Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 25
Compound, kompaund, subst. samenstelling, mengsel, massa; samengesteld woord; erf, kampong; adj. samengesteld, gecompliceerd: Compound fracture = dubbele breuk; Compound interest = interest op interest; Compound leaf = sameng. blad; Compound system = stelsel om mijnwerkers in eene afgesloten ruimte te houden.
Compound, k’mpaund, samenstellen, vermengen, vereenigen, bereiden, delgen, schikken, accordeeren: The matter was Compounded for = geschikt; He compounded for his escape = maakte een accoord; He compounded the felony = hij trok de aanklacht in na schadeloosstelling; We compounded some hot stuff = bereidden wat warmen drank; Compoundable = aflosbaar, etc; Compounder = menger, bereider; hij, die een accoord aangaat.
Comprador, komprədö, Chineesch handelsagent voor Europ. handelshuis.
Comprehend, komprihend, omvatten, insluiten; begrijpen; Comprehensibility = begrijpelijkheid; Comprehensible = duidelijk, begrijpelijk; Comprehension = bevatting, begrip; omvang; Comprehensive = veelomvattend, uitgebreid, groot; bondig: subst. Comprehensiveness.
Compress, kompres, compres, doek.
Compress, k’mpres, samendrukken, verdichten; Compressibility = samendrukbaarheid; Compressible = samendrukbaar; Compression = samendrukking, bondigheid, beknoptheid; Compressive = samendrukkend; Compressor = drukverband, soort machine, kettingstopper.
Comprise, k’mpraiz, bevatten, insluiten.
Compromise, komprəmaiz, subst. minnelijke schikking, overeenkomst; tusschending; Compromise verb. schikken, bijleggen; compromitteeren, op ’t spel zetten: A life of compromise = van geven en nemen; I will so far compromise the matter as to accompany you thither = ik zal er mij dan toe laten vinden er met u heen te gaan; To compromise one’s principles = het met zijne beginselen op een accoordje gooien; Let us compromise opinions = laten wij het zien eens te worden.
Compromit, komprəmit, in gevaar stellen, compromitteeren.
Comptant, kaunt’nt, contant geld.
Comptoir, koŋtwö, kantoor, toonbank.
Comptroller, k’ntroulə. Zie Controller.
Compulsion, k’mpɐlš’n, dwang: On (By) compulsion = gedwongen; Compulsory = dwingend, gedwongen, dwang - -: Compulsory attendance = verplicht schoolbezoek; Compulsory military service.
Compunction, k’mpɐŋkš’n, wroeging, gewetensknaging; Compunctious = berouwhebbend.
Compurgation, kompɐ̂geiš’n, vrijspraak van een beschuldigde op de beëedigde verklaring van 12 personen; Compurgator of kəmpɐ̂gətə = iemand die zoo’n verklaring aflegt.
Computable, kəmpjûtəb’l, kompjutəb’l, berekenbaar; Computation = rekenen, berekening, omslag; Compute = (be)rekenen, omslaan, overwegen.
Comrade, komreid, kameraad, “burger”; Comradeship.
Con, kon, subst. het tegen: Pro and con = het vóór en tegen.
Con, kon, zorgvuldig nagaan, van buiten leeren; een schip sturen door aanwijzingen van den roerganger: He conned over his lessons = leerde zijne lessen van buiten; He conned thanks = betuigde zijn dank.
Concatenate, kənkatəneit, aaneenschakelen; subst. Concatenation.
Concave, konkeiv, subst. holte, (hemel), gewelf; adj. hol, concaaf; Concave verb. uithollen; Concavity, kənkaviti, holheid; Concavo-concave = hol aan de beide oppervlakten; Concavo-convex = hol aan de eene, bol aan de andere zijde.
Conceal, k’nsîl, verbergen, geheim houden, wegstoppen, vermommen; Concealable = wat verborgen kan worden; A concealed royalist = verkapte; Concealer = verberger, heler; Concealment = geheimhouding: Place of conceal = schuilhoek.
