Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 59

Chapter 593,326 wordsPublic domain

Hip, hip, subst. heup; graatspar of hoekkeper van een tentdak; bottel van de hondsroos; Hips = zwaarmoedigheid; To catch on the hip = in de macht krijgen; To have on the hip = in de macht hebben, overwinnen; The government was beaten hip and thigh = bleef verschrikkelijk in de minderheid; To smite hip and thigh = den schenkel en de heup (Richt. XV, 8); Hip-bath = zitbad; Hip-gout = heupjicht; Hip-joint = heupgewricht; Hip-roof = tentdak; Hip-shot = ontheupt, lam; Hip-tree = hondsroos; Hipped = met ontwrichte heup; somber, gedrukt: You are hipped, you want more society = je bent zwaarmoedig (“hiep”); Hippish = somber, gedrukt.

Hippocampus, hipəkampəs, zeepaardje; Hippocras, hipəkras, hipokras; Hippocrates, hipokrətîz; Hippocratic, hipəkratik, Hippocratisch: Hippocratic face = gelaat van een stervende even vóór de dood intreedt. Hippocrene, hipəkrîn, hipəkrînî, Hengstebron; Hippodrome, hipədroum, circus, wedstrijd met vooraf afgesproken resultaat (Amer.); Hippogriff, hipəgrif, gevleugeld paard; Hippolyta, hipolitə, Hippolyta; Hippopathology, hipəpətholədži, leer der paardenziekten; Hippophagist, hipofədžist, eter van paardenvleesch; The man’s hippopotamic manner = ’s mans lompe, onbehouwen manier; Hippopotamus, hipəpotəmɐs, nijlpaard, rivierpaard.

Hircania, hɐ̂keiniə.

Hircine, hɐ̂s(a)in, sterk riekend, als v. een geit, bok, bokachtig: hircine.

Hire, haiə, subst. huur, loon, belooning, steekpenning; Hire verb. huren van iemand, in dienst nemen voor loon, omkoopen, verhuren: To hire oneself to, out = zich verhuren aan, verhuren; Hireless = gratis; Hireling, subst. huurling; ook adj.; Hirer = huurder; verhuurder (= Hirer out).

Hirsute, hɐ̂siût, hɐ̂siût, behaard, borstelig, haar - -.

His, hiz, pron. poss. zijn, de of het zijne: He has come by his own = heeft gekregen wat het zijne was; He has come into his own = heeft zijn erfdeel gekregen.

Hish, hiš, aanhitsen; ook interj.

Hisk, hisk, moeielijk ademhalen.

Hispanicism, hispanisizm, Spaansch idioom; The Hispano-Portuguese frontier = Spaansch-Portugeesche.

Hispid, hispid, borstelig.

Hiss, his, subst. sisklank, gesis, gejouw; Hiss verb. sissen, fluiten (van een pijl), uitfluiten.

Hist, hist, aanhitsen; interj. St.!

Histology, histolədži, leer der weefsels.

Historian, histôriən, geschiedschrijver; Historic(al), historik(’l), geschiedkundig: Historical cavalcade = (pageant) = historische optocht; Historic-painting, Historic-picture = geschiedkundig schilderstuk; Historic(al)-sense = historisch inzicht; Historicalness, historik’lnəs, geschiedkundige waarde of waarheid; Historiette, histôriet, verhaal, kleine geschiedenis; Historiographer, histôriogrəfə, geschiedschrijver; Historiography, histôriogrəfi, geschiedschrijving; History, histəri, geschiedenis, verhaal: Ancient (Modern, Natural, Sacred) history; History-piece = historische schilderij.

Histrionic(al), histrionik(’l), tooneelspel..., tooneelspeler...: Our histrionic taste is gone = onze zin voor de tooneelspeelkunst; Histrionics, histrioniks, tooneelkunst; Histrionism = de tooneelspelers, het spelen.

