Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 125

Chapter 1253,255 wordsPublic domain

Stiff, stif, stijf, onbuigzaam, vasthoudend, hoog, vast, sterk, flink, moeielijk, zwaar; subst. papier, wissel, geld: That is stiff at first = valt eerst niet mee; The arithmetic was pretty stiff = vrij moeilijk; I gave it him pretty stiff = heb hem duchtig geraakt; He was stiff in such points = stond hardnekkig op; This is the last glass of grog, but it shall be a stiff one = maar het zal een sterke grog zijn; They made their stiff in America = hun geld; Stiff country = taaie, voor paarden zware bodem; Stiff pace = flinke gang; We sold them at stiff prices = voor hooge prijzen; Stiff and stark = stijf en strak; He is as stiff as a poker = zoo stijf als een stuk hout; Stiff-necked = eigenzinnig; subst. Stiff-neckedness; Stiffen = verstijven, hard worden; aanwakkeren, vast worden; stijgen, stijf (hardnekkig) maken, stijven: To stiff cloth with starch = stijven; To stiff one’s neck = halsstarrig worden; Stiffer = wie of wat stijf maakt; Stiffish = eenigszins stijf; Stiffness = stijfheid, etc.

Stifle, staif’l, subst. kniegewricht van een paard, gal aan de knieschijf van paarden.

Stifle, staif’l, verstikken, smoren, uitblusschen, dooden: The air was stifling = het was om te stikken.

Stigma, stigmə, brandmerk, schandvlek, moedervlek, stigma (bij insecten); adj. Stigmatic, stigmatik; Stigmatization, subst. v. Stigmatize, stigmataiz, brandmerken, schandvlekken.

Stile, stail, subst. naald (van den zonnewijzer), opstap (om over hekken etc. te klimmen): To help a lame dog over the stile = een zetje geven, een handje helpen.

Stiletto, stiletou, kleine dolk, stilet: The man was all stiletto and mask = was in geen enkel opzicht te vertrouwen.

Still, stil, subst. kalmte, stilte; distilleerketel, branderij; adj. stil, zacht, kalm, rustig, niet mousseerend (v. wijnen enz.); Still verb. stillen, kalmeeren, inhouden, doen bedaren, distilleeren: To lie (sit, stand) still; I sat as still as still = doodstil; Still waters run deep = stille waters hebben diepe gronden; Still-born = doodgeboren, ontijdig, zonder succes; Still-life = stilleven; Still-room = distilleerkamer; provisiekamer, dienkeuken; Stilliform = druppelvormig; Stillness = kalmte, stilte.

Still, stil, nog, steeds; conj. toch, intusschen: Is not he a child still? = is hij niet nog een kind? He was still not coming = hij kwam nog maar niet.

Stillage, stilidž, stellage, schraag: A bar with counter and stillage = buffet, met toonbank en stellage.

Stilt, stilt, subst. stelt, steltlooper (= Stilt-bird); Stilt verb. op stelten zetten, kunstmatig opheffen: On stilts = op stelten; hoogdravend; To go (walk) on stilts; Stilt-walker = steltlooper; Stiltedness = hoogdravendheid.

Stilton, stilt’n: It’s not the Stilton = dat past niet; Stilton cheese, een te St. bereide kaassoort.

Stimulant, stimjul’nt, prikkelend; opwekkend; subst. opwekkend middel, prikkel; Stimulate, stimjuleit, aansporen, aanzetten, prikkelen; subst. Stimulation; Stimulative = prikkelend, etc.; subst. prikkel, etc.; Stimulator = aanzetter, aanspoorder; Stimulus, stimjuləs, prikkel, opwekkend middel, stekel: To give a stimulus to = aansporen, opfleuren.

Sting, stiŋ, subst. angel, stekel, prikkel, steek, wroeging of knaging (= Stings of conscience); Sting verb. steken, prikkelen, pijn doen, pijnlijk treffen: Your narrative stings me to the heart = is me een steek door het hart; Stung with remorse = vol gewetenswroeging; Stung with sorrow = smartelijk getroffen; Stinger = stekel, steek, pijnlijke slag, vorstig weer: He received a stinger in his face = een harden slag; Sting-bull = pieterman; Sting-fish = kleine pieterman of steekvischje; Stingray = Stingtail = stekelrog = Stingaree, stiŋgərî; Stinging: Stinging-nettle = brandnetel; Stingless.

Stinginess, stindžinəs, subst. v. Stingy, stinži, vrekkig, gierig.