Concede, k’nsîd, toegeven, opgeven, toestaan, toestemmen: To concede attention to = schenken.
Conceit, k’nsît, subst. bevatting, begrip, meening, valsche waan, verwaandheid; eigenaardige, grillige opvatting of denkbeeld, spitsvondige geestigheid; Conceit verb. opvatten, zich verbeelden: He was a little out of conceit with her = hij mocht haar niet meer zoo graag; A man of a quick conceit = vlugge bevatting; A conceited fellow = verwaande vent; Conceitedness = inbeelding, geaffecteerdheid.
Conceivable, kənsîvəb’l, denkbaar, begrijpelijk; Conceive, k’nsîv, een denkbeeld vormen, denken, zich voorstellen, begrijpen, bevatten, opvatten, zwanger worden, ontvangen.
Concentrate, kons’ntreit, kənsentreit, in een punt vereenigen, concentreeren, samentrekken op; subst. Concentration; Concentrative = geneigd of dienend tot concentratie; Concentrativeness.
Concentre, k’nsentə, in een middelpunt samenkomen (samenbrengen); Concentric = Concentrical = concentrisch; subst. Concentricity = de eigenschap van of geschiktheid tot concentreeren.
Concept, konsept, begrip; Conceptual: Conceptual incongruities = begripsverwarringen, inconsequenties; Conception = voorstelling, begrip, opvatting, gedachte, ontwerp; ontvangenis.
Concern, k’nsɐ̂n, subst. zaak, onderneming, ding; belang, bezorgdheid, angst; Concern verb. betreffen, aangaan; ontstellen, bezorgd maken: A manufacturing concern = fabriekszaak; I have no concern with it = niets mee te maken; That is no concern of any one’s = dat gaat geen mensch wat aan; I do not care for the whole concern = ik geef niets om het heele spul: Common concerns = alledaagsche zaken; Forget such worldly concerns now = wereldsche zaken; I am concerned for your welfare = stel belang in (maar maak mij ongerust over); He was greatly concerned for the loss, his friend had suffered = hij had erg te doen met; To be concerned in a plot = betrokken bij; I am not concerned with his opinions = - - - gaan mij niet aan; So far as I am concerned = wat mij aangaat; Concerning = betreffende; Concernment = zaak: He has no concernment for it = hij bekommert er zich niet om.
Concert, konsət, overeenstemming, harmonie, concert: The European concert; They acted by concert = één van zin; I have acted in concert with your wishes = overeenkomstig uwe; Concert-hall; Concertize = concerten geven.
Concert, k’nsɐ̂t, samenwerken, afspreken, een plan maken, meerstemmig arrangeeren: The concerted works were Beethoven’s Seventh Symphony and Schumann’s Quartet in A minor = de uitgevoerde, ten gehoore gebrachte stukken.
Concertante, kontšɐ̂tanti, concertstuk voor solo-instrumenten; Concertina, konsɐ̂tînə, concertina (soort v. harmonica); Concerto = concertstuk (voor solo met begeleiding).
Concession, k’nseš’n, vergunning, concessie; Concession(n)aire, Fr. uitspraak, Concessionary, k’nseš’nəri. Concessioner (Amer.), concessionaris; Concessive = vergunnend, concessief.
Conch, koŋk, zeeschelp; Concha, koŋkə, oorschelp; gewelf van een halfkoepel of nis; Conchifera, koŋkifərə, schelpdieren met twee schelpen; Conchiferous, koŋkifərɐs, schelpen voortbrengend of bevattend; Conchology, koŋkolədži, kennis van schelpen en hare bewoners.
Conciliar, k’nsiljə, Concilium - - -.
Conciliate, k’nsiljeit, verzoenen, bevredigen, (voor zich) innemen: A conciliating person = innémend mensch; Conciliation = verzoening, etc.; Conciliative, Conciliatory = verzoenend; Conciliator = bemiddelaar.
Concise, k’nsais, beknopt, zaakrijk; subst. Conciseness.