Hit, hit, subst. slag, stoot, steek onder water, aanraking, kans, gelukkige zet, treffer, succes; Hit verb. raken, treffen, slaan, gissen, raden, passen, gelukken, aantreffen, bedenken, ontdekken: The book is a decided hit = heeft veel succes; The singer was a great hit in London = maakte grooten opgang; He made an immense hit with his song = had kolossaal succes; You must do it, hit or miss (hitty missy) = op goed geluk af (eig. luk of raak); To hit it off with = opschieten met: I always hit it off with dogs and children; You have hit it off = ge hebt het juist getroffen, geraden; He hit off my likeness very happily = hij heeft mij goed getroffen; He hit it out = hij heeft het er goed afgebracht; He hit out at me = deed een slag naar mij; Her visit to America was a triumph; she hit up all her hearers = zij pakte al hare hoorders in; I could not hit upon the right expression = kon niet vinden; These words hit the audience in their weakest place = tastten in hun zwak; I hit it in his teeth = wreef het hem onder den neus; You have hit the mark = het bij ’t rechte eind; You hit it very punctually = hebt het precies getroffen; Hitting-shot = raakschot.

Hitch, hitš, subst. ruk, kink, steek, beletsel, hapering, tijdelijke hulp in nood; Hitch verb. vastmaken, aanhaken, met een ruk of sprong zich voortbewegen, optrekken, prettig samenwerken, aanslaan (van paarden), wegnemen: The hitch was due to your carelessness = door uwe zorgeloosheid ontstond het beletsel; Some hitch had occurred = er was een kink in den kabel gekomen; There the hitch lies = daar zit de knoop; Upon the least hitch I will have you write your lesson = als ge even hapert; The extinguisher was hitched to the candlestick = het dompertje was aan den kandelaar gehaakt; Take care, lest he hitches you into a story = dat hij je niet in een verhaal ten tooneele voert; He hitched on the battery = haakte aan.

Hither, hidhə, hierheen, aan deze zijde: Hither and thither = heen en weer; Hithermost = nabij, het meest naar deze zijde; Hitherto = tot hiertoe; Hitherward = herwaarts.

Hive, haiv, bijenkorf, zwerm bijen, dicht bevolkte buurt; bijenkorfvormige hoed; Hive verb. in een korf doen of verzamelen, opzamelen, bevatten, samenwonen: I will no longer hive with them = met hen onder één dak zijn; Hive-bee = korfbij; Hiver = ijmker.

Hives, haivz, keelontsteking; netelroos.

Hizzing, hiziŋ, gesis.

Ho(a), hou, he! ho!

Hoaky: By the Hoaky = alleduivels!

Hoar, hö, adj. wit, grijs, beschimmeld; Hoar verb. wit of grijs maken, beschimmelen: Hoar-frost = rijp; Hoar-stone = grenssteen; Hoariness, subst. v. Hoary = grijs, grauw, met grijze haartjes bedekt; Hoar-headed = met grijzen kop.

Hoard, höd, subst. voorraad, hoeveelheid; hoop, geheime schat of voorraad; Hoard verb. vergaren, opzamelen, opleggen: He hoarded all savings = zamelde op; Hoarder.

Hoarding, hödiŋ, schutting om een in aanbouw zijnd gebouw.

Hoarse, hös, schor, heesch, krassend: I am as hoarse as a crow; subst. Hoarseness.

Hoax, houks, subst. grap, fopperij, aardigheid, “canard”; Hoax verb. eene grap hebben, foppen: To play a hoax upon a person = een poets bakken; Hoaxer.

Hob, hob, subst. vooruitspringend plaatje aan een haard om iets warm te houden; naaf; houten pin, kinderspel waarbij naar een op een hob geplaatst geldstukje wordt gegooid: To play hob with = een speldje steken voor (fig.).

Hob-and-nob, hobən(d)nob, drinken, een lijntje trekken met, vertrouwelijk praten, omgaan met.

Hobbes, hobz, Hobbes; Hobbism, hobizm, wijsgeerig stelsel van Th. Hobbes (1588–1679); Hobbist.

