Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 109

Chapter 1093,016 wordsPublic domain

Root, rût, subst. wortel, stam, grondtoon (van eene snaar), oorsprong, bron; Root verb. doen wortelen, wortel schieten; wroeten, omwroeten, ontwortelen: Extract the root out of 125 = trek den wortel uit; To go to the root of the matter = tot den grond der zaak doordringen; That lies at the root of it = ligt er aan ten grondslag; To take (To strike) root = wortel schieten; Dutch roots = Hollandsche bloembollen; Root and branch = met wortel en tak; The sow has rooted (out) all the plants = omgewroet; Why do you not root it out? = roeit ge het niet uit? He stood rooted to the spot = als aan den grond genageld; Root-bound = ingeworteld, onbewegelijk; Root-crop = knollenoogst; Root-leaf = wortelblad; Rooted: A rooted hatred of injustice = ingewortelde haat; Rooter = plant die wortel schiet; uitroeier; radicaal; Rootless; Rootlet = worteltje; Rooty = wortelrijk.

Rope, roup, subst. touw, rist; Rope verb. draderig zijn, tot draden uitrekken, met een touw trekken, vastmaken, inhouden (van een paard bij een wedstrijd): He gave me the ropes = liet me vrij spel; I have not got rope enough = ben niet vrij genoeg, kan mij niet voldoende bewegen; He knows (has learned) the ropes = weet er alles van; He performed on the slack, tight rope = danste op het slappe, strakke koord; I hope you will put me up to all the ropes = mij geheel op de hoogte zult brengen; A rope of onions = rist uien; A rope of sand = zwakke band; To rope in = met een touw omspannen, inpalmen (ook van personen), binnenhalen: To rope in a remark with quotes = tusschen aanhalingsteekens zetten; Rope-dancer = koorddanser; Rope-ladder = touwladder; Rope-maker = touwslager: To play the rope-maker = achteruitloopen; Rope-railway = kabelspoor; Rope-walk = lijnbaan; Rope-yarn = kabelgaren; Ropery = lijnbaan; Ropiness, subst. v. Ropy = touwachtig, draderig, kleverig, lijmerig.

Roquelaure, roukəlö, rokəlö, korte mantel.

Rorqual, rökwəl, vinvisch.

Rosa, rouzə; Rosabel, rozəbel.

Rosace, rouzeis, rozet; Rosaceous, rəzeišəs, roosachtig.

Rosalia, rəzeiliə; Rosalind, rozəlind; Rosaline, rozəl(a)in; Rosamond, rozəm’nd.

Rosary, rouzəri, rozenkrans; guirlande, rozenperk of rozentuin: To tell over the rosary = den rozenkrans bidden.

Roscid, rosid, met dauw bedekt.

Roscoe, roskou; Roscommon, roskom’n.

Rose, rouz, subst. roos, rozet, rozenkleur, sproeier; adj. rooskleurig: No rose without a thorn; Once he was very near the rose = bijna geestelijke; They drank wine under the rose in their rooms = stilletjes; I told him so under the rose = onder de roos; Without the rose = onverholen; Members of the White Rose = van eene vereeniging ter herinnering aan de terechtstelling van Karel I; She blushed rose all over; Rose-bud = rozeknop; Rose-bug (Rose-chafer) = gouden tor; Rose-bush = rozestruik; Rose-cheeked = met blozende wangen; Rose-cold (Rose-fever) = zware catarrhe met asthmatische verschijnselen; Rose-colour = rozenkleur; Rose-diamond = rozetsteen; Rose-drop = bonbon (met rozengeur), oorknopje, roode neus; Rose-faced = met rozig gelaat; Rose-hued = met rozentint; Rose-knot = rozet; Rose-leaf = rozeblad: They live in an age of rose-leaves and velvet = zij hebben een leventje op een bordje; Rose-mallow = stokroos; Rosemary, rouzməri, rosmarijn; Rose-pink = rose(kleurig); Rose-rash = roseola, huiduitslag; roos; Rose-water = rozenwater: Revolutions cannot be made with rose-water = die het doel wil, moet de middelen willen; Rose-window = rozet(venster); Rose-wood = rozenhout; Rosery = rozenperk.

Rose, rouz, imperf. van to rise.

