = werd langzamerhand; He sobered his laugh into a smile = verminderde tot; Sober-headed = bezonnen; Sober-minded = kalm, bedaard; subst. Sober-mindedness; Sober-sides = saaie Piet; Soberness = Sobriety, səbraiiti, matigheid, onthouding, gematigdheid, ernst, deftigheid.

Sobriquet, soubrikei, soubrikei, bijnaam, scheldnaam.

Socage, sokidž, bezitting, waarop heerendiensten rusten; Socager = pachter v. zulk een bezitting.

Sociability, soušəbiliti, gezelligheid; Sociable, souš(i)b’l, subst. soort brik voor vier personen; driewieler voor twee personen naast elkaar, causeuse, gezellige samenkomst (Amer.); adj. gezellig, vriendelijk: (Dancing-school) Sociables = gesloten gezelschappen (voor dansen, etc.); Sociableness = gezelligheid.

Social, souš’l, maatschappelijk, sociaal, gezellig (levend): Social democrats = socialisten; Social evils = maatschappelijke kwalen; Ants are social insects = vormen eene maatschappij; Social intercourse = gezellige omgang; Social love = naastenliefde; Social science = sociale wetenschap; Socialism = het socialisme; Socialist, subst. sociaal-democraat; adj. socialistisch: Socialist of the chair = kathedersocialist; Sociality, soušaliti, gezelligheid; Socialize, gezellig maken, inrichten volgens de beginselen der Socialists.

Societish, səsaiitiš, veel uitgaand, wereldsch; Society, səsaiiti, maatschappij, genootschap, gemeenschap, vereeniging, compagnie; de groote wereld: She was a society actress = actrice voor de groote wereld; Society Islands; Society journal = dagblad dat het leven der hoogere standen behelst; Society paragraphs = berichten uit en over de groote wereld; Society scandals = “chronique scandaleuse”; To go into society = uitgaan.

Socinian, səsinj’n, Sociniaan; Socinianism = de leer van Socinius.

Sociologic(al), soušəlodžik(’l), sociologisch; Sociologist = socioloog; Sociology, soušolədži, sociologie.

Sock, sok, sok, sandaal; blijspel, ploegschaar, inlegzool.

Socket, sokət, holte, kas, socket: His arm is out of the socket = uit het “potje”, is ontwricht; The candles had burned down into the sockets = tot in de pijp; His eyes started from their sockets = puilden uit hunne kassen; Socket-joint = kogelscharnier; Socket-pole = met ijzer beslagen vaarboom (Amer.); Socketed = met eene holte.

Socle, souk’l, sokkel.

Socotra, sokətrə, səkoutrə; Socotrine, sokətrin, subst. bewoner van S.; adj. tot S. behoorende.

Socrates, sokrətîz, Socrates; Socratic(al), səkratik(’l), Socratisch; Socratic method; Socratism = leer van Socrates; Socratist = volgeling van Socrates.

Sod, sod, subst. zode; Sod verb. met zoden bedekken; Sod-seat = zodenbank; Soddy = met zoden bedekt.

Soda, soudə, soda; Soda-salt = soda-zout; Sodawater = spuitwater.

Sodality, sədaliti, broederschap, gemeenschap.

Sodden, sod’n, adj. gekookt, doorweekt, geweekt, niet doorbakken; Sodden verb. doorweekt worden, bezinken, doorweeken, doortrekken: Sodden with vice = van misdaad doortrokken; A sodden drunkard = een groote zuiplap; A sodden sky = met waterdamp bezwangerde lucht; Sodden vegetables = waterige; subst. Soddenness.

Sodger, soudžə = Soldier.

Sodom, sod’m, Sodom; Sodomite, sodəmait, bewoner van S., iemand schuldig aan Sodomy, sodəmi.

Sofa, soufə, sofa: Sofa-cushion; Sofa-table.

Sofi, soufi, Mahom. monnik; Sofism = Sufismus, een Mahom. mysticisme.