Hobble, hob’l, subst. hinken, strompelen; verlegenheid, moeielijkheid; Hobble verb. strompelen, kluisteren van paarden, knoeien, prutsen: I’ve got into a nice hobble = ik zit leelijk in de klem; Hobble-skirt = strompelrok; Hobbler = hinkepoot; knoeier, onbevoegd loods, losse arbeider, een man, die een schuit trekt.

Hobbledehoy, hob’ldəhôi, jong mensch, te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken; Hobbledehoyish = slungelig.

Hobbly, hobli, hobbelig, oneffen, vol gaten (van een weg).

Hobby, hobi, boomvalk; stokpaardje; domkop, lummel; telganger: Every man rides his hobby; Hobby-horse = stokpaardje (eig. en fig.), uilskuiken.

Hobgoblin, hobgoblin, hobgoblin, kabouter.

Hobnail, hobneil, hoefnagel, groote schoenspijker, pummel; Hobnail verb. met spijkers beslaan.

Hobnob, hobnob, op goed geluk, luk of raak; Hobnob verb. Zie Hob-and-nob.

Hobson’s choice, hobs’nztšôis, geene keus, gedwongen keus.

Hock, hok, knieboogspier (bij menschen); hakpees (bij paarden, etc.); Hochheimer, rijnwijn; Hock verb. een dier de knieboogspier doorsnijden; Hock-day = een feestdag bij ’t betalen der pacht; Hock Monday, Hock Tuesday = 2de Maandag en Dinsdag na Paschen; Hock-tide = de voorgaande feestdagen.

Hockey, hoki, soort v. kolfspel.

Hockle, hok’l, verb. Zie Hock.

Hocus, houkəs, drank met slaapkruid erin; Hocus verb. bedriegen, iets bedwelmends door den drank mengen; Hocus-pocus = hocus-pocus; ook adj.; Hocus-pocus verb. bedriegen.

Hod, hod, kalk- of steenenbak; Hod-carrier = opperman = Hod-man, ook fig. = handlanger.

Hodden, hod’n, boersch; ook = Hodden-gray (grey) = stof van ongeverfde wol.

Hodge, hodž, boer, boerenarbeider; Hodge-podge = hutspot, allegaartje; Hodge-pudding = allegaarspudding.

Hodiernal, houdiɐ̂n’l, huidig, van dezen dag.

Hodometer, hədomətə, afstandsmeter (aan de as van een rijtuig, etc.).

Hoe, hou, subst. schoffel; Hoe verb. schoffelen: To hoe one’s own row = voor eigen stoep vegen (fig.); Hoe-cake = grove maïskoek.

Hog, hog, subst. varken, gesneden beer, schaap tusschen 6 maanden en het eerste scheren, stier van een jaar; zwijn, vuilik; hog of schrobber, shilling; Hog verb. kort afknippen, schrobben (technisch “hoggen” genoemd), doorbuigen van een schip, met gebogen hoofd gaan (v. paarden); To go the whole hog = voor niets terugdeinzen, iets consequent doorzetten, B zeggen als men A heeft gezegd; Hog-colt = éénjarig veulen; Hog-cote = varkenskot; Hog-herd = zwijnenhoeder; Hog-mane = kortgesneden opstaande manen; Hogpen = varkenskot; Hog’s-back = lage heuvelrug; Hog’s-lard = varkensreuzel; Hog-shearing = koude drukte; Hog-steer = wild zwijn in ’t derde (schaap in ’t tweede) jaar; Hog-sty = varkenskot; Hog-wash = varkensdraf; Hoggery = varkenskot; Hoggish, hogiš, zwijnachtig, vuil, dom, gulzig, zelfzuchtig; subst. Hoggishness.

Hogarth, hougâth.

Hoggerel, hogər’l, schaap in het tweede jaar.

Hogger-pump, hogəpɐmp, pomp in eene kolenmijn.

Hoggers, hogəz, kousen zonder voeten (door mijnwerkers gedragen).

Hogget, hogət, zwijn, veulen of schaap in ’t tweede jaar.