Roseate, rouzi-it, vol rozen, rooskleurig, bloeiend.

Roseola, rəzîələ, huiduitslag, roos.

Rosebery, rouzbə’ri.

Rosetta, rəzetə: Rosetta stone, steen met hieroglyphen, enz., in Rosetta gevonden; Rosetta wood = O.-I. oranjekleurig hout.

Rosette, rəzet, rozet.

Rosicrucian, rouzikrûš’n, subst. lid v. een geheim genootschap in de 17de eeuw; adj. tot dit genootschap behoorende; Rosicrucianism = leer, enz. van dit genootschap.

Rosin, rozin, hars: To give rosin = afranselen; Rosiny = harsig.

Rosland, rosland, veengrond, heide.

Rostellum, rostel’m, snaveltje (plantk.).

Roster, rostə, rooster, naamlijst.

Rostral, rostr’l, tot snavel of rostrum behoorende; Rostrate(d), rostrit(id), gesnaveld; Rostriform = snavelvormig; Rostrum, rostr’m, snavel (ook van een schip), spreekgestoelte, tribune, platform.

Rosy, rouzi, rooskleurig, bloeiend, roos...

Rot, rot, subst. verrotting, aardappelziekte, schurft, geklets, onzin; Rot verb. verrotten, bederven: It’s all rot = allemaal onzin, bedriegerij; It’s awful (dry, tommy) rot = verschrikkelijk geklets, onzin; They drink rot-gut = bocht; Rotten = verrot, stinkend, wrak, aangestoken, gemeen, beroerd; Rotten-ripe = beursch; subst. Rottenness; Rotter = kletser, onnut wezen.

Rota, routə, ranglijst, rooster, hoogste pauselijk hof van appèl.

Rotary, routəri, draaiend, rondgaand: The rotary motion of our earth round its axis = omdraaiende beweging; Rotary pump = centrifugaalpomp; Rotate, routeit, om een middelpunt wentelen, draaien; adj. routit, wielvormig; Rotation, rəteiš’n, omdraaiing, omwenteling, geregelde opvolging: By (in) rotation = bij afwisseling, beurt om beurt; Rotation of crops = wisselbouw; Rotative = ronddraaiend; Rotator, omdraaier, draaispier; Rotatory = omdraaiend, beurtelings: Rotatory motion = draaiende beweging.

Rote, rout, routine, sleur, gewoonte: By rote = van buiten, in den sleur; Rote of business = routine.

Rotten-Row, rot’nrou, naam v. een rijweg (voor ruiters) in Hydepark.

Rotund, rətɐnd, rond, bolvormig, plechtig, zwaar; subst. Rotundity = Rotundness.

Rotunda, rətɐndə, rotonde.

Rouble, rûb’l, zilveren roebel (= ƒ 1,88).

Rouen, rûən, Rouaan.

Rouge, rûž, subst. rood blanketsel; Rouge verb. (zich) blanketten: If you do not rouge you won’t tell in a ball, handsome though you may be = als ge u niet blanket, maakt ge geen indruk op een bal; Rouge et noir = hazardspel; Rouge-pot.

Rough, rɐf, subst. ruwe klant; ruwe schets, grof pleisterwerk; Rough adj. ruw, ruig, hard, wrang, woest, kras; verb. ruw maken, ruw schetsen, op scherp zetten, dresseeren: The London roughs = het gepeupel van Londen; In the rough = onafgewerkt, ruwweg; To be rough on = hard zijn jegens, zwaar drukken op; Rough-and-ready = ruw doch flink; Rough-and-tumble = ruw en druk: It is a rough-and-tumble farce = het is een woeste, dolle klucht; We have been Roughing it = wij hebben het hard te verantwoorden gehad, hebben ons er doorheen moeten slaan; The weather was rough, but our yacht roughed it out = maar ons jacht hield het goed uit; Rough-cast, subst. ruwe schets, beraping; adj. ruw gevormd, grof; Rough verb. ruw schetsen, berapen; Rough-draft, Rough-draught, ruwe schets; Rough-draw, in het ruwe schetsen; Rough-dry = laten drogen zonder mangelen; Rough-hew = in het ruwe houwen, ontwerpen, schetsen; Rough-hewn = ruw, ongepolijst (ook fig.); Rough-rider = pikeur; wachtmeester-instructeur (Amer.), stout ruiter; Rough-shod = op scherp gezet: He rides rough-shod = hij rijdt maar toe, stoort zich aan niets, gaat zijn gang maar; Rough-wrought = grof bewerkt; Roughen = ruw maken of worden; Roughish = ietwat ruw; Roughness = zuurheid.

