Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 143

Chapter 1433,100 wordsPublic domain

Urania, jureinjə, Urania; Uranography, jûrənogrəfi, uranographie; Uranology, jûrənolədži, uranologie; Uranus, jûrənɐs, Uranus.

Urban, ɐ̂b’n, subst. Urbanus.

Urban, ɐ̂b’n, stedelijk, stads - -; Urbane, ɐ̂bein, hoffelijk, beschaafd, wellevend.

Urbanist, ɐ̂bənist, soort Franciscaner non.

Urbaniste, ɐ̂bənist, soort peer.

Urbanity, ɐ̂baniti, hoffelijkheid, wellevendheid.

Urchin, ɐ̂tšin, schalk, rakkertje, deugniet.

Urdu, ûədû, taal van Hindostan.

Ureter, jurîtə, jûritə, urineleider.

Urge, ɐ̂dž, voortdrijven, aandringen, ernstig verzoeken, aansporen, nadruk leggen op, bewijzen bijbrengen: Allow me to urge the necessity of the inquiry = op de noodzakelijkheid v. het onderzoek aan te dringen; He urged it on me = drukte het mij op het hart; He was urged into doing it = aangezet om het te doen; He urged me to this act = spoorde me aan; Urgency, ɐ̂dž’nsi, drang, aandrang, ernstig verzoek, noodzakelijkheid: Urgency was declared = de urgentverklaring werd aangenomen; Urgent = dringend noodzakelijk: To be in urgent need of = dringend behoefte hebben aan; To be urgent for a thing = sterk aandringen op.

Uriah, juraiə, Uria; Uriel, jûriəl.

Urim, jûrim: Urim and Thummim, thɐmim, zie Exodus 28, 30.

Urinal, jûrin’l, waterplaats, urinaal; Urinary, jûrinəri, subst. ierbak; adj. urine - -: Urinal bladder; Urinate, jûrineit, urineeren; subst. Urination; Urine, jûrin, subst. urine.

Urn, ɐ̂n, subst. urn, theeketel.

Uroscopy, jûrəskoupi, juroskəpi, onderzoek van urine.

Urquhart, ɐ̂kət.

Ursa, ɐ̂sə, de Beer: Ursa Major = Groote Beer; Ursa Minor = Kleine Beer; Ursiform, ɐ̂siföm, beerachtig, als een beer; Ursine, ɐ̂s(a)in, beer - -; Urson, ɐ̂s’n, Canad. stekelvarken.

Ursula, ɐ̂siulə, Ursala; Ursuline, ɐ̂siul(a)in, ursuline.

Urubu, ûrûbû, zwarte gier (Midden-Amer.).

Uruguay, ûrugwai, (j)ûrugwei.

Us, ɐs, ons: All of us = wij allen; Both of us = wij beiden.

Usage, jûzidž, gebruik, gewoonte, behandeling, spraakgebruik.

Usance, jûz’ns, gebruik, uso, usance: According to usance = volgens usance.

Use, jûz, gebruiken, behandelen, uitputten, gewennen, gewoon zijn: To use force = geweld gebruiken; To use one’s endeavour = moeite doen; Use legs, and have legs = willen is kunnen; To use a person ill = slecht behandelen; I used (jûst) to go there = placht daarheen te gaan; They are used (jûst) to hardships = aan ontberingen gewoon; To get used (jûst) to = gewoon raken aan; I am used (jûzd) up = op, uitgeput; User = gebruiker, etc.

Use, jûs, gebruik, toepassing, nut, gewoonte, behoefte, vruchtgebruik: Uses of great men = gewoonten, eigenschappen; It is much in use = het wordt veel gebruikt of toegepast; Use and wont = Use and custom = gewone en veelvuldige praktijk; I have no use for it = ik kan het niet gebruiken, weet niet wat ik er mede zal doen; It is of great use = van veel nut; It is of no use = het is van geen nut; It is no use, little use = het helpt niets, haalt niets uit; Of what use is it? = waartoe zou het dienen; What is the use of going there? = waarom zou ik er heen gaan; There is no use in doing it = het geeft niets of; That is out of use now = het is thans in onbruik: To get out of use = in onbruik raken; I’ll make a good use of it = ik zal er een goed gebruik van maken = Put it to good use; Use makes perfect = oefening baart kunst; Useful = nuttig, dienstig; subst. Usefulness; Useless = nutteloos, doelloos; subst. Uselessness.

