Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 55

Chapter 552,373 wordsPublic domain

Gum, gɐm, subst. tandvleesch; gom; Gum verb. met gom bestrijken of vastkleven; lijmen, beetnemen (Amer.): Gum arabic = Arab. gom; Gumboil = zweertje op het tandvleesch; Gum elastic = caoutchouc; Gum-rash = hittepuistjes; Gumsuck = bedriegen (Amer.); Gumsucker = jonge Australiër van Europ. afkomst; Gum-trees = soorten v. Eucalyptus en Acacia; Gumminess, subst. v. Gummy = gomachtig, kleverig, gom bevattend; Gummy! = jeminé! That is gummy = bijna ongeloofelijk, en toch waar.

Gump, gɐmp, sul, dwaze kerel.

Gumption, gɐmpš’n, gladheid, scherpzinnigheid; The boys had to write a gumption paper = opstel, waaruit blijkt of zij goed hebben waargenomen; Gumptionless = dom; Gumptious, gumpšəs, glad, vaardig, bij de hand.

Gun, gɐn, subst. geweer, kanon; Gun verb. schieten, jagen: He is a big gun = invloedrijk persoon, groote hans; Son of a gun = pierewaaier (humor.), lammeling; It is as sure as a gun = zoo zeker als 2 × 2; The guns were brought to bear on the enemy’s ships = werden gericht; To blow great guns = stormen; We spiked their guns = vernagelden; They stood to their guns = bleven standvastig (het geschut bedienen); Gun-barrel = loop van een kanon of geweer; Gun-battery = batterij (van kanonnen); Gunboat = kanonneerboot; Gun-carriage = affuit; Gun-cotton = schietkatoen; Gun-fire = uur van het morgen- en avondschot; Gun-foundry = gieterij; Gun-metal = geschutmetaal; Gunpowder = buskruit; fijne groene thee: The Gunpowder Plot = samenzwering, om op 5 Nov. 1605 de Parlementshuizen in de lucht te doen springen; Gun-rack = geweerrek(-rak); Gun-reach = kanon- of geweerschotsafstand: He is within gun-reach = op kanon- of geweerschotsafstand (ook: Gun-shot) = hij is onder schot; Gun-rod = laadstok; Gun-room = verblijf der cadetten aan boord van een oorlogschip; Gun-shot = geweer- of kanonschot, de afstand van een kanon of geweer; Gunsmith = geweermaker; Gunsmithery = geweermakerskunst, -vak; Gun-stock = geweerlade; Gun-tackle = geschuttalie; Gunned: Heavily gunned = met zwaar geschut; Guner = artillerist, kanonier; Guner’s ladle = laadlepel; Gunnery = artillerie wetenschap; Gunnery-lieutenant = luitenant die, na een Gunnery-course op een Gunnery-ship te hebben bijgewoond, in het bezit is van een warrant daarvan.

Gunnel, gɐn’l, dolboord; schansnet aan boord van een oorlogschip.

Gunn(e)y, gɐni, grof zaklinnen.

Gunter’s chain, gɐntəztšein, landmetersketen v. ± 20,11 M.

Gunwale, gɐn’l (Zie Gunnel).

Gurgle, gɐ̂g’l, subst. geklok, gorgeldrank, gemurmel; Gurgle verb. klokken, gorgelen, murmelen: The delicious gurg-gurgling from our bronze fountain = geklater; A gurglet of water = waterbron.

Gurgoyle; Zie Gargoyle.

Gurnard, gɐ̂nəd, kleine poon; spinvisch.

Gush, gɐš, subst. krachtige stroom, uitstrooming, uitbarsting, overdreven taal of gevoel; Gush verb. krachtig (uit)stroomen, snel en mild vloeien, overdreven en sentimenteel zijn: His conversation came in gushes = van tijd tot tijd barstte hij eens los; All this is not gush, it is the honest truth = dit is volstrekt niet overdreven of onwaar; She gushed about Liszt = sprak (schreef) overdreven bewonderend over L.; I am not a gusher, but I must tell you how much I like you = ben geen overdreven gevoelsmensch; She was conceited and gushing = en dwaas sentimenteel (overdreven).

Gusset, gɐsət, geer, inzetsel, inlegsel.

Gust, gɐst, windruk, vlaag, uitbarsting; smaak, lust, neiging; Gustation, gəsteiš’n, het proeven of genieten; Gustative, Gustatory, gɐstətori, smaak ..., proef ...: Gustatory nerve = smaakzenuw; Gusto, gɐstou, smaak, genot; Gusty = stormachtig, winderig, woest.