Rouleau, rûlou, rolletje, bundel fascinen; Roulette, rûlet, roulette, wiel met punten om stippellijnen te maken: hazardspel.

Roumania, rûmeinjə, Roemenië; Roumanian, subst. en adj. (bewoner) van Roemenië.

Round, raund, subst. kring, bol, ommegang, ronding, rondreis, ronde, cursus, omdraaiing, sport, salvo, schot, patroon, rondelied; adj. rond, vloeiend, vol, ronduit, openhartig, eerlijk, flink, snel; Round verb. rond maken, afronden, rondgaan, rondreizen, ronddraaien, zich keeren tegen, schimpen op (on); prep. en adv. rondom, overal: Thirty-six rounds (of ammunition) = patronen; A round of applause = algemeene toejuiching; A round of beef = runderschijf; A round of cartridges = één patroon voor iederen soldaat; I have made my round of visits = mijne bezoeken; Shall we have a round? = zullen we eens vechten; Let us play one more round = nog één rondje; He is a round peg in a round hole = de rechte man op de rechte plaats; I assure you that I shall bring you round = dat ik u weer zal opknappen of beter maken; It is not easy to bring him round = te bepraten, over te halen; Christmas has come round again = het is weer kerstmis geworden; He came round to my room = kwam mij op mijne kamer opzoeken; He came round = hij draaide bij; You won’t get round me = mij niet beetnemen, bepraten; He lives round the corner = dicht bij; He gave the money round the corner = met tegenzin; (All) round my hat = katterig; als subst. onzin; They have sent the hat round = zijn met den hoed rondgegaan, hebben geld opgehaald; It is a hundred guilders in round numbers = het is in een rond getal een honderd gulden; To walk at a round rate = vlug doorstappen; To ride at a round trot = in vluggen draf; He is an honest man all round = in alle opzichten; The engine rounded a curve in the road = kwam om een bocht in den weg; To round off a story = een verhaal besluiten; The ship was rounded to = werd bijgedraaid; Roundabout, subst. draaimolen, omweg, soort leuningstoel (jasje, manteltje); adj. wijdloopig, omslachtig, veelomvattend, niet openhartig: I sent him to the roundabout = ik stuurde hem weg; Roundabout the town = om de stad heen; Roundabout way = omweg; Round-backed = met ronden rug; Round-dance = rondedans; Round-games = gezelschapsspelen; Roundhand = rondschrift; Round-head, subst. Puritein in Cromwell’s Tijd; adj. van de partij der Puriteinen; Round-house = achterkajuit, hut, retirade, locomotiefloods; Round-ridge = ronde voren maken bij het ploegen; Round-robin; Zie Robin; Round-shouldered = rond in de schouders of rug; Roundsman = beambte die politie- en nachtwachtposten controleert (Amer.); Round-turn = één slag v. een touw om een paal, etc.; Round-up = ’t bijeendrijven van het vee; Rounded = gerond van vokalen; Rounders = een soort kaatsspel; Rounding, subst. het ronden; adj. ongeveer rond; Roundness = openhartigheid, volheid van klank, rondheid.

Roundel, raund’l, klein schild; Roundelay, raundəlei, ouderw. dichtstuk (8 + 5 regels), rondedans.

Roup, rûp, kippen-huidziekte; raup, rûp, publieke verkooping; Roup verb. veilen.

Rouse, rauz, opwekken, doen ontwaken, opjagen, aansporen: He was roused to anger = boos gemaakt; Rousing = opwekkend, aansporend, bezielend, geweldig, ontzettend: A rousing lie.

Roust, raust, opschudden, hard werken, opwekken, in opstand brengen; Roust-about = losse arbeider of matroos op eene rivierstoomboot; leeglooper (Amer.).

