Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 49
Free, frî, adj. vrij, toegankelijk, onbelemmerd, gratis, vrijwillig, oprecht, mededeelzaam, mild, toegelaten (tot een gilde b.v.), los; Free verb. bevrijden, verlossen, uithoozen, lens pompen: Free-and-easy, ongedwongen; subst. gezellige familiare bijeenkomst; You are free to jump my claim = moogt gerust ... negeeren; Wine was free to all takers = ieder, die wou, kon vrijelijk wijn drinken; He is free of the goldsmiths’ company = hij is lid van het goudsmidsgilde; You are as free of the house as anybody = gij kunt even vrij het huis binnen gaan als ieder; I am free to admit that = ik erken dit gaarne; To get free = vrij komen; To go free = met gevierde schooten zeilen; He was made free of the City = hem werd het eereburgerschap der City aangeboden; They made free with his wine = dronken ongegeneerd; He did not offer to free me = mij van mijn woord te ontslaan; This ticket will free you over every line of the country = met dit kaartje kunt ge voor niets langs elke spoorlijn in het land reizen; Free-bench = weduwengoed; Freebooter = vrijbuiter; Free chase = vrije jacht; Free church = kerk zonder Staatscontrole of met vrije zitplaatsen; de in 1843 afgescheiden Schotsche kerk; Free-city = vrije Rijksstad; Free-fighter = guerilla soldaat, franc-tireur; Free grace = Vrije Genade; Free-hand = uit de vrije hand; Free-handed = edelmoedig, mild, royaal; Free-hearted = openhartig, weldadig; Freehold, subst. grondbezittingen, waarover men vrijelijk testamentair mag beschikken = Freehold estate in land; Free-holder = bezitter van een freehold; Free-lance = krijgsknecht; “wilde” (Parl.); Free-list = lijst van hen, die vrijkaarten krijgen (hebben); Free-liver = smulpaap, iemand die groot leeft; Free love = vrije liefde; Freeman = vrije, stemgerechtigd burger, lid van een City Company; Free-mason = vrijmetselaar; Free-masonry, masonry = vrijmetselarij; Free-minded = met onbekommerd gemoed; Free-pass = vrijbiljet; Free-port = vrijhaven; Free-school = kostelooze school; He wanted Free and open sittings in church = wenschte, dat ieder vrijelijk de onbezette plaatsen zou mogen innemen; His talents had Free space to work = konden zich vrij ontplooien; Free-spoken = vrijmoedig; Free-stone = zandsteen, arduin; Free-states = die Staten van de Unie, waar reeds voor den burgeroorlog geene slavernij meer bestond; Free-talk and knowing innuendos = familiare gesprekken en slimme wenkjes; Free-thinker = vrijdenker; Free-trade = vrijhandel; Free-trader = voorstander van vrijhandel; Free-wheel; Free-will = vrije wil; adj. (meest frîwil) vrijwillig; Free wind = gunstige wind; Freedman = vrijgemaakte lijfeigene; Freedom = vrijheid, vrijdom, al te groote vrijheid, gemakkelijkheid: I shall take the liberty to speak with freedom = ik zal zoo vrij zijn ronduit te spreken; He was offered the freedom of that town = hem werd het eereburgerschap van die stad aangeboden; Freer = bevrijder.
Freeze, frîz, subst. vorst, het vriezen; Freeze verb. vriezen, bevriezen, stollen: To freeze out = wegkijken; To freeze to = hangen aan, dol zijn op; To freeze up = koel en strak worden (Amer.); Freezing-point = vriespunt.
Freight, freit, subst. vrachtprijs, goederentrein, vracht of lading (Amer.); Freight verb. laden, bevrachten: We have sent the trunk by slow freight = als vrachtgoed; Freight-train (Amer.) = goederentrein; Freight-waggon = goederenwagen; Freightage = vrachtprijs, vracht; Freighter = bevrachter; Freightless = zonder vracht.
