Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 93

Chapter 932,848 wordsPublic domain

Pin, pin, subst. speld, pin, kegel, bout, kleinigheid, stemming; Pin verb. met eene speld, pin of een bout vastmaken, vasthouden, spelden, insluiten: There is not a pin to choose between them = er is geen zier verschil tusschen beiden, ze zijn aan elkaar gewaagd; I have pins and needles in my leg = mijn been slaapt; To be on pins and needles = op heete kolen zitten; To be in (on, upon) a merry pin = vroolijk gestemd; You might have heard a pin drop; I don’t care a pin = het kan mij geen lor schelen; A company playing at ninepins = dat aan het kegelen was; To be put to the pin of one’s collar = bijna den laatsten cent uitgegeven hebben; To stick pins into = speldeprikken geven (ook fig.); The web and the pin = een vlek op het hoornvlies van het oog (verouderd); I pin my faith on him (on his sleeve) = ik vertrouw hem volkomen; I am pinned to it = eraan gebonden, zit eraan vast; He pinned the government to that declaration = bond; Pinafore = voorspelder, kinderboezelaar; Pin-case = speldenkokertje; Pincushion = speldenkussen; Pincushiony = mollig, dik (Amer.); Pin-feather = uitkomende veer; Pin-fire cartridge = patroon met randontsteking (tegenover Central-fire cartridge); Pinfold = schutstal; Pin-head = knop; Pin-hole = speldeprik (= Pinprick ook fig.); Pin-money = speldengeld; Pin-tail = pijlstaart; Pinner = boezelaar met voorspelder; de houder van een schutstal.

Pinaster, p(a)inastə, zeepijn.

Pincers, pinsəz, groote knijptang, schaar.

Pinch, pinš, subst. kneep, steek, prise, nood, verlegenheid, angst; Pinch verb. knijpen, knellen, in verlegenheid brengen, gappen, toehappen, beperken, knijperig of gierig zijn, zich bekrimpen: At a pinch = als het knijpt (desnoods); If ever it comes to a pinch = in geval van nood; als het tot het uiterste komt; He pinched me black and blue = kneep; That’s where the shoe pinches = daar wringt de schoen; He pinched himself (of everything) = hij ontzeide zich alle genoegens; She pinched her waist in = reeg zich sterk; To be pinched with cold = erg van de koude lijden; Pinch-belly = gierigaard; Pinch-spotted = met blauwe plekken van het knijpen; Pincher = knijper, gierigaard; Pinchers (Zie Pincers).

Pinchbeck, pinšbek, subst. pinsbek, een koperlegeering; adj. onecht, valsch.

Pindar, pində, Pindarus; Pindaric, pindarik, subst. Pindarische ode; adj. Pindarisch. Pindarus.

Pinder, pində, houder van een schutstal.

Pine, pain, subst. (grove) den; pijnappel; Pine-apple = ananas; Pine-barren = dennenaanplanting (Amer.); Pine-clad = met pijnboomen bezet; Pine-cone = dennenappel; Pine-needle = dennennaald; Pinery = broeikas voor het kweeken van ananassen; dennenaanplanting = Pinetum, painît’m; het laatste ook = verhandeling over naaldhout.

Pine, pain, van kommer, honger omkomen, wegkwijnen (away), smachten naar (after, for).

Ping-pong, piŋpoŋ, subst. tafeltennis; Ping-pong verb. tafeltennis spelen.

Pinic, painik: Pinic-acid = dennenzuur.

Pinion, pinj’n, subst. vleugel, wiek, vleugelpunt; handboei; Pinion verb. kortwieken, omklemmen, vastklemmen, boeien: He was seized and pinioned = gegrepen en weerloos gemaakt.

Pink, piŋk, subst. rose anjelier, lichtroode kleurstof; uitstekendheid, hoogte, puikje; pink (schip); Pink adj. rosekleurig, lichtrood; uitstekend (Am.): The champion-rider was in the pink of condition = was in uitstekende “conditie”; He is the pink of fashion = hij is de spiegel (het toonbeeld) der mode; Napoleon dreaded the pink of that society more than Russia itself = die allerhoogste kringen; The Pink’un = een sportblad (Vergel. De “Groene”); To change to pink = een rooden jagersrok aantrekken; Pink-eyed = met kleine glinsterende oogen; Pink-sterned = met smallen achtersteven; Pinky = rose, vleeschkleurig; subst. pink (Amer.).