Gustavus, gɐsteivəs.

Gut, gɐt, subst. darm, snaar, nauwte; Gut verb. ontweien, uithalen, leegplunderen, uitbranden; Guts = ingewanden, buik, maag: Greedy guts = vreetzak; Gut-scraper = vedelaar; Gut-string = snaar.

Gutta, gɐtə, druppel (vooral in samenstellingen); Guttapercha = guttapercha.

Guttate(d), gɐtit (gɐtiteitid), gespikkeld.

Gutter, gɐtə, subst. goot, geul, riool; Gutter verb. geulen maken, goten vormen, afloopen (van eene kaars), in druppels neervallen; Gutter-press = de vuile, onzedelijke pers; Gutter-snipe, Gutter-snippet = verwaarloosd kind, voddenraper; Gutter-spawned = verachtelijk en onzedelijk.

Guttiferous, gɐtifərɐs, gom opleverend.

Guttiform, gɐtiföm, druppelvormig.

Guttle, gɐt’l, verzwelgen, inslokken (down).

Guttural, gɐtər’l, subst. keelletter, keelklank; adj. tot de keel behoorende; Gutturalize = met keelklank uitspreken; Gutturalness = keelklankachtige aard; Gutturize, gɐtəraiz, in de keel vormen.

Guy, gai, Guy; topreep (scheepst.), vogelverschrikker, leelijke fantastische pop (ter herinnering aan Guy Fawkes en het Gunpowder Plot); voorwendsel; Guy verb. met een touw (onder het ophijschen) vasthouden; uitsnijden, belachelijk maken: He did a guy and bolted = hij wendde iets voor (b.v. dat hij noodzakelijk weg moest); He was guyed unmercifully = hij werd ongenadig uitgelachen; Guy-rope = topreep, tenttouw.

Guyon, gaiən.

Guzzle, gɐz’l, snel drinken, zuipen; subst. sterke drank; Guzzler = zuiplap.

Gwynn, gwin.

Gymkhana, džimkânə, een soort wedrennen, waarbij aan de deelnemers bovendien allerlei grappige verplichtingen worden opgelegd (een draad door een naald steken, een meegebrachte som eerst uitrekenen, etc.); ook adj.

Gymnasium, džimneiž’m, worstelplaats, gymnastiekschool, gymnasium: Gymnasium belts = gordels.

Gymnast, džimnast, gymnastiekonderwijzer, gymnast; Gymnastics, džimnastiks, athletische oefening, gymnastiek; Gymnastic apparatus (costume, exercise, hall, society).

Gymnotus, džimnoutəs, sidderaal = Gymnotus electricus.

Gynaecological, džainikəlodžik’l (džinikəlodžik’l), gynaecologisch; Gynaecologist = gynaecoloog; Gynaecology = gynaecologie.

Gyp, džip, oppasser (bij studenten).

Gypseous, džipsiəs, gipsachtig; Gypsum, džips’m, gips.

Gyrate, džaireit, omwentelen, ronddraaien; adj. džairit, kringvormig; subst. Gyration: Centre of gyration = draaipunt; Gyratory = draaiend; Gyre = kring, omwenteling.

Gyrfalcon, džɐ̂fôk’n, giervalk.

Gyroscope, džairəskoup, gyroscoop.

Gyve, džaiv, ketenen, boeien; subst. Gyves = (voet)boeien.

H.

H, eitš; Hamps(hire) = Hants; H(is of Her) B(ritannic) M(ajesty); Heb(rews); Hert(ford)s(hire); Hhd = Hogshead(s); Hist(ory); H(er) M(ajesty’s) S(ervice); Hon(ourable); H. P. = halfpay, horse-power; H(is of Her) R(oyal) H(ighness); Hung(ary); Hund(red); Hunt(ingdon)s(hire); Hypoth(esis).

Ha, hâ, subst. ha! uitroep van verbazing of vreugde; Ha verb. verbazing uitdrukken; blijven steken: He hummed and ha’ed, before he replied = stotterde, haperde; He was an enemy to beating about the bush, humming and ha’ing = hield niet van er om heen te praten en ‘ha’ te zeggen; His manner is very ‘ha-ha’ = hij doet altijd zeer verbaasd.

Habeas corpus, heibiəsköpəs: Writ of habeas corpus = bevelschrift om een gevangene ter onderzoeking voor te brengen, met opgave van dag en reden zijner arrestatie en gevangenhouding.