Soft, soft, zacht, week, vochtig, langzaam, sullig, teeder, verliefd, vreesachtig, zoetsappig: Soft and fair goes far = haastige spoed is zelden goed; He is a soft Johnny (Head) = onnoozele bloed; Soft money = papieren geld; The soft sex = de teedere kunne; You have got on his soft side = hij heeft een zwak voor je; Soft Tommy = week brood (scheepst.); Soft-hearted = teerhartig; Soft-roe = hom; Soft-sawder, soft-sôdə, vleierij; ook verb. = Soft-soap: We’ll try to soft-soap him = te vleien; Soft-spoken = vriendelijk, zacht; Soften, sof’n, verzachten, verteederen, verweekelijken, bemantelen: He softed at sight of his victim = kreeg medelijden; He was softed into forgiving me = bewogen; Softing of the brain = Cerebral softing = hersenverweeking: Softish = weekachtig; Softness = zachtheid, etc.; Softy = sul.

Soggy, sogi, doorweekt, doornat, drassig.

Soho, souhou, interj. helà! hei daar! zacht wat (jagersroep tegen de honden); Soho (souhou) Square.

Soil, sôil, subst. grond, bodem, land, smet, vlek, vuiligheid, poel; Soil verb. vuil maken, bezoedelen, besmetten, in den stal met versch gras voeden, purgeeren door groen voedsel: The deer has taken soil = is gaan drinken; To take soil = toevlucht zoeken; Soil-pipe = afvoerbuis (vooral voor faecaliën).

Sojourn, soudž’n, subst. tijdelijk verblijf; Sojourn verb. vertoeven, tijdelijk verblijven; Sojourner, soudžɐ̂nə, gast, reiziger.

Soko, soukou, soort chimpansé.

Sol, sol, subst. zon, goud (in herald. en alchemie), sol (muz.); Sol verb. de toonschaal van ut (c) zingen = Sol-fa, soul-fâ, sol fâ.

Sola, soulâ, hei daar! houd op!

Solace, solis, subst. troost; Solace verb. troosten, opvroolijken, verlichten: To derive solace from = troost scheppen; Solacement = vertroosting, etc.

Solan goose, soul’ngûs, Jan v. Gent.

Solanine, solənîn, solanine.

Solano, səlânou, vochtige Oostenwind (Middell. Zee).

Solanum, səlein’m, nachtschade.

Solar, soulə, zonne....: Solar eclipse; Solar flowers = zonnebloemen; Solar microscope = zonnemicroscoop; Solar myth = zonnemythe; Solar spectrum; Solar spots = zonnevlekken; Solar system = zonnestelsel; Solar year = zonnejaar; Solarization, subst. v. Solarize = te lang aan het zonlicht blootstellen.

Solatium, səleišəm, schadeloosstelling.

Sold, sould, imperf. en p. perf. van to sell.

Soldan, sold’n, sultan.

Solder, so(l)də, subst. soldeersel, kleefsel; vleierij; Solder verb. soldeeren; Solderer; Soldering: Soldering-bolt, Soldering-iron = soldeerbout; Soldering-lamp.

Soldier, souldžə, subst. soldaat, militair; bootafhouder (fig.); Soldier verb. als soldaat dienen; niet meer werken dan hoog noodig is: You won’t come the old soldier over me = mij niet beetnemen; To go for a soldier (= To go (a-)soldiering) = onder dienst gaan; Soldier-like, Soldierly custom, discipline; Soldiership = krijgswezen, beleid.

Soldo, soldou, Ital. munt van 2½ cent.

Sole, soul, subst. zool, voetzool, grondvlak, tong (visch); adj. enkel, eenig, ongehuwd; Sole verb. van zolen voorzien: Sole heir; Sole-leather = zoolleer; Sole owner; Solely; Soleness.

Solecism, solisizm, taalfout; ongerijmdheid; Solecistic(al) = onjuist, ontaalkundig;—verb. Solecize.

Solemn, sol’m, plechtig, formeel, stijf; statig; Solemnness = Solemnity, səlemniti, plechtigheid, statigheid, deftigheid; Solemnization, soləmnizeiš’n, viering, heiliging; Solemnize, soləmnaiz, plechtig vieren, heiligen; Solemnly.

Solen, soulən, zwaardscheede (weekdier).