French, frenš, subst. en adj. Fransch(e taal), Fransch(e volk): What is the French for William = wat is Willem in het Fransch? Guillaume is French for William; French-bean = snijboon; French-chalk = kleermakerskrijt; French-curve = teekenmal; French-horn = waldhoorn; To take French leave = met de noorderzon vertrekken; Frenchman = Franschman; French-polish, subst. wrijfwas; French-polish verb. frenšpoliš, politoeren; een vernisje geven (fig.); French-roll = broodje; French-window = openslaande glazen deur; Frenchwoman = française; Frenchify, frenšifai, verfranschen; Frenchlike = op zijn Fransch; Frenchy = Fransoos.
Frenzy, frenzi, subst. waanzin; Frenzy verb. waanzinnig maken.
Frequency, frîkw’nsi, herhaald voorkomen, herhaling; Frequent, frîkw’nt, gedurig, herhaald; subst. Frequentness.
Frequent, frikwent, dikwijls bezoeken, omgaan met; subst. Frequentation; Frequentative, frikwentətiv, subst. en adj. frequentatief (werkwoord).
Fresco, freskou, subst. waterverfschildering op versche kalk; Fresco verb. schilderen op die wijze.
Fresh, freš, frisch, versch, verfrischt, zoet, ongezouten, nieuw, onervaren; subst. riviertje of stroompje bij de zee, overstrooming, zoetwaterstroom, die een eind in zee doorloopt, dooi weder: As fresh as a daisy, As fresh as paint = zoo frisch als eene roos, als een hoen; We shall have to gather fresh way = wij zullen wat moeten opstoomen, wat meer spoed moeten bijzetten; Fresh-blown = pas ontloken; Fresh-fish = nieuweling; Freshman = groen, nieuweling; Fresh-run = in den tijd van het kuitschieten de rivieren opkomen; Fresh-water = zoet water; Freshen = opfrisschen, verfrisschen, verlevendigen, ontzouten of ontpekelen, aanwakkeren, kracht krijgen; Freshes, frešiz: het brakke water aan de monding van rivieren; Freshet = overstrooming (door zwaren regen of het smelten van sneeuw); Freshness = frischheid, etc.
Fret, fret, subst. het in- of wegvreten, zweer, gisting, kwelling, schaving (van de huid), lijstwerk, ornamentwerk; Fret verb. wegvreten, invreten, afwrijven, schoonwrijven, aantasten, beschadigen, kwetsen; kwellen, beroeren, gemelijk zijn, kniezen; versieren (m. snijwerk), beitelen of beeldhouwen, van toetsen voorzien, tokkelen; Fret-saw = figuurzaag; Fret-work = snijwerk, netwerk; Fretful = gemelijk, knorrig, gerimpeld; subst. Fretfulness; Pock Fretten, fret’n, van de pokken geschonden; Fretty, met snijwerk versierd.
Freya, fraiə, eene Godin.
Friability, fraiəbiliti, brokkeligheid, brosheid; Friable, fraiəb’l, bros, brokkelig; subst. Friableness.
Friar, fraiə, frater, broeder, monnik; plaatsen in een proef waar de inkt niet geraakt heeft; Friar’s-balsam = monniksbalsem; Friar’s-lantern = dwaallicht; Friary = klooster.
Fribble, frib’l, subst. beuzelaar, beuzelarij; adj. beuzelachtig; Fribble verb. beuzelen; Fribbler = beuzelaar.
Fricassee, frikəsî, subst. fricassee, schotel v. gehakt vleesch met pikante saus; Fricassee verb. eene fricassee maken.
Fricative, frikətiv, subst. schuringsgeluid; adj. schurend.
Friction, frikš’n, subst. wrijving, kleine oneenigheid; adj. wrijvend; Friction-match = lucifer; Friction-wheel = wiel, dat door wrijving in beweging brengt of gebracht wordt; Frictional-electricity = wrijvingselectriciteit; Frictionize = wrijven.
Friday, fraidi, Vrijdag: Good Friday = Goede Vrijdag.