Concision, k’nsiž’n, besnijdenis; beknoptheid.
Conclave, konkleiv, (geheime) kardinaalsvergadering; de vergaderde kardinalen, hunne vergaderzalen, geheime zitting.
Conclude, k’nklûd, besluiten, beslissen, bepalen, opmaken uit, ten einde brengen, vaststellen, eindigen, sluiten: To conclude alliances (peace) = sluiten; I conclude from your words to his guilt = ik maak uit uwe woorden op, dat hij schuldig is; To be concluded = slot volgt; Conclusion, k’nklûž’n, besluit, einde, afloop, gevolgtrekking: I will try conclusions with him = mij met hem meten; Conclusive, k’nklûsiv, afdoende, beslissend: Conclusive evidence = afdoend bewijs; subst. Conclusiveness.
Concoct, k’nkokt, samenkoken, bereiden, zuiveren, overlèggen, smeden, beramen, verteren; Concoction = bereiding, overleg; beraming; Concocter = bewerker.
Concomitance, k’nkomit’ns, Concomitancy, co-existentie: In concomitance with = tegelijk met.
Concomitant, k’nkomit’nt, subst. het begeleidende of bijkomende; adj. vergezellend, bijkomend.
Concord, koŋköd, eendracht, overeenstemming, harmonie; Concordance, k’nköd’ns, overeenstemming, index, concordans; Concordancy = overeenstemming; Concordant = overeenstemmend; Concordat, k’nködat, overeenkomst, concordaat.
Concourse, kon(g)kös, toeloop, samenloop, menigte, vergadering.
Concrete, koŋkrît, kənkrît, subst. concreet begrip; beton; adj. compact, concreet, uit beton bestaande: The floor is concrete = de vloer is van beton; Concrete-steel = Ferroconcrete = gewapend beton.
Concrete, k’nkrît, een compacte massa vormen (daartoe vereenigen), kristalliseeren, met beton bouwen; Concreteness = concreetheid, geronnen of bevroren zijn, verdikking; Concretion = vastworden, vaste massa, verharding; Concretionary = door concretion ontstaan.
Concubine, koŋkjubain, bijzit; Concubinage, k’nkjûbinidž, concubinaat.
Concupiscence, kənkjûpisens, wellust, zondige begeerte, ontucht; adj. Concupiscent = Concupiscible.
Concur, k’nkɐ̂, samenkomen, samenvallen, overeenkomen, overeenstemmen, bijdragen tot, medewerken: I concur in this opinion, wish = ben het daarmede eens; To concur with the views of an author; Concurrence, k’nkɐr’ns, Concurrency, k’nkɐr’nsi, samenvallen, overeenkomst, vereeniging, goedkeuring, medewerking: Their entire concurrence with our plan; We acted in concurrency = wij traden gemeenschappelijk op; Concurrent, k’nkɐr’nt, subst. bijkomende omstandigheid, medewerker, mededinger; adj. samenwerkend, mededingend, gelijktijdig; subst. Concurrentness.
Concuss, k’nkɐs, schokken, dwingen (into); Concussion = schok, botsing; afdreiging: Concussion of the brain = hersenschudding; Concussive = schokkend.
Cond, kond, van eene hoogte de richting aanwijzen, waarin een schuit gestuurd moet worden, met ’t oog op een naderende school visschen; Conder, kondə, de persoon, die zulks doet.
Condemn, k’ndem, veroordeelen, afkeuren, berispen, onbewoonbaar of ongeschikt verklaren, verbeurd verklaren, dicht spijkeren: Ship and cargo were condemned = verbeurd verklaard; Condemned cells, Condemned sermon = cellen, preek voor ter dood veroordeelden; Condemned dwelling = onbewoonbaar verklaarde; Condemnable, k’ndemnəb’l, verwerpelijk, strafbaar; Condemnation = veroordeeling, verwerping, afkeuring; Condemnatory = veroordeelend, etc.