Usher, ɐšə, subst. portier, ceremoniemeester, deurwaarder, ondermeester; Usher verb. inleiden, aanmelden, aankondigen: He ushered me into the room = liet of bracht mij in de kamer; We were ushered into the rudiments of Latin by you = gij hebt ons geleerd; Usherism = schoolvosserij; Ushership.

Usquebaugh, ɐskwəbô, (Iersche) wiskey.

Usual, jûžuəl, gewoonlijk, veelvuldig: Just as usual = net als gewoonlijk; Usually; subst. Usualness.

Usucaption, jûz(j)ukapš’n, rechtverkrijging op eigendom door lang gebruik.

Usufruct, jûz(j)ufrɐkt, vruchtgebruik; Usufructuary, jûz(j)ufrɐktjuəri, subst. vruchtgebruiker; adj. in of als vruchtgebruik.

Usurer, jûžurə, woekeraar; Usurious, južûriəs, woekerend, woeker ...; subst. Usuriousness.

Usurp, juzɐ̂p, overweldigen, ten onrechte aannemen; Usurpation, jûzɐ̂peiš’n, overweldiging, usurpatie; Usurper = overweldiger, usurpator.

Usury, jûžuri, woeker: To lend upon usury = tegen woekerrente.

Ut, ɐt, ût, ut of do (muz.).

Utah, jûtâ, jûtô.

Utensil, jutensil, werktuig, (keuken) gereedschap: Kitchen utensils; Sacred utensils = heilige vaten.

Uterine, jûtər(a)in, uterus ...: Uterine brother, sister = broeder (zuster) v. dezelfde moeder; Uterus, jûtərɐs, uterus.

Utilitarian, jutilitêriən, nuttigheids ..., utiliteits; subst. voorstander van Utilitarianism—nuttigheidsleer; Utility, jutiliti, nut, nuttigheid: It is of no utility = van geen nut; A man of instance and utility = een voorbeeldig en nuttig man; Utilization, jûtil(a)izeiš’n, gebruikmaking, benuttiging; Utilize, jûtilaiz, benuttigen, nuttig aanwenden.

Utmost, ɐtmoust, uiterste, grootste: I will use my utmost endeavours = mijne uiterste pogingen; The utmost = het uiterste, hoogste: Twenty guilders at the utmost = op zijn hoogst; To the utmost of my power = zoo goed ik kan; He did his utmost to succeed = zijn uiterste best.

Utopia, jutoupjə, Utopia, ideaalstaat, luilekkerland; Utopian = utopisch; subst. utopist; Utopianism = utopisme.

Utrecht, jûtrekt.

Utricle, jûtrik’l, blaasvormig uitgegroeide bladslip met een door een klepje gesloten opening, blaaskruid; Utricular, jutrikjulə, blaasvormig, blaas....

Utter, ɐtə, adj. volkomen, volstrekt, volslagen: Utter poverty = volslagen armoede; Utter refusal = besliste weigering; To be an utter stranger to = geheel onbekend met; To (At) the utterance = tot het uiterste; You have utterly neglected my advice = volkomen in den wind geslagen; Uttermost uiterste, verste: He oppressed them to the uttermost = op ondragelijke wijze.

Utter, ɐtə, uiten, uitdrukken, uitspreken, (valsch geld) in omloop brengen: The false coiners uttered several false banknotes = brachten in omloop; He did not utter another word = zei geen woord meer; Utterable = uit te spreken, wat geuit kan worden; Utterance = uiting, uitspraak, voordracht, rede; uiterste: He gave utterance to the wish = uitte den wensch; His utterance was very indistinct = manier van spreken was zeer onduidelijk. Zie Utter 1.; Utterer = wie spreekt, of in omloop brengt.

Uttoxeter, ɐksətə, ətoksətə.

Uvea, jûviə, druifvlies (van het oog); Uveous, jûviəs: Uveous coat = druifvlies.

Uvula, jûvjulə, huig; Uvular = van de huig: All his r’s are uvular = hij brouwt al zijn r’s.

Uxoricide, ɐgzôrisaid, ɐksôrisaid, vrouwenmoorder; Uxorious, ɐgzôriəs, ɐksôriəs, dwaas verzot zijn op zijne (op eene) vrouw; subst. Uxoriousness.