Friend, frend, vriend, kennis, bloedverwant, vriendin, beschermer, bevorderaar, Kwaker: A friend in need is a friend indeed = in den nood leert men zijne vrienden kennen; Friends = bloedverwanten; Society of Friends = de sekte der Kwakers (17e eeuw gesticht); To have friends in (at) court = vrienden aan het hof, invloedrijke vrienden hebben; I’ll never again make a friend = ik sluit nooit weer vriendschap; Let us make friends with him = laten wij ons met hem verzoenen; Friendless = zonder vrienden; subst. Friendlessness; Friendlike = als van een vriend, welwillend; Friendliness, subst. van Friendly = vriendschappelijk, goedaardig, gunstig gezind: Friendly Societies = (arbeiders) vereenigingen tot wederzijdschen bijstand in ziekte en nood; Friendship = vriendschap, goede gezindheid: That’s in friendship = dat blijft onder ons.
Friese, frîz, Fries, Friezin; adj. Friesian, frîž’n; Friesland, frîzlənd.
Frieze, frîz, fries (bouwk.); fries, een grove wollen stof.
Frigate, frigit, fregat; Frigate-bird = fregatvogel; Frigatoon, frigətûn, Venetiaansch fregat.
Fright, frait, vrees, schrik; ook verb. = Frighten: In a fright = verschrikt; You look a fright, if you do not do yourself up = ge ziet er uit om van te schrikken, als ge u niet blanket; To put in a fright = doen schrikken; He took fright = hij schrikte; It is the thunder that frights, and the lightning that smites; Frighten = schrik aanjagen; ontstellen: I was frightened to death, out of my wits = doodelijk verschrikt; Frightful = verschrikkelijk; subst. Frightfulness.
Frigid, fridžid, koel, koud, kil, vormelijk; vervelend: Frigid zones = de Poolstreken tusschen de Polen en de Poolcirkels; Frigidness = Frigidity, frîdžiditi, koelheid, enz.
Frill, fril, subst. geplooide strook, kanten kraag; affectatie, opgedirktheid (Amer.); Frill verb. plooien, van een frill voorzien; de veeren van koude opzetten.
Fringe, frinž, subst. franje, rand; Fringe verb. met franje versieren: To wear one’s hair in a fringe = ponnies hebben; Newgate fringe (Fringe frill) = baard onder de kin.
Fringilla, frindžilə, vink; Fringillaceous, frindžileišəs, tot de vinken behoorend.
Fringing, frinžiŋ, franje, rand: Fringing reef = koraalrif dat een eiland omgeeft.
Frippery, fripəri, subst. oude kleeren, tweedehandsmeubels, oude-kleerwinkel, prulleboel; adj. min, beuzelachtig.
Frisco, friskou = San Francisco.
Frisia, frižə, Friesland; Frisian, Fries(ch).
Frisk, frisk, subst. dartele sprong, dol, vroolijke bui; adj. levendig, dartel, druk; Frisk verb. rondspringen, dansen, dartelen; Friskiness, subst. van Frisky = dartel, vroolijk, uitgelaten.
Frit, frit, subst. frit, gesmolten glasmassa.
Frith, frith, mond eener rivier, vischweer; kreupelhout.
Fritillary, fritiləri, keizerskroon (bloem).
Fritter, fritə, brokje, stuk, reepje, afgesneden stukje vleesch om te bakken; Fritter verb. in kleine stukken snijden of breken, verknoeien: He has frittered away his money, his time = zijn geld verknoeid, zijn tijd verbeuzeld.
Frivolity, frivoliti, beuzelachtigheid, wuftheid; Frivolous, frivəlɐs, beuzelachtig, nietig, wuft; subst. Frivolousness.
Friz(z), friz, krullen, kroezen; subst. krul; Frizzle = krullen, op heete kolen bakken; Frizzler = friseur, kapper; Frizzling-iron = friseertang.
Fro, frou, alléén in: To and fro = heen en weer.
Frock, frok, pij, kleed, kiel, jurk; Frock-coat = gekleede jas; Frock-dress = in gekleede jas.
Frog, frog, kikker, langwerpige bekleede knoop met lus tot sluiting en versiering; verbindingstuk om op andere rails te komen; straal (aan paardehoeven); Frog-bit = kikkerkruid; Frog-eater = Franschman (iron.); Frog-hopper = schuimcicade; Frogs’-march = kruipen op handen en voeten, het wegdragen door de politie van een lastigen dronken man (met het gezicht naar beneden); Frogged = met ‘frogs’ bevestigd of versierd; Froggy = vol kikkers.