Condensability, k’ndensəbiliti, verdichtbaarheid; Condensable, k’ndensəb’l, verdichtbaar; Condensation, kondənseiš’n, condensatie, bekorting; Condense, k’ndens, verdikken, bekorten, condenseeren; zich condenseeren; Condenser, k’ndensə, condensor.
Condescend, kondəsend, zich verwaardigen, zich inlaten met, zich vernederen: He did not condescend to answer (on an answer) = verwaardigde zich niet; Condescending = minzaam, nederbuigend; Condescension: His condescension struck us all very favourably = zijne minzaamheid deed ons allen aangenaam aan.
Condign, k’ndain, verdiend: Condign punishment.
Condiment, kondiment, kruiderij.
Condite, k’ndait, inleggen, konfijten.
Condition, k’ndiš’n, subst. toestand, rang, eigenschap, voorwaarde, bepaling; Condition verb. bepalen, voorwaarden maken, bedingen, in goeden (gezondheids)toestand brengen en houden, keuren: I am not in a condition to feast with you = in de stemming, met u feest te vieren; Our horses take months to condition in South Africa = om aan ’t klimaat te gewennen; She felt herself growing quiet and conditioned again = gezond, flink; Conditional, subst. voorwaardelijke wijs, beperking; adj. voorwaardelijk; Conditionality = ’t afhankelijk zijn.
Condolatory, k’ndoulətəri, condoleantie...; Condole, k’ndoul, medetreuren, betreuren: He condoled his own misery = hij had medelijden met zichzelf; I condole with you on the loss you have suffered = ik condoleer u met; Condolence, k’ndoul’ns: A visit of condolence; Condolencer = hij die condoleert.
Condonation, kondəneiš’n, vergiffenis, goedvinding, het over het hoofd zien; Condone, k’ndoun, vergeven.
Condor, kondö, Z.-Amer. gier.
Condottiere, köndotjêə, Ital. vrijbuiter of soldaat.
Conduce, k’ndjûs, leiden, strekken, bijdragen tot; Conducive, dienstbaar, strekkend tot: May your measures be conducive to that noble end! = mogen .... dienstbaar zijn aan ... doel; subst. Conduciveness.
Conduct, kondəkt, gedrag, leiding, houding, geleide: Safe conduct = vrijgeleide; Conduct-roll = conduitelijst (van ambtenaren en officieren).
Conduct, k’ndɐkt, leiden, aanvoeren, voeren, vergezellen, richten, besturen, geleiden, gedragen: Who conducts your correspondence? = voert; Conducted: A well conducted boy = fatsoenlijke; Conductibility = geleidbaarheid; Conductible = geleidend; Conducting wire = geleiddraad; Conduction = geleiding; Conductive = geleidend; Conductivity = Conductibility; Conductor = leider, gids, bevelhebber, kapelmeester, muziekdirecteur, conducteur (van omnibus of tram), bliksemafleider; Conduct-money = reisgeld voor getuigen; Conductress = geleidster.
Conduit, kondit, kɐndit, waterleiding, kanaal; Conduit-pipe = buis.
Conduplicate, kondjûplikit, adj. dubbel gevouwen; Conduplicate verb. (kondjûplikeit), dubbel vouwen; subst. Conduplication.
Condyl(e), kondil, knokkel.
Cone, koun, kegel, denappel: Cone of sugar = suikerbrood; Cone-shaped = kegelvormig.
Confab(ulation), kənfab (konfab), kənfabjuleiš’n, gemeenzaam gesprek; Confabulate, Confab of Confab = keuvelen.
Confect, konfekt, bonbon.
Confect, k’nfekt, inmaken, maken; Confection, subst. suikergoed, het maken daarvan; confectie (kleeren); Confect verb. suikergoed maken; kleederen maken: She is kind enough to confection for the poor; Confectioner = suikerbakker; Confectionery = suikerbakkerij; suikergoed, bonbons; kroeg (Amer.).
Confederacy, k’nfedərəsi, verbond, complot; de verbondenen; Confederate, k’nfedərit, subst. bondgenoot; adj. verbonden; Confederacy verb. (k’nfedereit), verbinden, een verbond aangaan; Germanic Confederation = de Duitsche Bond (van 1815–66).