Pink, piŋk, doorboren, doorsteken; verfraaien, verbloemen (Amer.).

Pinkster, piŋkstə, Pinksteren (Amer.).

Pinnace, pinis, pinas, 6 of 8 riemssloep van een oorlogsschip.

Pinnacle, pinək’l, subst. tinne, toppunt; Pinnacle verb. van eene tinne of een top voorzien, kronen: The pinnacle of fame = toppunt van beroemdheid.

Pinnate, pinit, gevederd.

Pinniped, piniped, vinpootig (dier).

Pinnock, pinək, meesje.

Pint, paint, subst. pint (⅛ gallon = ± 0,568 L.); Pint-pot = klein huisje (Am.); kan die een pint inhoudt.

Pintle, pint’l, pen, bout, roerhaak.

Piny, paini, vol pijnboomen, pijnboomachtig.

Pioneer, paiənîə, subst. pionier, baanbreker, wegbereider; Pioneer verb. den weg bereiden.

Piony, paiəni, pioen.

Pious, paiəs, vroom, godvruchtig, teeder; Pious-minded = met vroom gemoed.

Pip, pip, subst. pip (vogelziekte), pit (v. eene vrucht), oog (op eene kaart); verk. v. Philip: Pip verb. piepen, sjilpen: Count your pips = tel, hoeveel oogen gij hebt.

Pipe, paip, pijp, buis, fluit(je), luchtpijp, stem; maat v. twee okshoofden of 126 gallons; Pipe verb. op de fluit spelen, een fluitsignaal geven, van pijpen voorzien, huilen, zingen: In a feeble pipe = met zwakke stem; All the children were on full pipe, on the full howl = waren om het hardst aan het janken en gillen; To charge (fill) a pipe = stoppen; I’ll clear my pipe first = mijne keel schrapen; To hit the pipe = opium schuiven; I’ll put your pipe out = ik zàl je wel; Put that in your pipe and smoke it = steek dat in je zak; His pipe was stopped, went out = was verstopt, ging uit; He began to pipe down = een toontje lager te zingen; He dances as she pipes = hij danst naar haar pijpen; Pipe-bowl = kop; Pipe-clay = pijpaarde; Pipe-clay verb. pijpaarden; Pipe-cleaner (Pipe-cleanser); Pipe-laying = het leggen van pijpen; politieke intrigues (Amer.); Pipe-light = fidibus; Pipe-picker = pijpuitpluizer; Pipe-rack = pijpenstander; Pipe-stem = steel; Pipe-tree = sering; Piper: Who is to pay the piper? = “Wie zal dat betalen, zoete, lieve Gerritje”? Piping = schril, schel, zwak, kokend heet (= Piping hot): The piping days of yore = de goede oude tijd.

Piperic, paiperik: Piperic acid = piperinezuur.

Pipkin, pipkin, aarden pot, tobbetje.

Pippin, pipin, kleine zure appel, pippeling.

Pipul, pipul, de heilige vijgenboom (Brit. Ind.).

Piquancy, pîk’nsi, pik’nsi, scherpheid, stekeligheid; Piquant = pikant, scherp, doordringend; Pique, pîk, subst. pik of piek, wrok, spijtigheid, gevoeligheid; Pique verb. boos maken, beleedigen, prikkelen: In a moment of pique she accepted him = in een spijtig oogenblik schonk ze hem hare hand; She piqued herself on her ladylike tastes = liet zich heel wat voorstaan op.

Piquet, piket, pikət, piket, piketspel.

Piracy, pairisi, zeerooverij, nadruk = Book piracy; Pirate, pairit, subst. zeeroover(sschip), letterdief; Pirate verb. zeeroof plegen, onbevoegd nadrukken; Piratical, pairatik’l, zeerooverij of letterkundigen diefstal plegend: Piratical printer.

Piraeus, pairîəs; Pirie, piri.

Pirn, pɐ̂n, (garen)klos, spoel.