Haberdasher, habədašə, winkelier in garen en band, passement en nouveautés; Haberdashery = garen en band, enz.

Haberdine, habədin, habədîn, labberdaan.

Habergeon, həbɐ̂dž’n. Zie Hauberk.

Habiliment, həbiliment, kleeding, kleed (gewoonlijk Habiliments).

Habit, habit, subst. gewoonte, neiging, hebbelijkheid, persoonlijk aanwensel; kleeding, kleedij, rijkleed; habitus, houding, uiterlijk; Habit verb. kleeden: To be in (To get into) the habit of swearing = gewoon zijn (zich aanwennen); By habit = uit gewoonte; Habit-shirt = chemisette (v. amazones); Habited = gekleed.

Habitability, habitəbiliti, bewoonbaarheid; adj. Habitable; Habitant, habit’nt, bewoner; Habitat, habitat, natuurlijke woonplaats (of groeiplaats) voor dier (of plant); Habitation, habiteiš’n, bewoning, woning; loge van de Primrose League (eene staatkundige, conservatieve partij in Engeland).

Habitual, həbitjuəl, gewoonlijk, voortdurend, gewoonte: Habitual drunkard = dronkaard; Habituate, həbitjueit, gewennen; Habitude, habitjûd, gewoonte, hebbelijkheid.

Hacienda, asiendə, hacienda, fabriek, mijn, landgoed.

Hack, hak, subst. houw, snede, kerf; huurpaard, jacht(rij)paard; broodschrijver, rek (om visch te drogen), stapel steenen (om te drogen), mestvork, ruif; Hack verb. hakken, houwen, radbraken, kuchen, als hack gebruiken, zich weggooien; adj. huur - -, versleten; Hack-in-chief = hoofdredacteur (spottend); A hacking cough = droge kuchhoest.

Hackee, hakî, gestreept Amerikaansch eekhorentje.

Hackery, hakəri, tweewielige ossenwagen in Brit. Indië.

Hackle, hak’l, subst. hekel, ruwe zijde, nek- of rugveer van een haan, kunstvlieg (als aas); Hackle verb. hekelen, een candidaat aan den tand voelen; vaneenscheuren; Hackler = hekel.

Hackney, hakni, subst. rijpaard, huurpaard, werkpaard, huurrijtuig, duivelstoejager, huurling; adj. verhuurd, alledaagsch, afgezaagd: To make a hackney of = verslijten, bederven; Hackney-carriage, Hackney-coach = huurrijtuig, huurkoets; Hackney-coachman = koetsier van een huurrijtuig.

Haddock, hadək, schelvisch.

Hade, heid, subst. steile ingang van eene mijn; Hade verb. hellen (van mijnaderen).

Hades, heidîz, schimmenrijk.

Hadji, hadžî, hadji.

Haematin, he(hî)mətin, haematine; Haemorrhage, heməridž, bloeding, bloed(uit)storting; Haemorrhoids, hemərôidz, aambeien.

Haffle, haf’l, stamelen, hakkelend en onduidelijk spreken, uitvluchten maken.

Hafiz, hâfiz.

Haft, haft, subst. handvat, hecht, heft, woning (Schotl.); Haft verb. in een heft zetten, van een heft voorzien; zich vestigen.

Hag, hag, subst. heks, tooverkol, furie; Hag verb. schrik aanjagen; Hag-ridden = aan nachtmerrie lijdende; Hag-seed = heksengebroed; Haggish = afschuwelijk, heksen...

Hagar, heigâ.

Haggard, hagəd, wild, ongetemd, verwilderd, bleek en vervallen.

Haggis, hagis, fijn gehakte schapekop met hart, lever en longen; een Schotsche schotel van schapenlongen, hart en lever met uien, en gekookt in eene schapenmaag.

Haggle, hag’l, knibbelen, afdingen; Haggler.

Hagiographa, hagiogrəfə, heidžiogrəfə, de boeken van het O. Testament met uitzondering van de Mozaische en de Profeten; levensgeschiedenissen der Heiligen; Hagiology, hagiolədži, heidžiolədži, geschiedenis der Hagiographa; werk over de levens van (R.-K.) heiligen.

Hague (The), dhəheig, ’s-Gravenhage.

Hah, hâ, ha!

Ha-ha, hâhâ, hâhâ, opening in een tuinomheining met een droge sloot er voor; ook die sloot zelf.

Haidarabad, haidərəbad; Haidee, haidî; Haigh, hei.

