Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 76
Malice, malis, boosaardigheid, haat, vijandigheid: He did it of malice prepense (malice aforethought) = met voorbedachten rade; He bears no malice = is niet haatdragend; To bear malice to = een wrok koesteren tegen; Malicious, məlišəs, kwaadwillig, boosaardig; subst. Maliciousness.
Malign, məlain, adj. nadeelig, kwaadaardig, onheilspellend, ongunstig; Malign verb. benadeelen, gemeen behandelen, kwaad spreken van; Malignance, məlign’ns = Malignancy, məlign’nsi, vijandigheid, kwaadaardigheid; Malignant = kwaad-, boosaardig; ook subst. kwaadwillige; Maligner, məlainə, lasteraar; Malignity = boosaardigheid, kwaadaardigheid.
Malinger, məliŋgə, ziekte voorwenden; Malingerer = simulant.
Malkin, mô(l)kin: The kitchen malkin = keukenmeid.
Mall, môl, malie, malieklik, maliekolf, vroegere strijdhamer, maliespel; Mall verb. maliën, in de maliebaan spelen.
Mall, mal, mel, openbare, beschaduwde wandelplaats.
Mallard, maləd, wilde eend.
Malleability, maljəbiliti, smeedbaarheid, rekbaarheid; adj. Malleable, maljəb’l, ook fig.; subst. Malleableness; Malleation = het pletten, hamerslag.
Mallet, malət, houten hamer; Malleus, maliəs, hamer (in het oor).
Mallow(s), malou(z), malva, kaasjeskruid.
Mallory, maləri; Malmesbury, mâmzb’ri.
Malmsey, mâmzi, malvezij.
Malodorous, maloudərɐs, stinkend; Malodo(u)r, maloudə, stank.
Malone, məloun.
Malpractice, malpraktis, kwade praktijk, overtreding; verkeerde med. behandeling.
Malt, môlt, subst. mout, bier; ook adj.; Malt verb. mouten, tot mout worden, bier drinken; Malt-drier = mouteest; Malt-floor = mouterij; Malt-horse = paard van een moutmolen; suffer, domkop; Malt-house = mouterij; Malt-kiln = (mout)eest; Malt-spirits = moutwijn; Maltster = moutmaker; Malty = moutachtig, mout...
Malta, môltə: Knight of Malta = Johannesridder; Maltese, môltîz, môltis, subst. Maltezer(s), hunne taal; adj. Maltezer: Maltese cross = maltezerkruis; Maltese dog = kleine patrijshond met lang zijdeachtig haar.
Malthus, malthəs; Malthusian, malthjûš’n, malthjûž’n, subst. en adj. Malthusiaan(sch).
Maltreat, maltrît, ruw of slecht behandelen; subst. Maltreatment.
Malvern Hills, malvənhilz, de heuvels van M.
Malversation, malvəseiš’n, malversatie, kwade praktijk, verduistering.
Mameluke, maməl(j)ûk, Mameluk.
Mam(m)a, məmâ, mâmə (Amer.), mama: Mama’s headache = ma’s geheimzinnige ziekte bij zekere gelegenheid.
Mammal, maməl, met borsten; subst. zoogdier; Mammalia, məmeiljə, zoogdieren; adj. Mammalian, zoogdier...; Mammalogy = leer der zoogdieren; Mammifer = zoogdier; Mammiferous = met tepels, zoogend.
Mammodis, mamədis, Brit.-Ind. sits; fijn lijnwaad.
Mammon, mam’n, Mammon: Mammon worship.
Mammoth, maməth, subst. mammoet; adj. reusachtig.
Mammy, mami, maatje; min (kleurlinge).