Stink, stiŋk, subst. stank, ruzie; Stink verb. stinken, in slechten reuk staan: It stinks in the people’s nostrils = het is het volk een walg; Stink-pot = stinkpot; Stinkard = stinkdier.

Stint, stint, subst. grens, perk, maat; zeeleeuwerik, bepaalde hoeveelheid, toebedeelde taak; Stint verb. beperken, eene bepaalde taak aanwijzen, stukwerk geven; zich bekrimpen: They stint themselves = bekrimpen zich; He does not stint his confidence = is niet karig met; Stinted in growth = in den groei belemmerd; They were stinted to a certain number of dishes = mochten niet gaan boven, waren beperkt tot; Stintedness = beperking; Stintless = overvloedig.

Stipe, staip, (Meerv. Stipes, staipîz), stengel, stronk, stam.

Stipend, staip’nd, jaarwedde, bezoldiging; inkomsten van een geestelijk ambt (Schotl.); Stipendiary, staipendjəri, subst. bezoldigd politierechter; bezoldigde, loontrekkende; adj. bezoldigd.

Stipple, stip’l, punteeren, stippelen; ook subst.: A bold sketch without stippling or varnish; Stippler = punteerpenseel.

Stipulate, stipjuleit, stipuleeren, vaststellen, bedingen; adj. (stipjulit) van steunblaadjes voorzien; subst. Stipulation; Stipulator.

Stir, stɐ̂, subst. beroering, drukte, opwinding, oploop, oproer, leven, geraas; Stir verb. roeren, omroeren, oprakelen, bewegen, in beweging brengen, zich bewegen, in beweging zijn, verluiden, gebeuren, opstaan, op zijn, bezig zijn, uitgaan, etc.: It made quite a stir = baarde veel opzien; Not a breath is stirring = er beweegt zich geen windje; There is no money stirring = er komt geen geld onder de menschen; There is no news stirring = er is niets geen nieuws; Is nobody stirring? = is nog niemand op? My blood was stirred = raakte aan ’t koken; You shall not stir abroad (from the house, a step out of this house) to-day = je komt vandaag de deur niet uit; Something stirred in my memory = kwam op in mijne herinnering; He stirred the hot mixture round and round = roerde maar steeds; These measures stirred up the nation = schudden de natie wakker; Stir-about = haverpap, bedrijvig persoon; Stir-up Sunday = de 26e Zondag na Pinkster.

Stirrup, stirəp, stɐ̂rəp, stijgbeugel: He has his foot in the stirrup = zijn voet in den beugel; Stirrup-cup = afscheidsglaasje (glaasje op de valreep); Stirrup-leather (Stirrup-strap) = riem van den stijgbeugel; Stirrup-oil = flink pak ransel.

Stitch, stitš, subst. steek (Stitch in the side = steek in de zijde); Stitch verb. naaien, bestikken, innaaien (van boeken), stikken, voren graven: Without a stitch of clothes = stuk kleeren; A stitch in time saves nine = werk op tijd maakt welbereid; She made several false stitches = verkeerde steken; The surgeon stitched up the wound = naaide de wond dicht; Stitch-wort = sterremuur.

Stive, staiv, smoren.

Stiver, staivə, stuiver, kleinigheid.

Stoat, stout, wezel, hermelijn.

