Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 24

Chapter 243,051 wordsPublic domain

Come, kɐm, komen, naderen, aankomen, verschijnen, uitbotten, gebeuren, afloopen: Come, that’s satisfactory = komaan, dat is plezierig; Come, come, hope for the best = kom, kom, laten we ’t beste er van hopen; Come, don’t be a fool; Come your ways = allo, kom mee; She was trying to come that dodge = die bedriegerij aan te wenden; Will you come the cruise? = tochtje meemaken; You shall not come your ghosts over me = me niet bang maken met je spoken; To come to hand = in goede orde ontvangen; It has come home to me = is me duidelijk geworden; That stab came home = was raak; That word came home = maakte een diepen indruk; To come to light = aan het licht komen; To come to pass = geschieden; To come short = te kort schieten, falen; That is coming it strong = dat is kras gezegd; To come true = uitkomen, waar blijken; To come undone = losgaan; In time to come = in de toekomst; For a long time to come = het zal nog lang duren; First come best served = die ’t eerst komt, ’t eerst maalt; Lightly come, lightly go = zoo gewonnen, zoo geronnen; He’ll be sixty come next Christmas = a.s. Kerstmis; The time has come about, round = is weer daar; How did it come about? = hoe is het gebeurd? To come across = toevallig aantreffen, stooten op; Come along, old man = ga nu mee; To come at = bereiken, raken, te pakken krijgen; She was always coming backward and forward = zij was er, of ze kwam er; The soldiers came by = kwamen voorbij; How did you come by that horse? = kwaamt gij aan? To come down = naar beneden komen, vallen, dalen; He came down very soon = hij bakte heel gauw zoete broodjes; They came down handsomely = zij dokten flink op; To come down (up)on = aanpakken (fig.); Come in = kom binnen; I just came in for the last act = ik was nog net op tijd voor het laatste bedrijf; He came in for a good scolding = kreeg een flink standje; We came in for a storm = werden overvallen; Chimney-pot hats have come in again = zijn weer in de mode; To come in = te pas komen; He has come into his own = heeft zijn (erf)deel gekregen; He came off scot-free = hij heeft het er zonder kleerscheuren afgebracht; When will the concert come off? = wanneer zal het concert plaats hebben? The trial will soon come off = beginnen; My hair is coming off = ik groei door mijn haar; The soldiers came off duty = kwamen van de wacht; He came out with his guess prematurely = hij raadde te vroeg; Nothing will come out of it = daar zal niets uit voortkomen; She came out on her 18th birthday = kwam in de wereld; kwam uit; The bankrupt has come out again = heeft zich weer (in de maatschappij) vertoond; It came out as I told you = gebeurde; He came out with his secret = hij verklapte zijn geheim; The truth came out; This comes out clearly = blijkt duidelijk, komt duidelijk aan ’t licht; The book came out = verscheen; He has come out strongly = is kranig voor den dag gekomen; To come over to a party = overgaan bij; To come round = komen aanrijden, vóór komen, etc.; He is sure to come round = hij zal wel bijdraaien; The patient will soon come round again = hersteld zijn, tot bewustzijn komen; You shall not come round me = bepraten, inpalmen; He came to (himself) in no time = kwam dadelijk weer bij (uit flauwte); It comes to the same thing = komt op ’t zelfde neer; When all comes to all = alles bijeengenomen; That has come up of late = dat is in den laatsten tijd gebruik geworden; He struck gold, and came up by leaps and bounds = hij vond goud, en werd zeer spoedig rijk; To come up to = beantwoorden aan; He came up to me = naderde mij; To come up to the scratch = iemand staan, een uitdaging aannemen, toebijten; Two travellers came up with me = haalden mij in; He came upon me very suddenly = hij viel mij plotseling op het lijf; Come-at-able = genaak(verkrijg)baar; Come-down = val, vernedering; Come-off, kɐmof, kɐmof, uitvlucht, tot stand koming; Come-outer = bekeerde; radicaal (Amer.); He has found his Come-uppance = hij heeft zijn meerdere gevonden, hij heeft zijn man gevonden.

Comedian, kəmîdj’n, tooneelspeler, blijspeldichter; Comedietta, komədjetə, klucht; Comedy, komədi, blijspel.

Comely, kɐmli, bevallig, knap, gepast.

Comer, kɐmə, komende, bezoeker: The first comer = de eerst komende, de eerste de beste; Newcomer = nieuweling, vreemdeling.