Solent (The), dhəsoul’nt, zeeëngte tusschen Wight en Hampshire.

Soli, souli, solo’s.

Solicit, səlisit, ernstig vragen, bidden, dingen naar: To solicit attention; I solicit your kind protection = beveel me aan in; Solicitant, səlisit’nt, subst. vrager, smeeker, dinger; adj. vragend, verzoekend; Solicitation, solisiteiš’n, verzoek, verlangen, uitnoodiging; Solicitor, səlisitə, procureur die, behalve bij enkele lagere (politie)rechtbanken, nooit als pleiter, doch alleen als raadsman optreedt; Solicitor-general = Procureur-Generaal; Solicitorship; Solicitous, səlisitɐs, bekommerd, bezorgd: I am solicitous about (concerning, for) your welfare = bekommerd over; subst. Solicitousness = Solicitude, səlisitjûd, bezorgdheid, angst.

Solid, solid, vast, massief, soliede, stevig, kubiek, krachtig, degelijk, eenstemmig (Solids = vaste lichamen): I studied for three solid hours = drie volle (dikke) uren; To get solid with = tot overeenstemming komen met; Solidarity = gemeenschap in winst en verlies, gemeenschap van belangen, éénheid; Solidification = verdichting; Solidify, səlidifai, vast maken of worden, massief (degelijk) maken, verdichten: Solidified milk = gecondenseerde; Solidity, səliditi, vastheid, hardheid, stevigheid, dichtheid, soliditeit = Solidness.

Soliloquize, səliləkwaiz, eene alléénspraak houden: Soliloquy, səliləkwi, alléénspraak.

Soliped, soliped, Solipede, solipîd, eenhoevig dier; adj. Solipedous.

Solitaire, solitêə, versiering uit één diamant bestaande (dasspeld, manchetknoop, etc.), een spel dat men alléén kan spelen; Solitariness, subst. v. Solitary, solitəri, eenzaam, afgelegen, eenzelvig: Solitary confinement = eenzame opsluiting; Solitude, solitjûd, eenzaamheid, verlatenheid.

Solo, soulou, (Meerv. Solos of Soli), solo: The three solo vocalists; Soloist = solist.

Solomon, soləm’n, Salomo: Solomon’s seal = salomonszegel; Solomonic; Solon, soul’n.

Solstice, solstis, zonnestilstand; Solstitial, solstiš’l, tot een solstice behoorende.

Solubility, soljubiliti, oplosbaarheid; Soluble, soljub’l, oplosbaar: Soluble glass = waterglas; subst. Solubleness; Solute, səl(j)ût, oplossen; Solution, səl(j)ûš’n, oplossing, verklaring, ontbinding; Solutive = laxeerend (middel).

Solvability, solvəbiliti, oplosbaarheid: Solvable, solvəb’l, oplosbaar; subst. Solvableness; Solve, solv, uitleggen, verklaren, oplossen; Solvency = solvabiliteit; Solvent, subst. oplossende vloeistof; adj. oplossend, solvent: A solvent estate = goederen waaruit de schulden wel betaald kunnen worden.

Solway, solwei.

Soma, soumə, soort zwaluwwortel; een Indische plant, uit welker sappen een bedwelmende drank werd bereid.

Sombre, sombə, somber, zwaarmoedig, dof, duister, donker v. tint; subst. Sombreness; Sombrous, sombrəs, donker, zwaarmoedig.

Some, sɐm, eenige, zoowat, ongeveer: Some fifty guilders = om en bij de; Let me have some of this = geef mij hier wat van; Some of these days = een dezer dagen; Is there any left? Yes, there is some left = is er wat over? ja, er is wat over; Is he somebody? I tell you he is a nobody = is hij iemand van beteekenis? Some deal = in zekeren graad (mate); You must do it somehow = op de een of andere wijze; Some-such = zulk een, dergelijke; There is something undefinable about him = hij heeft iets “ik en weet niet wat” aan zich; Sixty something = een dikke 60; You something villain = jij vervloekte schelm; I wouldn’t be you for something = niet voor nog zooveel in jou plaats zijn; You will repent of it sometime, I said sometimes to him = er eens (te eeniger tijd) ... soms; Sometime or other = te een of ander tijd; Sometime president of = voormalig; That is sometime ago = al wat geleden; Let me have somewhat = geef mij wat; He is somewhat saucy = vrij brutaal; Somewhat under 400 pages = iets minder dan; He is somewhere about sixteen = ± 16; I have laid it somewhere but I cannot find it anywhere = ergens... nergens; Somewhere and somewhiles = ergens en somtijds.