Hogmanay, hogmənei, hogmənei, Oudejaarsdag; onthaal of geschenk op dien dag in Schotland.

Hogshead, hogzhed, okshoofd, groot vat (= 52 gallons Tinto wijn; 30 gallons Hock; 48 gallons ale en beer).

Hoiden, hôid’n, subst. wilde meid, driedekker; adj. ruw, brutaal; Hoiden verb. stoeien, uitgelaten zijn; adj. Hoidenish.

Hoist, hôist, subst. elevator, kraan; hoogte van vlag of zeil; Hoist verb. (op)hijschen: He was hoist(ed) with his own petard = de mijn is verkeerd voor hem gesprongen.

Hoity-toity, hôititôiti, drommels! tut, tut! adj. opgewonden, druk, uitgelaten, stormachtig; subst. warboel; opgeblazenheid.

Hokey-pokey, houkipouki = Hocus-pocus; ook goedkoop ijs (op straat verkocht).

Holborn, houbən, Holbrook, houlbruk; Holcroft, holkroft.

Hold, hould, subst. houvast, greep, steun, invloed, macht, gevangenschap, gevangenis, schuilplaats, ruim van een schip; Hold verb. houden, vasthouden, er voor houden, ophouden, behouden, inhouden, aanhouden, bevatten, bewaren, behoeden, beslissen, bezitten, bekleeden, verkrijgen, verdedigen, deelnemen, vieren, voeren (van taal), wedden, standhouden, enz.: I cannot get hold of him = hem te pakken krijgen; Nothing has any hold on him = heeft vat op hem; To keep firm hold of = stevig vasthouden; Do not let go your hold = laat niet los; That great shock looses his hold on life = brengt hem den dood nader (eig. doet hem zijn houvast aan ’t leven verliezen); To quit one’s hold = loslaten; He took (laid) hold of my arm = hij greep (pakte, hield) mijn arm vast; The frost will not hold = zal niet aanhouden; That rule always holds (good) = gaat altijd door; Hold fast by my girdle = houd je vast; Hold hard = houd je goed vast, wacht even, kalm aan, schei uit, stop; Held in reserve = gereserveerd; She held herself properly = kwam netjes voor den dag; I will hold a brief for you = de zaak voor u bepleiten; We held the fortress against the enemy = verdedigden (met succes) de vesting; He can hardly hold his own = zich nauwelijks bedruipen; To hold one’s own against any odds = zich goed (staande, stand) houden tegen; Hold your peace = houd je mond; The ministry holds its power at the hands of the people = heeft, ontvangt zijn macht uit de handen van het volk; He held our proxy = was onze procuratiehouder; We hold our title of (from) the royal favour = ontleenen onzen titel, ons recht; Hold your tongue = zwijg; I will hold that wager = durf die weddenschap aan; Such an excuse would never hold water = opgaan, geaccepteerd worden; He held wool for her = hield een streng wol voor haar op; onderwierp zich aan hare nukken; You can’t hold back time = tegenhouden; To hold back letters = achterhouden; Hold hard = stop! He held forth his hand = stak zijne hand uit, bood zijne hand aan; We have been holding forth on all kinds of subjects = hebben het gehad over, er over uitgeweid; He held off his enemies = hield op een afstand; He held on his (headlong) course = zette zijn (onstuimigen) loop voort, ging door op; Hold on a bit = wacht eventjes; He held (on) by the railings = hield zich vast aan; They held on downwards = gingen verder naar beneden; Hold on round my waist = houd je vast om mijn middel; He held on pluckily = hield zich kranig; To hold out = toesteken, vóórspiegelen, etc.: He was holding out to a knot of men = stond te oreeren; He held out those favours to me = bood mij aan; I can hold out no longer = kan het niet langer uithouden; Many advertisements must be held over till our next issue = wij moeten laten liggen; You must not hold him to that opinion = niet als zijne eind-opinie beschouwen; I held him to his promise = hield hem aan; Behave well and hold (stick) to the right = en houd u aan ’t goede; He held faithfully to his party = bleef standvastig trouw aan; Hold up your head, and look like a man = wees flink; To hold up one’s head with = niet onderdoen voor; The same speed was held up to the last = werd volgehouden; He was held up for (to) execration, ridicule = werd prijsgegeven aan; To hold up as an example = tot voorbeeld stellen; He held me up, until we were both picked out = hield mij boven water; To hold up a train = aanhouden (door roovers); We were in the held-up train; Hold up man! = houd je goed, courage! Why don’t you hold up your end of the line (rope) = waarom neemt gij niet deel aan het gesprek (Amer.)? He holds with the royalists = houdt het met; Hold-all = soort reiszak, nécessaire; Holdback = verhindering, beletsel; Holder = houder, bezitter, huurder, aandeelhouder, bak; Holder-forth = schreeuwerig redenaar; Holdfast = houldfâst, steun, houvast; Holding = houvast, bezit, gehuurde boerderij.