Rout, raut, subst. volkomen nederlaag, algemeene vlucht, oproer, rumoer, twist, gedrang, wanordelijke troep; avondreceptie; Rout verb. in verwarring op de vlucht drijven, omwoelen, wroeten, vernielen (met out): The rout = het schuim, gepeupel, janhagel; To put to (the) rout = op de vlucht slaan; Boys were routing in the streets = waren aan het stoeien; I routed out an edition of Tennyson among his books = schommelde op; The ferret routed out the conies = joeg naar buiten, verdreef (uit hun hol); I routed it up from my memory = ik bracht het mij na eenige inspanning te binnen; Rout-seats and chairs = zitbanken (tegen den muur) en stoelen voor een rout; He is a Router-out of antiquities = snort allerlei oudheden op.

Route, rût, weg; Routine, rutîn, gewoonte, sleur: Routine-business = sleurwerk; Routinist, rutînist, sleurganger.

Routledge, rautlədž.

Rove, rouv, (om)zwerven; in dwarsrijen ploegen (Amer.), scheren van touw of wol door een blok, uitpluizen; Rover = roover, zwerver, wispelturig en ontrouw persoon: Her sweetheart has proved a rover = is gebleken een vlinder (ontrouw) te zijn; They were shooting at rovers = zij schoten in het wild; Rover of the seas = zeeschuimer.

Roving-shot = schot in ’t wild.

Rove, rouv, imperf. en part. perf. v. to reeve.

Row, rou, subst. rij, reeks, gelid, roeitochtje; Row verb. roeien: In a row = in de rij, in ’t gelid; We had a splendid row = heerlijk roeitochtje gedaan; I guess you can hoe your own row = uw eigen zaakje wel opknappen, je eigen straat schoonvegen (Am.); He had a hard row to hoe = had het hard te verantwoorden (Am.); To put (set) in a row = op een rij; He can row his own boat, paddle his own canoe = zijn zaakje alleen wel opknappen; They row in the same boat = zij zijn in hetzelfde schuitje; Rowboat = roeischuitje, roeibootje; Rowlock, roulok, rɐlək, keep of gat waarin de riem rust, roeimik, roeipen, roeiklamp; Rower = roeier; Rowing-club; Rowing-match = roeiwedstrijd.

Row, rau, standje, ruzie, twist; Row verb. ruzie, lawaai maken, schelden: To get into a row with = standjes krijgen met; Hold your row = houd je mond; Don’t kick up a row = maak geen schandaal; What’s the row = wat is er aan de hand?

Rowan, rauən, gewone lijsterbes = Rowan-tree.

Rowdy, raudi, subst. ruwe, woeste kerel; “duiten”; adj. ruw, ploertig, oproerig = Rowdyish; Rowdyism = herrie, baldadig optreden.

Rowel, rauəl, subst. wieltje of rad van een spoor, seton (platte ring van een toom); Rowel verb. wieltje of seton zetten in; Rowel-head = de as van een spoorwieltje.

Rowena, rouînə.

Rowen, rauən, stoppelveld, nagras (Amer.).

Rowland, roul’nd; Rowley, rauli; Roxburgh, roksbərə, roksbɐ̂g.

Royal, rôiəl, subst. tak van een gewei, papierformaat (19 × 24 voor schrijf-, en 20 × 25 inches voor drukpapier), kleine mortier, bovenbramzeil (The Royals = vroeger het eerste regiment infanterie; thans Royal Scots); adj. koninklijk, edel: Royal Academy = Koninklijke (kunst)academie; The Royal Assent is, under the Constitution, still essential to the validity of an Act of Parliament = de koninklijke goedkeuring; Royal bounty = fonds ter ondersteuning van de betrekkingen van gesneuvelde officieren; Royal grants = jaargeld aan de leden der koninklijke familie; Royal Society = Eng. Academie van Wetenschappen; Royalism = koningschap, koningsgezindheid; Royalist, subst. en adj. koningsgezind(e); Royalty, subst. koningschap, majesteit, koninklijke bezitting of rechten; tantième, aandeel: We don’t often see royalty = de leden der kon. fam.; The author gets a royalty of twopence on the shilling = krijgt ⅙ van den verkoopprijs; Royalty rents = vergoeding voor het gebruik van den bovengrond (bij mijnwerkers).

Royster(er). Zie Roister.