Froise, frôiz, spekpannekoek.
Frolic, frolik, subst. dartele sprong, grap; vroolijke partij, pretje; adj. vroolijk, dartel, dol, lustig; Frolic verb. dartelen, rondspringen, pret maken: Frolicsome = dartel, vroolijk; subst. Frolicsomeness.
From, from, van, vandaag, vanuit, sedert, wegens: From forth = vanuit; He had his mission from on high = hij ontving zijne zending van boven, uit den hemel; From my childhood = van kindsbeen af; From the sixth of May = sedert; It’s all from his unwillingness to oblige me = het komt allemaal door zijne ongeneigdheid om mij te helpen; From time to time = van tijd tot tijd; Judging from this = hiernaar te oordeelen; Protected from the rain = beschermd voor; To sift grain from chaff = kaf van koren, waarheid van leugen scheiden; Tell it him from me = namens mij.
Frome, froum. Frond, frond, blad van planten als varens en palmen; Frondescence, frondes’ns, het ontplooien der bladeren; adj. Frondescent, frondes’nt; Frondiferous, frondifərɐs, waaiervormige bladeren dragend; Frondose, frondous, frondous, waaiervormig (waaierdragend).
Frondeur, frondɐ̂, lid der Fronde i.e. tegenstanders van de Regeering bij de minderjarigheid v. Lodewijk XIV.
Front, frɐnt, subst. voorhoofd, gelaat, voorste gedeelte, front, gevel, voorvertrek: brutaalheid, schaamteloosheid, toertje (valsch haar), overhemdje, begin, voorhoede; Front verb. het hoofd bieden, staan tegenover, met het voorhoofd gekeerd staan naar, van een front voorzien: He changed front all at once = hij veranderde in eens v. batterij; This man has come to the front of late = neemt in den laatsten tijd eene eerste plaats in; They presented a united front in this emergency = in dezen nood boden ze gezamenlijk weerstand; To stand in front of = staan vóór; My shoes must be new fronted = ik moet laten voorschoenen; Front-benchers = (ministers) die op de eerste bank zitten (Lagerhuis); Front-box = loge tegenover het tooneel; Front-door = voordeur; Front opposition bench = eerste bank, links van den Speaker, in het House of Commons waarop de leiders der oppositie zitten; Front-rank = eerste rang (klas); Frontage, frɐntidž, voorzijde of front van een gebouw langs de geheele uitgestrektheid; Frontal, subst. fronton, hoofdband, deur- of vensterboog; adj. eerste, voorste, vooraan gelegen, tot het voorhoofd of front behoorende; Frontlet, kleine hoofdband; Fronton, frontən, frɐntən, of Fr. uitspr., fronton.
Frontier, frontjə, frɐntjə, frontîə, subst. grens(lijn); adj. aan de grenzen gelegen.
Frontispiece, frontispîs, frɐntispîs, frontispies, voorgevel, plaat tegenover het titelblad, gelaat; voorzien van een frontispies.
Frost, frost, vorst, ijzel, kilheid, koele ontvangst; Frost verb. berijpen, glaceeren, scherpen (v. paardehoeven), mat of dof maken: The singer was a fearful frost = had niet het minste succes; This piece will run no chance of a frost = dit zal ongetwijfeld succes hebben, “gaan”; Frost-bitten = bevroren: A frost-bitten nose = bevroren neus; Frost-bound = ingevroren; Frost-flower (Zie Frost-work); Frost-nail = ijsnagel (voor paarden); Frost-work = ijsbloemen op glas, enz.; Frosted = geglaceerd, mat: Frosted glass = ijsglas; Frosted silver = mat zilver; Frostiness = vorstigheid; Frosting = suikerglazuur, matte oppervlakte; Frosty = vorstig, koel, koud.
Froth, froth, subst. schuim, ijdel gesnap, gewauwel; Froth verb. met schuim bedekken, (doen) schuimen, ijdele praat houden: Froth and flummery = gewauwel en nonsens; Froth-spit, Zie Frog-hopper; Frothiness, subst. van Frothy = schuimend, ijdel, onbeteekenend.