Stock, stok, subst. stam, stengel, stronk, paal, blok, houten klaas; lade van een geweer of pistool, oorsprong, geslacht, voorraad, veestapel, kapitaal, fonds, aandeel (kapitaal), effecten, stropdas, bouillon, voorhanden goederen, gereedschap; adj. voorhanden, lijf - -, vast, stam - -; Stock verb. opleggen, vullen, verrijken, voorzien, van vee voorzien, bevolken, opslaan: Dead stock = werktuigen en producten; Live stock = levende have; Rolling stock = rollend materieel; Working stock = materiëel; Stocks = blok (strafwerktuig), aandeelen, effecten, stapelblokken: We must get it on the stocks soon = op stapel zetten; To put in the stocks = in het blok zetten; He cried his stock = ventte luide; The clergyman took stock of the young fellow = nam op; The notary took stock of everything = maakte een inventaris op; He took little stock in the Franco-Russian alliance = stelde weinig vertrouwen; To be in stock = goed bij kas zijn; To have in (on) stock = in voorraad; Stock of learning = schat van kennis; Stock in trade = bedrijfskapitaal; Stock piece = répertoirestuk; His Stock remarks = vaste, steriotype aanm.; Being overstocked, we cannot insert your paper = aangezien we te veel copie hebben; We are well stocked with everything = ruim van alles voorzien; A garden stocked with raspberries = vol frambozen; Stock-breeder = veefokker; Stock-broker = makelaar in effecten; Stock-dove = kleine boschduif; Stock-exchange = effectenbeurs; Stock-farm = boerderij voor veeteelt; Stock-farmer; Stock-feeding = mesten; Stock-fish = stokvisch: Mute as a stock-fish = zoo stom als een visch; Stock-gilliflower = winterviolier; Stock-holder = aandeelhouder; Stock-jobber = effectenhandelaar of speculant; Stock-jobbery; Stock-list = koerslijst; Stock-man = veehoeder; Stock-market = geldmarkt; veemarkt; Stock-pot = pot waarin bouillon staat te trekken; Stock-raiser = fokker; Stock-rider = bereden veehoeder (Austr.); Stock-rose = stokroos; Stock-station = fokstation; Stock-still = bewegingloos; Stock-taking = inventarisatie; Stock-ticker = instrument, dat den stand der beurs aangeeft; Stock-watering = nominale vergrooting van kapitaal; Stock-yard = omsloten plaats voor vee. Zie Stockish.

Stockade, stokeid, subst. omheining, palisadeering; Stockade verb. omheinen, met palisaden versterken.

Stockinet, stokinet, katoen voor kousen, etc.

Stocking, stokiŋ, kous: He stands six feet in his stockings (in his stocking-feet) = op zijne kousen is hij zes voet lang; He wants to fill his stocking = hij wenscht een kous te maken (fig.); To hang up a stocking = (met kerstmis door kinderen); To make a stocking = een kous maken; Stocking-frame = machine om kousen, enz. te weven; Stocking-yarn = breiwol.

Stockish, stokiš, stijf; Stocky = dik, gezet; eigenzinnig.

Stodge, stodž, volstoppen: Schools should not merely stodge us with information = volproppen met; Stodgy, stodži, adj. dik, gezet, onverteerbaar.

Stoic, stouik, subst. Stoicijn, adj. stoicijnsch; Stoical = stoicijnsch; subst. Stoicalness; Stoicism = leer der Stoicijnen, ongevoeligheid.

Stoke, stouk, stoken: Stoke-hold = Stoke-hole = stookruimte (-gat); Stoker = stoker: Gas stokes.

Stole, stoul, lang los gewaad, smalle zijden doek waarvan de uiteinden breed uitloopen, die om den hals gehangen tot aan de knieën reikt; stola: Groom of the stole = opperkamerheer (in Engeland).

Stole, stoul, Stolen, stoul’n, imperf. en p.p. van to steal.

Stolid, stolid, dom, ongevoelig, stijf, onbehouwen; subst. Stolidity, stoliditi = Stolidness.

Stomach, stɐmək, subst. maag, (gewoonlijk voor) buik, eetlust, neiging, moed, toorn, norschheid, aanmatiging; Stomach verb. slikken, verduwen: To disorder (spoil, upset) one’s stomach = zijn maag bederven; My stomach rises = ik word misselijk; It goes against the stomach with me = stuit me tegen de borst; To have little stomach for = weinig trek hebben in; Such food sticks in the stomach = ligt zwaar op de maag; To turn a person’s stomach = misselijk maken; He stomached that injury = slikte die beleediging; Stomach-ache = maagpijn, buikpijn; Stomach-pump = maagpomp; Stomach-worm: The stomach-worm gnaws = mijn maag jeukt; Stomacher, stɐməkə, lijfje, borstlap; Stomachic, stəmakik, maagversterkend, maag...; maagmiddel: Stomachic fever = gastrische koorts.