V.

V, vî; V. = Verb, Verse, Victoria, Violin; V(ersus) = tegen; V(ide) = zie; V(icar) A(postolic); V(irgini)a; Var(iety); Vat(ican); V(erb) Aux(iliary); V(ice) C(hancellor), of: V(ictoria) C(ross); V(erbi) D(ei) M(inister) = bedienaar van Gods Woord; Ven(erable); Ver(mont = een van de Staten der Unie); V(icar) G(eneral); V(erbi) g(ratia) = bij wijze van voorbeeld; V(erb) i(ntransitive); Vice-pres(ident); V(erb) irr(egular); Visc(ount); Viz = videlicet (videliset) = namelijk; Voc(ative); Vol(ume); Vol(ume)s; V(ictoria) R(egina); V(ery) Rev(erend); V(eterinary) S(urgeon); Vulg(ar); Vulg(ate); Vv. ll. = variae lectiones = verschillende lezingen.

Va, vâ, ga voort (muz.).

Vacancy, veik’nsi, ledigheid, ledige ruimte, gaping, vrije tijd, vacature: The vacancy has been filled up = is vervuld; He stared into (at) vacancy = keek in het wild rond; Vacant, veik’nt, ledig, leegstaand, onbeduidend, vrij, onbezet, vacant: To be, fall, remain vacant = vacant zijn, etc.; Made vacant by the death of X = open gekomen; A vacant stare = een onwijze, nietszeggende blik; Such nations are vacant of our glorious civilization = hebben niet.

Vacate, vəkeit, ledig maken, ontruimen, neerleggen, afstand doen van, vernietigen: He vacated the throne = hij deed afstand van den troon; Vacation, vəkeiš’n, afstand, vernietiging, openzijn of openvalling (v. plaats of betrekking), vacantie, rusttijd: Vacation-days.

Vaccinal, vaksin’l, vaccine...; Vaccinate, vaksineit, vaccineeren, inenten; Vaccination = koepokinenting: Compulsory vaccination; Anti Vaccination Society; Vaccinationist = voorstander der vaccinatie; Vaccinator = inenter; Vaccine, vaksin, v. koeien verkregen, tot koeien behoorende: Vaccine lymph = Vaccine matter = koepokstof; Vaccine pox = koepokken; Vaccinia, vəksinjə, koepokken; Vaccinist = Vaccinationist.

Vachery, vašəri, omheinde weide; melkhuis.

Vacillate, vasileit, weifelen, wankelen, flikkeren; adj. Vacillating; Vacillation = weifeling, flikkering.

Vacuity, vəkjûiti, ledige ruimte, ledigheid, afwezigheid van begrip; Vacuous, vakjuəs, ledig, zonder uitdrukking; subst. Vacuousness; Vacuum, vakjuəm, (lucht)ledige ruimte: Vacuum-brake = luchtrem; Vacuum-cleaner = stofzuiger; Vacuum-tubes = luchtledige buizen.

Vade, veid, verwelken, verdwijnen.

Vade-mecum, veidîmîk’m, vademecum, leiddraad, gids.

Vagabond, vagəbond, subst. landlooper, zwerver, luie vent; adj. rondzwervend, vagebondeerend, doelloos; Vagabondage, vagəbondidž, landlooperij: To live in vagabondage = vagebondeeren; Vagabondism = Vagabondage; Vagabondize = rondloopen, rondzwerven.

Vagary, vəgêri, subst. kuur, gril.

Vagina, vədžainə, vagina, bladscheede; Vaginal, vadžin’l, vədžain’l, scheedeachtig, scheede ...; Vaginate(d), vədžainit (vədžaineitid), met een scheede, scheedevormig.

Vagrancy, veigr’nsi, landlooperij; Vagrant, subst. landlooper; adj. zwervend, zonder vaste woonplaats.

Vague, veig, vaag, onbepaald, onduidelijk; subst. Vagueness.

Vails, veilz, fooi(en).

Vain, vein, ijdel, nutteloos, waardeloos, vergeefsch, bedriegelijk, lichtzinnig, dwaas: Vain hope = ijdele hoop; It was all in vain = vergeefsch; Don’t take God’s name in vain = gebruik Gods naam niet ijdellijk; Vainglorious, veinglôriəs, opgeblazen, verwaand, blufferig; subst. Vaingloriousness = Vainglory.