Somersault, sɐməsôlt (Somerset, sɐməset), salto mortale, duikeling.

Somers, sɐməz; Somersetshire, sɐməsetšə; Somerville, sɐməvil.

Somnambulism, somnambjulizm, slaapwandelen, somnambulisme; Somnambulist; adj. Somnambulistic(al).

Somniferous, somnifərɐs, Somnific, somnifik, slaapwekkend.

Somnipathy, somnipəthi, magnetische slaap.

Somnolence, Somnolency, somnəlens(i), slaperigheid, slaapdronkenheid, slaapzucht; Somnolent = slaperig, slaapzuchtig.

Son, sɐn, zoon: Son of a gun = lammeling; leuke baas; The Son of man = de Zoon des Menschen; Every Mother’s son = iedereen; Son-in-law = schoonzoon; Sonship.

Sonance, Sonancy, soun’ns(i), klank, toon; Sonant, subst. stemhebbende letter; adj. klinkend.

Sonata, sənɐ̂tə, sonate; Sonatina, sounətînə.

Song, soŋ, lied, gezang, zang, poëzie, kleinigheid: Song of Solomon = Hooglied; Sacred song = gewijd gezang: Give us a song = zing eens wat; I bought the picture for a (mere) song = voor een appel en een ei; It’s the same song over again = het is altijd het oude liedje; Song-bird = zangvogel; Song-book = liederenboek; Song-writer = liederendichter; Songless; The feathered songsters; Songstress = zangeres, zangster.

Soniferous, sənifərɐs, klinkend, klank voortbrengend.

Sonnet, sonət, subst. sonnet; Sonnet verb. sonnetten dichten; Sonneteer, sonətîə, subst. sonnettendichter.

Sonometer, sənomətə, klankmeter; Sonorific, sounərifik, klank voortbrengend; Sonorous, sənôrəs, welluidend, hel klinkend; subst. Sonorousness.

Sonties, sontiz, alléén in: By God’s sonties = waarachtig (veroud.).

Soodan, sûdân; Sooloo, sûlû: Sooloo Islands.

Soon, sûn, weldra, spoedig, vlug: No sooner had he seen me, than = nauwelijks.... of; The sooner the better = hoe eer hoe liever; Sooner or later = vroeg of laat; Soon got soon gone = zoo gewonnen zoo geronnen; I would just as soon be hanged = even lief; As soon as he came = zoodra; I would sooner = wou liever.

Soosoo, sûsû, dolfijn (van den Ganges).

Soot, sut, subst. roet; Soot verb. met roet besmeren (mesten); Sootiness = roetachtigheid; Sootish = roeterig; Sooty = roetachtig, vuil.

Sooth, sûth: For, In sooth = voorwaar; Soothsay = voorzèggen, voorspellen; Soothsayer = waarzegger; Soothsaying = voorspelling.

Soothe, sûdh, vleien, liefkoozen, verzachten, tevreden stellen: Soother.

Sop, sop, subst. iets ingedoopts of geweekts, sop(je), lekkerbeetje, een borrel (om iemand mee om te koopen); iets verzachtends; Sop verb. doopen, soppen, weeken: It was a sop for the rage of the nation = het stilde de woede der natie; I must administer a sop to my creditors = moet zien te bevredigen; Sops-in-wine = soort anjelier; soort wijnappel; Sopper; Sopping = Soppy = doorweekt.

Soph, sof, verk. van Sophister = student in zijn tweede jaar (= Junior soph) of derde jaar (= Senior soph) te Cambridge, en Sophomore = student in zijn tweede jaar (Amer.).

Sophia, səfaiə; səfîə (stad).