Pirogue, piroug, uitgeholde boomstam (als kano); smalle boot.

Pirouette, piruet, subst. pirouette: To turn a pirouette = To pirouette.

Pisa, pîzə; Pisanio, piseiniou.

Piscary, piskəri, vischrecht, ook: Common of piscary; Piscatorial, piskətôriəl, Piscatory, piskətəri, visschers..., tot het visschen behoorende; Pisces, pisîz, de Visschen (dierenriem); Pisciculture, pisikɐltjə, vischteelt; Piscine, pis(a)in, tot de visschen behoorende; Piscivorous, pisivərɐs, vischetend.

Pisé, pîzei, ineengestampte aarde.

Pish, piš, interj. foei! bah! Pish verb. verachting uitdrukken: To cry pish at = To pish at.

Piss, pis, subst. urine; Piss verb. urineeren.

Pistachio, pisteišiou, pistatšou: Pistachio nut = groene amandel.

Pistareen, pistərîn, peseta (munt); adj. gering.

Pistil, pistil, stamper (v. bloemen); Pistillaceous pistileišəs, tot den stamper behoorend, stamper...; Pistillate = met een stamper.

Pistol, pist’l, subst. pistool; Pistol verb. doodschieten (met een pistool): Pistol-bag = holster; Pistol-case = pistoolkistje.

Pistole, pistoul, pistoul, gouden munt (ƒ 9 à ƒ 12).

Piston, pist’n, klep, zuiger; zuignapje: Piston-rod = zuigerstang; Piston-stroke = zuigerslag; Piston-valve = zuigerklep.

Pit, pit, subst. put, kuil, afgrond, diepte, parterre (schouwburg), plaats voor hanengevechten; een kaartspel; Pit verb. uithollen, in eene put plaatsen, aanzetten, ophitsen, met kuiltjes of pokken merken: The pit = het graf; He flew the pit = hij gaf den strijd op; He hit the pit of my stomach = raakte me in de maagholte; He has the power of pit and gallows = kerker en dood; To pit against = stellen tegenover; He pitted his brains against that difficult language = hij studeerde hard op die taal; Pitted with the smallpox = van de pokken geschonden (ook: Pock-pitted); Pitfall = val, strik, valluik; Pitman = putwerker; Pit-pat = tik.... tak; Pit-saw = kraanzaag (voor twee man: de onderste heet Pitman of Pit-sawyer, de bovenste top-sawyer); Pittite = volgeling van Pitt, parterre-bezoeker = Pitster.

Pit-a-pat, pitəpat, subst. klopping, tiktak, getrippel; adv. tikketak; Pit-a-pat verb. trippelen: And my heart went pit-a-pat = ging rikketik.

Pitch, pitš, subst. pik of pek; hoogte, toppunt, graad of trap; diepte, helling; toestand; toonhoogte; worp, stalletje; Pitch verb. teeren, pikken; bevestigen, zetten, opstellen, steken, regelen, werpen, slingeren, met een hooivork gooien of aanreiken, ruw plaveien, stemmen, den (grond)toon bepalen, kampeeren, (voorover) vallen, zich storten op, neerkomen, stampen (v. een schip): One cannot touch pitch without being defiled; As dark (black) as pitch = zoo donker als de nacht; Pitch-and-toss = kop of leeuw; It rose to the highest pitch = het bereikte het toppunt; Pitch of a roof = helling v. een dak; Pitch of a room = de hoogte van vloer tot zolder; Pitch of a saw = helling van de tanden van eene zaag; (All our rooms are well pitched = van behoorlijke hoogte); A pitched battle = geregelde slag; A pitched street = eene met granietblokken geplaveide straat; They pitched a camp near the town = sloegen op; Pitch into him = sla er op; I could not pitch upon the right word = kon niet vinden; The 17th was pitched upon = het werd op den 17en vastgesteld; Mind the pitching = denk om de helling; The pitching of the ship was something terrible = het schip stampte verschrikkelijk; Pitch-farthing = het spelen met centen in een kuil; Pitchfork = hooivork; Pitchfork verb. met een hooivork opgooien of aanreiken: He was pitchforked into that office = kreeg dat ambt door zijne vele kruiwagens; Pitch-pipe = stemfluitje; Pitchiness, subst. v. Pitchy = pikachtig, pikzwart, duister, akelig.