Hole, houl, subst. gat, hol, opening, kuil, hok (van eene woning), moeilijkheid; Hole verb. een gat maken, stoppen, in een gat kruipen: My shoes are in holes = stuk; To be in a hole = in de klem zitten; To make a hole in the water = zich verdrinken; We are not going to pick holes in each other’s coats = elkaar geen kwaad doen, niet op elkaar vitten; I tried to pick holes in his story = trachtte fouten te vinden in, aanmerkingen te maken op; I put my foot into a big hole = ben er leelijk ingeloopen, heb me leelijk verpraat; The diplomatic holes and corners of our day = de diplomatieke geheimen (wat er achter de schermen gebeurt); The proceedings of the club are hole-and-corner = zijn geheim (stiekum); A hole-and-corner engagement = stiekum.

Holibut, holibɐt (Zie Halibut).

Holiday, holidei, subst. heiligedag, vacantiedag, vrije dag, feestdag; ook adj. feest —, Zondags —, onecht —: Their holiday best = Zondagsche pak; Holiday Hall = plaats waar men zich niet behoeft te geneeren (om te rooken, bijv.); To have a holiday = vrij hebben; She was on holiday = met vacantie, had vrijaf; Holidays = vacantie; Holiday-maker = plezierreiziger; Holiday task = vacantiewerk.

Holiness, houlinəs, heiligheid: His Holiness = Zijne Heiligheid, titel voor den Paus.

Holinshed, holinzhed, holinšed.

Holla, holə, subst. luide roep; Holla verb. luide roepen, toeroepen; interj. helà, hei!

Holland, hol’nd, Holland, ongebleekt linnen: Brown Holland = weinig gebleekt linnen; Holland gin = Hollands = Schiedammer; British Hollands = in Engeland gestookte jenever; Hollander.

Hollow, holou, subst. holte, ledige ruimte, hol, groef, voor, dal; adj. hol, niet massief, uitgehold, concaaf, laag, diep, geveinsd, onoprecht, volkomen; Hollow verb. uithollen; ook roepen: She beat all her sisters hollow = won het royaal van, overtrof verre; Hollow-eyed = met holle oogen; Hollow-hearted = onoprecht, valsch; Hollow-square = carré (mil.); Hollow-ware = (metalen) keukengereedschap; Hollowness = holheid, leegheid, valschheid.

Holly, holi, hulst; steeneik; Holly-fern = stekelige schildvaren; Holly-hock = stokroos; Holly-rose = cistroos.

Holm, houm, riviereilandje, vlak en vruchtbaar land langs den rivieroever, hulst; Holm-oak = steeneik.

Holmes, houmz.

Holocaust, holəkôst, brandoffer bij de Joden, algemeene slachting.

Holograph, holəgraf, eigenhandig geschreven document, adj. eigenhandig geschreven; adj. Holographic(al).

Holothurian, holəthiûriən, zeekomkommer.

Holster, houlstə, holster; Holstered.

Holt, hoult, hout, boschje, aanleg, gat, schuilplaats (voor dieren).

Holus-Bolus, houləs-bouləs, halsoverkop.