Comestibles, kəmestib’lz, eetwaren.

Comet, komət, komeet, een kaartspel; Cometary = komeet - -; Cometarium = cometarium.

Comfit(ure), kɐmfit(jə), suikergoed, bonbon. Comfit = confijten.

Comfort, kɐmfət, subst. troost, vertroosting, aanmoediging, bijstand; soort sprei (Amer.); Comfort verb. troosten, kracht geven, opwekken, opbeuren: We are in comfort = kunnen ons goed redden; To take comfort = zich troosten, moed scheppen; Comfortable = subst. soort sprei of polsmof (Amer.); adj. (= Comfy) aangenaam, gemak gevend: Now I am comfortable = nu ben ik (voel ik mij) op mijn gemak; Comforter = trooster; fopspeen; bouffante; de Heilige Geest (Joh. XIV, 26).

Comfy = Comfortable.

Comic(al), komik(’l), grappig; subst. Comicality, Comicalness.

Coming, kɐmiŋ, toekomstig: Coming! Sir! = aannemen! mijnheer! Coming in = binnenkomen; inkomsten; Coming on = nadering, toeneming.

Comitia, kəmišə, volksvergaderingen; adj. Comitial.

Comity, komiti, (burgerlijke) beleefdheid, hoffelijkheid: Comity of nations = internationale hoffelijkheid, waardoor b.v. de wetten van het eene land erkend worden binnen de grenzen van een ander.

Comma, komə, komma: Inverted commas = aanhalingsteekens; Comma-bacillus.

Command, kəmând, subst. bevel, gebod, macht, gezag, commando; Command verb. bevelen, bestellen, bedingen, beheerschen, afdwingen: The Boers of De Wet’s command = commando; Command of oneself = zelfbeheersching; I am at your command = ben tot uw dienst; To be in command = het bevel voeren; This hill commands (a view of) the surrounding landscape = deze heuvel bestrijkt (geeft het gezicht op); Commandant, kom’ndânt, als titel bij een naam; kom’ndânt = commandant; Commandeer, kom’ndîə, requireeren in den oorlog (Zuid-Afrika): They commandeered the caffres for military service; Commander = bevelhebber, zeeofficier met rang tusschen Captain en First Lieutenant; stamper; Commander of the Faithful = titel van den Sultan van Turkije; Commander-in-chief = opperbevelhebber; Command(e)ry = kommandeurschap; Commandership = bevelhebberschap; Commandment = gebod, bevel; Commando: The Transvaal commandos.

Commeasurable, kəmežər’b’l = Commensurable.

Commemorate, kəmeməreit, herdenken, vieren; subst. Commemoration; adj. Commemorative.

Commence, kəmens, beginnen, worden, een zeker karakter aannemen; Commencement = begin, opkomst, oorsprong; de dag waarop vroeger uitsluitend de promotie tot M. A. of Doctor plaats had te Cambridge.

Commend, kəmend, prijzen, aanbevelen, opdragen, toevertrouwen: For a mild winter, commend me to the South of France = voor zacht winterweer moet men het Zuiden van Frankrijk hebben; Commend me to him = doe mijne groeten aan hem; adj. Commendable = prijzenswaardig; subst. Commendableness = prijzenswaardigheid; Commender; Commendam = tijdelijk beheer van een kerkelijk ambt of een leen (in 1863 afgeschaft); Commendation = lof; Commendatory = prijzend, aanbevelings- - (Commendatory letter); een prebende in commendam hebbend; subst. tijdelijk beheerder van een opengevallen prebende (= Commendam) = Commendator.

Commensurability, kəmenšurəbiliti, commensurabiliteit; Commensurable = commensurabel: A is commensurable with B = Commensurate, kəmenšureit.

Comment(ary), kom’nt(əri), commentaar; Comment = verklarende aanteekeningen maken bij, kritiek uitoefenen (on); Commentator = uitlegger, verklaarder.

Commerce, koməs, handel, verkeer, omgang; een kaartspel: Commerce Union = tolverbond; Commerce of ideas = gedachtenwisseling.

Commercial, kəmɐ̂š’l, handels ...: Commercial college = handelsschool; Commercial education = handelsonderwijs; Commercial relations = handelsbetrekkingen; Commercial room = monsterkamer in een hotel voor handelsreizigers; Commercial-school = handelsschool; Commercial traveller = handelsreiziger.