Vakeel, Vakil, vəkîl, speciaal gezant, (inlandsch) advocaat (Brit. Ind.).

Val, val, Valentijn.

Valance, val’ns, subst. soort damast, valletje of franje om bedgordijnen, enz.; Valance verb. met franje of draperie versieren.

Vale, veil, vallei.

Valediction, validikš’n, afscheid, vaarwel; Valedictory, validiktəri, afscheids ...: Valedictory address = een gewoonlijk Latijnsche afscheidsrede in Amer. colleges; de houder dier rede wordt Valedictorian, valədiktôriən, genoemd.

Valence, valəns, persoonsn.; valentie (= veil’ns).

Valencia, vəlenšiə = Valance.

Valentia, vəlenšiə; Valentine, val’ntain, Valentijn, liefje op St. Valentine’s day (14 Febr.) gekozen, briefje of cadeautje door jongelieden van beide seksen op dien dag elkander gezonden; Valentinus, valəntainəs; Valentio, vəlenšiou; Valeria, vəlîriə.

Valerian, vəlîriən, valeriaan (plant).

Valet, valət, valei, subst. bediende; Valet verb. als kamerdienaar dienen of begeleiden.

Valetudinarian, valitjûdinêriən, ziekelijk of zwak; ook subst.; Valetudinarianism = zwakke gezondheid, ziekelijkheid.

Valhalla, valhalə, Walhalla.

Valiant, valj’nt, moedig, dapper, heldhaftig, onverschrokken; subst. Valiantness.

Valid, valid, krachtig, sterk, geldig, deugdelijk, bindend; Validate, valideit, geldig maken, legaliseeren; Validity, vəliditi, kracht, geldigheid = Validness.

Valinch(e), vəlinš, (zuig)hevel.

Valise, vəlîs, reistasch, mantelzak.

Valkyr, valkə, walkure; adj. Valkyrian, valkîriən; Valkyrie, valkîriə, walkure.

Vallancy, val’nsi, vəlansi, soort pruik uit de 17 eeuw = Vallancy wig.

Valley, vali, dal: Valley of a roof = dakhoek; Valley of tears = tranendal.

Valorous, valərɐs, dapper, moedig, onverschrokken; Valour, valə, dapperheid, moed, onverschrokkenheid.

Valparaiso, valpəraizou.

Valuable, valjuəb’l, adj. kostbaar, dierbaar; ook subst.: All the valuables were saved = de kostbaarheden; A valuable friend; Valuableness = kostbaarheid; Valuation, valjueiš’n, schatting, waardeering; Valuator, valjueitə, schatter, taxateur; Value, valju, subst. waarde, prijs, valuta, gewicht, beteekenis; Value verb. waard zijn, achten, schatten, waardeeren: For value received = waarde ontvangen, genoten; To the value of = ter waarde van; The value was depreciated = de waarde werd gedrukt of verminderd; To get (have) value (a good value) = waar voor zijn geld krijgen; To rate at its true value = schatten op (ook fig.); To set much value upon = veel waarde hechten aan; To value dearly (highly) = op hoogen prijs stellen; The goods were valued at half the original cost = geschat op; You may value on us two months after date of invoice = disponeeren op twee maanden dato der factuur; Valueless shares = waardelooze aandeelen, effecten; Valuer = schatter, taxateur: Eminent valuers = bekende taxateurs.

Valvate, valvit, met eene klep, klepvormig; Valve, valv, vleugel, ventiel, klep: Safety-valve = veiligheidsklep; Valved, valvd, v. kleppen voorzien; Valvelet = klepje; Valvular, valvjulə, met kleppen, kleppen betreffend: He died of valvular disease of the heart = aan eene hartziekte; Valvule, valvjul, klepje.

Vambrace, vambreis, armscheen (v. een wapenrusting).

Vamose, vəmous, vâmous, er van doorgaan, afzien van: He vamosed the claim = deed afstand van zijn recht (eisch) (Amer.).

Vamp, vamp, subst. bovenleer, nieuwe lap op iets ouds om dit schoon te doen schijnen; geimproviseerd accompagnement; Vamp verb. oplappen, een lied accompagneeren op ’t gehoor af: To vamp up an excuse = verzinnen; He has a knack of vamping up forgotten operettas = weer op te lappen; Vamper = (schoen)lapper; Vampers = kousen.