Stone, stoun, subst. steen, edelsteen, druksteen, pit, niersteen, hagelkorrel of strontje op het oog; bij de rensport en bij wol en haver, gewicht van 14 lbs = ± 6,360 K.G.; bij vleesch en visch in Londen ± 3,629 K.G.; adj. steenen; Stone verb. steenigen, met steenen plaveien of omwallen, steenen (pitten) verwijderen uit: The philosopher’s stone = de steen der wijzen; Stone of offence = steen des aanstoots; To break stones = steenen kloppen; I will not cast the first stone at him = den eersten steen niet werpen; You cannot get blood out of a stone = waar niets is heeft de keizer zijn recht verloren; To kill two birds with a stone = twee vliegen in één klap slaan; Not to leave a stone standing = geen twee steenen op elkaar laten; To leave no stone unturned = niets onbeproefd laten; To mark with a white stone = (als iets bijzonders) met een krijtje aan de balk schrijven; To walk upon the stones = rondslenteren; To stone plums = de pitten uit pruimen verwijderen; Stone-age = steenperiode; Stone-blind = stekeblind; Stone-bottle = kruik; Stone-break = knollige steenbreek; Stone-broke = aan lager wal: Your money came in precious handy, for I was close on stone-broke = want ik was “er aan toe”; Stone-buck = steenbok; Stone-chat(ter) = roodborst-tapuit; Stone-coal = anthraciet; Stone-coral = massief koraal (tegenover getakt); Stonecrop = muurpeper; Stone-curlew (-plover) = griel; Stone-cutter = steenhouwer; steensnijder; Stone-dead = morsdood; Stone-deaf = stokdoof; Stone-falcon = steenvalk; Stone-fruit = steenvrucht; Stone-hammer = steenhamer; Stone-hard = zoo hard als steen, ongevoelig; Stone-hatch = bontbek-pluvier; Stone-hearted = met een hart van steen; Stone-horse = hengst; muurpeper; Stone-mason = steenhouwer; Stone-pit = steengroeve = Stone-quarry; Stone’s-cast, stone’s-throw = steenworp: Within a stone’s-throw = op den afstand v. een steenworp; Stone-still = volkomen stil, bewegingloos; Stone-wall = steenen muur; Stone-walling tactics = parlementaire obstructie; Stone ware = aardewerk of steengoed; Stonework = metselwerk; Stone-wort = waterhalm; Stoniness, subst. v. Stony = steenachtig, vol steenen, meedoogenloos, verhard, zonder geld; Stone-hearted = hardvochtig.

Stood, stud, imperf. en p. perf. v. to stand.

Stook, stuk, subst. 12 schoven; Stook verb. in schoven zetten.

Stool, stûl, kruk; stoel(gang), stomp waaruit takken spruiten (zooals b.v. bij knotwilgen); Stool verb. uitspruiten: Between two stools we come to the ground = tusschen twee stoelen zit men in de asch; Stool of repentance = zondaarsbank (Schotl.); Stool-pigeon = lokduif, lokvogel.

Stoop, stûp, bukken (ook fig.), buiging, kruik of flesch (van 2 quart); stoep, bordes (Amer.); Stoop verb. bukken (ook fig.), zich vernederen of verlagen, buigen, neerschieten (van roofvogels), neervallen, afdalen: His hair is grizzled, and he begins to stoop = gedoken of gebukt te loopen (= Has a stoop, Walks with a stoop); He stooped to the meanest measures = verlaagde zich; Stoop-shouldered = met ronde schouders.

Stop, stop, subst. beletsel, hinderpaal, stoornis, ophouding, einde, leesteeken, toets, klep, register (orgel); Stop verb. verstoppen, dichtstoppen, stelpen, beletten, verhinderen, belemmeren, weerhouden, onderdrukken, stoppen, stilstaan, pareeren, besnijden, den toon regelen met een stop, etc.: Full stop = punt; To come to a stop = blijven steken, hokken, plotseling blijven staan; Put a stop to his nonsense = maak een einde aan; I found him on the top of the bus, and pressed him to stop off = dat hij een tijdje met mij naar huis zou gaan; Stop thief! = houd den dief; He stopped short = bleef plotseling staan, hield ineens op; Where are you stopping? = logeert gij; To stop a neighbour’s light = betimmeren; Will you stop (stay) supper? = blijven soupeeren; Stop-cock = kraan; Stopgap = noodhulp, bladvulling, stopwoord, nestkuikentje; Stop-order = opdracht met limitatie; Stop-watch = subst. horloge dat naar verkiezing kan worden stilgezet; adj. vluchtig, te hooi en te gras: Most of them are stop-watch excursionists = het is den meesten om een vluchtig bezoek te doen; Stoppage, stopidž, het stoppen, tegenhouden, inhouden (v. salaris), staken van betalingen, stilstand (in handel, etc.); Stopper = subst. wie of wat stopt of tegenhoudt, stop (van eene flesch), kort eind touw om vast te maken; Stop verb. een kurk doen op, stoppen, sluiten: A Stoped bottle; A Stopless cruet = olie- en azijnstelletje zonder stop of kurk; Stopping: Stopping-place; Stopping-train = boemeltrein; Stopple, subst. stop, prop; Stople verb. met een stop sluiten.