Froude, frûd. Frounce, frauns, krul, rimpel: Frounces of phrase and style = gemaakte zinswendingen en onnatuurlijke stijl.
Frousy, Frouzy, frauzi, vuil, slordig, muf, rans.
Froward, frouwəd, adj. weerspannig, gemelijk, onaangenaam; subst. Frowardness.
Frown, fraun, subst. gefronst gelaat, ontevreden blik; Frown verb. fronsen, dreigend staren: He was under the frown of power = de machtigen staarden hem dreigend aan; He frowned us into obedience = zijn dreigende blik deed ons gehoorzamen.
Frowzy, frauzi = Frousy.
Froze, frouz, imperf. van to freeze.
Frozen, frouz’n, bevroren, buitengewoon koud, kil; part. perf. v. to freeze: The Frozen Ocean = de IJszee; The Frozen Zones = de Poolstreken.
Fructescence, frɐktes’ns, rijpwording der vruchten, vruchtentijd; Fructiferous = vruchtdragend; Fructification, frɐktifikeiš’n, bevruchting, vruchtvorming; Fructify, frɐktifai, vruchtbaar maken, vrucht dragen; Fructose, frɐktous, frɐktous, vruchtensuiker.
Frugal, frûg’l, matig, zuinig; Frugality, frugaliti, matigheid, zuinigheid.
Frugivorous, frudživərɐs, vruchtenetend.
Fruit, frût, vrucht(en), fruit, kroost, gevolgen, voordeel; Fruit verb. vruchten dragen; Fruit-bearing = vruchtdragend; Fruit-bud = vruchtknop; Fruit-dish = vruchtenschaal; Fruit-knife = fruitmesje; Fruit-loft = fruitzolder; Fruit-time = oogsttijd, vruchtentijd; Fruit-tree = vruchtboom; Fruitage = ooft; opbrengst; Fruiterer = fruithandelaar; Fruitful = vruchtbaar; subst. Fruitfulness; Fruitiness = vruchtensmaak; Fruition, frûiš’n, vruchtgebruik, bezit, genot daaruit voortvloeiend; Fruitive, frûitiv, genietend, gebruikend; Fruitless = vruchteloos; subst. Fruitlessness; Fruity = met vruchtensmaak.
Frumenty, frûm’nti, tarwepap.
Frump, frɐmp, brommige, ouderwetsch of slordig gekleede vrouw; Frump verb. bespotten, afsnauwen: Old frump = oude soes; Frumpish = lastig, brommig, ouderwetsch, slonzig; ordinair; Frumpish ways = ouderwetsche manier van doen; Frumpy = Frumpish.
Frustrate, frɐstreit, teleurstellen, verijdelen, tenietdoen; adj. frɐstrit, ijdel, nutteloos; subst. Frustration.
Frustum, frɐst’m, brok, stuk: Frustum of a cone (pyramid) = geknotte kegel (zuil).
Frutescent, frûtes’nt, heesterachtig.
Fry, frai, bakken, braden; schoteltje, baksel; lever, longen, hart, enz. van varkens, schapen, kalveren en ossen; school (jonge visschen), jong goedje of volkje, kleinigheden, mindere lui; Frying-pan = bakpan: Out of the frying-pan into the fire = van den regen in den drop, van den wal in de sloot.
Fub, fɐb, bedriegen, stelen: To fub off = onder valsche voorwendsels uitstellen.
Fuchsia, fjûšə, foksia.
Fucus, fjûkəs, blaaswier.
Fuddle, fɐd’l, dronken maken, overmatig drinken, zuipen: He fuddled himself; Fuddler = dronkaard.
Fudge, fɐdž, subst. malligheid, onzin; interj. och loop! onzin!; Fudge verb. vervalschen, verzinnen; opsnijden: He fudged his reports from another paper = flanste samen.
Fuel, fjûəl, subst. brandstof; Fuel verb. van brandstof voorzien, voeden: That added (was as) fuel to the fire = dat was olie in ’t vuur; Fuel-gas = kookgas.