Vampire, vampaiə, vampier (ook een soort vleermuis = Vampire-bat), uitzuiger; adj. Vampiric; Vampirism = geloof in vampires; het bloedzuigen of afpersen.

Vamplate, vampleit, vroeger metalen plaatje aan eene lans ter bescherming van de hand.

Van, van, voorhoede, wan, reiswagen, goederen- of conducteurswagen, baard (van een veer); Van verb. vooropgaan, in een van vervoeren, wasschen, zuiveren: Furniture-(Removing-)van = verhuiswagen; Luggage-van = goederenwagon; To lead the van = vooropgaan.

Vanbrugh, vanbrû, vanbrû; Vancouver, vankûvə.

Vandal, vand’l, vandaal (ook fig.); Vandalic, v’ndalik, ruw, barbaarsch; Vandalism = vandalisme.

Vandyke, vandaik, subst. kanten puntkraag (= Vandyke collar); adj. als in de portretten v. Van Dijck (1599–1641) gekleed; Vandyke verb. den rand schulpen of punten.

Vane, vein, weerhaan, windvaan, wiek (v. een windmolen), baard (van een veer), diopter.

Vanellus, vəneləs, kievit.

Vanguard, vangâd, voorhoede.

Vanilla, vənilə, vanille.

Vanish, vaniš, verdwijnen, wegsterven: He vanished from the sight = verdween uit het gezicht.

Vanity, vaniti, ijdelheid, ijdel genot; vruchtelooze poging, schijn.

Vanquish, vɐŋkwiš, overwinnen, weerleggen: Though vanquished he could argue still = al had hij het afgelegd, hij redeneerde toch maar door; Vanquisher = overwinnaar.

Vansire, vansaiə, manguste.

Vantage, vântidž, voordeel, gunstige, schoone gelegenheid: He got vantage of me = behaalde een voordeel op mij; I spied him from a coin of vantage = van eene geschikte plaats; So much to the vantage = zooveel te goed, daarenboven; Vantage-ground = gunstige plaats of ligging.

Vapid, vapid, flauw, verschaald, geesteloos; subst. Vapidity, vəpiditi = Vapidness.

Vaporability, veipərəbiliti, verdampbaarheid; Vaporable of Vaporable, verdampbaar; Vaporific, veipərifik, vapərifik, verdampend; Vaporizable, veipəraizəb’l, vapəraizəb’l, in damp veranderbaar; Vaporization, veipər(a)izeiš’n, vapər(a)izeiš’n, verdamping; Vaporize of Vaporize, verdampen, in damp verdwijnen; Vaporous, veipərɐs, dampvormig, opgeblazen, winderig, vol dampen of uitwasemingen; subst. Vaporousness; Vapour, veipə, subst. damp, wasem, ijdele waan; Vapour verb. verdampen, “geuren” of bluffen, droevig stemmen: Vapours = vapeurs, luimen, grillen; Vapour-bath = damp- of stoombad; Vapouring = blufferig, snoevend: Vapourish = dampig, nevelig, winderig, mistroostig, melancholiek = Vapoury.

Vaquero, vəkêrou, veehoeder (Mexico).

Variability, vêriəbiliti, subst. v. Variable, vêriəb’l, veranderlijk, ongedurig; subst. veranderlijke grootheid of wind; subst. Variableness.

Variance, vêriəns, subst. verandering, verschil, geschil, twist: To be at variance = het oneens zijn; They were set at variance = tegen elkaar opgezet; Variant, subst. variant; adj. verschillend, veranderlijk, ongedurig; Variate, vêrieit, varieeren; Variation, vêrieiš’n, verandering, wijziging, afwijking, variatie; Varicoloured (tinted) = van verschillende kleuren of tinten; Variformed = van verschillende vormen.

Varicella, variselə, waterpokken.

Varicose, varikous, Varicous, varikɐs: Varicous stocking = kous voor lijders aan Varicous veins = aderspatten.

Varied, vêrid, afgewisseld, gevarieerd; Variegate, vêri(ə)geit, schakeeren, bespikkelen, afwisselen; Variegation, vêriəgeiš’n, schakeering, bontheid; Variety, vəraiiti, verscheidenheid, veelzijdigheid, verschil, varieteit: Variety-entertainment = varieteitenvoorstelling; Variety-hall = zaal voor dergelijke voorstellingen.