Holy, houli, heilig, rein, goddelijk, gewijd: Holy of Holies = het Heilige der Heiligen; The Holy One = Jehova; Holy day = Heiligedag; Holy Ghost (Holy Spirit) = Heilige Geest; Holy Office = de Inquisitie; In Holy orders = in Deacon’s of in Priest’s (= full) orders = Ordained als Deacon of Ordained, admitted en instituted als Priest door den Bishop; Holy Rood = kruis, kruishout, crucifix (in kerken vooral); Holy Saturday = Zaterdag vóór Paschen; Holy-stone = schuursteen; ook verb.; Holy Thursday = Hemelvaartsdag; Holy Tide (Week) = week voor Paschen; Holy water = wijwater; Holy wells = miraculeuze bronnen; Holy Writ = de H. Schrift.

Holyhead, holihed; Holyrood, holirûd.

Holywell, holiwel: Holywell Street Literature = pornographische literatuur.

Homage, homidž, subst. hulde, eerbied; Homage verb. huldigen = To do (render) homage; Homager = vasal, leenman.

Home, houm, subst. tehuis, huis, geboorteplaats, vaderland, woning, verblijf, liefdadige instelling; Home verb. naar huis gaan, wonen, zich vestigen; adj. huis - -, binnenlandsch; adv. naar huis, ten volle, toepasselijk, raak, krachtig: Home is home, be it never so homely = Be in East and West, home is best = oost, west, thuis best; He banged the door home = sloeg hard dicht; To bring home (carry home, come home, leave home, return home); To bring home to = bewijzen, duidelijk maken; All our deeds come home at last = worden op den duur op onszelf verhaald; That truth came home to me = drong tot me door, werd me bewust; To go home = naar huis gaan, het doel treffen; To pay home = betaald zetten; He is perfectly at home with what passed = volkomen op de hoogte van; Make yourself at home = doe alsof je thuis was; Mrs. N is at home on Monday = Mevrouw N. ontvangt Maandags; Is he at home? No he will be home to dinner; Charity begins at home = het hemd is nader dan de rok; Home-baked = eigengebakken; Home-bound = Homeward-bound = op de thuisreis; Home-bred = inlandsch (van fokvee); natuurlijk, onbeschaafd; Home-circle = familiekring; Home-circuit = rechtsgebied van de Judges of Assize, dat Londen tot centrum heeft; Home-counties = de counties bevattend en Londen omringend; Home-department (Home-office) = Ministerie van Binnenl. Zaken; Home-farm = boerderij verbonden met het verblijf van den eigenaar, Home-fed bacon = inlandsch spek; Home-felt = innig, innerlijk, geheim; Home-freight = retourvracht; Home-keeping = thuisblijvend, huiselijk; Home-made = eigengemaakt, van inlandsch fabrikaat; Home-return = repatrieering; Home-rule = plaatselijk zelfbestuur (vooral met het oog op Ierland); To be Home-sick = heimwee hebben; Home-sickness = heimwee; Home-speaking = eenvoudige, oprechte taal; Home-spun = subst. en adj. eigengesponnen (stof), van eigen fabrikaat, eenvoudig; een bepaalde stof; Home-stall, Home-stead = erf, huismansplaats; Home-thrust = gevoelige waarheid, raak antwoord, stoot die raak is; Home-trade = binnenlandsche handel; Homeless = dakloos; subst. Homelessness; Homelike = gemoedelijk, gezellig; Homeliness = eenvoudigheid; Homely = eenvoudig, dood gewoon, ook ordinair (van het gelaat), voor huiselijk gebruik bestemd; Homeward = Homeward-bound = op weg naar huis, op de thuisreis.

Homer, houmə, Homerus; Homeric, həmerik, Homerisch.

Homicidal, homisaid’l, homisaid’l, moorddadig, bloedig; Homicide = moord, moordenaar.

Homiletic(al), homiletik(’l), homiletisch; Homiletics = homiletiek; Homilist = homileet; Homily = kerkelijke tekstverklaring, kanselrede.

Homing, houmiŋ: Homing instinct = om het huis weer te vinden.