Man, man, subst. mensch, man, echtgenoot, manschap, knecht, vazal, stuk (bij dam- of schaakspel); Man verb. bemannen, bezetten; zich vermannen (oneself): A man ought to do his duty = men moet; The Old Man = de oude Adam; de pipa, den “Ouwe”; I am my own man = ben mijn eigen baas; To a man = éénparig, zonder uitzondering; The social relation of man and wife; To become man and wife = worden; To come between man and wife; A man or a mouse = alles of niets; He came to man’s estate = tot mannelijken leeftijd; It is not in a man = dat kan een man niet; A man about town = (aristocratische) losbol, “bon vivant”, iemand, die veel uitgaat; A Man-at-arms = gewapend krijger (ruiter); Man in the moon = het mannetje in de maan; Man in the street = de eerste de beste persoon; A man of peace = vreedzaam mensch; He is a man of men = voortreffelijk mensch; A man of straw = strooman; A Man-of-war = oorlogschip; An East-India-man = Oostinjevaarder; He manned himself, and did it = vermande zich; The sailors manned the ship, the shrouds, the yards = paradeerden op de ra’s, in het want, op de ra’s; Man-child = jongen; Man-eater = menscheneter; tijger, leeuw, soort haai, bijtend paard; Man-engine = machine tot het ophalen en neerlaten van mijnwerkers; Man-hater = menschenhater, mannenhaatster; Man-hole = mangat; Man-milliner = handelaar in damesconfectie; Man-monster = half menschelijk monster; Man-rope = valreep; Man-servant = bediende; Manslaughter = manslag; Manslayer = moordenaar; Man-trap = voetangel; gevaarlijke plaats (bijv. een open luik); weduwe (Amer.); Manful = manhaftig; subst. Manfulness; Manhood = de menschelijke natuur, mannelijkheid, manhaftigheid, mannelijke leeftijd; Manlike = menschelijk, manhaftig; Manliness, subst. v. Manly = mannelijk, manhaftig, kloek; Mannish = mannig, d.i. mannelijk in ongunstigen zin: Mannish airs = mannelijke airs (van New Women).
Manacle, manək’l (gewoonlijk meerv.), subst. handboei; Manacle verb. de handboeien aandoen.
Manage, manidž, besturen, behandelen, beheerschen, richten, klaarspelen, zich redden: I hope I can manage it = dat ik het klaar speel; He cannot manage the boys = geen orde houden; Manageable = handelbaar, leerzaam (van dieren), goed (weêr); subst. Manageableness; Management = bestuur, leiding, administratie, verstandig (slim) optreden of handelen: Good management = handigheid, flinkheid; Manager = bestuurder, leider, gérant, zetbaas, theaterdirecteur, chef van tractie (bij de spoorwegen), curator; vr. manageress; managership; Managing = bestuur; adj. besturend, bedrijfs - -, zuinig, overleggend, slim: Managing clerk = procuratiehouder; Managing director = bestuurder; Managing partner = besturend firmant; A managing woman = flinke, zuinige.
Manakin, manəkin. Zie Man(n)i-kin.
Manby, manbi: Manby’s apparatus = vuurpijl (reddings)toestel.
Manchester, mantšəstə: Manchester School = partij van den vrijhandel; Manchu, mɐntšû; Manchuria, mantšûriə.
Manciple, mansip’l, hofmeester, huisbestuurder.
Mandalay, mandəlei.
Mandamus, mandeiməs, bevelschrift van de Crown Side (= kamer v. strafzaken) van de King’s Bench division of the High Court of Justice inhoudend een bepaalde opdracht; ook verb.
Mandarine, mandərin, mandərîn, subst. Mandarijn, mandarijntje; adj. edel, voornaam.
Mandatary, mandətəri, gevolmachtigde; Mandate = mandaat, bevel(schrift), opdracht; Mandator = volmachtgever; Mandatory = bevelend, voorschrijvend; subst. gevolmachtigde.
Mandible, mandib’l, (onder)kaak; Mandibular = onderkaaks...
Mandolin(e), mandəlin, mandoline.
Mandragora, mandragərə, Mandrake, mandreik, alruin, mandragora.
Mandrel, mandr’l, Mandril, mandril, spil, vormijzer, doorslag; (het laatste woord) ook: mandril.
Manducatory, mandjukətəri = kauw...: Manducatory organs.
Mane, mein, manen: Mane of a helmet = pluim; Mane-comb = roskam; Mane-sheet = bedekking voor het bovenste van een paardekop.
Manege, məneiž, rijschool, rijkunst.