Commination, komineiš’n: Commination-service = een deel van de liturgie der Eng. kerk, op Aschwoensdag gelezen, waarbij Gods toorn tegen zondaars wordt uitgesproken; Comminatory = dreigend.

Commingle, kəmiŋg’l, (zich) vermengen.

Comminute, kominjût, tot gruis of poeder maken; inkrimpen; subst. Comminution.

Commiserate, kəmizəreit, beklagen; subst. Commiseration.

Commissariat, komisêriət, subst. de intendance van het leger, de daartoe behoorende officieren; ook adj.: All the commissariat animals had been killed = al het slachtvee (voor het leger) was gedood.

Commissary, komisəri, gemachtigde; officier van het Commissariat: Commissary Court = gerechtshof (van een graafschap) inzake erfenissen; Commissary-general = generaal-intendant.

Commission, kəmiš’n, subst. opdracht, last, lastbrief, commissie(loon); officiers-aanstelling (bij marine of leger): Commission verb. machtigen, belasten, in commissie bestellen; een commission verleenen: Ships in commission = in dienst gestelde schepen; Commission of (the) peace = aanstelling tot vrederechter; To be put into the Commission of Peace = benoemd worden tot vrederechter; Commission of lunacy = commissie van onderzoek naar den toestand der geestvermogens; Commission-agent = (Commission-merchant); Commissional = gevolmachtigd; Commissioned officer = officier; Non commissioned officer = onderofficier; Commissioner = gevolmachtigde, commissaris, lid van een commissie, commissionair = Commissionaire.

Commissure, komišuə, voeg, naad.

Commit, kəmit, toevertrouwen, toewijzen, gevangen nemen, blootstellen, compromitteeren, (zich) verbinden, doen, bedrijven, naar eene commissie verzenden: He rarely commits himself in speaking = hij zegt zelden domme of gekke dingen; I would not commit myself to these conclusions without examining the affair myself = ik wou niet instemmen met dergelijke conclusies; He committed himself to that course = besloot tot die wijze van doen; They stand committed to that policy = moeten volgen; Parliament has the power of committing = het recht om wetten enz. in handen eener commissie te stellen, of een bevel tot gevangenneming uit te vaardigen; He committed these words to memory = leerde van buiten; To commit to paper = op papier brengen; Commitment = verwijzing, overdracht, inhechtenisneming; Committable = te begane; Committal = subst. toewijzing, gevangenneming, bevel daartoe, begaan; adj. I thought of a non-committal thing to say = ik bedacht mij op iets, dat ik gerust kon zeggen, waardoor ik mij niet bloot gaf; Committee, kəmitî, commissie, comité; Committee, komitî, curator (van een idioot of krankzinnige); Committer = bedrijver, lastgever.

Commode, kəmoud, hoog dameskapsel (van vroeger tijd); latafel; stilletje.

Commodious, kəmoudjəs, geriefelijk; subst. Commodiousness; Commodity, kəmoditi, gerief, gemak, handelsartikel, waar.

Commodore, komədö = Captain of the Fleet = rang tusschen schout-bij-nacht en kapitein ter zee; bevelhebber van een eskader; het voorop zeilend schip van een koopvaardijvloot.