Confer, k’nfɐ̂, te rade gaan, beraadslagen; verleenen, overdragen, vergelijken; Conferee, konfərî, lid van een conferentie (Amer.); Conference, konfərens, beraadslaging, bijeenkomst, onderhandeling, overdracht, verleening; Conferrable = overdraagbaar; Conferrer.
Confess, k’nfes, erkennen, bekennen, toegeven, belijden, biechten: The priest confessed him = nam hem de biecht af; I confess to a weakness in his favour = ik beken, dat ik een zwak voor hem heb; She stood confessed, A maid in all her charms (Goldsmith) = bleek te zijn, ontpopte zich als; A confessed culprit = erkend; Confessedly = openbaar; Confession = bekentenis, erkenning, biecht: The Augsburg confession of faith = geloofsbelijdenis; She went to confess = ging biechten; Confessional = confessioneel; subst. biechtstoel; Confessionary, adj. biecht..; Confessor = biechtvader, belijder.
Confidant(e), konfidant, mann. of vr. vertrouweling, boezemvriend.
Confide, k’nfaid, verb. vertrouwen, toevertrouwen: I will confide my experiences in the public ear = aan het publiek toevertrouwen; Confidence = vertrouwen, zelfvertrouwen, driestheid, vertrouwelijke mededeeling: To have (place, put) confidence in; I took him into confidence; Confidence men = soort kwartjesvinders, die de Confidence trick toepassen door het slachtoffer over te halen om als token of Confidence zijn kostbaarheden etc. aan hen in bewaring te geven; Confident = vertrouwend, zeker, driest: I am confident that it is true = overtuigd; Confidential = vertrouwd, vertrouwelijk, geheim: Confidential clerk = procuratiehouder; Confidential position = post van vertrouwen.
Configuration, kənfigjureiš’n, uiterlijke gedaante; Configure, kənfig(j)ə, groepeeren.
Confinable, kənfainəb’l, begrenzend, begrensbaar; Confine, konfain, subst. grens, rand, uiterste.
Confine, k’nfain, begrenzen, opsluiten, beperken, bepalen tot: He is confined to his bed = hij moet het bed houden; To be confined (of) = bevallen (van); Confinedness, begrensdheid; Confinement = opsluiting; bevalling: Solitary confinement = eenzame opsluiting.
Confirm, k’nfɐ̂m, bevestigen, versterken, bekrachtigen; als lidmaat aannemen, vormen: He is a confirmed bachelor = verstokte oude vrijer; Confirmation = bevestiging; H. vormsel: Confirmation classes = catechisaties; Confirmative = Confirmatory = bevestigend, bekrachtigend.
Confiscable, kənfiskəb’l, confisqueerbaar; Confiscate, konfiskeit, kənfiskeit, adj. verbeurd (verklaard); Confiscate verb. verbeuren, verbeurd verklaren; subst. Confiscation; Confiscator of Confiscator = verbeurd verklaarder; Confiscatory = verbeurd verklarend.
Confiture, konfitjə, bonbon, suikergoed.
Confix, kənfiks, goed bevestigen.
Conflagration, konfləgreš’n, groote brand.
Conflict, konflikt, botsing, strijd, worsteling.
Conflict, k’nflikt, botsen, strijden, worstelen, in tegenspraak zijn met (with); Conflicting = tegenstrijdig.
Confluence, konfluens, samenvloeiing, vereeniging, toeloop; Confluent, subst. zijrivier, bijstroom; adj. samenvloeiend; Conflux = Confluence.
Conform, k’nföm, adj. overeenkomstig; Conform verb. van gelijken vorm maken, passend maken, (zich) schikken of voegen naar, overeenstemmen; zich aan de Staatskerk onderwerpen: You must conform yourself to our customs = u schikken naar; Conformable = overeenkomstig, meegaand: That is not conform to the facts = overeenkomstig; Conformation = vorm(ing), bouw, overeenstemming; Conformist = lid van de Anglikaansche kerk; Conformity = gelijkheid, overeenkomst, overeenstemming (ook: met den ritus der Anglik. kerk): In conformity with; They acted in conformity = dienovereenkomstig.