Storax, stôraks, soort v. welriekende hars.

Store, stö, subst. voorraad, overvloed, groot aantal, pakhuis, magazijn, proviand; winkel (Am.); adj. opgestapeld, voorhanden; Store verb. opstapelen, opleggen, opslaan, in het pakhuis bergen, voorzien: In store = voorhanden; To have (keep) in store; A great pleasure, a scolding is in store for you = staat je te wachten; I lay great store on my introduction by you = stel grooten prijs op; To set great store by = op hoogen prijs stellen; Stores = benoodigdheden; coöperatieve winkel of bazaar: The army and navy stores = de coöperat. winkels der ambtenaren van oorlog en marine; Baby stores = magazijnen voor kindergoed; Commissary of stores = intendant; The ship was stored to the last scuttle of coals = was van alles tot het geringste toe voorzien; Storehouse = pakhuis, bergplaats, voorraadschuur, schatkamer: This booklet is a storehouse of facts = bevat een schat van feiten; Store-keeper = magazijnhouder, winkelier (Amer.); Store-room = magazijnkamer, bergplaats; Store-ship = proviandschip; Storage, stôridž, opberging, bergloon, opstapeling, verzameling; Storage battery = accumulator.

Storied, stôrid, beroemd, beschreven of versierd met tafereelen uit de geschiedenis, met eene geschiedenis; (in samenst.: met eene verdieping: Four-storied = met 4 verdiepingen). Zie Story.

Stork, stök, ooievaar; Stork’s-bill = reigersbek (plant).

Storm, stöm, storm, onweer, regen, hevige stoornis, ontroering; Storm verb. bestormen, stormen, woeden: A storm of applause = stormachtige toejuichingen; A storm of bullets = kogelregen; A storm of rain = plasregen; Storms of fate = levensstormen; The ship was overtaken by a storm = door een storm overvallen; This raised a storm of indignation = deed ontstaan; The town was taken by storm = stormenderhand; A period of storm and stress = tijd van opwinding en onrust; The Storm and Stress period in German literature = de “Sturm und Drang” periode in de D. letterkunde; They were stormed at with shot and shell = ontvangen met een regen van; Storm-beat(en) = door stormen geteisterd; Storm-bird, Storm-finch = stormzwaluw; Storm-cock = groene specht; Storm-cone = kegel als stormsignaal; Storm-drum = cylinder als stormsignaal; Storm-jib = stormstagzeil; Storm-sail = stormzeil; Storm-signal = stormsignaal; Stormer = bestormer; Stormful = onstuimig; Storming party = stormloopende troep; Storminess, subst. v. Stormy = stormachtig, hevig, hartstochtelijk; Stormy-petrel = stormzwaluw.

Storthing, stötiŋ, parlement van Noorwegen.

Story, stôri, subst. verhaal, vertelling, geschiedenis; verdieping; Story verb. verhalen vertellen, tot onderwerp van een verhaal maken: But that’s another story = heel wat anders; That is but an idle story = een praatje; He is wrong in the upper story = het schort hem in de bovenste verdieping; Here my story ends = nu is mijn verhaal uit; As the story has it, goes = zooals het verhaal of praatje luidt; To make a long story short = om kort te gaan; Don’t tell stories = vertel nu geen leugentjes; Story-book = vertelselboek; Story-teller = verhaler, verteller; leugenaar; Story-telling = het verhalen, of leugens vertellen; Story-writer. Zie Storied.

Stot, stot, jonge stier.

Stoughton, stout’n.

Stound, staund, stekende pijn; verwondering; Stound verb. pijn doen; verdooven.

Stoup, stûp, wijwaterbakje, flesch, kruik.

Stour, stûə, strijd, tumult.

Stourbridge, stɐ̂bridž; Stourford, stûəfəd.

Stout, staut, subst. donker Eng. bier; adj. krachtig, flink, dapper, sterk, gezet, gewichtig: With a stout heart = moedig, dapper; Stout-built = krachtig gebouwd; Stout-hearted = moedig, dapper, subst. Stout-heartedness; Stoutish = vrij gezet; Stoutness = stevigheid, flinkheid, gezetheid.

Stove, stouv, subst. kachel, fornuis, stoof, broeikas; Stove verb. warm houden, in een broeikas zetten: Peat stove = theestoof; Spirit stove = theelichtje; Wooden stove = stoof; Stovepipe hat = kachelpijp, hooge hoed.