Hominy, homini, grof gemalen maïs.

Hommock, homək. Zie Hummock.

Homoeopath, ho(u)miəpath, homoeopaat; Homoeopathic(ally) = homoeopathisch; Homoeopathist = homoeopaat; Homoeopathy = homoeopathie.

Homogeneous, houmədžîniəs, homogeen; subst. Homogeneousness.

Homologate, homoləgeit, bekrachtigen, goedkeuren; subst. Homologation.

Homologous, homoləgɐs, homoloog; Homology = homologie.

Homonym, ho(u)mənim, homoniem; adj. Homonymous, həmonimɐs; Homonymy, homonimi, gelijkluidendheid, dubbelzinnigheid; Homophone, ho(u)məfoun, letter of woord van denzelfden klank.

Homunculus, həmɐŋkjuləs, dwerg; langs chem. weg geschapen mensch (v. Paracelsus).

Honduras, hondjuras, hondjûras (mahoniehout uit) Honduras.

Hone, houn, subst. slijpsteen, oliesteen; Hone verb. slijpen, aanzetten.

Honest, onəst, eerlijk, braaf, oprecht, kuisch, deugdzaam: Honest Indian? (Injun) = op je woord? Honesty = braafheid, eerlijkheid: Honesty is the best policy = eerlijk duurt het langst; In honesty of heart = in alle oprechtheid.

Honey, hɐni, subst. honig, zoetheid, liefje, snoesje; adj. honigachtig, zoet; Honey verb. met honig bedekken, zoet maken of worden; Honey-badger = honigdas; Honey-bag = honigzakje (der bijen); Honey-bear = honigbeer; Honey-bee = honigbij; Honeycomb = honigraat, honigcel: The nation is honeycombed with secret societies = doortrokken van geheime genootschappen; Nature is honeycombed with pain and strife = is vol van pijn en strijd; Honey-dew = honigdauw; soort van tabak met stroop bevochtigd en in koekjes geperst; Honey-flower = honigbloem; Honey-guide = honigkoekoek (Zuid-Afr.); Honey-harvest = honigoogst; Honeymoon, subst. wittebroodsweken; Honeymoon verb. in de wittebroodsweken zijn, deze doorbrengen; Honey-mouthed = vleierig; Honey-stalk = honigklaver; Honey-tongued = vleierig; Honey-suckle = kamperfoelie; Honey-wort = wasbloem, kruisbladig walstroo; Honeyed (fig.) = zacht, zoet, vriendelijk, vleiend.

Honied, hɐnid = Honeyed.

Honorarium, onourêriəm, salaris, belooning.

Honorary, onərəri, eervol, eere...: Honorary President = Eere-Voorzitter; Honorary monument = gedenkteeken voor iemand, die ergens anders begraven is; That is a purely honorific distinction = louter een eeretitel.

Honour, onə, subst. eer, eergevoel, aanzien, rechtschapenheid, kuischheid, hoogachting, waardigheid, titel (= edelachtbare), eerewoord, een der vier hoogste troeven; Honour verb. eeren, eer bewijzen, vereeren, honoreeren (van een wissel); Meerv. Honours = eerbewijzen, hoogste graad: Examinations in honours = “cum laude” examens; Honours of war = krijgseer; Honour bright = op mijn (je) woord van eer; Affair (Debt, Guard, Point, Word) of honour; You are in honour bound to do it = aan uwe eer verplicht; To do the honours = de “honneurs” waarnemen; That does you honour = dat strekt u tot eer; To meet with due honour = behoorlijk honoreeren; I pledge it on my honour, I pledge my honour for it = beloof het op mijn woord van eer; Honourer.

Honourable, onərəb’l, eervol, aanzienlijk, voornaam, edel, achtbaar, titel (aan de jongere zoons van ‘earls’, aan al de zoons en dochters van ‘viscounts’ en ‘barons’, aan opperrechters in Engeland en Ierland en aan de hofdames toegekend; Zie ook Right-Honourable); subst. Honourableness.