Variola, vəraiələ, kinderpokken; Variolar = Variolous, vəraiəlɐs, tot de kinderpokken behoorende.

Variorum, vêriôrəm, van de aanteekeningen van verschillende uitgevers voorzien, b.v. Variorum edition of Shakespeare’s works.

Various, vêriəs, verschillend, verscheiden; subst. Variousness.

Varix, vêriks, aderspat, krampader.

Varlet, vâlit, page, bediende; schurk; Varletry = het grauw of gespuis.

Varmin(t), vâmin(t) = Vermin.

Varnish, vâniš, subst. vernis (ook fig.), verlak, glazuur; koolteer (= Black varnish); Varnish verb. vernissen, verlakken, verglazen, verschoonen: A varnish of civilisation = vernisje; Varnisher.

Varsal, vâs’l (= universal), erg groot, sterk, etc.

Varsity, vâsiti = University (Oxf. en Cambr.).

Vary, vêri, veranderen, wijzigen, verschillen, afwijken, veranderlijk zijn, varieeren.

Vascular, vaskjulə, vaat - -, vaatrijk; Vascularity, vaskjulariti, toestand der vaten, rijkheid aan vaten.

Vase, vâz, veiz, veis, vaas, kelk.

Vaseline, vasəlin, vasəlîn, vaseline.

Vassal, vas’l, subst. vazal, onderdaan, slaaf; adj. slaafsch; Vassalage, vasəlidž, leenmanschap, de leenmannen, dienstbaarheid; Vassaled = geknecht.

Vast, vâst, groot, uitgestrekt, veelomvattend, veelzijdig, grenzenloos, onmetelijk; subst. grenzenlooze vlakte of ruimte: Watery vast = de oceaan; That is a Vast project = veelomvattend, grootsch plan; He squandered away vast sums of money = onmetelijke geldsommen; subst. Vastness.

Vat, vat, vat, kuip; Vat verb. in een kuip doen.

Vatican, vatik’n, vaticaan, pauselijke regeering of macht: The thunders of the Vatican = de pauselijke banbliksems.

Vaticinate, vətisineit, voorspellen; Vaticination = voorspelling; Vaticinator = profeet.

Vaud (Pays de), (peiîdə)vou, Waadland; Vaudois = Waldenser(s).

Vaudeville, voudvîl, vaudeville.

Vaughan, vôn, vôən.

Vault, vôlt, subst. (graf)gewelf, hol, kerker, kelder, hemelgewelf, gewelfd vertrek; sprong, volte; Vault verb. verwulven, overwelven; voltigeeren: He vaulted into the saddle = sprong in den zadel; Vaulter = springer, voltigeur; Vaulting-horse = paard (gymn.).

Vaunt, vânt, vônt, subst. gebluf, pocherij; Vaunt verb. bluffen, snoeven op, zich beroemen: To make a vaunt of; Vaunter.

Vauntlay, vôntlei, vooroploopende troep honden.

Vaux, vôks; Vauxhall, vôkshôl: Vauxhall Gardens.

’Ve = have.

Veal, vîl, kalfsvleesch (Veals = kalfsvellen); Veal-cutlet; Veal-tea = kalfsbouillon; adj. Vealy = jong, kalverachtig.

Veda, veidə, vîdə, Veda, heilig boek (Hindoes).

Vedette, vədet, ruiterwacht.

Vedic, veidik, vîdik, adj. Zie Veda.

Veer, vîə, draaien, wenden, vieren, van koers veranderen, laten vallen (scheepst.): The wind veered to the north = liep om naar het N.; Veer and haul = beurtelings vieren en aanhalen; Veer away = Veer out = vieren; Veering, subst. het veranderen of draaien; adj. veranderend, veranderlijk.

Vegetable, vedžitəb’l, subst. plant (Vegetables = groente); adj. plantaardig, planten....: Vegetable earth (Vegetable mould, Vegetable soil) = plantenaarde, humus; Vegetable kingdom = plantenrijk; Vegetable marrow (cucurbita pepo) = mergpompoen; Vegetal, vedžit’l, subst. plant; adj. plantaardig; Vegetarian, vedžitêriən, vegetarisch; subst. vegetariër: Vegetarian diet = plantaardige voeding of voedsel; Vegetarianism, vegetarisme; Vegetate, vedžiteit, vegeteeren; Vegetation = plantengroei, de plantenwereld; Vegetative = als planten groeiend, den plantengroei bevorderend.