Pitcher, pitšə, soort v. houweel; kruik of kan; iemand, die van een stalletje verkoopt; straatkunstenaar: Pitchers have ears = kleine potjes hebben ook ooren; So often goes the pitcher to the well, that it comes home broken at last = de kruik gaat zoolang te water tot ze breekt.

Piteous, pitjəs, ellendig, jammerlijk, treurig; medelijden hebbend met (of); subst. Piteousness.

Pith, pith, pit, kern, merg, kracht, nadruk, het essentiëele; Pithiness = pittigheid, kracht; Pithless = zonder pit (ook fig.), slap, zwak; subst. Pithlessness; Pithy = pittig, krachtig.

Pitiable, pitiəb’l, jammerlijk; subst. Pitiableness.

Pitiful, pitiful, medelijdend; erbarmelijk, onbeduidend; subst. Pitifulness; Pitiless = onbarmhartig; subst. Pitilessness.

Pittance, pit’ns, gave, kleine portie, schrale kost, beetje.

Pity, piti, subst. medelijden, jammer, ellende; Pity verb. medelijden hebben; beklagen: It’s a great pity = het is (erg) jammer; Do it, for pity’s sake = doe het om Gods wil; More is the pity = jammer genoeg, wat nog erger is; Have (take) pity on him = wees hem genadig, heb deernis met; I pity you, though you never complain of him = ik beklaag u, ofschoon gij nooit over hem klaagt; He is to be pitied = is te beklagen.

Pius, paiəs.

Pivot, pivət, spil, guide (= Pivot-man); Pivot verb. draaien; Pivotal question = hoofdzaak.

Pix, piks = Pyx.

Pixy, piksi, fee, toovergodin.

Pizzle, piz’l, roede: Bull’s pizzle = bullepees.

Placability, plakəbiliti, pleikəbiliti, verzoenbaarheid, vergevensgezindheid, toegevendheid; adj. Placable, plakəb’l, pleikəb’l.

Placard, pləkâd, plakəd, subst. plakkaat, aanplakbiljet; Placard verb. biljetten aanplakken, bekend maken door plakkaten.

Place, pleis, subst. plaats, ruimte, inrichting, gebouw, verblijf, stad, dorp, betrekking, rang, stand; Place verb. plaatsen, op intrest zetten, (geld) beleggen (ook: to place out), schatten, de eerste, tweede of derde plaats toekennen (bij wedrennen), aanstellen: In place = op de juiste plaats; In the first place = ten eerste; In his place = in zijn plaats; In place of = in plaats van; The right man in the right place = de rechte man op de rechte plaats; To be out of place = buiten betrekking; To be badly (entirely) out of place = totaal misplaatst; To be all over the place = aan de orde van den dag zijn; I do not wish to change my place = ik wensch geene andere betrekking; Shall we change places = van plaats verwisselen; He filled his place to everybody’s satisfaction = nam zijne betrekking waar; To give place to = vervangen worden door; Censure began to give place to curiosity = begon te wijken voor; He has long since gone to his place = is ten grave gedaald; To know one’s place = weten waar men moet staan (ook fig.); To put in his place = op zijn nummer zetten; To take place = plaats hebben; To take places = plaatsen bespreken; Place-hunter = baantjesjager; Placeman = iemand, die door zijne partij aan een baantje geholpen wordt; Place-name = plaatsnaam.

Placenta, pləsentə, moederkoek; adj. Placental.

Placer, pleisə, plasə, goudbevattend terrein, goudmijn (ook fig.).

Placid, plasid, kalm, rustig, vreedzaam; subst. Placidity, pləsiditi = Placidness.

Placket, plakət, split v. een vrouwenrok (= Placket-hole); rok, schort, vrouw.

Plagiarism, pleidžiərizm, letterdieverij; Plagiarist, pleidžiərist, letterdief; Plagiarize = letterdieverij plegen.