Fuff, fɐf, subst. trekje (aan sigaar of pijp); Fuff verb. trekken, puffen; Fuffy = opgeblazen, buiïg.
Fugacious, fjugeišəs, vluchtig; vroeg afvallend; subst. Fugacity.
Fugh, fjû, Bah! Zie Faugh.
Fugitive, fjûdžitiv, subst. vluchteling, deserteur; adj. vluchtig, voorbijgaand, voortvluchtig, zwervend: Fugitive compositions = werken van één dag; Fugitiveness = vluchtigheid.
Fugleman, fjûg’lmən, vleugelman, guide; leider, woordvoerder.
Fugue, fjûg, fuga; Fuguist, fjûgist, componist van fuga’s.
Fulcrate, fɐlkrit, van steunorganen voorzien; Fulcrate-stem = boom, waarvan de takken tot de aarde reiken; Fulcrum, fɐlkr’m, steunpunt (van een hefboom), stut, steun.
Fulfil, fulfil, vervullen, volbrengen, uitvoeren: This short note fulfils the adage, for it is a merry one = dit korte briefje maakt het bekende gezegde waar, want het is een vroolijk kattebelletje (i.e. Short but merry); He was fulfilled of this pleasure = had er genoeg van; subst. Fulfilment.
Fulgency, fɐldž’nsi, glans, schittering; adj. Fulgent.
Fulgo(u)r, fɐlgə, schittering; Fulguration, fɐlgjureiš’n, weerlicht, fonkeling; Fulgurite, fɐlgjurait, fulguriet, bliksembuizen.
Fulham, fuləm.
Fuliginous, fjulidžinɐs, roetachtig, rookerig, vuil, duister, somber.
Fulk, fɐlk, Folkert.
Full, ful, adj. vol, verzadigd, bezet, dik, gevuld, rijp, volkomen, krachtig; subst. volle maat, grootste uitgebreidheid, hoogste punt: The full of the moon = de tijd, dat de maan vol is; The moon was at the (its) full = was vol; We are full = wij hebben geen plaats meer (in hotel of school, etc.); The dogs were in full cry = blaften alle luide; He knows it full well = hij weet het heel goed; To the full, In full = ten volle, geheel; Full and by = met volle zeilen, en scherp bij den wind; Full age(d) = meerderjarig(heid); Full-armed = in volle wapenrusting; Full-bloomed = in vollen bloei, rijp; Full-blown = geheel ontwikkeld, volkomen rijp; Full-bottom(ed wig) = allonge pruik, lange krulpruik (gedragen door rechters); Full-cry = samen blaffend; Full-dress = gala; Full-drive = in vollen ren, met volle kracht; Full-eyed = met groote oogen; Full-faced = met groot en dik gelaat; A full-fledged socialist = ten volle ontwikkeld, overtuigd; Full-out = geheel, voluit; Full-stop = punt, plotseling einde; Full-swing = in vollen ren, volkomen vrij, druk bezig: We are in the full swing of stopping managers to play our pieces = wij zijn druk bezig er een stokje voor te steken, dat ...; Fullness = volheid: In the fullness of time; Fully = ten volle; Fully-committed = naar de Assizes verwezen.
Full, ful, vollen; Fullage = geld voor ’t vollen; Fuller = voller; Fuller’s earth = vollersaarde; Fullery = Fulling-mill = vollersmolen.
Fulminate, fɐlmineit, donderen, losbarsten, ontploffen; Fulminating-powder = donderpoeder; Fulminatory, donderend; Fulminic: Fulmic acid = knalzuur.
Fulness = Fullness.
Fulsome, fɐls’m, aanstootelijk, overdreven, grof; subst. Fulsomeness.
Fulton, fult’n.
Fulvous, fulvəs, taan- of voskleurig.
Fumble, fɐmb’l, rondtasten, tastend zoeken, onhandig doen, knoeien met, verward zijn, morrelen aan (with), verfrommelen (up).