Vehemence, Vehemency, vîhimens(i), hevigheid, vuur, drift, onstuimigheid; Vehement = hevig, geweldig, vurig, onstuimig.

Vehicle, vîhik’l, voertuig (ook fig.), geleimiddel (om geneesmiddelen in te nemen): The printing-press has become the vehicle of ideas = het voertuig der denkbeelden; Vehicular(y), vîhikjulə(ri), voertuig....

Vehmic, feimik, vîmik, veimik: Vehmic court = Veemgericht.

Veil, veil, subst. sluier, dekmantel, masker; Veil verb. sluieren, verbergen, vermommen, bewimpelen: We don’t wish to raise the veil, which was cast over this scene = den sluier op te lichten; To take the veil = den sluier aannemen: You have veiled your looks from your friends = u aan het oog uwer vrienden onttrokken; Veiled voice = gedempte stem.

Vein, vein, subst. ader, eigenaardige neiging of aanleg, stemming, luim; Vein verb. aderen, marmeren: In the giving vein = in goedgeefsche stemming; There is a grating vein in him = hij heeft iets onaangenaams over zich; He was in a rattling vein = zat op zijn praatstoel; I am not in the vein for it = voel er thans geen trek of neiging toe; I hope it will put you in the vein to do it = u aanleiding zal geven; Vein of thinking = gedachtengang; Veinlet = kleine ader; Veiny = vol aderen, aderrijk.

Velar, vîlə, met behulp van de huig voortgebracht (phonet.); Velarium, vilêriəm, groot zeil boven Romeinsche (amphi)theaters.

Veld, felt, boomlooze streek (Z.-Afr.).

Vellicate, velikeit, krampachtig samentrekken, prikkelen; subst. Vellication; adj. Vellicative.

Vellum, vel’m, perkament (uit kalfsvel); Vellum-paper, Vellum-post = velijnpapier; adj. Vellumy.

Velocimeter, veləsimətə, snelheidsmeter; Velocipede, vəlosipîd, rijwiel; Velocipedist, vəlosipîdist, wielrijder; Velocity, vəlositi, snelheid, vlugheid: Accelerated, decreasing, final, initial, mean, retarded, uniform, virtual velocity = toenemende, afnemende, eind-, begin-, gemiddelde, vertraagde, gelijkmatige, virtueele snelheid.

Velutinous, vəl(j)ûtinɐs, fluweelig.

Velvet, velvət, fluweel; ook adj.: You have been on velvet all your life = hebt altijd een leven op een bordje gehad; To be (stand) upon (the) velvet = een voordeelige weddenschap aangegaan hebben; Velveteen, velvətîn, katoenfluweel = Cotton velvet; Velvets = jachtopziener (naar zijne kleeding); Velveting = de fijne nopjes van fluweel: Velvetings = fluweelen stoffen; Velvety = fluweelachtig.

Venal, vîn’l, aderlijk; omkoopbaar, veil; Venality, vinaliti = omkoopbaarheid, veilheid.

Vend, vend, verkoopen, te koop bieden; Vendee, vendî, kooper; Vender = verkooper; Vendible = verkoopbaar; Vendibles = verkoopbare goederen; Vendibleness = verkoopbaarheid; Street vendors = venters.

Vendace, vendeis, soort v. houting (zalmvisch).

Vendetta, vəndetə, bloedwraak.

Veneer, vənîə, subst. fineer(bladen), vernis (fig.); Veneer verb. opleggen, een vernisje geven (fig.): If they are not good form, they are at least lacquered with the veneer of it = hebben ze toch allemaal het uiterlijk voorkomen ervan; Veneer-moth = snuitmot.

Venerable, venərəb’l, eerwaardig (titel van archdeacons); subst. Venerableness; Venerate, venəreit, vereeren; Veneration, ontzag, vereering: Venerator = vereerder.

Venereal, vinîriəl: Venereal desire = geslachtsdrift; Venereal disease = venerische ziekte.

Venery, venəri, jacht(vermaak).