Hail, heil, subst. aanroep, welkomstgroet, bezoek; interj. heil! Hail verb. begroeten, aanroepen, praaien, geboortig zijn van: He is within (out of) hail = hij kan (niet) beroepen worden, is (niet) vlak bij de hand, is binnen (buiten) het bereik van de stem; That man is hail-fellow-well-met with all people = hij is een allemansvriend; The ship was hailed by us = gepraaid; Where do you hail from = komt gij vandaan (waaien)? This dictionary hails from America = is een Amerikaansch voortbrengsel; They sang a Hail Mary! = een Ave Maria.

Hail, heil, hagel; Hail verb. (doen) hagelen; Hailshot = kartetsvuur; Hailstone = hagelsteen; Hailstorm.

Hair, hêə, haar; ook adj.: It is my friend to a hair = op-en-top, tot op een haar; Within a hair of = op een haar na; Let us not split hairs = laten wij niet haarkloven, vitten, etc.; Not to turn a hair = onbewogen blijven; Hairbreadth = haarbreedte, zéér kleine afstand: It was a hairbreadth escape = wij brachten er nog net het leven af; Hairbrush = haarborstel; Haircloth = (paarde)haren stof; Hairdresser = kapper; Hair-dye; Hair-lace = haarlint; Hair-line = snoer van paardenhaar, ophaallijn (in ’t schrijven); Hair-net = haarnetje; Hair-oil = haarolie; Hair-pencil = fijn penseel; Hair-pin = haarspeld; Hair-pointed = met fijne, teere punt; Hair-powder = haarpoeder (wit); Hair-restorer = haargroeimiddel; Hair-shirt = haren kleed; Hair-splitting subst. = haarklooverij; ook adj.; Hair-stroke = ophaallijn (bij ’t schrijven); Hair-trigger = sneller (aan een pistool); pistool daarvan voorzien; Hair-wash = haarwaschmiddel; Hairiness = harigheid, behaardheid; Hairless; Hairy = behaard.

Haiti, heiti.

Hake, heik, dorsch (visch); vagebond, babbelkous.

Hakluyt, haklût; Hal, hal.

Halberd, halbəd, hôlbəd, holbəd, hellebaard; Halberdier, hal(hôl-, hol-)bədîə, hellebaardier.

Halcyon, halsiən, subst. koningsvisscher, ijsvogel; kalmte, rust; adj. kalm, rustig: That was in my Halcyon-days = dat was in mijn kalmen, gelukkigen tijd.

Haldane, haldein.

Hale, heil, adj. gezond, flink, kloek: I am hale and hearty = frisch en gezond; subst. Haleness.

Half, hâf, half; subst. helft: That’s not half bad = dat is lang niet kwaad; He tore the letter in half = in tweeën; Half-and-half = subst. mengsel van twee bieren (vooral porter en ale), onoprecht mensch; adj. zonder pit, kwijnend; Halves: I will go you halves in a supper = ik sta je de helft van; He cried halves, when I found the guilder = hij riep “buit half”; Do nothing by halves = ten halve; Half-baked = halfgaar, sullig; Half-baptism = nooddoop (bij Katholieken): The child was half-baptized = ontving den nooddoop; Half-binding = half leeren band; Half-blood = verwantschap van personen, die alleen een zelfden vader of eene zelfde moeder hebben (halfbroeder, halfzuster); Half-blown = half geopend; Half-bound = in halfleder gebonden; Half-bred = van gemengd ras, onbeschaafd; Half-breed, subst. halfbloed; adj. van gekruist ras; Half-brother = halfbroeder; Half-caste = halfbloed; Half-cock = de stand van den haan, als hij half overgehaald is: To go off at Half-cock = iets overijld doen, iets uitflappen; Half-crown = Eng. zilveren munt van ƒ 1,50; Half-dead = half dood; Half-faced = “en profil”; Half-hearted = lauw, onverschillig, weifelend; Half-holiday = vrije middag; Half-length = kniestuk (portret); The ensign floated half-mast high = woei halfstok; Half-part = half deel; Half-pay, subst. nonactiviteitstractement; adj. op nonactiviteit; Halfpenny, heip’ni, halve stuiver; Halfpennyworth = waarde van 2½ c.; Half-price = halve prijs of verminderde prijs; Half-seas-over = half dronken, aangeschoten; Half-sister = halfzuster; Half-starved = slecht gevoed, half verhongerd; Half-sword = op de halve lengte van een zwaard: At half-sword = handgemeen: Half-timer = een kind, dat de lagere school slechts de verplichte vijf schooltijden per week bezoekt; fabrieksarbeider, die slechts de helft van de uren werkt; Half-way = halverwege: Half-way house = herberg; Half-witted = zwak van denkvermogen, zielig, sukkelig; Half-yearly = zesmaandelijks(ch).