Sophism, sofizm, drogrede; Sophist, sofist, sophist; Sophister = drogredenaar; student te Cambridge, Zie Soph: Sophistic(al), sofistik(’l), sophistisch; Sophisticate, sofistikeit, vervalschen, verknoeien; subst. Sophistication; Sophisticator = vervalscher; Sophistry, sofistri, sophisterij.

Sophocles, sofəklîz.

Sophomore, sofəmö. Zie Soph; Sophy, soufi.

Soporiferous, so(u)pərifərɐs, slaapwekkend: Soporiferous medicine; Soporific, subst. en adj. slaapwekkend (middel); Soporous, soupərɐs, Soporose, soupərous, slaapwekkend, slaperig.

Soprano, səprânou (Meerv. Sopranos, Soprani), sopraan.

Sorb, söb, peer, lijsterbes, sorbenboom; Sorb-apple = vrucht daarvan, sorbepeer.

Sorbet, söbət, sorbet, verkoelende (Oostersche) drank bestaande uit gestampte rozijnen met citroensap, etc.

Sorcerer, sösərə, toovenaar; Sorceress = toovenares; Sorcery, sösəri, toovenarij.

Sordes, södiz, uitwerpselen.

Sordid, södid, vuil, laag, vrekkig; subst. Sordidness.

Sordine, södîn, sordine.

Sore, sö, subst. pijnlijke plek, rauwe wond, zweer, éénjarige valk, vierjarig hert; adj. pijnlijk, zeer, ontstoken, hevig, gevoelig, scherp; adv. zeer: It opened the old sore = reet de oude wonde open (fig.); I have got a sore throat = pijn in de keel; Sore against my will = zeer tegen; The pessimists and sore-heads = pessimisten en mopperaars; I am sorely (sadly) in want of money = heb groot geldgebrek; subst. Soreness.

Sorel, sor’l = Sorrel.

Sorex, sôrəks, spitsmuis.

Sorn, sön, zijn anker ergens neerleggen of gaan logeeren zonder genoodigd te zijn; Sornar = ongenoode gast.

Sororicide, sərorisaid, sərôrisaid, zustermoord(enaar); We have fraternized or rather sororized = wij hebben ons verbroederd, of liever verzusterd.

Sorrel, sor’l, subst. (klaver)zuring; rossige of roodbruine kleur, vos (paard); adj. rossig.

Sorriness, sorinəs, droefheid, ellendigheid.

Sorrow, sorou, subst. diepe smart, droefheid; Sorrow verb. treuren, smart lijden: The Sorrows of Werther; Every sorrow has its twin joy = de tweeling der smart is de vreugde; He drowned his sorrow in liquor = verzette zijne smart door drank; I heard it to my sorrow = tot mijn leedwezen gehoord; Who goes a-borrowing goes a-sorrowing = borgen baart zorgen: Sorrowful = treurig, ellendig; subst. Sorrowfulness.

Sorry, sori, bedroefd, armzalig: I am very sorry = het spijt me zéér; I am sorry to say = het spijt mij te moeten zeggen; I am sorry for what I have done = wat ik gedaan heb, spijt mij; He made a sorry figure = maakte eene armzalige figuur; To be in a sorry plight = ellendige toestand; It was a Sorry sight = een treurig gezicht.

Sort, söt, subst. soort, orde, stel, manier, rang, wijze; Sort verb. sorteeren, samenvoegen, zich vereenigen, overeenstemmen, passen: He is a bad sort = hij deugt niet; To be a good sort (Too good a sort for) = een beste vent (te goed voor); After a sort, In a sort, In some sort = eenigermate, om zoo te zeggen; All sorts and conditions of men = menschen van allerlei slag; Gossip of sorts = allerlei onbeduidende praatjes: A poet of sorts = een “stuk” dichter; I am out of sorts = voel me niet lekker, ben niet monter, ben wat korzelig; We are out of sorts = hebben niet meer van die letter; We run upon sorts = wij moeten kolossaal veel van eene bepaalde lettersoort hebben; He sort of dumbfounded me = hij deed me zoowat versteld staan; You two are well sorted = hoort net bij elkaar; I will not sort with such rogues = mij niet ophouden; Sorter = sorteerder.