Common, kom’n, subst. gemeenteweide, meente; adj. (al)gemeen, gewoon, gebruikelijk, openbaar, van lagen rang, plat, onrein, gemeenschappelijk, gemeenslachtig (van subst. en werkw.); Common verb. gezamenlijke grondrechten hebben; samen eten: We have it in common = gezamenlijk; He is above the common = meer dan gewoon; It is out of the common = buitengewoon, ongewoon; Common carrier = vrachtrijder; Common divisor = gemeene deeler; Common council(man) = gemeenteraad(slid); Common crier = stadsomroeper; Common gender = van ’t zelfde gramm. geslacht; Common hall = raadhuis; aula; Common law = gewoonterecht (tegenover het geschreven recht); Common noun = gem. zelfst. nmw.; Common Pleas = oud gerechtshof; thans opgenomen onder de Queen’s Bench Division van het Hooggerechtshof; Book of Common Prayer = ritueel en gebedenboek der Angl. kerk; Common sense = gezond verstand: That is a common sense remark = van gezond verstand getuigende; Commonable = gezamenlijk, gemeenschappelijk; Commonage = gezamenlijk bezit, gemeenschappelijk recht; Commonalty = burgerij (wat niet tot den adel behoort); Commoner = burger; lid van het House of Commons; iemand, die mede recht heeft op gemeenschappelijken grond: Gentleman commoner = betalend student, die eerst in later tijd werden toegelaten; Commonish = vrij algemeen, alledaagsch; Commonplace, kom’npleis, subst. gewoon onderwerp, gewone uitdrukking, gemeenplaats, memorandum; adj. gewoon, alledaagsch; Commonplace verb. in een memorandum of commonplace-book aanteekenen; Commons, komənz, het volk; de leden van het Lagerhuis = House of Commons; voedsel (aan eene algemeene tafel): His cheeks were hollow; he had been on short commons for four years = hij had het schraal van eten gehad; Doctors’ Commons = oud gerechtshof bestaande uit 5 hoven, vervangen door het Probate Court, thans Prob. Division van het Hooggerechtshof; Commonty = land, aan twee of meer toebehoorende; gemeenteweide; Commonweal, kom’nwîl, het algemeen welzijn; Commonwealth, kom’nwelth, gemeenebest, staatslichaam, statenbond, republiek (in Engeland onder Cromwell: 1649–1660).

Commorance, -cy, komər’ns(i), domicilie; Commorant = wonend.

Commotion, kəmouš’n, beroering, beweging, drukte, tumult.

Communal, komjun’l, kəmjûn’l, communaal; Commune, komjûn, gemeente, commune (Fr.), communie: To hold commune (with) = spreken met, raadplegen.

Commune, kəmjûn, komjun, spreken met, raadplegen; deelnemen aan het Avondmaal (Amer.); de communie ontvangen (Kath. kerk).

Communicability, kəmjûnikəbiliti, mededeelbaarheid; Communicable, kəmjûnikəb’l, mededeelbaar; Communicant, kəmjûnikənt, avondmaalsganger, communicant; Communicate, kəmjûnikeit, mededeelen, schenken, openbaren, omgang hebben, in verbinding staan met, deelnemen aan het Avondmaal, communiceeren, ter communie gaan.

Communication, kəmjûnikeiš’n, mededeeling, omgang, communicatie (middel), verbindingsweg: Communication-cord = noodrem; Evil communications corrupt good manners = kwade samensprekingen bederven goede zeden; Communicative = mededeelzaam; subst. Communicativeness; Communicator = mededeeler, noodlijn; Communion, kəmjûnj’n, verbinding, gemeenschap, omgang; Avondmaal; communie: Communion cup, table, service = avondmaalsbeker, -tafel, -dienst.

Communism, komjunizm, eigendomsgemeenschap, communisme, socialisme; Communist; adj. Communistic(al).

Community, kəmjûniti, gemeenschap, gemeente(wezen).

Commutability, kəmjûtəbility, vervreemdbaarheid, verwisselbaarheid; adj. Commutable.

Commutation, komjuteiš’n, verwisseling, verandering; abonnement (Amer.); stroomwisseling, aflossing; adj. Commutative; Commutator = stroomwisselaar; Commute, kəmjût, verruilen, ineens betalen in plaats van in termijnen, veranderen, wisselen: The sentence of death was commuted into lifelong imprisonment = het doodvonnis werd veranderd in.

Compact, kompakt, verdrag, overeenkomst, verbond; Compact, k’mpakt, adj. aaneengesloten, vast, kort, bondig, bestaand uit (of); Compact verb. krachtig verbinden, nauw vereenigen, verdichten: A compactly built young fellow = kort en stevig ventje; Compactness = beknoptheid, soliditeit, stevigheid.

Companion, k’mpanj’n, subst. gezel, kameraad, makker, compagnon, laagste graad in eene ridderorde, kampanje, kapluik (bij de trap van eene kajuit), koekoek (uitstekend dakvenster); adj. vergezellend; Companion verb. vergezellen: Companion-hatch = kap boven de kajuitstrap; Companion-ladder, Companion-stairs, Companion-way = kajuitstrap; Companionable = gezellig; Companionless; Companionship = gezelschap.

Company, kɐmpəni, subst. gezelschap, maatschappij, gilde, genootschap, compagnie, bemanning: I will bear, keep you company = u gezelschap houden; To be in company with, in the company of = in gezelschap van; Two is company, three is none = twee is gezellig, drie is te veel; He kept company with our servant = had verkeering met onze meid; My friend sees no company = is zéér eenzelvig; She wept for company = schreide mee; Company verb. het gezelschap genieten van: I companied with very interesting people.