Manequin, manəkin. Zie Manakin.
Manes, meinîz, schimmen der afgestorvenen; de onderwereld.
Manganese, maŋgənîz, maŋgənîs, maŋgənîz, maŋgənîs, mangaan.
Mange, meinž, schurft.
Mangelwurzel, maŋg’lwɐ̂z’l, mangelwortel.
Manger, meinžə, voerbak (trog); kribbe: He is a dog in the manger = hij kan niet zien dat de zon in het water schijnt.
Manginess, meindžinəs, schurftigheid.
Mangle, maŋg’l, subst. mangel; Mangle verb. mangelen, klanderen; verminken, havenen, verscheuren: His mother keeps a mangle = is mangelvrouw; Mangler = mangelvrouw; hak-, schaafmachine.
Mango, maŋgou, mangoboom (vrucht).
Mangrove, mangrouv, mangliet of wortelboom.
Mangy, meindži, schurftig, schunnig.
Mania, meinjə, waanzin, manie; Maniac = waanzinnig, dol; ook subst.; adj. Maniacal.
Manich(a)ean, manikîən, Manicheeër; Manicheism = de leer der M.; Manichees, manikîz, Manicheeën.
Manicure, manikjûə, manicure; ook verb.
Manifest, manifest, openbaar, duidelijk; subst. manifest, vrachtlijst (= Captain’s manifest, Ship’s manifest); Manifest verb. openbaar maken, manifesteeren, betuigen, de vrachtlijst vertoonen: To manifest goods: Manifestable = bewijsbaar; Manifestation = openbaring, manifestatie; Manifestness = duidelijkheid: Manifesto, manifestou, manifesto, publieke verklaring.
Manifold, manifould, adj. menigvuldig, talrijk, veelvuldig; hectografische afdruk; Manifold verb. vermenigvuldigen, hectografeeren; Manifold-writer = hectograaf; subst. Manifoldness.
Man(n)ikin, manikin, mannetje, ledepop, phantoom (Med.); adj. dwergachtig, dwerg...
Manilla, manilə, Manilla; arm-(been-)ring: Manilla cigar, Manilla fibre, Manilla hemp.
Maniple, manip’l, ⅓ eener cohorte (in het Rom. leger 60 man + twee officieren en een vaandeldrager); manipel, band om den linkerarm van een priester bij het misoffer; Manipular = tot een Romeinsch vendel behoorend; Manipulate, mənipjuleit (met overleg, slim) behandelen; telegrafeeren; Manipulation = manipulatie, handbeweging; Manipulative = manipuleerend, behandelings - -; Manipulator; Manipulatory = Manipulative.
Manitoba, manitəbâ.
Manitou, manitû, Indiaansche god, geest.
Mankind, mankaind, het menschelijk geslacht; (mankaind) alle mannen (tegenover Womankind); de mannen (tegenover wife, bij de lagere klassen).
Manna, manə, manna.
Manner, manə, manier, wijze, methode, gewoonte, stijl, mode: After his sour manner = op zijn norsche manier; By no (Not by any) manner of means = op geenerlei wijze, in geen geval; In this manner = op deze wijze; In a (certain) manner = in zekere mate; In like manner = evenzoo; No manner of = in ’t geheel geen; No manner of doubt = niet de minste twijfel; Manners = gedrag, manieren, “mores”; It is not manners to ask = past niet; I’ll teach him manners = ik zal hem manieren leeren; Mannered = geaffecteerd; An ill-mannered young fellow = slecht gemanierd; Some of his least mannered work = minst gemaniëreerd; There is a mannerism about him = gemaaktheid; This writer’s mannerism = gemaniëreerdheid; Mannerist = gemaniëreerd schrijver of persoon; Mannerliness = welgemanierdheid: adj. Mannerly.
Mannite, manait, mannasuiker.
Manoeuver, Amer. voor Manoeuvre, mən(j)ûvə, subst. manoeuvre (ook fig.); Manoeuver verb. manoeuvreeren, klaar spelen: He’ll manoeuver it somehow; Manoeuverer = slimmerd.