Halford, halfəd.

Halibut, halibɐt, holibɐt, heilbot; Halibutter = heilbotvisscher (vaartuig).

Halifax, halifaks.

Halitus, halitɐs, adem of damp.

Hall, hôl, groote zaal, vergaderzaal, rechtszaal, eetzaal (universiteiten), maaltijd, gebouw, huis, vestibule: A hall = ruimte! uitroep bij de oude gemask. optochten; Hall-mark = stempel, keur, bewijs van echtheid; ook verb.

Hallam, haləm.

Halleluja, haləl(j)ûjə, subst. lofzang; Halleluja lass = vrouwelijke heilsoldaat.

Halley, hali.

Halliard, haljəd. Zie Halyard.

Halliwell, haliwel.

Hallo(a), həlou, Halloo, həlû, Hallow, həlou, Hola! Allo! subst. allogeroep; Hallo verb. luid roepen: Do not hallo before you are out of the wood = men moet geen ho! roepen vóór men over de brug is.

Hallow, halou, heiligen, wijden; Hallowe’en, halou-în, halou-în, avond voor Allerheiligen; Hallowmas(s) = Allerheiligen.

Hallucination, həl(j)ûsineiš’n, zinsbedrog, zinsbegoocheling; adj. Hallucinatory.

Halm, hôm. Zie Haulm.

Halo, heilou, lichte kring om zon of maan, stralenkrans, heiligenkrans; kring (Med.); Halo verb. met een krans omgeven.

Halt, hôlt, subst. stilstand (-staan), halt; het kreupel zijn, kreupelheid, ziekte bij schapen; Halt verb. halt houden, halt roepen, ophouden; kreupelen, mank gaan, aarzelen, dralen, gebrekkig zijn, te kort schieten; adj. kreupel; interj. Halt! To call a halt = halt doen houden; To make a short halt = even stoppen; They were halted in the dusk = tot staan gebracht; Halting-place = stopplaats; Haltingly = hinkend, langzaam, aarzelend.

Halter, hôltə, subst. halster, touw, strop; Halter verb. een halster aandoen of er mede vastbinden.

Halve, hâv, (in tweeën) deelen. Zie Half.

Halyard, haljəd, val (scheepst.).

Ham, ham, knieboog of knieholte, dijbeen, schink; ham: Hams = billen.

Ham, ham, Cham; Hamite, hamait; Hamitic, həmitik, van de nakomelingen van Cham of hunne taal.

Hamadryad, hamədraiəd, hamədraiəd, boomnimf.

Hame, heim, haam.

Hamiform, hamiföm, heimiföm, haakvormig.

Hamilton, hamilt’n.

Hamlet, hamlət, gehucht, dorpje.

Hammer, hamə, subst. hamer, haan; Hammer verb. hameren, slaan, smeden, met moeite uitwerken, instampen (fig.): Hammer and tongs = met alle kracht, met groot geweld; At hammer and tongs = op gespannen voet; To bring to the hammer = onder den hamer brengen, publiek verkoopen; I’ll be hammered if I do it = je mag op mij schieten als ik het doe; He is always hammering at it = hij houdt vol, geeft het niet op; I have hammered it out at last = ten laatste ben ik er achter, eindelijk begrijp ik het; Hammer-axe = werktuig, aan de eene zijde hamer, aan de andere bijl; Hammer-cloth = kleed over den bok van een rijtuig; Hammerfish = hamervisch(-haai) = Hammer-head; Hammer-hard(en) = koud metaal door hameren harden; Hammer-stone = splijthamer.

Hammock, hamək, hangmat; Hammock-chair = stoel met linnen zitting en rug; Hammock-nettings = plaats, waar de hangmatten overdag worden geborgen; vinkennet of enternet.

Hamper, hampə, subst. grove sluitmand, kluister, boei, tuigage; Hamper verb. in eene sluitmand doen, belemmeren, boeien, in de war brengen.

Hampshire, hampšə; Hampstead, hamsted; Hampton, hamt’n.

Hamshackle, hamša’kl, den kop (van os of paard) aan een der voorpooten vastmaken, temmen, beteugelen.

Hamster, hamstə, hamster.

Hamstring, hamstriŋ, subst. kniepees; Hamstring verb. verlammen door het doorsnijden der kniepees (of staartspier bij een walvisch).