Plague, pleig, subst. pest, plaag, ramp, straf; Plague verb. met de pest besmetten, met eenige ramp bezoeken; kwellen, plagen: (A) plague on his sentiments = laat hij met zijne opinies naar den duivel loopen; You little plague = kleine rakker! Plague-spot (Plague-token) = pestbuil, schandvlek; Plaguy, pleigi, pest - -, besmettelijk, vervelend, lastig, ondragelijk, veel, zeer.

Plaice, pleis, schol; platvisch.

Plaid, plad, pleid, subst. geruite wollen omslagdoek in Schotland; reisdeken; adj. Schotsch.

Plain, plein, subst. vlakte, vlak, veld; adj. vlak, open, helder, duidelijk, eenvoudig, niet schoon, leelijk; Plain verb. klagen, beklagen; uitleggen: In plain clothes = in burgerkleeren; A plain face = alledaagsch, niet mooi; In plain terms = ronduit; That’s the plain truth = dat is de zuivere waarheid; Sausage and plain = worst met gekookte aardappelen; He put it very plain = drukte zich zeer duidelijk uit; Plain cooking = burgerpot; Plain-dealer = oprecht en eerlijk man; Plain-dealing = oprechtheid, rondheid; Plain-song = koraalgezang; Plain-speaking = openhartigheid, oprechtheid; Plain-spoken = openhartig, rond; Plain-work = nuttige handwerken; Plainness = vlakheid, etc.

Plaint, pleint, weeklacht, klaaglied; aanklacht; Plaintiff = (aan)klager, eischer; Plaintive = jammerend, klagend, droevig; subst. Plaintiveness.

Plaister, plâstə, pleistə; Zie Plaster.

Plait, pleit, subst. platte vouw, plooi; vlecht; bonbon, borstplaat; Plait verb. vouwen, plooien, vlechten: She carefully removes my plaits (= valsche vlechten of valsch haar) and gingerly applies the comb to what is left on my head.

Plan, plan, subst. ontwerp, plan, schets, methode; Plan verb. een plan maken, schetsen, ontwerpen, beoogen: Plan of campaign = krijgsplan; On an entirely new plan = volgens eene geheel nieuwe methode; The plan fell away (through) = viel in duigen; I have changed my plans = ik ben van plan veranderd; They were always planning and plotting = aan het plannen maken en samenzweren; Planless; Planner.

Planchet, planšət, muntplaatje.

Plane, plein, vlak, effen; subst. vlakte, vlak, oppervlak, basis, sfeer, trap, gebied; schaaf; plataan (= Plane-tree); Plane verb. effenen, schaven: Plane chart = kaart naar Mercators projectie; Plane geometry = vlakke meetkunde; Plane sailing = zeilen op een gelijkgradige kaart; eenvoudige zaak; Plane-table = planchet (in graden verdeeld instrument voor het landmeten); Plane-tree = plataanboom; Planer = schaver; schaaf.

Planet, planət, planeet; Planet-struck, Planet-stricken = door den invloed van planeten getroffen, als verlamd; Planet-wheel = planeetrad; Planetarium, planətêriəm, planetarium; Planetary = veroorzaakt door planeten; planeet...; Planetoid, planətôid, asteroid.

Plangent, planž’nt, luid klotsend.

Planimetric(al), pleinimetrik(’l), planimetrik(’l), planimetrisch; Planimetry, plənimətri, pleinimətri, vlakke meetkunde.

Planing, pleiniŋ: Planing bench = schaafbank; Planing-machine = schaafmachine.

Planish, planiš, planeeren, glad schaven, polijsten, pletten; Planisher.

Planisphere, planisfîə, planisfeer.

Plank, plaŋk, subst. plank; beginsel van een politiek programma; Plank verb. met planken beleggen of bedekken; neerleggen (gooien) = To plank down (Amer.); The pirates made their captives walk the plank = spoelden hun gevangenen de voeten; A planked way = plankier.

Plano, pleinou: Plano-concave = planconcaaf; Plano-conical = planconisch; Plano-convex = planconvex.