Manometer, mənomətə, manometer; adj. Manometric(al).
Manor, manə, ambtsheerlijkheid, riddergoed: Manor-house, Manor-seat = heerenhuis, slot; Manorial, mənôriəl, tot een riddergoed behoorende.
Mansard roof, mansədrûf, gebroken dak, waarvan het onderste gedeelte het steilst helt.
Manse, mans, boerenwoning; pastorie (Schotl.).
Mansion, manš’n, groot heerenhuis, woning, huurkazerne: The Mansion-house = het officieele verblijf van den Lord Mayor in Londen.
Mansuetude, manswitjûd, zachtheid, onderworpenheid.
Mantel, mant’l, mantel (Archit.); ook = Mantelpiece = schoorsteenmantel = Mantelshelf; Overmantel = étagèrespiegel.
Mant(e)let, mant(ə)lət, manteltje; stormscherm, beweegbare borstwering; Mantilla, mantilə, mantille.
Mantle, mant’l, subst. mantel, dekmantel, gloeikousje; Mantle verb. bedekken, koken, gisten, schuimen, blozen, de vleugels uitspreiden (v. valken).
Mantua, mantjûə, Mantua; wijde mantel (van ± 1850); Mantua-gown = wijde japon; Mantua-maker = modiste; Mantuan = (inwoner) van Mantua; The Mantuan Swan = Vergilius.
Manual, manjuəl, subst. handboek, manuaal (van orgel of piano), handspuit; adj. hand..., coulant: Manual alphabet (voor doofstommen); Manual exercise = oefening in de handgrepen van het geweer; Manual sign = handteekening.
Manufactory, manjufaktəri, fabriek: adj. Manufactural; Manufacture, subst. fabrikaat, vervaardiging; Manufacture verb. vervaardigen, fabriceeren; Manufacturer = fabrikant; Manufacturing = fabricatie; adj. fabrieks...
Manumission, manjumiš’n, manumissie, het vrijlaten van een slaaf; Manumit = slaven vrijlaten.
Manumotor, manjumoutə, wagen door den inzittende mechanisch voortbewogen.
Manure, mənjûə, subst. mest; Manure verb. bemesten; Manure-cart; Manure-distributor = meststrooier; Manure-fork; Manurer.
Manuscript, manjuskript, subst. handschrift, adj. met de hand geschreven.
Manx, maŋks, van het eiland Man; subst. de taal, de bewoners; Manxman = bewoner van Man.
Many, meni, veel, vele(n); subst. menigte, groot aantal: So many countries, so many customs = ’s lands wijs ’s lands eer; Many men, many minds = zooveel hoofden, zooveel zinnen; Many a man = menigeen; Many a time and oft = herhaaldelijk; This many a day = For many a day = reeds lang; As many again = eens zooveel; Twice as many = tweemaal zooveel; We were packed like so many herrings = zaten opeen als haringen in een ton; I am one too many for you = ik ben je de baas af; She made one too many in the omnibus = was te veel; The many = de groote hoop; A good (great) many = zeer vele; Many-headed: The many-headed monster = de Hydra; het gepeupel; Many-sided = veelzijdig; subst. Many-sidedness.
Maori, mauri, mâəri, subst. Maori; hunne taal; adj. tot de Maoris of hunne taal behoorend.
Map, map, subst. landkaart, hemelkaart, nauwk. voorstelling; Map verb. teekenen, afbeelden, nauwkeurig beschrijven, ontwerpen (out); Map-maker = landkaartmaker.
Maple, meip’l, ahorn.
Mar, mâ, beschadigen, bederven, ontsieren, verijdelen.
Marabou(t), marəbû, marəbû, marabout (veêr, zijde); Marabou-feathers.
Marabout, marəbût, marəbût, Mahomedaansch priester en toovenaar (N. Afr.).
Maracan, marəkan, ara-papegaai (Brazilië).
Maraschino, marəskînou, marasquin.
Marasmus, mərasməs: Marasmus senilis = senile aftakeling.
Maraud, mərôd, stroopen, plunderen; Marauder.