Stove, stouv, imp. en p.p. van Stave: Her bows and bulwarks were stove in, and her rudder was lost = werden ingeloopen.

Stow, stou, stuwen, bergen, plaatsen, uitscheiden: Stow that = schei daarmede uit; Stowage = het wegbergen, geborgen zijn, bergplaats, bewaargeld, pakhuisloon: It is safely stowed, In safe stowage = veilig geborgen of geplaatst; Stowaway = blinde passagier: iemand die zich om vrijen overtocht aan boord te verkrijgen, tijdelijk verscholen houdt.

Stowe, stou; Stowel, stouəl.

Strabism, streibizm, het scheelzien; Strabotomy, strəbotəmi, operatie voor scheelheid.

Strachan, strôn.

Straddle, strad’l, het wijdbeens staan of loopen; afwachtende houding (Amer.); Straddle verb. wijdbeens staan of loopen, schrijlings staan boven of zitten op; een afwachtende houding aannemen: Yonder straddle cannot be the characteristic of the sublime = gindsche wijdbeensche gestalte; He rode straddle-legged = schrijlings.

Straggle, strag’l, afdwalen, zwerven, verstrooid zijn of liggen, in ongeregelde orde loopen, ronddwalen, woekeren (van planten); Straggler = zwerver, landlooper, achterblijver, wilde tak of uitlooper: Some straggles of the hunting train = eenige achtergeblevenen v. den jachtstoet; Straggling: Straggling houses = verspreid liggende huizen; A straggling street = onregelm. straat (vooral als de huizen niet op eene lijn staan); A straggly beard = een ongelijke, slordige baard.

Straight, streit, recht, direct, rechtop, oprecht, eerlijk, onvermengd, onmiddellijk: It is as straight as you can go = al maar recht uit; To do the straight thing = eerlijk handelen; To be in the straight for home = huistoe gaan; To act (speak) straight from the elbow = ronduit, royaal; To bring matters straight = in orde brengen; To contradict straight out = vierkant tegenspreken; Do it straight = direct; I gave it him straight = heb het hem ronduit gezegd; To lie straight out = rechtuit; To look straight in the face; We shall make it straight = in orde brengen, recht maken; To pull straight = terecht trekken; To set straight = terecht zetten, in orde brengen; He is a straight up and down man = door en door eerlijke vent; Straight-fronted corset = corset “droit devant”; Straighten = recht maken: To straighten one’s glasses, necktie = terecht zetten, trekken; I unconsciously straightened myself = richtte me op; This mistake ought to be Straightened out = verholpen; Straightforward = oprecht, ronduit, eerlijk; subst. Straightforwardness; Straightness = rechtheid, etc.; Straightway = onmiddellijk, dadelijk.

Strain, strein, subst. inspanning, spanning, druk, krachtige poging, streven, verstuiking, verdraaiing (fig.), toon, lied, melodie, trant, stijl, afkomst, ras, karaktertrek; Strain verb. rekken, uitrekken, verrekken, spannen, zich inspannen (afsloven), overspannen, drukken, dwingen, verdraaien, filtreeren: His bulldog strain = zijn bulhondenmanier (toon); He read on in the same strain = op denzelfden toon; That is rather a strain on me = dat vergt vrij wat inspanning van mij; There was a great strain on the masts = de masten hadden heel wat te houden; Expectation is still on the strain = de verwachting is nog hoog gespannen; To take too high a strain = een te hoogen toon aanslaan; You strain courtesy = je maakt te veel complimenten; To strain one’s eyes = erg inspannen; You strain the law and all the rules in your support = verdraait wet en regel om u te dekken; To strain every nerve = alle krachten inspannen; To strain a point = te ver gaan: That would be straining a point = dat zou overdrijving wezen; To strain one’s voice = uitzetten; Strained interpretation = gewrongen uitlegging; Strained relations = gespannen verhoudingen; To strain after novelty by starting paradoxes = uit zijn op iets nieuws; They strain at (beter: out) the gnat and swallow the camel = zij zuigen (zijgen) de mug uit en slikken den kemel door; The curtain strained a restful light into the room = liet doordringen; To strain off the water = het water afgieten; All the impurities were strained out = het werd gezuiverd van; We have strained the milk through linen = gefiltreerd; Strainer = zijgdoek, vergiet; Straining = inspanning, etc.; blikgat.