Plant, plânt, subst. plant, gewas; al het materiaal voor een bepaalden arbeid; bedriegerij, zwendel; Plant verb. planten, vestigen, neerzetten, zaaien: Railway plant = al het materiaal voor een spoorweg; I am sure he has some plant on = dat hij iets in het schild voert; Planting his right foot with some force on the ground = neerzettende; To plant oneself four square = zich schrap zetten; Plant-cane = suikerriet van het eerste jaar; Plant-marker = naambordje (bij plant.); Planter; Planting-ground = (kunstmatige) oesterbank; Plantlet = plantje.

Plantain, plantən, weegbree; pisang.

Plantation, planteiš’n, aanplanting, beplanting, plantage, nederzetting.

Plantigrade, plantigreid, op de zolen loopend; zoolganger.

Plap, plap, kletteren (v. water).

Plaque, plâk, geëmailleerd of beschilderd bord van aardewerk of metaal; ster van eene orde, schijf; Plaquette, pləket, plaquette.

Plash, plaš, subst. tak (in eene heg) met andere takken dooreengevlochten; geklots, geplas, plas; Plash verb. dooreenvlechten van takken; plassen, sprenkelen; Plashy, plaši, drassig; gespikkeld.

Plasma, plazmə, plasma; een soort van groen kwarts; Plasmatic(al) = vorm of gedaante gevend; plasma-achtig.

Plaster, plâstə, subst. pleister(werk), gips, cement; pleister; Plaster verb. bepleisteren, berapen, besmeren: Calcined plaster = Plaster of Paris = gebrande gips; Plaster bust = buste van gips; Plaster image = gipsen beeldje; Plaster image maker; Adhesive (Sticking) plaster = hechtpleister; Blistering (Cantharides, Vesicating) plaster = trekpleister; Court plaster (Isinglass plaster) = Engelsche pleister; He was plastered all over = als bedekt met pleisters of pappen; Plasterer = stucadoor.

Plastic, plastik, plastisch, beeldend, vormend, vormbaar: Plastic art = de beeldende kunst; Plastic clay = pottebakkersaarde; Plasticity, pləstisiti, plasticiteit, vormbaarheid.

Plastron, plastr’n, borstharnas, borst- of stootlap (voor schermers), borststuk, borst in kleedingstuk; plastron.

Plat, plat, subst. lapje grond, plan, vlecht, vlechtstroo (= Platting); Plat verb. een plattegrond maken van, vlechten; Platband = rabat (bloembed), bovenstijl van venster of deur.

Platan, plat’n, Platane, platein, plataan.

Plate, pleit, subst. plaat, bord, metalen vaatwerk, gouden en zilveren schotels of andere voorwerpen (als prijzen), tafelzilver, schaal, gang, etc.; harnas; Plate verb. met zilver of goud bedekken, pantseren, pletten; Plate-armour = pantserplaten; Plate-basket = afhaalmandje; Plate-fleet = (de Spaansche) zilvervloot; Plate-glass = spiegelglas; Plate-iron = plaatijzer; Plate-layer = legger van spoorstaven; Plate-mark = keur; Plate-rack = rek voor borden en schotels; Plate-warmer.

Plateau, plətou, hoogvlakte, tafelland.

Platen, plat’n, degel (boekdr.).

Platform, platföm, verhoogde vloer, tribune, terras, balkon (van tram), perron, politiek programma of pol. redevoeringen; bedding van een stuk geschut.

Platina, platinə, plətînə, Platinum, platinɐm, plətînəm, platina: Platinum crucible; Platinum-wire; adj. Platinic; Platiniferous = platina opleverend.

Platitude, platitjûd, platheid, onbeduidendheid, oppervlakkigheid: He is endlessly prolix and platitudinous = en vol gemeenplaatsen.

Plato, pleitou, Plato; Platonic, plətonik, platonisch: Platonic love (= Platonics); Platonic year = platonisch jaar (ongeveer 26,000 jaren); Platonism = wijsbegeerte van P.; Platonist = volgeling van Plato.

Platoon, plətûn, peleton: In (By) platoons; Platoon firing.

Platter, platə, houten bord, groote platte schotel.

Plaudit, plôdit, toejuiching; Plauditory = toejuichend.

Plausibility, plôzibiliti, subst. v. Plausible, plôzib’l, plausibel, aannemelijk, aangenaam voor oog of zinnen, mooi pratend, met gladde tong; subst. Plausibleness.