Marble, mâb’l, subst. marmer, marmeren beeld; knikker; adj. marmeren, als marmer geaderd; Marble verb. marmeren: Marble Arch = een der toegangen van het Hydepark; The children were playing at marbles = waren aan het knikkeren; Marble-edged = gemarmerd op snede; Marble-hearted = hardvochtig; Marble-quarry = groeve; Marbled = gemarmerd: Marbling = marmeren; het doorgroeid zijn van vleesch; Marbly = marmerachtig, gemarmerd.
Marcescent, mâses’nt, verwelkend; verschrompelend.
March, mâtš, subst. Maart; grens, markegrond; marsch, marche, tocht, loop, geleidelijke ontwikkeling; March verb. grenzen; marcheeren, doen marcheeren, wegvoeren (off): Order of march = marschroute; I have gained (got, stolen) a march upon you = ben u vóór gekomen, u te slim af geweest; To ride the marches = de grenzen omrijden (Schotl.); (Forward) march! The general marched the army to the enemy = rukte met het leger op tegen; We marched down upon the enemy = rukten aan op; To march off = afmarcheeren; To march on = voortmarcheeren; oprukken tegen; To march past = voorbijmarcheeren, defileeren; The soldiers were marched up from the barracks = men liet hen uit de kazerne rukken; March-chick = brutaaltje; March-land = grensland; Marchman = grensbewoner; Marching-order = marschbevel: To be (To put) under marching-orders; Marching-past = défilé.
Marchioness, mâšənəs, markiezin.
Marconigram, mâkounigram, draadloos telegram.
Mare, mêə, merrie: Brood mare = fokmerrie; A face as long as any mare’s = een gezicht als een oorworm; On Shank’s mare = op Apostelpaarden; He has found a mare’s nest (and is laughing over the eggs) = hij dacht heel wat bijzonders gevonden te hebben, doch blijkt zich geducht te hebben vergist; Some experience will save you from mare’s nests = zal u voor teleurstellingen bewaren; Mare’s-tail = lange vederwolk: Waterdogs (= regenwolkjes) and mare’s tails, Make lofty ships have low sails.
Margaret, mâgərət, mâgrət.
Margarine, mâgərin, margarine.
Margate, mâgit.
Margay, mâgei, tijgerkat.
Marge, mâdž, rand, marge.
Margin, mâdžin, subst. rand, grens, speelruimte, verschil tusschen inkoops- en verkoopsprijs, overschot, waarborgsom; Margin verb. van een rand voorzien, van kantteekeningen voorzien; zich dekken: In such a work a margin of error should be allowed = kan men een zeker getal vergissingen verwachten; A small margin of profit = een klein voordeeltje; He is so devoted to his work, that he has not a margin for social life = dat er geen tijd overschiet voor ’t gezellige leven; I sold out so as to have a larger margin with which to operate = om wat meer geld in handen te hebben; He has but a narrow margin on which to subsist = hij kan maar even rondkomen; Eleven to four is a sufficient margin for me = van 11 tot 4 heb ik tijd genoeg; Named in the margin = terzijde vermeld; To operate on a margin = alléén verkoopen (b.v. van effecten) als men erop kan winnen; Marginal: Marginal notes, glosses (Marginalia, mâdžineiljə) kantteekeningen; Marginate(d) = met een rand, gerand.
Margravate, mâgrəvit, Margraviate, mâgreivi-it, markgraafschap; Margrave, mâgreiv, markgraaf; Margravine, mâgrəvin, markgravin.
Maria, məraiə: Black Maria = dievenwagen; Marian, mêriən, Maria - -; The Mariana Islands, mêrianə ail’ndz, de Dieveneilanden; Marianne, mêrian.
Marigold, marigould, goudsbloem; een millioen £; Marigold window = radvenster.
Marinate, marineit, marineeren.
Marine, mərîn, adj. zee - -, scheeps - -, marine - -; subst. marine, marinier, zeestuk: Tell that to the marines = maak dat je grootje wijs; Marine blue: Marine drive = rijweg langs het strand; Marine insurance = zeeassurantie; Marine law = zeerecht; Marine store dealer = soort scheepstagrijn; Blue marines = matrozen artillerie; Red marines = marine infanterie; Mercantile (Naval) marine = koopvaardijvloot (de marine); Mariner, marinə, zeeman, matroos: Master mariner = kapitein.