Confound, k’nfaund, verwarren, dooreenwarren, vernietigen, verbazen, bedremmelen, beschaamd maken: Confound it! = wat drommel; Confounded = verward, verbaasd; verfoeilijk, vervloekt, duivelsch.
Confraternity, konfrətɐ̂niti, broederschap.
Confront, k’nfrɐnt, tegenover staan of plaatsen, het hoofd bieden, confronteeren: I have confronted them together = hen tegenover elkander geplaatst; I confronted him with his guilt = hield hem zijne schuld voor; subst. Confrontation.
Confucius, k’nfjûšiəs, Confusius.
Confuse, k’nfjûz, verwarren, beschaamd of verlegen doen staan, verbijsteren; Confusion = verwarring, verlegenheid, warboel, herrie, onduidelijkheid, ondergang: Confusion! = verduiveld! It was confusion worse confounded = het was eene onbeschrijfelijke verwarring.
Confutable, k’nfjûtəb’l, weerlegbaar; Confutation = weerlegging; Confute, k’nfjût, weerleggen, verijdelen.
Congeal, k’ndžîl, doen stollen of stremmen; Congealable = bevriesbaar; Congealment = Congelation.
Congee, konži, kɐnžî, subst. ontslag, afscheid; rijstwater (Indië). Zie Conjee.
Congelation, konžileiš’n, bevriezing, stremming.
Congener, konžənə, verwant, gelijksoortig iets; adj. verwant, gelijksoortig = Congenerous, k’nženərɐs.
Congenial, k’ndžînj’l, verwant, in geest en aard overeenstemmend, sympathiek; subst. Congeniality.
Congenital, k’ndženit’l, aangeboren, natuurlijk.
Conger, koŋgə, zeepaling (-aal); Conger-eel = (In Calif.) een soort lamprei.
Congeries, k’ndžîriiz, samenhooping, verzameling.
Congest, k’ndžest, ophoopen (van bloed, b.v.); Congestion = ophooping (van bloed), congestie: Congestion of the brain.
Conglobate, kongləbeit, kəngloubeit, Conglomerate, k’ngloməreit; adj. bolrond; subst. conglomeraat; Conglobate verb. tot een bal of bol verzamelen; Conglomeration = conglomeraat.
Conglutinate, kənglûtineit, samenlijmen, samenkleven, verbinden; subst. Conglutination.
Congo, koŋgou, Congo; ook = Congou.
Congou, koŋgû, zwarte thee.
Congratulate, k’ngratjuleit, gelukwenschen, zich verheugen met (on): Congratulation = gelukwensch; Congratulator = gelukwenscher; Congratulatory = felicitatie - -: Congratulatory letters.
Congregate, koŋgrigeit, verzamelen, samenkomen; Congregation = vergadering, (kerkelijke) gemeente, broederschap; Congregational = een gemeente der Independenten betreffend; Congregationalism = kerkel. zelf bestuur of leer der Independenten; Congregationalist = lid dier gemeenten.
Congress, koŋgres, vergadering, congres; Congress-man = lid van het congres (Amer.); Congressional, Congres - -.
Congreve, koŋgrîv: Congreve impression = Congrevische druk; Congreve match = lucifer; Congreve rocket = Congrevische vuurpijl.
Congruence, koŋgruens, Congruency, koŋgruensi, Congruity, k’ŋgrûiti, overeenstemming, gepastheid, congruentie; Congruent (with), Congruous (to, with) = overeenstemmend, samenpassend.
Conic, konik, kegelvormig, kegel - -; subst. kegelsnede = Conic-section = kegelsnede; Conics = leer van de kegelsneden; Conical = Conic (adj.); subst. Conicalness = kegelvorm.