Comparable, kompərəb’l, vergelijkbaar; Comparative, k’mparətiv, vergelijkend, betrekkelijk; subst. comparatief; A comparatively small sum = betrekkelijk geringe som.

Compare, k’mpêə, vergelijken, gelijkstellen, gelijk zijn, in den comparatief zetten; zich laten vergelijken; subst. vergelijking: His eloquence may be compared to a thunderstorm = kan worden vergeleken bij; I cannot compare the one statesman with the other = vergelijken met; On our comparing notes, many circumstances tallied with wonderful exactness = toen wij onze bevindingen vergeleken (van gedachten wisselden), kwamen vele omstandigheden merkwaardig juist overeen; You cannot compare (You compare disadvantageously) with your friend = gij kunt een vergelijking met uw vriend niet doorstaan; Beyond compare, past compare = onvergelijkelijk.

Comparison, k’mparis’n, vergelijking, trappen van vergelijking: Beyond all comparison, Out of all comparison, Without comparison = onvergelijkelijk; By way of comparison = vergelijkenderwijze; To bear (stand) comparison with = de vergelijking doorstaan met.

Compartment, k’mpâtm’nt, afdeeling, coupé, vak.

Compass, kɐmpəs, subst. omtrek, omvang, omweg, ruimte, grens, bestek, bereik, kompas; Compass verb. omvatten, omringen, bekleeden, verkrijgen, bedenken, beramen, tot stand brengen: We have boxed the compass = zijn de rij rond geweest; He fetched a compass = hij maakte een omweg, ging niet recht op het doel af; We speak within compass in asserting this = wij zeggen niet te veel met dit te beweren; True as a compass = echt waar; They compass heaven and earth to make one proselyte = doorzoeken hemel en aarde; He compassed his end = bereikte zijn doel; I felt resolved to compass revenge = op wraak te peinzen; Compass-box = kompashuisje; Compass-card = kompasroos; Compass-saw = cirkelzaag; Compass-timber = kromhout; Compass-window = vooruitspringend boogvenster; Compasses = passer.

Compassion, k’mpaš’n, subst. medelijden; Compassion verb. beklagen, zich erbarmen; Compassionate, k’mpašənit, adj. mededoogend, medelijdend; Compassionate verb. k’mpašəneit, beklagen, medelijden hebben met.

Compatibility, k’mpatibiliti, vereenigbaarheid, bestaanbaarheid; Compatible, k’mpatib’l, bestaanbaar, passend, vereenigbaar (met with).

Compatriot, k’mpeitriot, k’mpatriot, subst. landgenoot; adj. uit hetzelfde land; subst. Compatriotism.

Compeer, k’mpîə, subst. evenknie, gelijke, makker; Compeer verb. evenaren.

Compel, k’mpel, dwingen, drijven, verplichten: That actor compelled tears from his audience = dwong zijn gehoor tranen af; Compeller = verzamelaar.

Compend, kompend, Compendium, k’mpendj’m, kort begrip, verkorte opgaaf; Compendious = beknopt, bevattelijk; subst. Compendiousness.

Compensate, komp’nseit, k’mpenseit, goed maken, vergoeden, opwegen; Compensation = vergoeding, compensatie, tegenrekening: Workman’s Compensation Act = ongevallenwet; Compensation-balance (pendulum) = compensatieslinger; adj. Compensative = Compensatory; Compensator = compensator.

Compesce, k’mpes, bedwingen, beteugelen.

Compete, k’mpît, wedijveren, strijden om.

Competence, kompitens, Competency, kompitensi, bevoegdheid, welgesteldheid, gepastheid: They led a life of competence = zij konden het goed stellen in de wereld; He has a competency = kan zich goed redden; Competent = bevoegd, toereikend, overeenkomstig.

Competition, kompitiš’n, mededinging, wedijver, concurrentie, kooplust; Competitive, k’mpetitiv, vergelijkend (van een examen b.v.), mededingend; Competitor = mededinger, concurrent; Competitress = Competitrix.

Compilation, kompileiš’n, verzameling.

Compile, k’mpail, samenstellen, samenvoegen, verzamelen; een aantal ‘runs’ maken (cricket); subst. Compiler.