Mariolatry, mêriolətri, Maria-vereering.
Marionette, mariənet, marionet (ook fig.).
Marish, mariš, subst. moeras; adj. drassig.
Marital, marit’l, echtgenoots - -, echtelijk: I have no sympathy with marital wrongs = voel niets voor mannengrieven.
Maritime, marit(a)im, zee - -, marine - -, maritime - -, strand - -: Maritime Alps = de Zee-alpen; Maritime commerce (Maritime trade) = zeehandel; Maritime insurance = zeeassurantie; Maritime power = zeemacht.
Marjoram, mâdžər’m, marjolein.
Marjoribanks, mâtšbaŋks; Mark, mâk, Marcus.
Mark, mâk, subst. merk, teeken, blijk, baak, striem, nerf, stempel, spoor, doelwit, kruisje (van iemand, die niet kan schrijven), aanzien, gewicht, handelsmerk, nummer, prijs, cijfer; Mark verb. merken, noteeren, opschrijven, stempelen, punten geven, markeeren, maat slaan, onderscheiden, letten op, scherp onderzoeken, uitpikken, etc.: Above, below the mark = te hoog, te laag; You are beside the mark = gij zijt de plank mis; Near the mark = het doel nabij; A man (names) of mark = van beteekenis; That (He) is not up to the mark = beneden peil, kan er niet door; Wide of the mark = geheel mis; Mark of the beast (Zie Openbaring XIX, 19); High-(Low-)water mark = hoog (laag) waterpeil; Load mark = lastlijn, diepgang; He left his mark on the country = de invloed van zijne persoonlijkheid doet zich nog gevoelen; That man will make his mark = zal van zich doen spreken; God bless (save) the mark = God betere het (iron.); Mark my words (= Mark me) = let op mijne woorden; To mark time = den pas markeeren; They were marked out for destruction = ten doode opgeschreven; To mark with a hot iron = brandmerken; One of the marked men of his age = groote mannen van zijn tijd; It would look marked if you stayed away = het zou erg in ’t oog vallen; Marker = aanschrijver, teller, marqueur, vleugelman, fiche; Marking-ink = merkinkt: Marking-iron = brandijzer; Marking-list = cijferlijst (School); Marksman = scherpschutter.
Market, mâkit, markt, marktplaats (bezoek), navraag, aftrek, marktprijs, voordeel; Market verb. de markt bezoeken, op de markt koopen of verkoopen: In the market = voorhanden, aanwezig; Clerk of the market = marktmeester; There is no market for = wordt niet gevraagd; To find (meet with) a ready market = gereeden aftrek vinden; To make market out of = profijt trekken van; Good wares make quick markets = goede waar is half verkocht; It was put upon the market = openbaar ten verkoop aangeboden; They looked like devils who were marketing a corpse = die om een lijk dobbelden; Market-bell; Market-cross = kruis op een markt (vroeger symbool van het marktrecht); Market-day; Market-dues = marktgelden; Market-garden = moestuin; Market-gardener = hovenier, gaardenier; Market-hall = hal; Market-merry = licht aangeschoten na de markt; Market-place = marktplein; Market-porter = marktbediende; Market-price (Market-rate) = marktprijs; Market-report = marktbericht; Market-rigging = beursmanoeuvre; Market-stall = stalletje; Market-town = stad met het recht eene weekmarkt te houden; Marketable = verkoopbaar; Marketing = marktbezoek, marktvoorraad.
Marl, mâl, subst. mergel; stof, aarde; Marl verb, bemesten; marlen (scheepst.); Marl-pit = mergelgroeve; Marlaceous = mergelachtig.
Marlborough, môlbrə; mâlbərə (als plaatsn.).
Marline, mâlin, marlijn; Marline-spike of Marling-spike = marlpriem.
Marlow(e), mâlou.
Marly, mâli, mergelachtig, mergel ...
Marmalade, mâmeleid, marmelade.