Conifer, kounifə = conifeer (den, etc.); Coniferous = kegelvormige vrucht dragend: Coniferous tree = Conifer.
Conjectural, k’ndžektšurəl, vermoedelijk; Conjecture, k’ndžektšə, subst. gissing, onderstelling, conjectuur; Conjecture verb. gissen.
Conjee, kondžî, rijstwater.
Conjoin, k’ndžôin, samenvoegen, (zich) vereenigen: This, conjoined with his silence = in verband met zijn stilzwijgen; Conjoint = vereenigd, mede - -; subst. Conjointness.
Conjugal, kondžug’l, echtelijk; Conjugal knot = huwelijksband.
Conjugate, kondžugit, subst. woord van denzelfden oorsprong als een ander; adj. in paren vereenigd; Conjugate verb. (kondžugeit), vervoegen; Conjugation = verbinding, vervoeging; adj. Conjugational: Conjugational system.
Conjunct, k’ndžɐŋkt, vereenigd, verbonden; Conjunction = vereeniging, verbond, voegwoord, conjunctie; Conjunctive = subst. aanvoegende wijs; adj. nauw verbonden, vereenigd, verbindings ...; Conjunctly = vereenigd, gezamenlijk; Conjuncture, k’ndžɐŋktjə, vereeniging, samenloop (van omstandigheden), crisis: Conjunction (Conjuncture) of circumstances.
Conjuration, kondžureiš’n, bezwering, tooverformule.
Conjure, k’ndžûə, bezweren, verzekeren, onder eede bevestigen.
Conjure, kɐndžə, tooveren, heksen, betooveren: To conjure up = bezweren, oproepen; You are no conjurer = gij hebt ook het buskruit niet uitgevonden; I have not got a conjurer’s cap = ik ben (daarin) geen heksenmeester; Conjurer = goochelaar; Conjuring-trick = goocheltoer.
Connate, koneit, kəneit, aangeboren, verwant, samengegroeid.
Connatural, kənatšərəl, nauw verwant, aangeboren (to).
Connaught, konôt.
Connect, kənekt, verbinden, vereenigen, (zich) aansluiten, in verbinding staan: In a connected form = vereenigd, saamgevoegd; Connected by marriage = geparenteerd; To be aristocratically connected = van aristocratische familie zijn; Connecting-rod = drijf-, koppelstang; Connection, kənekš’n, verband, verbinding, (bloed)verwantschap, bloedverwant, connectie, aansluiting (van spoorwegen), vereeniging, aantal klanten of clienten: In this connection = in verband hiermede; I bought a connection in that part of London = ik nam (voor geld) de practijk van een dokter (met diens patienten) over; Connections = handelsbetrekkingen; Connective = verbindingswoord; adj.: Connective tissue = bindweefsel.
Connecticut, kənetikɐt.
Connexion, kənekš’n = Connection.
Connivance, kənaivəns = Connivence = oogluikende toelating; Connive, kənaiv, oogluikend toelaten, opzettelijk door de vingers zien (met at); Conniver = hij, die toelaat.
Connoisseur, konišûə, konisɐ̂, (kunst)kenner; Connoisseurship = Connoisseurschap.
Connotation, konəteiš’n, (bij)beteekenis, kenteeken; Connotative of Connotative, ook beteekenend, bijbeteekenissen hebbend; Connote, kənout, tegelijk beteekenen.
Connubial, kənjûbj’l, huwelijks..., gehuwd: Connubial bliss = huwelijksgeluk; Connubiality = echtelijke staat; Connubialities = echtelijke liefkoozingen.
Conoid, kounôid, conoïde; adj. kegelvormig.
Conquer, koŋkə, veroveren, onderwerpen, overwinnen; Conquerable = overwinnelijk; Conqueror: The Conqueror = Willem de Veroveraar; Conquest, koŋkwəst, verovering, onderwerping, overwinning.
Conrad, konrad; Conrade, konreid.
Consanguineous, konsangwinjəs, verwant in den bloede; Consanguinity = bloedverwantschap.