Rub, rɐb, subst. het wrijven, wrijving, hinderpaal, sarcasme, schimp; Rub verb. wrijven: There’s the rub = daar zit ’m de knoop; I rubbed my eyes at that = ik wreef me de oogen uit van verbazing; To rub elbows (shoulders) with = gemeenzaam omgaan met (fig.); They began to rub noses = op vriendschappelijken voet te komen; They rubbed their way along the streets = baanden zich een weg; To rub (up) the wrong way = plagen, ergeren; The horse was being rubbed down = werd geroskamd; The piece of sugar was rubbed down = werd al kleiner door het wrijven: I rubbed the dirt off him = wreef het vuil van hem af; He rubbed it out = hij veegde het uit; Shall I rub up your memory? = eens opfrisschen; The chairs and tables were Rubbed up = gewreven; Rubstone = slijpsteen; Rub-a-dub = getrommel; Rubber = wie of wat wrijft of schuurt, slijpsteen, het beslissende spel, gummi, gummiband-(schoen); A rubber of whist = drie spellen, waarvan 2 gewonnen en 1 verloren, of 2 na elkander gewonnen spellen; If you play at bowls, you must look out for rubbers = wie kaatst, moet den bal verwachten; Rubber-stamp = caoutchouc stempel.

Rubbish, rɐbiš, puin, uitschot, nonsens, klets: Rubbish shot here = plaats voor puin, enz.: Rubbishy = pruilerig.

Rubble, rɐb’l, stukken ruwe steen; Rubble-cart; Rubble-stone = bovenste losse deelen van eene steenmassa; Rubble-work = metselwerk met ruwen, onregelmatigen steen; adj. Rubbly.

Rubeola, rûbîələ, mazelen.

Rubicon, rûbik’n, Rubicon: To cross the Rubicon = een beslissenden stap doen.

Rubicund, rûbik’nd, rood(achtig); subst. Rubicundity, rûbikɐnditi; Rubific = roodmakend.

Rubigo, rubaigou, meeldauw, roest.

Rubric, rûbrik, subst. rubriek, kerkelijk voorschrift, adj. rood gemerkt; Rubrical = liturgisch, ritueel: Rubricate = met rood merken; subst. Rubrication.

Ruby, rûbi, subst. robijn, karbonkel, formaat van drukletter; roode puist of vlek; adj. robijnkeurig = Rubied.

Ruche, rûš. Ruching, rûšiŋ, ruche.

Ruck, rɐk, subst. rimpel, vouw, hoop, troep, groote massa; Ruck verb. rimpelen; ergeren, geërgerd zijn: Out of the ruck = ongewoon.

Ruction, rɐkš’n, oploop, vechterij, krakeel.

Rudder, rɐdə, roer; Rudder-post = roersteven.

Ruddiness, rɐdinəs, subst. v. Ruddy.

Ruddle, rɐd’l, subst. roodaarde; Ruddle verb. met roodaarde merken (zooals b.v. schapen): Faces ruddled with rouge and pearl-powder.

Ruddy, rɐdi, adj. blozend, met frissche kleur, rood, ros(sig); subst. goudstuk; Ruddy-faced.

Rude, rûd, ruw, ongeletterd, onbeschaafd, stormachtig, grof, woest, sterk: Don’t be rude = wees niet lomp, onbeschoft: It was a rude awakening = een onaangenaam ontwaken; Rudeness = lompheid, ruwheid.

Rudesheimer, rûdzhaimə, soort v. Rijnwijn.

Rudiment, rûdim’nt, subst. rudiment, beginsel (gewoonlijk meerv.): The rudiments of grammar; Rudimental, rûdiment’l, Rudimentary, rûdimentəri, eerste, aanvangs...; niet geheel ontwikkeld: Rudimentary organs = rudimentaire organen.

Rudolph, rûdolf; Rudyard, rɐdjâd.

Rue, rû, subst. wijnruit; Rue verb. betreuren, treuren om, beklagen, berouwen: You will rue the day, my boy = de dag zal je rouwen: To rue a bargain = een koop ongedaan maken; Rue-bargain = rouwkoop; Rueful = droevig, treurig; subst. Ruefulness.

Ruff, rɐf, subst. groote, geplooide kraag, cachepot, oud kaartspel, het aftroeven, kemphaan, duivensoort; Ruff verb. aftroeven: Ruffed grouse = gekraagd hazelhoen.