Complacence, k’mpleis’ns, Complacency, k’mpleis’nsi, welbehagen, voldoening, aangename wijze van optreden, manieren, enz.; beleefdheid; Complacent = behaaglijk, etc.

Complain, k’mplein, subst. klacht; Complain verb. klagen, morren, aanklagen: He complained of the boys = klaagde over; To complain to = zich beklagen bij; Complainant = klager, lijder, eischer; Complaining = klagend, onpasselijk; subst. klacht; Complaint = klacht, aanklacht, kwaal, ongesteldheid.

Complaisance, kompləz’ns, kompləzans, beleefdheid, hoffelijkheid, inschikkelijkheid; adj. Complaisant of Complaisant.

Complement, kompliment, subst. aanvulling, volle getal, volheid, toevoegsel, het bijkomende, complement; Complement verb. aanvullen: Three meals a day was the Homeric complement = de taks, het aantal in de dagen van H.; The complement of the squadron = getalsterkte; Complemental, Complementary = aanvullend, complementair.

Complete, k’mplît, adj. volledig, voltooid, af, volkomen; Complete verb. afmaken, voltooien; subst. Completeness; Completion = voltooiing, vervulling; Completive = volkomen makend; Completory, subst. de completen, het deel van het Brevier, dat het officium van den dag afsluit (Kath. Kerk); adj. vervullend, voltooiend.

Complex, kompleks, subst. het geheel; adj. samengesteld, ingewikkeld.

Complexion, k’mplekš’n, gelaatskleur, teint, voorkomen; temperament, lichaamsgesteldheid.

Complexity, k’mpleksiti, samengesteldheid, ingewikkeldheid.

Compliance, k’mplaiəns, toegeving, toestemming, onderwerping: In compliance with = overeenkomstig; Compliant, toegevend, inschikkelijk.

Complicate, komplikeit, adj. ingewikkeld; Complicate verb. verwikkelen, verwarren; Complication = verwikkeling, complicatie (Med.).

Complicity, k’mplisiti, medeplichtigheid.

Compliment, kompliment, subst. plichtpleging, lof, vleierij: Compliments of the season = Nieuwjaarswenschen; (Make) my best compliments to = mijne hartelijke groeten aan; With the author’s compliments = van den schrijver.

Compliment, kompliment, verb. complimenteeren, gelukwenschen, complimenten maken; Complimental = beleefd, beleefdheids ... = Complimentary (op boeken) = presentexemplaar.

Complin(e), komplin = Completory, de completen (Kath. kerk): To go to Complins.

Comply, k’mplai, voldoen, toegeven aan, toestemmen: I complied with his wishes = voldeed aan; Complying = Complaisant.

Compo, kompou, compositie; mengsel, enz.; het woord is kort voor Composition.

Component, k’mpoun’nt, subst. en adj. samenstellend (deel).

Comport, k’mpöt, overeenkomen, overeenstemmen, zich gedragen; subst. compôte, kompət: She comported herself with much gravity; The hangings do not comport with the furniture = het behangsel past niet bij het ameublement; Comportment = gedrag, houding.

Compose, k’mpouz, samenstellen, samenvoegen; bevredigen, tot bedaren brengen, in orde brengen, voorbereiden; zetten (drukkerij), componeeren, dichten, ontwerpen: What was it composed of? = waaruit bestond het?; Composed = kalm; rustig; subst. Composedness; Composer = componist; Composing draught = kalmeerende drank; Composing-frame (-room, -machine, -stick) = zettersraam, etc. zethaak.

Composite, kompəzit, samengesteld, compositie - - (i.e. hout en ijzer); subst. samenstelling, mengsel; Composite candle = stearinekaars; Composite carriage = spoorwegrijtuig met verschillende klassen; Composite number = deelbaar getal; Composition, kompəziš’n, samenstelling, mengsel, geaardheid, opstel, arbeid, werk, schikking, verdrag, afkooping, bevrediging, het aangenomen bedrag, het letterzetten: A composition of a shilling in the pound = een accoord van vijf percent; He has no fear in his composition = kent geen vrees; Compositor = letterzetter.

Compost, kompo(u)st, subst. mengmest; pleisterkalk, gemengd nieuws; Compost verb. mesten; bepleisteren.

Composure, k’mpoužə, kalmte, bedaardheid, bezadigdheid: He upset my composure = hij bracht mij van mijn stuk.

Compote, kompout, compôte.