Marmoratum, mâməreit’m, marmercement; Marmoreal, Marmorean, mâmôriəl, mâmôriən, marmerachtig, marmer...
Marmot, mâmət, marmot.
Maronites, marənaits, Maronieten (godsd. sekte aan den Libanon).
Maroon, mərûn, kastanjebruin.
Maroon, məûn, weggeloopen slaaf (West-Ind.); Maroon verb. iemand op een onbewoond eiland opzettelijk achterlaten; wegloopen, rondboemelen: A marooning party = een gezelschap, dat een uitstapje maakt van eenige dagen en kampeert in de open lucht.
Marplot, mâplot, spelbreker; zie Mar.
Marque, mâk: Letters of marque = kaperbrieven.
Marquee, mâkî, groote tent.
Marquet(e)ry, mâkətri, ingelegd werk.
Marquis, mâkwis, markies; Marquisate, mâkwisit, markisaat.
Marriage, maridž, huwelijk(splechtigheid): By marriage = aangetrouwd; One marriage makes a-many = van bruiloft komt bruiloft; To ask in marriage = ten huwelijk vragen; Marriage-articles = huwelijksvoorwaarden; Marriage-certificate = trouwakte; Marriage-contract = huwelijkscontract; Marriage-favours = witte strikken of linten, bouquet witte bloemen bij een bruiloft gedragen; Marriage-licence = huwelijksvolmacht; Marriage-lines = huwelijksbewijs; Marriage-portion = huwelijksgift; Marriage-ring = trouwring: Marriage-service = de liturgie bij het kerkelijk huwelijk; Marriage-vow = huwelijksgelofte; Marriageable = huwbaar; Marriageables = huwbaren; Married: Newly married couple = jonggehuwden; Married life (state).
Marrow, marou, merg, kern, pit: Vegetable marrow = mergpompoen; To go by the marrow stage = te voet gaan; Marrowbone = mergpijp; Marrowbones = knieën (Zie Cleaver): Down on your marrows = op je knieën! Marrowfat = mergvet; Marrowfat pea = groote erwt; Marrowless; Marrowy.
Marry, mari, trouwen, huwen, uithuwen: Marry in haste, repent at leisure = snel getrouwd, lang berouwd; He married below his station = beneden zijn stand; Is your brother a married man? No, he is not a marrying man = is uw broer getrouwd? Neen, dat is geen man om te trouwen.
Marry, mari, verbastering van Mary: Marry, you are right = waarachtig je hebt gelijk.
Mars, mâz, Mars (oorlogsgod, planeet).
Marsala, mâsâlə, Siciliaansche wijn.
Marseilles, mâseilz.
Marsh, mâš, drassig land, moeras: Marsh-fever = malaria; Marsh-fire = dwaallicht; Marsh-gas = moerasgas; Marsh-mallow = gewone heemst; Marsh-marigold = dotterbloem; Marsh-parsley = selderie; Marshiness, subst. v. Marshy = drassig, dras ...
Marshal, mâšəl, subst. maarschalk; ceremoniemeester; schout, i.e. hoofd van een Amerikaansch Judicial District, overeenkomend met een Sheriff in Engeland; Marshal verb. rangschikken, scharen, ordenen, rangeeren (Amer.): Earl Marshal = opperceremoniemeester aan het Eng. hof (erfelijke waardigheid in het geslacht Norfolk); Marshalship.
Marshalsea, mâšəlsî, vroegere gevangenis voor gijzelaars in Londen (Southwark).
Marsupial, mâsiûpiəl (Mv. Marsupialia, mâsiupieiljə), subst. buideldier; adj. buideldragend, beursvormig; Marsupium = buidel van de Marsupialia.
Mart, mât, subst. markt, marktplaats; Mart verb. verhandelen, schacheren.
Martello(tower), mâtelou(tauə), gewelfde, ronde kusttoren, kustfort.
Marten, mât’n, marter(-vel).
Martial, mâš’l, krijgshaftig, krijgs....: Court Martial = krijgsraad; Martial law was proclaimed in the country = de krijgswet werd afgekondigd; Martial music.