Fume, fjûm, subst. uitwaseming, damp, reuk, toorn, woede; Fume verb. damp uitwerpen, in damp opgaan, rooken (van vleesch, etc.), doorgeuren, ontsmetten (door rook en damp), woedend zijn: He was in a fume = hij was woedend; To sleep off the fumes of a debauch = zijn roes uitslapen; He walked up and down, fretting and fuming = knarsetandend en woedend.
Fumigate, fjûmigeit, doorgeuren, ontsmetten (door rook); Fumigation = berooking; rook, wierook: Fumigator = rook- of damptoestelletje; Fumitory = duivenkervel; Fumous = damp of rook veroorzakend.
Fun, fɐn, subst. pretje, grap, vroolijkheid; Fun verb. grappen maken: That was the fun of it = dat was juist de aardigheid er van; It wouldn’t be much fun = niet erg leuk zijn; I did it for (in) fun, for the fun of the thing = voor de grap, voor de aardigheid; To have good (great) fun = veel pleizier hebben; He made fun of it = hij maakte er een grapje van; To poke fun at = voor de mal houden.
Funambulation, fjûnambjuleiš’n, het koorddansen; Funambulist.
Function, fɐŋkš’n, subst. verrichting, uitvoering, beroep, dienst (van een bepaald orgaan), bijeenkomst, partij, feest, kerkelijk ambt; Function verb. een plicht, dienst of beroep vervullen: That railway functions no longer = die baan is buiten dienst; Functional-disease = organisch gebrek; Functionary, fɐŋkš’nəri, ambtenaar, beambte.
Fund, fɐnd, subst. fonds, kapitaal, voorraad (Funds = nationale schuld, geld, financiën) Fund verb. beleggen (van geld), een fonds bestemmen voor; Fund-holder = actiënhouder; Funded debt = staatsschuld, die de regeering niet op een bepaalden tijd behoeft af te lossen; Funding-system = amortisatie-stelsel.
Fundament, fɐndəment, grondslag, benedenste, achterste; Fundamental, fɐndəment’l, adj. den grondslag vormend, voornaamste, oorspronkelijk; subst. basis, grondslag, grondtoon: Fundamental bass = becijferde bas, aanduiding der accoorden door hun grondtoon.
Fundi, fɐndi, Fundungi, f’ndɐnži, West-Afrikaansch koren.
Funen, fjûnən.
Funeral, fjûnər’l, subst. begrafenis, lijkstatie; ook adj.: Funeral pile = brandstapel; Funeral-sacrifice = doodenoffer; Funeral-sermon = lijkrede; Funeral-train = begrafenisstoet; Funeralize = als geestelijke dienst doen bij eene begrafenis (Amer.); Funereal, fjunîriəl, begrafenis ..., treurig: A funereal gait = begrafenispas.
Fungacious, fɐŋgeišəs; Fungal, fɐŋg’l, spons- of zwamachtig; Fungi, fɐnžai, zwammen; Fungivorous, fɐndživərɐs, zich met zwammen of paddestoelen voedend; Fungoid, fɐŋgôid; Fungous, fɐŋgəs, zwamachtig; Fungus, fɐŋgəs, zwam, sponsachtige uitwas: Fungous flesh = wild vleesch.
Fungible, fɐnžib’l, vervangbaar.
Funicle, fjûnik’l, dun snoer, vezel, navelstreng; Funicular, fjunikjulə, kabel- of touwvormig: Funicular railway = kabelspoorweg; Funiculus, fjunikjulɐs = Funicle; Funiliform = vezelvormig.
Funk, fɐŋk, subst. stank, vrees, lafhartigheid, lafaard; schop, knorrigheid; Funk verb. bang maken of zijn, schoppen of trappen (van woede), woedend zijn: He was in a blue funk = zat vreeselijk in de rats; You seem to funk it = gij schijnt het niet aan te durven; Funker = bange, benauwde vent; Funky = angstig.
Funnel, fɐn’l, trechter, schoorsteen (van stoomboot of locomotief); Funnel-form (Funnel-shaped) = trechtervormig; Funnel-net = fuik.
Funniments, fɐnimənts = grapjes; Funny, fɐni, grappig, kluchtig; subst. soort van roeiboot; Funny-bone = elleboogsknokkel: A rap on the funny-bone = weduwnaarspijn.