Ruffian, rɐfj’n, subst. ruwe klant, roover, moordenaar; adj. woest, gemeen; Ruffianism; adj. Ruffianlike, Ruffianly.

Ruffle, rɐf’l, subst. geplooide rand aan mouw of kraag, jabot: onrust, beroering, opwinding; Ruffle verb. frommelen, plooien, rimpelen, in de war brengen, verstoren, tieren, onstuimig worden, bluffen, zich airs geven: To ruffle a person’s feathers = iemand boos maken; His temper was ruffled = hij was uit zijn humeur; To ruffle it = geuren; Ruffler = bluffer, schetteraar: He was a ruffler of the camp = hij was een schreeuwer (vechtersbaas) van het kamp.

Rufous, rûfəs, bruin- of geelrood.

Rufus, rûfəs.

Rug, rɐg, reisdeken, haardkleedje, dek.

Rugged, rɐgid, ongelijk, ruw, onbeholpen, norsch; subst. Ruggedness.

Rugose, rûgous, rugous, gerimpeld; subst. Rugosity.

Ruin, rûin, subst. ondergang, vernietiging, verderf, ruïne; Ruin verb. in het verderf storten, bederven, te gronde gaan (Ruins = overblijfselen, ruïne): To be the ruin of a person, To bring him to ruin = iemand te gronde richten; To fall into ruins = tot puin vervallen; On the brink of ruin = op den rand des ondergangs; To go to wreck and ruin = te gronde gaan; He has ruined me = mij ongelukkig gemaakt; He ruined his eyes with reading = bedierf; Ruination = verderf, ondergang; Ruiner; Ruinous = bouwvallig, verderfelijk, nadeelig, enorm (van prijzen); subst. Ruinousness.

Rule, rûl, subst. regel, bestuur, regeering, gids, levensregel, regelmaat, reglement, orde, duimstok, liniaal; Rule verb. regeeren, besturen, bedwingen, linieeren, leiden, richten, raden, de oppermacht hebben: As a rule = in den regel; That is the rule now = dat is nu de regel; The rule of three = de regel van drieën; That’s a rule-of-three sum of the simplest kind = dat spreekt als een boek; This street is in the rules of the prison = in deze straat mogen de gegijzelden tegen borgstelling nog komen en wonen = They are prisoners on rule; That is an exception to the rule = op den regel; To become the rule; I know it by rule of thumb = uit de practijk: To lay down a rule = vaststellen; To make it a rule = tot regel stellen; He rules with a rod of iron = heerscht met ijzeren vuist; Ruler = regeerder, bestuurder, liniaal; Ruling = heerschend; subst. rechterl. beslissing: Rule-price = marktprijs.

Rum, rɐm, rum; Rum-blossom (Rum-bud) = roode neus; Rum-shrub = soort punch; Rummy = met een rumsmaak.

Rum, rɐm, vreemd, raar: A rum fellow = zonderlinge, origineele kerel; Rummy = raar.

Rumble, rɐmb’l, subst. kattenbak (van een rijtuig); gerommel; Rumble verb. rommelen, bulderen; Rumbler = rammelkast.

Rumelia, rumîljə, Roemelië.

Ruminant, rûmin’nt, herkauwend, nadenkend; subst. herkauwer; Ruminate = herkauwen, bepeinzen, overdenken; subst. Rumination; Ruminative = nadenkend, goed doordacht; Ruminator = overdenker, peinzer.

Rummage, rɐmidž, doorsnuffelen, doorzoeken: He rummaged among my papers; Rummage-sale = opruiming, lappendag.

Rummer, rɐmə, roemer, groote beker.

Rumour, rûmə, subst. gerucht, faam; Rumour verb. vertellen, rondstrooien, ruchtbaar maken: There is a rumour abroad (Rumour has it) that the king will come = het gerucht loopt; It is rumoured = het heet; It was rumoured abroad = het gerucht werd verspreid; rumourer = verspreider van geruchten.

Rump, rɐmp, stuitbeen, stuitje, kruis, staartstuk; Rump-parliament = romp parlement (1648); Rump-steak = lendenstuk.

Rumple, rɐmp’l, subst. vouw, kreukel; Rumple verb. kreukelen, vouwen.

Rumpus, rɐmpəs, rumoer, spektakel.